Onderwerp: Bezoek-historie

Tweekleppigen in IJsselmeer en Markermeer, 2006-2008
Publicatiedatum:09-06-2009

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Auteur(s)

R. Noordhuis; Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, Directie IJsselmeergebied (RWS, RDIJ)

 

Samenvatting

In december 2006 en november 2007 werden in herhaling van karteringen die in

1993/94 en 1999/2000 werden uitgevoerd, een mosselkartering in resp. het

Markermeer/IJmeer en het IJsselmeer uitgevoerd op een regelmatig grid van 88

resp. 140 monsterpunten (gehalveerd t.o.v. 2000). Daarbij werd een gemiddeld

biovolume gevonden van 12,9 ml per m

2

in de kom van het Markermeer, 28,3 ml

per m

2

in de Hoornsche Hop, 59,8 ml per m

2

in het IJmeer, 24,0 ml/m

2

in het

noordelijk IJsselmeer en 52,7 ml/m

2

in het zuidelijk IJsselmeer. Ten opzichte van de

kartering van 1999/2000 betekent dat in het Markemeer een afname met resp. 21,

32 en 21% (na een veel sterkere afname tussen 1993 en 2000) en in het IJsselmeer

met resp. 81 en 90%. Hoewel over de exacte percentages discussie mogelijk is,

blijft in het Markermeer op zijn minst gebrek aan herstel staan (totale afname t.o.v.

1981 bedraagt 76%), en in het IJsselmeer een forse afname (75-80% t.o.v. 1981).

In het Markermeer kwamen mosselen van meer dan 11 mm in de monsters vrijwel

niet voor, waarmee de trend naar kleinere mosselen verder lijkt te zijn doorgezet.

In het IJsselmeer lijkt vooral in het zuiden eveneens een ontwikkeling naar kleinere

mosselen en een slechtere conditie gaande te zijn. De nieuwe afname in het

IJsselmeer ging niet gepaard met lagere aantallen Kuifeenden. Mogelijk is de

afname verbonden aan het optreden van lage zuurstofconcentraties bij de bodem en

daarmee ook met de opwarming van het water door klimaatverandering. In 2008

werd het zuidelijke deel van het IJsselmeer opnieuw gekarteerd. In dit gebied nam

het gemiddelde biovolume toe van 55,8 tot 194,3 ml/m

2

(Driehoeksmossel en

Quagga-mossel samen); een toename met een factor 3,5 die een gedeeltelijk

herstel van de afname sinds 1999 betekende (biovolume 1999 was op deze locaties

gemiddeld 614,6 ml/m

2

).

Andere tweekleppigen die werden gevonden waren erwtenmosselen

Pisidium

(waarschijnlijk m.n.

P. subtruncatum

, vooral op slibbige locaties in het midden van

het meer, in combinatie met lage dichtheden van Driehoeksmosselen), Quaggamosselen

en korfmosselen. Korfmosselen zijn voor het eerst in het gebied

aangetroffen bij de MWTL biotoopbemonsteringen van 2000 (alleen in het zuidelijke

IJmeer) en 2004 (zuidelijk IJmeer, Gouwzee en Markermeer Trintelhaven). Bij de

mosselkartering van 2006 werden ze gevonden in het zuidelijke IJmeer, langs de

Houtribdijk en bij Lelystad. In 2007 werden ze ook gevonden in het zuidelijke

IJsselmeer, in lage aantallen in de Gouwzee en in relatief hoge dichtheden bij

Pampushaven en in het kustgebied voor Muiden. Zowel in de MWTL monsters als bij

de kartering van 2006 betrof het uitsluitend de Aziatische Korfmossel

Corbicula

fluminea

. Het meest recent is de kolonisatie door de Quagga-mossel

Dreissena

bugensis

, die in 2007 vooral in het zuidelijke IJsselmeer werd gevonden, maar ook

bij de Zeughoek en bij Kornwerd. In 2008 bleken zowel korfmosselen als Quaggamosselen

in het zuidelijke IJsselmeer sterk te zijn toegenomen. Quagga-mosselen

namen t.o.v. 2007 toe van 4 naar 74 indiviuën per m

2

, gemiddeld 7,1% van de som

van Driehoeksmosselen en Quagga-mosselen op aantalsbasis. De korfmosselen

namen toe van 14,5 naar 74 individuën per m

2

.

 

 

 

Annotatie

119 p.
ill., bijl.
Met lit.opg.
Status: Definitief

Naar boven