Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 02/0261/GV, 15 maart 2002, beroep
Uitspraakdatum:15-03-2002

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 02/261/GV

betreft: [klager] datum: 15 maart 2002

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (PBW) heeft kennis genomen van een op 1 februari 2002 bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een op 25 januari 2002 genomen beslissing van de Minister van Justitie (de Minister),

alsmede van de onderliggende stukken.

De beroepscommissie heeft de Minister in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klager om zijn beroep schriftelijk toe te lichten.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De Minister heeft klagers verzoek tot het tijdelijk verlaten van de inrichting in het kader van strafonderbreking afgewezen.

2. De standpunten
Klager heeft zijn beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek tot het tijdelijk verlaten van de inrichting niet toegelicht.

De Minister heeft de bestreden beslissing als volgt toegelicht.
Klager heeft verzocht om strafonderbreking, omdat hij samen met zijn familie zodanige voorwaarden rond zijn woning wil scheppen dat hij in staat zal zijn daar te zijner tijd voor zijn hulpbehoevende vader te kunnen zorgen. Daarvoormoet een zogenaamde noodwoning en een verhuizing geregeld worden.
Omdat klager naar de gezondheidstoestand van zijn vader verwees, heeft de directeur van de inrichting waar klager verbleef het verzoek ter advisering doorgeleid naar het hoofd bureau individuele medische advisering. Het hoofd heeftdaarop aangegeven klagers verzoek te beschouwen als een verzoek op sociale indicatie en zich daarom voorlopig te onthouden van advies.
Ten aanzien van het verzoek is overwogen of zich een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 34 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, d.d. 24 december 1998, nr. 733726/98/DJI, voordoet. Hiermee wordt een,vaak onverwachte, gebeurtenis met zwaarwegende reden bedoeld. In de door klager aangegeven redenen wordt geen omstandigheid als bedoeld gezien. Daarnaast wordt bij de beoordeling inzake eventuele inwilliging van een verzoek omstrafonderbreking eerst de mogelijkheid van een andere vorm van verlof overwogen, daar slechts strafonderbreking wordt verleend indien niet kan worden volstaan met een andere vorm van verlof.
Nu klager zich in een beperkt beveiligde inrichting met de daaraan verbonden regimaire weekendverlofregeling bevindt, wordt er vanuit gegaan dat hij van deze verlofregeling gebruik kan maken om zijn familie in de gegevenomstandigheden zoveel mogelijk terzijde te kunnen staan.
Gelet op het voorgaande is geen reden gezien om tot het verlenen van strafonderbreking over te gaan. Daarom is het verzoek afgewezen.

Op het verzoek om strafonderbreking zijn de volgende adviezen uitgebracht.
De directeur van de gevangenis Bankenbosch te Veenhuizen heeft positief geadviseerd. Daarbij is aangevoerd dat klager goed functioneert binnen de inrichting en zich houdt aan de met hem gemaakte afspraken. Hij heeft eerderstrafonderbreking genoten en zich toen ook keurig aan de met hem gemaakte afspraken gehouden.
De huisarts van klagers vader ondersteunt het verzoek.

3. De beoordeling
Klager ondergaat een gevangenisstraf van acht jaar met aftrek, wegens moord. De wettelijk vroegst mogelijke v.i.-datum valt op of omstreeks 10 november 2003.
Klager verbleef van 4 januari 1999 tot 19 februari 2002 in de gevangenis Bankenbosch, een beperkt beveiligde inrichting, en verblijft sinds 19 februari 2002 in de gevangenis Maashegge te Overloon, eveneens een beperkt beveiligdeinrichting.

Artikel 34 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, d.d. 24 december 1998, nr. 733726/98/DJI bepaalt dat strafonderbreking kan worden verleend wegens zodanig bijzondere omstandigheden dat niet kan worden volstaan meteen andere vorm van verlof.

De beroepscommissie stelt vast dat klager sinds 4 januari 1999 in een beperkt beveiligde inrichting verblijft waar hij elke vier weken weekendverlof krijgt.
Zij overweegt dat in het verzoek om strafonderbreking iedere gedetailleerde beschrijving van het plan en de daarbij van klager te verwachten noodzakelijke inspanning ontbreekt. De bij brief van 29 januari 2002 toegezegde toelichtingop het beroep is niet ontvangen. Op grond van deze gegevens is het voor de beroepscommissie niet mogelijk om de noodzaak van strafonderbreking te beoordelen. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het thans mogelijkevierwekelijkse weekendverlof voldoende is om de bouw te begeleiden. Derhalve is de beslissing van de Minister niet in strijd met de wet en kan deze, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen evenmin als onbillijk wordenaangemerkt.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. U. van de Pol, voorzitter, mr. A.G. Bosch en mr. J.M.M. van Woensel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vodegel, secretaris, op 15 maart 2002.

secretaris voorzitter

Naar boven