Onderwerp: Bezoek-historie

KRW-maatlat macrofauna voor zoet getijdenwater (R8) : nadere analyses
Publicatiedatum:01-01-2011

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Auteur(s)

L. Posthuma, D. de Zwart, J. Postma, A.J.G. Reeze ; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Ecofide, Arcadis

 

Samenvatting

De Europese Kader Richtlijn Water (KRW) schrijft het gebruik voor van biologische methoden om te toetsen of een watersysteem een goede ecologische toestand heeft. De ecologische toestand is niet optimaal als de samenstelling van de dier- en plantensoorten afwijkt van de referentie. Dergelijke referenties verschillen per watertypen. De aard van de afwijkingen geeft inzicht in de oorzaak van de verandering in soortensamenstelling: er verdwijnen soorten die gevoelig zijn voor een bepaalde verstoring, of er verschijnen juist soorten die hiervoor ongevoelig zijn. Een ecosysteem wordt echter beïnvloed door een verscheidenheid aan verstoringen, waarvan de effecten slechts gedeeltelijk verschillend zijn. Om de chemische kwaliteit van sedimenten in zoete getijdewateren (watertype R8) te beoordelen is in de periode 2007-2009 in opdracht van Rijkswaterstaat een biologische methode ontwikkeld. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat deze methode kan worden verbeterd door soorten met een geringe indicatiewaarde voor verontreiniging anders of niet mee te wegen. Dit onderzoek is in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd, om de R8-maatlat te verbeteren en het vertrouwen in de uitkomsten van de maatlat te vergroten. Indertijd is bij het afleiden van deze methode uitgegaan van de levensgemeenschap van soorten als geheel. Ook zijn de concentraties van individuele giftige stoffen in de sedimenten betrokken. Bij de nu uitgevoerde analyse van dezelfde meetgegevens is de reactie van individuele soorten bekeken in relatie tot enkele uiteenlopende milieufactoren en één kwantitatieve waarde voor de mate waarin het mengsel toxicanten in de betrokken sedimenten schadelijk is (toxische druk). Dit maakt het mogelijk om met grotere zekerheid de indicatiewaarde van de individuele soorten voor de aanwezigheid van toxiciteit te bepalen. De waargenomen relatie tussen modelmatig voorspelde toxische druk en waargenomen aangetaste fracties van taxa is in de eerste plaats van belang voor de evaluatie van de R8-maatlat voor sedimentverontreiniging. Uit de vergelijking van de verkregen gegevens met de bestaande maatlat-R8 bleek, dat de eerder voorgestelde R8-classificatie van de taxa, in subgroepen met verschillende gevoeligheden voor toxiciteit, redelijk – maar niet volledig – overeen stemt met de thans berekende effecten van mengsels op de subgroepen van taxa. Optimalisatie van de indicatiewaarde is mogelijk, door nadere analyse van de taxon-specifieke GLM-gegevens. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de aan- of afwezigheid van de predictor ‘toxische druk’ in de GLM van de verschillende taxa, aangezien bij een aantal taxa er geen significant signaal gevonden werd voor deze predictor. Ook kan gebruik worden gemaakt van het relatieve belang van de predictor toxische druk in vergelijking met het belang van de overige predictoren, aangezien voor een aantal taxa de bijdrage van de toxische druk aan de abundantiepatronen relatief gering is. Dit is een signaal voor een mogelijk zwakke indicatieve waarde van een dergelijk taxon voor een maatlat die verontreiniging zou moeten indiceren. Bij toepassing van dergelijke evaluaties zal bedacht moeten worden dat de gehele aanpak gepaard zal blijven gaan met de onzekerheden die kenmerkend zijn voor veldonderzoek. In de tweede plaats zijn de resultaten die verkregen zijn met de R8-dataset van algemeen belang voor het stoffenbeleid en het waterbeleid, aangezien daarbij risicogrenzen worden gehanteerd die met toxische-druk bepalingen worden afgeleid. Bij het toelatingsbeleid van stoffen wordt een chronische toxische-druk grens van 5% (op basis van NOECs) gehanteerd om het Maximaal Toelaatbare Risiconiveau (per stof) te definiëren. In de Handreiking beoordelen waterbodems worden voorts grenswaarden van 20% en 50% gehanteerd om in de praktijk de verontreinigingsgraad van sedimenten te beoordelen, gebaseerd op chronische toxische druk bepalingen op het chronische EC50-niveau. Dit laatste houdt in dat de beoordeling van de lokale milieukwaliteit in de praktijk gebaseerd is op de twee (20 en 50%) genoemde toxische-druk waarden. Uit de uitgevoerde analyses blijkt, dat beide voor Handreiking beoordelen waterbodems gekozen grenswaarden indicatief zijn voor grote verschillen in abundanties van sedimenttaxa en duiden op verschillende mate van toxische effecten van lokale mengsels bij de beide blootststellingsniveaus. De effecten zijn bovendien (veel) groter dan de abundantie-effecten die gevonden worden bij een veel lagere toxische druk, zoals een chronische toxische druk voor NOEC-overschrijding bij 5% van de soorten (het MTR-niveau). Uit de waargenomen abundantiepatronen blijkt dat de gekozen grenswaarden, zoals bedoeld, indicatief zijn voor verschillende mate van toxische effecten. Of de gekozen grenswaarden exact voldoen (qua niveau van respons) aan de vooraf gestelde beschermdoelen (MTR-niveau) of mate van aantasting (20% en 50% grens voor EC50-overschrijding in Handreiking beoordelen waterbodems) is een punt voor nadere evaluatie.

 

Annotatie

70 p.
bijl., ill.
Met lit.opg.
RIVM briefrapport 607080001
In opdracht van Rijkswaterstaat (RWS)

Naar boven