Onderwerp: Bezoek-historie

Asfalteren bij lage temperaturen : verslaggeving van de ZOAB+ proefvakken A58
Publicatiedatum:01-01-2012

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Auteur(s)

J. Jager, T. Maagdenberg, J. Voskuilen ; Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (RWS, DVS); A. Prost ; Prost Profiel

 

Samenvatting

<p>Als tijdens een strenge winter vorstschade van enige omvang aan het wegdek optreedt, zoals overmatige rafeling in ZOAB, bieden de bestaande technieken beperkte mogelijkheden om te asfalteren. Wereldwijd is bekend dat asfalteren bij buitentemperaturen lager dan 5&ordm;C met de reguliere verwerkingstechnieken kan resulteren in een asfaltlaag met een lagere kwaliteit dan gebruikelijk. Voor aannemers voldoende reden om geen garantie te geven op deklagen die onder dergelijke omstandigheden moeten worden aangelegd. <br /> Indien bij een langdurige vorstperiode overmatige rafeling optreedt, heeft de wegbeheerder twee opties. De eerste optie is tijdelijke reparatie met later, zodra de weersomstandigheden beter zijn, definitieve reparatie. De tweede optie is het gerafelde ZOAB frezen en het verkeer er met een snelheidsbeperking overheen laten rijden totdat de weersomstandigheden het toelaten om te asfalteren. Om te onderzoeken of asfalteren onder winterse omstandigheden mogelijk is met behoud van kwaliteit, heeft Rijkswaterstaat eerst vooronderzoek (quick scan) gedaan. Dit rapport bevat een beknopt overzicht van de uitkomsten van het vooronderzoek. De strekking van het vooronderzoek luidt dat speciale maatregelen genomen moeten worden om bij lage temperaturen te kunnen asfalteren en eventueel kwaliteitsverlies te beperken. Die maatregelen betreffen onder meer het asfalttransport, aanpassingen aan de spreidmachine, <br /> voorverwarming van de ondergrond, bescherming en conditionering van aanliggend bestaand asfalt en extra aandacht voor het verdichtingsproces. Het vooronderzoek gaf voldoende onderbouwing om een kansrijke praktijkproef te organiseren. In februari 2010 heeft Rijkswaterstaat een praktijkproef laten uitvoeren op de A58. Daar legden twee aannemers ieder een ZOAB+ proefvak aan van 300 meter lengte, bij temperaturen onder het vriespunt. Tijdens de aanleg van de proefvakken werden uitgebreide metingen gedaan, onder meer met infrarood camera's en met GPS om de materieelbewegingen te monitoren. Ook werden boorkernen genomen, om diverse proeven in het laboratorium uit te voeren. Verder zijn er lasermetingen verricht aan de opgeleverde proefvakken om het verloop van het rafelingsproces in de tijd vast te leggen. De visuele inspecties van de proefvakken zijn zo lang als mogelijk was uitgevoerd, dat wil zeggen tot kort voor de verwijdering van de vakken vanwege reconstructiewerkzaamheden (na ruim anderhalf jaar). Op basis van de metingen, uitgevoerd tijdens, kort na de aanleg en na ruim anderhalf jaar, kan geconcludeerd worden dat de getroffen uitvoeringsmaatregelen hebben bijgedragen aan het bereiken van een kwalitatief goede ZOAB+ deklaag. De resultaten van overwegend mechanisch georiënteerde proeven direct na aanleg schetsen het beeld dat de mechanische eigenschappen van de ZOAB+, aangelegd bij lage temperatuur, overeenkomen met die van onder normale omstandigheden aangelegd ZOAB+. De relatief korte termijnresultaten zijn veelbelovend, maar er kunnen nog geen definitieve conclusies worden getrokken over het lange termijngedrag. Aan asfalteren bij lage temperaturen blijven altijd kwaliteitsrisico's verbonden. Mede gezien de extra kosten voor de uitvoeringsmaatregelen wordt aanbevolen de methodiek van asfalteren bij lage temperatuur uitsluitend in te zetten in situaties waarbij een acute grootschalige reparatie vereist is, bijvoorbeeld ten behoeve van de mobiliteit en verkeersveiligheid.</p>

 

Annotatie

62 p.
Definitief
Ill., bijl.

Naar boven