Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 10/3874/GA en 10/3924/GA, 20 juni 2011, beroep
Uitspraakdatum:20-06-2011

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 10/3874/GA en 10/3924/GA

betreft: [klager] datum: 20 juni 2011

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

de directeur van de penitentiaire inrichting (p.i.) Alphen aan den Rijn

en van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak van 22 november 2010 van de beklagcommissie bij voormelde p.i.,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 9 mei 2011, gehouden in de p.i. Amsterdam Over-Amstel, zijn [...] en [...], respectievelijk plaatsvervangend vestigingsdirecteur en juridisch medewerker bij de p.i. Alphen aan den Rijn, gehoord.
Klager en zijn raadsvrouw mr. I.A. Groenendijk hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te worden gehoord ter zitting van de beroepscommissie. Klagers raadsvrouw heeft op 29 april 2011 schriftelijk verzocht om aanhouding van de behandeling van
de beroepen van klager en van de directeur.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
Het beklag betreft – voor zover in beroep aan de orde – de beëindiging van klagers baantje van afdelingsreiniger.

De beklagcommissie heeft het beklag gegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.
Zij heeft voorts vastgesteld dat aan klager ter zake van die gegrondverklaring een tegemoetkoming zal worden toegekend ter hoogte van € 7,50.

2. De standpunten van klager en de directeur
De directeur heeft zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt in beroep toegelicht.
Klager heeft schriftelijk toegelicht waarom hij de hem toegekende tegemoetkoming te laag vindt.

3. De beoordeling
Namens klager heeft de raadsvrouw verzocht om aanhouding van de behandeling van de beroepen van klager en de directeur. De beroepscommissie acht zich thans evenwel voldoende ingelicht om op beide beroepen te beslissen en zal het verzoek om aanhouding
daarom afwijzen.

De door de directeur overgelegde door het afdelingspersoneel opgemaakte meldingen met betrekking tot klagers functioneren als afdelingsreiniger zijn achteraf – op verzoek van de directeur – opgemaakt. Dat laat evenwel onverlet dat die meldingen een
weergave geven van klagers functioneren als afdelingsreiniger in de periode voorafgaand aan de bestreden beslissing van de directeur. Uit die meldingen wordt voldoende aannemelijk dat klager toen niet goed functioneerde. Gelet daarop moet worden
geoordeeld dat de beslissing van de directeur om klager het baantje van afdelingsreiniger te ontzeggen, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, als niet onredelijk of onbillijk moet worden aangemerkt. De beslissing van de beklagcommissie
kan daarom in zoverre niet in stand blijven en (dit onderdeel van) het beklag dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

Nu het beklag alsnog ongegrond zal worden verklaard, bestaat er niet langer meer aanleiding voor het toekennen van een tegemoetkoming aan klager. Alleen al om die reden dient het beroep van klager ongegrond te worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep van de directeur gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart dit onderdeel van het beklag alsnog gegrond. Zij vernietigt voorts de uitspraak van de beklagcommissie voor zover
deze de vaststelling van een tegemoetkoming inhoudt.
Zij verklaart het beroep van klager ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.I.M.W. Bartelds, voorzitter, mr. L.M. Moerings en mr. M.A.G. Rutten, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.M.J.D. Maes, secretaris, op 20 juni 2011

secretaris voorzitter

Naar boven