Wijzigingen in de Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven zorgzwaartepakketten en volledig pakket thuis 2026 (BR/REG-26125) ten opzichte van de Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven zorgzwaartepakketten) 2025 (met kenmerk BR/REG-25131a):
Indexatie en tekstuele correcties
De beleidsregel is geactualiseerd voor het jaar 2026.
Er zijn enkele tekstuele correcties in deze beleidsregel doorgevoerd.
De loon- en materiële kosten van de beleidsregelwaarden bevatten de definitieve percentages 2025 en de voorschotpercentages 2026. Indien binnen de beleidsregelwaarde een nhc is opgenomen (zie bijlage 2), dan bevat de nhc de jaarlijkse index van 2,5%. Indien binnen de beleidsregelwaarde een nic is opgenomen (zie bijlage 2), dan bevat de nic de index voor materiële kosten.
Kostenonderzoek langdurige zorg (ggz wonen exclusief behandeling en ghz)
De NZa heeft een kostenonderzoek uitgevoerd naar de prestaties binnen de sector gehandicaptenzorg en sector geestelijke gezondheidszorg exclusief behandeling in de langdurige zorg. In deze beleidsregel zijn de herijkte beleidsregelwaarden opgenomen van de prestaties die op basis van dat kostenonderzoek zijn aangepast. Binnen de sector gehandicaptenzorg betreft het de verblijfsprestaties, de toeslagen (kind) dagbesteding, de toeslagen woonzorg, de basisprestaties dagbesteding zg aud en zgvis, en de logeerprestaties ghz-vg, ghz-zevmb en ghz-zg. Binnen de sector geestelijke gezondheidszorg betreft het de verblijfsprestaties exclusief behandeling. Daarnaast betreft het ook de vervoersprestaties.
Het kostenonderzoek leidt ook tot een wijziging wat betreft kosten voor behandeling op de voorgrond en achtergrond. De kosten voor behandeling op de voorgrond zijn voor de prestaties logeren zg, vg en zevmb verdisconteerd in de beleidsregelwaarden. In de tarieven van de zzp's en vpt's van de reeksen vg, lg, zg en ggz-wonen is er geen onderscheid gemaakt tussen de toerekening van kosten voor behandeling op de voorgrond en kosten voor behandeling op de achtergrond.
Meer informatie over het kostenonderzoek binnen de sector gehandicaptenzorg en sector geestelijke gezondheidszorg exclusief behandeling in de langdurige zorg is terug te vinden in het document 'Verantwoordingsdocument kostenonderzoek langdurige zorg 2022-2026 '.
Kostenonderzoek VG7 differentiatie
Door een aanpassing in de prestatiestructuur is het per 1 januari 2026 mogelijk in de bekostiging te differentiëren tussen cliënten met Wlz-indicatie zorgprofiel vg7 binnen de sector gehandicaptenzorg. Afhankelijk van de zorglevering aan de omschreven doelgroepen kan worden bepaald welke prestatie in rekening kan worden gebracht. De NZa werkt nu met twee prestaties: 7vg en 7vg-plus.
De differentiatie verloopt aan de hand van een splitsing op basis van de zorglevering en van cliënt- als contextkenmerken.
De NZa heeft een kostenonderzoek uitgevoerd naar de prestatie 'ZZP 7vg incl.bh incl.db' (code Z473) binnen de sector gehandicaptenzorg. In deze beleidsregel zijn beleidsregelwaarden 'ZZP 7vg incl.bh incl.db' en 'ZZP 7vg-plus incl.bh incl.db' opgenomen van de prestaties die op basis van dat kostenonderzoek zijn aangepast.
Aanvullende informatie over het onderzoek VG7 binnen de sector gehandicaptenzorg in de langdurige zorg is terug te vinden in het document 'Verantwoordingsdocument kostenonderzoek sector gehandicaptenzorg, differentiatie VG7 2025'. Basis informatie is terug te vinden in het document 'Verantwoordingsdocument kostenonderzoek langdurige zorg 2022 - 2026'.
Kostprijsonderzoek ggz/fz 2024 (ggz-wonen en ggz-b inclusief behandeling)
De NZa heeft een kostprijsonderzoek uitgevoerd naar de prestaties binnen het Zorgprestatiemodel (Zpm) voor de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en forensische zorg (fz) die valt onder de Zorgverzekeringswet en de Wet forensische zorg. In dit kostprijsonderzoek zijn ook de ggz-verblijfsprestaties inclusief behandeling binnen de Wet langdurige zorg (ggz-b en ggz-wonen) meegenomen. Hieronder vallen de verblijfsprestaties inclusief behandeling (zzp inclusief behandeling voor ggz-wonen en ggz-b), vervoer, Klinisch Intensieve Behandeling (kib) en Beveiligde Zorg LZ 2 en 3. Dit onderzoek heeft geleid tot kostprijzen die we gebruiken als basis voor de herijking van de beleidsregelwaarden per 2026.
Aanvullend onderzoek naar kosten die verband houden met nhc en nic kostprijsonderzoek elv en Wlz crisiszorg vv
De NZa heeft in het najaar van 2024 een aanvullende uitvraag gedaan naar de kosten die onder de nhc/nic systematiek vallen binnen het kostenonderzoek elv en Wlz crisiszorg vv. Dit aanvullend onderzoek is een vervolg op het kostenonderzoek elv en Wlz crisiszorg vv van 2024. Het aanvullend onderzoek had als doel om een zo zuiver mogelijk onderscheid te krijgen in het deel van de materiële kosten over 2022 die vergoed gaan worden door de nhc/nic-systematiek (moeten worden geschoond) en welk deel van de materiële kosten over 2022 geen samenhang kent met de nhc/nic-systematiek. Een zuiver onderscheid voorkomt dubbele bekostiging of dat er mogelijk kosten onterecht buiten beschouwing blijven. Dit onderscheid was op basis van het kostenonderzoek elv en Wlz crisiszorg vv niet te maken. De wijzigingen zijn op basis van dit aanvullend onderzoek per 2026 doorgevoerd voor de prestatie Crisiszorg vv met behandeling (Z110). De resultaten van dit onderzoek zijn verder uitgewerkt in het document 'Addendum verantwoording tarieven elv en Wlz crisiszorg vv'. Het verantwoordingsdocument 'Tarieven ELV en Wlz-crisiszorg VV 2025', inclusief het addendum 'Verantwoording tarieven ELV en Wlz-crisiszorg VV', is als relatie opgenomen bij deze beleidsregel.
Bijlagen en relaties bij deze beleidsregel
In de Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven zorgzwaartepakketten en volledig pakket thuis 2026 is het nummer van bijlage 3 (Tabel combinaties toeslagen) gewijzigd in bijlage 2 en bijlage 4 (Onderbouwing beleidsregelwaarde prestatie) is gewijzigd in bijlage 3. Bijlage 1 (Overzicht zorgprofielen en bijbehorende zzp's), uitgezonderd de prestatiebeschrijving van zzp-vv10 is in deze beleidsregel opgenomen. De prestatiebeschrijving zzp-vv10 is als gewijzigde bijlage 1 bij deze bekeidsregel opgenomen. De voormalige bijlage 2 (Postcodetabel nbf) is in deze beleidsregel zijn opgenomen. Het overzicht zorgprofielen en bijbehorende zzp's is terug te vinden in artikel 6, lid 1 van deze beleidsregel. De postcodetabel is terug te vinden in artikel 6, lid 3 van deze beleidsregel.
Per 2026 zijn de voormalige bijlage 5 (Verantwoordingsdocument prestaties en tarieven langdurige zorg), bijlage 6 (Verantwoordingsdocument tarieven elv en Wlz crisiszorg vv 2025) en bijlage 7 (Verantwoordingsdocument onderbouwing maximumtarieven in de Beleidsregel Wet zorg en dwang) niet meer als bijlage bij deze beleidsregel opgenomen. Er heeft recentelijk een nieuw onderzoek plaatsgevonden (zie onderdeel in de toelichting 'Aanvullend onderzoek naar kosten die verband houden met nhc en nic kostprijsonderzoek elv en Wlz crisiszorg vv'. Dit is vormgegegeven middels een addendum bij het Verantwoordingsdocument tarieven elv en Wlz crisiszorg vv 2025. In 2026 is daarom van deze drie voormalige bijlagen het Verantwoordingsdocument tarieven elv en Wlz crisiszorg vv 2025 (inclusief Addendum verantwoording tarieven elv en Wlz crisiszorg) als relatie gekoppeld aan deze beleidsregel. Dit verantwoordingsdocument (inclusief addendum) is gepubliceerd op puc.overheid.nl/nza.
Voor het jaar 2026 wordt het Verantwoordingsdocument kostprijsonderzoek ggz en fz 2024 gepubliceerd op puc.overheid.nl/nza en op deze site tevens als relatie gekoppeld aan de Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven zorgzwaartepakketten en volledig pakket thuis 2026.
Voor het jaar 2026 wordt het Verantwoordingsdocument kostenonderzoek sector gehandicaptenzorg, differentiatie VG7 2025 gepubliceerd op puc.overheid.nl/nza en op deze site tevens als relatie gekoppeld aan de Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven zorgzwaartepakketten en volledig pakket thuis 2026.
Tenslotte wordt voor het jaar 2026 het Verantwoordingsdocument kostenonderzoek langdurige zorg 2022-2026 gepubliceerd op puc.overheid.nl/nza en op deze site tevens als relatie gekoppeld aan de Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven zorgzwaartepakketten en volledig pakket thuis 2026.
Infectiepreventie
Tijdens de COVID-pandemie is gebleken dat het nodig was om de hygiëne en infectiepreventie en -bestrijding in de langdurige zorg te versterken en te borgen, opdat de sector beter is voorbereid op nieuwe (pandemische) uitbraken van infectieziekten. Om de zorgaanbieders hierbij te ondersteunen zijn met ingang van 2024 extra middelen beschikbaar gesteld in het kader van de afspraken over pandemische paraatheid. Doel is te borgen dat er periodiek wordt geëvalueerd of de infectiepreventie bij zorgaanbieders in de langdurige zorg op orde is (zoals de IGJ aanbeveelt) en dat zorgaanbieders op basis hiervan de benodigde verbeteringen in gang zetten. De NZa heeft een structureel bedrag voor infectiepreventie in de beleidsregelwaarden voor 2024 van de zzp en vpt-prestaties behorende bij de sectoren gehandicaptenzorg en ouderenzorg verwerkt.
Er heeft een kostenonderzoek langdurige zorg (ggz wonen exclusief behandeling en ghz) plaatsgevonden. De beleidsregelwaarden voor de onderzochte prestaties worden op grond van dit kostenonderzoek per 2026 herijkt. Uitgangspunt bij dit kostenonderzoek is het definitieve prijspeil 2022. De kostprijsgegevens van deze prestaties zijn vanaf het definitieve prijspeil 2022 geïndexeerd naar het voorlopige prijspeil 2026. Bij de herijking van de prestaties is geen rekening gehouden met de bedragen voor infectiepreventie, omdat de middelen voor infectiepreventie pas toegevoegd zijn per 2024. De werkzaamheden voor infectiepreventie kunnen niet eerder gestart zijn dan 2024. De NZa zal daarom per 2026 een positieve mutatie voor infectiepreventie bij de door het kostenonderzoek herijkte ghz-prestaties doorvoeren.
Voor zzp/vpt-prestaties die niet herijkt worden op basis van het kostenonderzoek langdurige zorg (ggz wonen exclusief behandeling en ghz) is vanaf 2024 al een bedrag voor infectiepreventie in de beleidsregelwaarden opgenomen. Voor deze prestaties verandert er niets. De bedragen infectiepreventie voor deze prestaties blijven onderdeel uitmaken van de beleidsregelwaarden van deze prestaties. Er hoeft bij die prestaties dus geen mutatie infectiepreventie plaats te vinden op de beleidsregelwaarden van deze prestaties.
Er heeft ook een (aanvullend) kostenonderzoek plaatsgevonden voor eerstelijnsverblijf (elv) en Wlz-crisiszorg. Voor de Wlz is in dit kader de prestatie Crisiszorg vv met behandeling (Z110) herijkt. De NZa zal bij deze prestatie een positieve mutatie voor infectiepreventie per 2026 doorvoeren.
Coördinatiekosten levensloopaanpak
In artikel 6, onder m Coördinatiekosten levensloopaanpak
Het Ministerie van VWS heeft een opdracht gegeven om de bekostiging coördinatiekosten levensloopaanpak per 1 januari 2026 vorm te geven in de bekostiging van de zorg in natura van Wlz-cliënten. Het gaat om het vormgeven van een bekostiging van de coördinatiekosten die gepaard gaan bij het toepassen van de kwaliteitsstandaard 'ketenveldnorm levensloopfunctie en beveiligde intensieve zorg' die is opgenomen in het kwaliteitsregister van het Zorginstituut Nederland5. Voor 2026 werden deze kosten voor cliënten met een Wlz-indicatie o.a. via de Wet forensische zorg vergoed. De NZa heeft hiervoor de prestatie 'coördinatiekosten levensloopaanpak' (code H540) vastgesteld. Dit is een prestatie voor het bekostigen van coördinatiekosten voor Wlz-cliënten die zijn geïncludeerd in de 'Ketenveldnorm levensloopfunctie en beveiligde intensieve zorg'.
Het doel van de 'Ketenveldnorm levensloopfunctie en beveiligde intensieve zorg' is om regionaal een geïntegreerd en domeinoverstijgende zorgaanbod te organiseren en te leveren voor personen van 18 jaar en ouder, die potentieel gevaarlijk gedrag vertonen als gevolg van een psychische aandoening, een verstandelijke beperking, een verslaving of hersenletsel. De zorg voor deze cliënten beslaat vaak het sociaal domein, het zorgdomein, het forensisch domein en het veiligheidsdomein. Deze zorg is zo complex dat een goede samenwerking tussen de verschillende domeinen vereist is. Een gebrekkige samenwerking tussen de hulpverleners die betrokken zijn bij de zorg aan een cliënt, kan leiden tot versnippering en gebrek aan eenduidigheid in het zorgaanbod. Terwijl deze complexe groep cliënten juist gebaat is bij een geïntegreerd zorgaanbod en een vast aanspreekpunt. Doel is een veiligere samenleving creëren door in te zetten op stabiliteit van deze personen. Het gaat om mensen die al ondersteuning of zorg ontvangen, ergens op een wachtlijst staan of tot nu toe hulp weigeren.
De coördinatiekosten levensloop zijn een vergoeding voor coördinatiekosten die met de kwaliteitstandaard gepaard gaan. Complexe cliënten kunnen worden geïncludeerd binnen de 'Ketenveldnorm voor de levensloopfunctie en beveiligde intensieve zorg'. Het Zorg- en Veiligheidshuis regiseert de aanpak van deze complexe casuïstiek om escalatie te voorkomen. De aanmelding voor de levensloopaanpak van een Wlz-cliënt is georganiseerd in afstemming met de Zorg- en Veiligheidshuizen. Gezamenlijk komen betrokken partijen tot het besluit een cliënt wel of niet te includeren. In het proces van de coördinatiekosten levensloopfunctie wordt door de Zorg- en Veiligheidshuizen de datum inclusie vastgelegd. Daar vindt ook de controle op de Wlz indicatie plaats. De levensloopaanbieder die de coördinatie gaat leveren, krijgt een bevestiging van de datum inclusie plus het bestaan van de Wlz indicatie als deze voor betreffende cliënt is afgegeven. De prestatie coördinatiekosten levensloopaanpak (code H540) kan per geïncludeerde persoon met een Wlz-indicatie ten hoogste 1 keer per dag worden gedeclareerd, ongeacht waar de persoon zich bevindt en mogelijk ook zonder dat de persoon directe zorg ontvangt zolang deze is geïncludeerd in de Levenloopaanpak zoals opgenomen in de ketenveldnorm.
Het Ministerie van VWS zal deze mogelijkheid voor specifieke bekostiging opnemen in de Regeling langdurige zorg (wetten.nl - Regeling - Regeling langdurige zorg - BWBR0036014). Onder voorbehoud van de wijziging van de Regeling langdurige zorg (Rlz) is de beleidsregel aangepast. De aanpassing komt te vervallen indien de Rlz niet wordt aangepast voor dit onderdeel.
Kinderdagcentrum (kdc)
In artikel 7, zeventiende lid (Toeslag kdc) is de prestatiebeschrijving gewijzigd op basis van een signaal vanuit Onderhoud bekostiging Langdurige zorg. De volgende voorwaarde is komen te vervallen: 'De zorgaanbieder beschikt over een toelating voor het verlenen van zorg in een (multifunctioneel) kinderdagcentrum (kdc)'. De Wet toelating zorginstellingen (Wtzi) is in 2022 vervangen door de Wet toetreding zorgaanbieders(Wtza). Onder de Wtzi werden toelatingen afgegeven aan instellingen, waaronder ook toelatingen specifiek voor een kdc. Dit is nu onder de Wtza vervangen door een vergunnings- en meldingssysteem. De prestatie-eis sluit daardoor niet meer aan bij de huidige situatie. De nieuwe voorwaarde, die de oude voorwaarde vervangt, luidt: 'De zorgaanbieder verleent zorg in een (multifunctioneel) kinderdagcentrum aan kinderen met een (ernstige) handicap en/of kinderen met een meervoudige handicap inclusief eventuele gedragsproblematiek'. Daarnaast is de volgende zin komen te vervallen: 'Een kdc vereist hogere investeringen dan een reguliere dagvoorziening voor kinderen'. Binnen het kader van de Wlz kan de term 'reguliere dagvoorziening voor kinderen' niet worden geduid.
niet duidelijk wat wordt bedoeld met de term reguliere dagvoorziening voor kinderen.
Vervallen prestaties
Onderstaande prestaties zijn per 1-1-2026 beëindigd. De prestaties kunnen om diverse redenen niet meer worden gedeclareerd. In de toelichting in onderstaande tabel is te zien waarom de prestaties niet meer in gebruik zijn.
|
Prestatie
|
Prestatiecode
|
Toelichting
|
|
ZZP ggz-1b incl.bh excl.db
|
Z212
|
Dit is een prestatie t.b.v. cliënten die te maken hebben met voortgezet verblijf waarvoor de indicatie niet meer wordt afgegeven.
|
|
ZZP ggz-1b incl.bh incl.db
|
Z213
|
Dit is een prestatie t.b.v. cliënten die te maken hebben met voortgezet verblijf waarvoor de indicatie niet meer wordt afgegeven.
|
|
ZZP ggz-2b incl.bh excl.db
|
Z222
|
Dit is een prestatie t.b.v. cliënten die te maken hebben met voortgezet verblijf waarvoor de indicatie niet meer wordt afgegeven.
|
|
ZZP ggz-2b incl.bh incl.db
|
Z223
|
Dit is een prestatie t.b.v. cliënten die te maken hebben met voortgezet verblijf waarvoor de indicatie niet meer wordt afgegeven.
|
|
VPT lvg-5 incl.bh incl.db
|
V553
|
De prestatie kan vervallen, omdat volgens de wet 5lvg niet in VPT of MPT ingekocht mag worden.
|
|
VPT sglvg-1 incl.bh incl.db
|
V573
|
Dit is een prestatie op een profiel dat alleen nog maar intramuraal verzilverd mag worden. VPT is formeel geen optie.
|
|
VPT zg-aud-1 excl.bh incl.db
|
V711
|
Dit is een prestatie op een profiel dat alleen nog maar intramuraal verzilverd mag worden. VPT is formeel geen optie.
|
|
VPT zg-aud-1 incl.bh excl.db
|
V712
|
Dit is een prestatie op een profiel dat alleen nog maar intramuraal verzilverd mag worden. VPT is formeel geen optie.
|
|
VPT zg-aud-1 incl.bh incl.db
|
V713
|
Dit is een prestatie op een profiel dat alleen nog maar intramuraal verzilverd mag worden. VPT is formeel geen optie.
|
|
VPT zg-vis-1 excl.bh excl.db
|
V814
|
Dit is een prestatie op een profiel dat alleen nog maar intramuraal verzilverd mag worden. VPT is formeel geen optie.
|
|
VPT zg-vis-1 excl.bh incl.db
|
V815
|
Dit is een prestatie op een profiel dat alleen nog maar intramuraal verzilverd mag worden. VPT is formeel geen optie.
|
Overbruggingszorg
In Artikel 8 (Overbruggingszorg sglvg en lvg) zijn de voorwaarden voor het mogen declareren van overbruggingszorg-prestaties gewijzigd. Overbruggingszorg-prestaties mogen alleen gedeclareerd worden voor cliënten die een sglvg- of lvg-indicatie hebben gehad en waarvoor niet meteen een plaats beschikbaar is om de zorg behorende bij hun nieuwe Wlz-indicatie te ontvangen. De in de prestatie voorgeschreven maximale declaratietermijn voor overbruggingszorg bij de uitstroom vanuit (sg)lvg bleek in de praktijk onvoldoende te zijn om een passende plaats voor de cliënt te vinden. Een maximale duur voor overbruggingszorg bij de uitstroom vanuit (sg)lvg is niet beschreven in de wet, waardoor er geen grond is vast te houden aan deze voorwaarde. De termijn van 13 weken voor overbruggingszorg bij de uitstroom van sg(lvg) voor het vinden van passende zorg is daarom uit de prestatiebeschrijving verwijderd.
Palliatief terminale zorg
In artikel 11 (palliatief terminale zorg) is de weergave van de aanvullende voorwaarden voor het mogen declareren van de prestaties zzp en vpt vv-10 aangepast. Hierdoor is de leesbaarheid van de tekst verbeterd en is een mogelijke niet-eenduidige interpretatie weggenomen. De inhoud van de prestatie is niet gewijzigd.
Toeslag Huntington
In artikel 7 (Prestatiebeschrijvingen toeslagen) is voor toeslag Huntington (Z920) en (V920) de voorwaarde, grondslag en doelgroep aangepast. Voor cliënten met de ziekte van Huntington is vv-8 meestal het best passende zorgprofiel. De indicatie vv-8 is daarom niet meer als een vereiste opgenomen in de grondslag, doelgroep en voorwaarden van de prestaties Z920 en V920. Hiermee kan voor een cliënt ook bij een andere indicatie dan vv-8 een toeslag Huntington worden gedeclareerd.
Mutatiedagen vv
In Artikel 6 Prestatiebeschrijvingen basisprestaties, lid 4. Prestatiebeschrijvingen overige basisprestaties en afzonderlijke dagbestedings- en vervoersprestaties is in de prestatiebeschrijving van Mutatiedag vv de grondslag aangepast door niet meer te verwijzen naar een toelating, omdat sinds de Wet toelating zorginstellingen (Wtzi) in 2022 is vervangen door de Wet toetreding zorgaanbieders(Wtza) geen toelatingen meer worden afgegeven aan instellingen. Hiervoor is een vergunnings- en meldingssysteem in de plaats gekomen.
Prestaties Beveiligde zorg LZ niveau 2 (Z1007) en Beveiligde zorg LZ niveau 3 (Z1008)
De beleidsregelwaarden voor de prestaties Beveiligde zorg LZ niveau 2 (Z1007) en Beveiligde zorg LZ niveau 3 (Z1008) zijn van oudsher afgeleid van vergelijkbare tarieven in de Zvw. In het kostenonderzoek ggz/fz is voor de loon- en materiële kosten van beide prestaties een nieuw normbedrag vastgesteld. Daarnaast zijn de kapitaallastencomponenten voor deze prestaties op dezelfde wijze als voorheen vastgesteld. De loon- en materiële kosten vormen samen met de kapitaallastencomponent de basis voor de nieuwe beleidsregelwaarden vanaf het jaar 2026.
Financiële afspraken Hoofdlijnenakkoord ouderenzorg
De verzachting van de tariefmaatregelen voor de V&V-sector, die partijen zijn overeengekomen in het Hoofdlijnenakkoord ouderenzorg (HLO), is conform de aanwijzing van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van 7 juli 2025, met kenmerk 4148261-1084926-PZO, verwerkt in de beleidsregelwaarden van de in de aanwijzing genoemde prestaties.
Toelichting per artikel
Artikel 1 Begripsbepalingen
nhc en nic
Voor de uitgangspunten en opbouw van de nhc en nic wordt verwezen naar de Beleidsregel normatieve huisvestingscomponent (nhc) en normatieve inventariscomponent (nic) geestelijke gezondheidszorg , forensische zorg en langdurige zorg.
Artikel 1 Normatieve huisvestingscomponent
In de omschrijving van de 'normatieve huisvestingscomponent (nhc)' wordt nu het begrip 'nieuwbouw' gebruikt. Onder nieuwbouw wordt ook vervangende (nieuw)bouw begrepen.
Artikel 1 en artikel 5, derde lid Wooncomponent bij vpt en opbouw vpt-beleidsregelwaarden
De wooncomponent is onderdeel van de uurprijzen van de zzp's.
Bij een vpt heeft de cliënt géén aanspraak op de wooncomponent of overige vergoedingen ten laste van de Wlz die samenhangen met huisvesting. Het gaat om de post terrein- en gebouwgebonden kosten. Bij de vpt-prijzen is deze kostencomponent uit de zzp-prijzen gehaald. Voor de berekening van deze correctie voor terrein- en gebouwgebonden kosten, is gekeken naar het percentage dat deze kosten uitmaken van de totale prijs per zorgvorm. Het gaat om de zorgvormen persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding (individueel), behandeling en verblijf (overige verblijfslasten). De wijze waarop de uurprijs per zorgvorm is berekend, is vastgelegd in hoofdstuk 3 van het rapport 'Indicatieve prijzen zorgzwaartepakketten' (juni 2007, NZa).
Voor de sectoren verpleging en verzorging en gehandicaptenzorg bedraagt de correctie –/– 6%.
Artikel 4 Prijspeil
De uitgangspunten voor de jaarlijkse indexering van de nhc en nic zijn beschreven in de Beleidsregel normatieve huisvestingscomponent (nhc) en normatieve inventariscomponent (nic) gespecialiseerde ggz, forensische zorg en langdurige zorg.
Artikel 5 Beleidsregelwaarden voor tariefvaststelling
De beschikbare middelen voor de zorginkoop in jaar t+1 worden door de NZa onder voorbehoud van politieke besluitvorming in het najaar van het jaar t vastgesteld op basis van de procedure zoals beschreven in de Beleidsregel budgettair kader Wlz.
Deze bedragen zijn gebaseerd op de voorlopige kaderbrief Wlz, die in het voorjaar voorhangt in de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal. De beleidsregelwaarden in deze beleidsregel zijn hiervan een afgeleide en zijn daarom voorlopig totdat na Prinsjesdag de definitieve kaderbrief bij de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft voorgehangen. Artikel 5, derde lid, geeft een algemene beschrijving van de opbouw en de wijze van totstandkoming van de zzp–tarieven.
Op basis van artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel d, Wlz omvat zorg (zoals genoemd in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel c, Wlz) tevens enkele materiële kosten. Deze kosten worden genoemd in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel d, onder 3 t/m 6, Wlz.
De tarieven zijn van toepassing op cliënten geïndiceerd voor of aangewezen op zorg op grond van de Wlz, die deze zorg realiseren bij een zorgaanbieder. Hierbij zijn de volgende situaties te onderscheiden:
-
Cliënt is geïndiceerd in een zorgprofiel op grond van de Wlz en Wlz-uitvoerder en zorgaanbieder spreken de levering van het hierbij passende zzp af.
-
Cliënt is geïndiceerd in een zorgprofiel op grond van de Wlz maar Wlz-uitvoerder en zorgaanbieder spreken een ander zzp af dan past bij het profiel omdat de zorgaanbieder de prestatie niet levert.
Indien in de beleidsregel wordt gesproken over 'geïndiceerd voor' of 'aangewezen op' zorg op grond van de Wlz dan worden beide bovengenoemde situaties bedoeld.
Artikel 5, vierde lid, Tarieven in- of exclusief behandeling
In de tarieven van de zzp's en vpt's exclusief behandeling van de reeksen vg, lg, zg en ggz-wonen is niet expliciet rekening gehouden met de bekostiging van behandelaren en dus ook niet met de bekostiging van behandeling op de achtergrond.
Artikel 5, zesde lid, Tarieven in– of exclusief dagbesteding
Dit artikel maakt het onderscheid tussen de zzp's waarbij de dagbesteding een onlosmakelijk integraal onderdeel is van het zzp en de zzp's waarbij dit niet het geval is. Dit faciliteert de mogelijkheid om geen dagbesteding te leveren aan cliënten die dit niet behoeven of de dagbesteding af nemen bij een andere zorgaanbieder dan de instelling waar de cliënt het verblijf of het vpt van ontvangt.
Artikel 5, zevende lid, Prestatie vervoer bij dagbesteding/dagbehandeling
Het onderdeel vervoer heeft uitsluitend betrekking op cliëntenvervoer, voor zover de dagbesteding-/dagbehandeling plaatsvindt op een locatie die niet dezelfde is als waar de cliënt (tijdelijk) woont. Het betreft vervoer naar en van de locatie waar de dagbesteding/dagbehandeling wordt aangeboden, als de cliënt redelijkerwijs op dit vervoer is aangewezen. Vervoer naar dagbesteding/dagbehandeling op een andere locatie dan waar de verzekerde (tijdelijk) woont, kan op het terrein van de Wlz-instelling zijn, daar vlakbij of verder weg. Wanneer een cliënt tijdens het vervoer wordt begeleid, vallen de begeleidingskosten onder het zzp of vpt. De kosten voor de plek voor de begeleider in de taxi(bus) zijn verdisconteerd in de vervoerstarieven.
Er zijn aparte prestaties voor het vervoer van:
-
cliënten met een zzp/vpt vg, lg, zg, lvg en sglvg;
-
cliënten met een zzp/vpt vv;
-
cliënten met een zzp ggz.
Het betreft prestaties per dag.
Voor de cliënten waarvoor een zzp vv, zzp lvg of zzp sglvg-1 of ggz-b wordt afgenomen, is de component dagbesteding een onlosmakelijk onderdeel van het zzp. De dagbesteding kan voor deze prestaties niet apart afgesproken worden.
Voor het bepalen van de hoogte van de vervoerstarieven in alle sectoren is ervan uitgegaan dat de zorgaanbieders het vervoer op een efficiënte manier organiseren en de aanspraken zo doelmatig mogelijk invullen.
Vervoer bij dagbesteding/dagbehandeling in de ghz
De prestatiecategorieën voor het vervoer binnen de ghz zijn gebaseerd op de volgende variabelen:
gecontracteerd vervoer, met onderscheid tussen:
-
volwassen cliënten en kinderen;
-
rolstoel gebonden cliënten en niet rolstoel gebonden cliënten;
-
vervoer in groep of vervoer individueel;
-
vervoer met eigen auto of busje van de instelling, ouder of vrijwilliger;
-
vervoer met een ander vervoermiddel dat als vervoermiddel is bedoeld (bijv. fiets, elektrokar);
-
postcode-afstand van plaats verblijf tot plaats dagbesteding.
De factoren onder gecontracteerd vervoer en het onderscheid naar postcode-afstand zijn tijdens het kostprijsonderzoek 2017-2018 in gezamenlijk overleg met de veldpartijen bepaald als meest van invloed op de kosten van het vervoer. Tijdens de evaluatie van de nieuwe bekostiging voor vervoer in 2019-2020 is gebleken dat de kosten voor andere vervoermiddelen dan het gecontracteerde vervoer lager liggen dan het gecontracteerd vervoer. In lijn met de gesprekken met VWS en het Zorginstituut over de aanspraak en doelmatigheid van het vervoer is een uitbreiding van de variabelen en categorieën te rechtvaardigen.
De postcode-afstand betreft de afstand van postcode tot postcode van een enkele reis (dus een heenreis of een terugreis). Voor het bepalen van de postcode-afstand zijn diverse middelen of tools beschikbaar. De NZa schrijft dit niet voor.
Onderstaande tabel geeft aan in welke categorie het vervoer van een cliënt in de ghz valt.
Tabel Prestatiecategorieën vervoer dagbesteding/dagbehandeling ghz/ggz wonen
|
Prestatiecategorieën
|
Postcodeafstand tussen plaats verblijf en plaats dagbesteding*
|
|
0 tot 5 km
|
5 tot 10 km
|
10 tot 20 km
|
20 tot 30 km
|
30 tot 40 km
|
≥40 km
|
|
Gecontracteerd vervoer
Groep
|
Volwassen
|
C1
|
C1
|
C2
|
C3
|
C3
|
C4
|
|
Volwassen rolstoel
|
C1
|
C2
|
C3
|
C3
|
C4
|
C5
|
|
Kind
|
C1
|
C2
|
C3
|
C3
|
C4
|
C5
|
|
Kind rolstoel
|
C2
|
C2
|
C3
|
C4
|
C5
|
C6
|
|
Gecontracteerd vervoer Individueel
|
C2
|
C3
|
C4
|
C4
|
C5
|
C6
|
|
Eigen busje/auto instelling/ouder/vrijwilliger
|
C0
|
C0
|
C1
|
C2
|
C4
|
C4
|
|
Overige vervoermiddelen**
|
C0
|
C0
|
C0
|
C0
|
C0
|
C1
|
* Het gaat om de daadwerkelijke postcode-afstand. Er wordt niet gewerkt met afronding. Een postcodeafstand van 4,99 km valt dus onder 0 tot 5 km. Een postcodeafstand van 5,0 km valt onder 5 tot 10 km.
** overige vervoermiddelen die als vervoermiddel zijn bedoeld (bijv. fiets, OV, elektrokar).
Voorbeelden
Het gecontracteerd vervoer van een volwassen cliënt die naar de dagbesteding reist over een afstand van 12 kilometer, valt in de categorie 2 (C2). Het gecontracteerd vervoer van een rolstoel gebonden kind dat over een afstand van 23 kilometer naar de dagbesteding reist, valt in de categorie 4 (C4). Het vervoer van een cliënt die met openbaar vervoer reist over een afstand van 6 kilometer valt in categorie 0 (C0).
Afwijkingsmogelijkheid
In de gehandicaptenzorg hebben zorgaanbieder en zorgkantoor de mogelijkheid om in individuele gevallen af te wijken van de van toepassing zijnde categorie. Dit kan om twee redenen:
1. Meer maatwerk
In de praktijk blijkt dat de vervoerskosten per instelling sterk verschillen. Zo zijn er instellingen die een lagere kostprijs weten te realiseren dan andere instellingen. Daartegenover staan instellingen met een gespecialiseerd aanbod, bijvoorbeeld voor zintuigelijk gehandicapten of cliënten met ernstige gedragsproblemen, waar het vervoer duurder is. Vooral met de extremen en uitzonderingen weten instellingen zich soms geen raad. Met de huidige indeling in zeven prestatiecategorieën wordt beter aangesloten bij de verschillen. Indien er een structurele noodzaak is, kunnen zorgaanbieder en zorgkantoor in gezamenlijk overleg afwijken van de vastgestelde categorie-indeling zoals in bovenstaande tabel staat weergegeven. Met deze vrijheid om in afstemming met het zorgkantoor cliënten in een andere categorie te plaatsen, kan de vergoeding nog beter aansluiten bij de situatie van individuele instellingen. Een overeengekomen afwijking moet beargumenteerd worden vastgelegd.
Bijvoorbeeld:
Als een cliënt vanwege zware gedragsproblematiek op een wijze vervoerd moet worden die veel hogere kosten meebrengt dan de categorie waarin deze cliënt valt, kan voor een indeling in een hogere categorie worden gekozen.
2. Minder administratie bij wisselende afstanden of vervoermiddelen
Om tegemoet te komen aan zorgaanbieders die administratieve last ervaren bij wisselende vervoersafstanden of wisselend gebruik van verschillende vervoermiddelen, kunnen zorgaanbieders de volgende werkwijze hanteren:
-
het adres waar de cliënt geregistreerd staat (als verblijfsadres) of de dagbestedingslocatie waar de cliënt in de meeste gevallen naar toe gaat of een gemiddelde afstand tussen verblijfsplaats en dagbestedingslocatie als uitgangspunt te nemen, en de categorie die daarbij hoort standaard te declareren, in plaats van de verschillen in afstanden tussen dagen/weken steeds in de administratie bij te houden;
-
als uitgangspunt voor declaratie de wijze van vervoer te nemen zoals cliënt in de meeste gevallen reist, in plaats van wisselende manieren van vervoer steeds in de administratie bij te houden.
Een zorgaanbieder moet het wel vastleggen wanneer hij deze werkwijze hanteert.
In de factsheet Vervoer 2022 (zie bijlage 6 bij Beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven zorgzwaartepakketten en volledig pakket thuis 2022 - BR/REG-22125c) is meer uitleg opgenomen over o.a. de aanspraak vervoer en de taken en rollen van partijen.
Vervoer bij dagbesteding/dagbehandeling in de vv
Voor vervoer bij dagbesteding/dagbehandeling in de vv is aansluiting gezocht bij de ghz. Voor het vervoer in de vv zijn de categorieën C0 en C1 uit de tabel artikel 6, vierde lid, onder i van toepassing, met eigen prestatiescodes voor de vv. Het vervoer in de vv betreft cliënten met een integraal pakket (zzp of vpt), die de dagbesteding van dezelfde zorgaanbieder krijgen als het verblijf. Hierdoor veronderstellen we dat de dagbesteding doelmatig geboden kan worden op een locatie in de buurt van de verblijfslocatie. Daarom kiezen we ervoor om het tarief aan te laten sluiten op de vervoersmatrix ghz op korte afstanden.
Categorie 1 is voor het gecontracteerde vervoer, zowel van rolstoelgebonden cliënten als niet rolstoelgebonden cliënten. Categorie 0 is voor alle overige vervoermiddelen, bijvoorbeeld eigen vervoermiddel, openbaar vervoer
Artikel 6 Prestatiebeschrijvingen basisprestaties
Artikel 6, derde lid, Prestatiebeschrijvingen zzp en vpt inclusief niet-beïnvloedbare factoren (nbf)
Per 2020 worden zzp- en vpt-prestaties en beleidsregelwaarden opgenomen met een component voor niet-beïnvloedbare factoren (nbf). Dit naar aanleiding van een aanwijzing van de minister van VWS ( Aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 5 juli 2019, kenmerk 1546308-192510-PZO, Staatscourant 2019 nr. 39108).
Het doel van de component nbf is om zorgaanbieders te vergoeden voor de extra kosten die veroorzaakt worden door factoren die samenhangen met de omgeving waarin de zorg wordt verleend. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat (groot)stedelijkheid en de sociaaleconomische status van een wijk samenhangen met extra kosten door bovengemiddeld voorspeld verzuim van personeel van de zorgaanbieder. Deze kostenverhogende factoren zijn niet door de zorgaanbieder te beïnvloeden, maar leiden bij een vergelijkbare kwaliteit van zorg wel tot hogere kosten. Een zorgaanbieder zal namelijk doorgaans rekening houden in haar bedrijfsvoering met dit bovengemiddeld voorspeld verzuim van personeel. Dit bijvoorbeeld door extra personele inzet en andere maatregelen om voorspeld bovengemiddeld ziekteverzuim te voorkomen, op te heffen, etc.
Daardoor is het in sommige regio's moeilijker om goede zorg te leveren tegen hetzelfde tarief als in andere regio's. De component nbf compenseert daarvoor.
De prestaties inclusief een component nbf zijn locatiegebonden. Alleen voor cliënten die verblijven op een postcode waarvoor de prestaties inclusief component nbf van toepassing zijn, kunnen deze prestaties en tarieven worden gedeclareerd.
Indien een cliënt gedurende het jaar verhuist, moet worden bekeken of ook voor de nieuwe locatie de tarieven inclusief nbf van toepassing zijn. Indien dit niet het geval is, kan vanaf de dag na het moment van verhuizing naar de nieuwe locatie de reguliere zzp of vpt te worden gedeclareerd en niet langer de prestatie/tarief inclusief component nbf.
Voor de prestaties inclusief component nbf gelden bandbreedtetarieven. Het bandbreedtetarief bestaat uit een bedrag dat ten minste en een bedrag dat ten hoogste als tarief in rekening mag worden gebracht. Het gedeelte van 0 tot en met de laagste bandbreedte, het minimumtarief, is voor de Wlz-uitvoerder/het zorgkantoor en de zorgaanbieder dus niet onderhandelbaar. Het gedeelte van het minimum tot de hoogste bandbreedte, het maximumtarief, is wel onderhandelbaar. Het verschil tussen minimumtarief en maximumtarief, het onderhandelbare deel, is gelijk aan de beleidsregelwaarden/tarieven van de reguliere zzp- of vpt—prestaties met dezelfde zorgzwaarte zonder niet-beïnvloedbare factoren.
Artikel 6, vierde lid, Prestatiebeschrijvingen basisprestaties
a.Mutatiedag vv
Binnen de sector vv kunnen er mutatiedagen worden gedeclareerd bij overlijden of verhuizen van een cliënt. Voor de bekostiging van de dagen leegstand kan tussen zorgkantoor en zorgaanbieder de prestatie mutatiedag worden afgesproken. Hierbij geldt dat het werkelijke aantal mutatiedagen kan worden gedeclareerd tot inhuizing van de nieuwe bewoner, met een maximum van 13 dagen voor een éénpersoonskamer en 26 dagen voor een tweepersoonskamer. Uitzondering hierop is een interne verhuizing: in dat geval kan één mutatiedag worden gedeclareerd.
Hieronder enkele voorbeelden ter verduidelijking.
Eénpersoonskamer
Bij een interne verhuizing binnen dezelfde zorgaanbieder (rechtspersoon), kan één mutatiedag gedeclareerd worden. Een interne verhuizing kan zijn naar een andere kamer binnen dezelfde locatie van de zorgaanbieder of van locatie A naar locatie B van dezelfde zorgorganisatie.
-
Bij overlijden of externe verhuizing van een bewoner die alleen woont, geldt het werkelijke aantal mutatiedagen tot een maximum van 13 dagen.
-
Als de vrijgekomen plaats na 10 dagen wordt opgevuld, gelden 10 mutatiedagen. Wordt de vrijgekomen plaats na 15 dagen opgevuld, dan geldt het maximum van 13 mutatiedagen.
Tweepersoonskamer
Voor een tweepersoonskamer kunnen bij overlijden of verhuizing maximaal 26 mutatiedagen worden gedeclareerd. Hier kunnen zich verschillende situaties voordoen.
-
De overgebleven bewoner (A) verhuist bij dezelfde zorgaanbieder (rechtspersoon) naar een éénpersoonskamer binnen 26 dagen na overlijden/verhuizing van de medebewoner (B). Bijvoorbeeld na 15 dagen. Het aantal mutatiedagen is dan 15.
-
De overgebleven bewoner (A) verhuist binnen dezelfde zorgaanbieder (rechtspersoon) naar een éénpersoonskamer later dan 26 dagen na overlijden/externe verhuizing van medebewoner (B). Bijvoorbeeld na 30 dagen. Het aantal mutatiedagen is dan 26.
-
De overgebleven bewoner (A) verhuist naar een andere zorgaanbieder (rechtspersoon). Dit is een externe verhuizing. Hiervoor geldt dezelfde uitleg als bij de twee voorbeelden hierboven.
-
De overgebleven bewoner (A) verhuist niet. In dit geval geldt als maximum 26 mutatiedagen.
Opbaren
Indien een cliënt overlijdt en wordt opgebaard in zijn of haar eigen kamer geldt het volgende:
Kosten voor leegstand van de kamer: vanaf het moment dat een cliënt komt te overlijden kan de zorgaanbieder mutatiedagen declareren voor de leegachtergelaten plaats. In het geval van een éénpersoonskamer kunnen er maximaal 13 mutatiedagen gedeclareerd worden. In het geval van een tweepersoonskamer maximaal 26 mutatiedagen. Gedurende deze periode is het mogelijk dat de cliënt wordt opgebaard in zijn of haar eigen kamer. In de periode waarin een overleden cliënt in zijn of haar eigen kamer ligt opgebaard, wordt de kamer als 'leeg' beschouwd. Dit heeft geen invloed op het maximum aantal mutatiedagen dat gedeclareerd mag worden. De mutatiedagen mogen gedurende het opbaren doorgedeclareerd worden tot het eerder genoemde maximum.
Kosten voor het opbaren: voor het opbaren zelf kent de Wmg geen vergoeding. Opbaren is wenselijke laatste zorg die niet onder Wmg valt. Het is dus niet mogelijk voor zorgaanbieders om voor het opbaren zelf kosten te declareren bij het zorgkantoor.
b. en c. Crisiszorg
De prestatie crisiszorg maakt het mogelijk te voorzien in zorg met een spoedeisend karakter. Deze prestatie geldt zowel voor de dagen dat er een cliënt aanwezig is op een bed, als op de dagen waarop het bed niet bezet is, maar wel beschikbaar. In de praktijk betekent dit:
-
De zorgaanbieder moet de werkelijk geleverde crisiszorgdagen (het bed is bezet) declareren tegen het tarief crisisdag. Men declareert op cliëntniveau de dagen dat het bed bezet was. De beschikbaarheidscomponent ofwel dagen dat het bed niet bezet was worden op prestatieniveau, zonder cliëntkenmerk (naam, Burgerservicenummer etc.), gedeclareerd.
Crisiszorg kan worden afgesproken bij de productieafspraken en bij de herschikking. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om te sturen op de behoefte aan het aantal crisisbedden.
Crisiszorg ghz:
De regionale, onafhankelijke, crisisregisseur wijst een passende crisiszorgplek voor cliënt aan. Een crisisbed is passend wanneer deze tegemoet komt aan cliëntkenmerken en de zorgvraag van de cliënt.
De crisisregisseur ghz maakt een inschatting van de zorgvraag en de zorgzwaarte. Hij maakt daarin ook een beoordeling of op dat moment inzet van het crisisondersteuningsteam (COT) voldoende is. Is er sprake van een crisisopname dan kan ook het COT worden ingezet voor begeleiding bij terugkeer naar de reguliere zorg. Bij een crisisopname koppelt de crisisregisseur de inschatting van zorgvraag en zorgzwaarte aan het zorgaanbod in de regio. Op basis daarvan schat hij in welke categorie van crisiszorg nodig is, en zoekt hij op basis van zijn kennis over de beschikbare plaatsen een passende crisisplek. Hierbij kijkt de crisisregisseur ghz naar een aantal factoren waaronder:
-
Ernst van de problematiek.
-
Al dan niet aanwezig zijn van gevaar criteria (agressie, suïcidaliteit, middelengebruik, etc.).
-
Al dan niet noodzaak voor inzet van vrijheid beperkende maatregelen binnen een juridisch kader.
-
Noodzaak tot opname in voorziening met deurbeleid.
-
Passend/aansluitend bij niveau van functioneren.
-
Aanvullende vragen rond diagnostiek, behandeling of bijstellen van medicatie.
-
Noodzakelijke beschikbaarheid van specifieke deskundigheid van onder meer een GZ-psycholoog / gedragswetenschapper, psychiater, artsen (arts VG), EMDR therapeuten, PMT-ers.
-
Aangepaste huisvesting bij meervoudige beperkingen en ernstige gedragsproblemen.
In lijn met het advies van Equalis Strategy & Modeling B.V. ligt er voor zorgaanbieders en zorgkantoren een taak om onderling afspraken te maken over het aantal ingekochte crisisbedden en de verhouding van niveaus van crisiszorg. Jaarlijks wordt vervolgens gemonitord hoe de verhouding bezet/onbezet is geweest om daarop het aantal ingekochte bedden weer aan te passen, zodat een optimale bezettingsgraad (t.a.v. beschikbaarheid, maar ook bekostiging) bereikt wordt.
d. Verblijfscomponent niet-geïndiceerde partner
Een niet-geïndiceerde partner is een partner van een geïndiceerde verzekerde met een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, die tegelijkertijd met de geïndiceerde partner kan worden opgenomen bij een zorgaanbieder.
Indien een verzekerde aanspraak heeft op verblijf ten laste van de Wlz, kan bij verblijf bij een intramurale zorgaanbieder de prestatie verblijfscomponent worden afgesproken voor de niet-geïndiceerde partner. Deze component omvat onder andere de huishoudelijke verzorging, het keukenpersoneel, de facilitaire dienst, de dagelijkse welzijnsactiviteiten en de voeding- en hotelmatige kosten.
f. Dagbesteding
Partijen hebben de wens geuit om meer flexibiliteit te kunnen bieden ten aanzien van de dagbesteding. Binnen de bestaande prestatiebeschrijvingen van dagbesteding werd de zinsnede: 'De activiteit vindt overdag plaats, buiten de woonsituatie, in groepsverband' als beperkend ervaren. In 2020 en 2021 is vanwege de coronacrisis reeds flexibiliteit geboden door de bepaling 'buiten de woonsituatie' los te laten. Er is van deze situatie geleerd dat de dagbesteding niet alleen extern geleverd kan worden, maar dat het ook anders kan.
De vorm waarin de activiteit wordt aangeboden kent meer flexibiliteit met de aangepaste bepaling 'De activiteit vindt indien gewenst en best passend, zo veel mogelijk: overdag plaats, buiten de woonsituatie, in groepsverband'. Zo is het mogelijk om ook dagbesteding op de woonlocatie of digitaal te ontvangen. Hierbij gaan wij er van uit dat over de vorm overeenstemming met cliënt of cliëntvertegenwoordiger is bereikt.
g. Logeren
De tarieven voor de logeerprestaties lg en lvg zijn gebaseerd op het onderzoek Logeren in de AWBZ. Uit het onderzoek blijkt dat gemiddeld meer zorg bij logeren wordt geboden dan bij langdurig verblijf. Deze meerzorg is verdisconteerd in de onderzochte kostprijzen en daarmee ook in de tarieven. De toeslagen die wel in combinatie met een zzp in rekening kunnen worden gebracht zijn daarom niet van toepassing op logeren. De tarieven houden ook rekening met een lager bezettingspercentage dan de tarieven die worden toepast bij langdurig verblijf.
De tarieven voor de logeerprestaties zg en vg zijn niet meer gebaseerd op het onderzoek Logeren in de AWBZ maar op het kostenonderzoek ggz exclusief behandeling en ghz waarvan de effecten per 2026 zijn geïmplementeerd. Ook hier geldt dat dat de toeslagen die wel in combinatie met een zzp in rekening kunnen worden gebracht niet van toepassing zijn op logeren. Daarbij brengt de in het kostenonderzoek ggz exclusief behandeling en ghz gehanteerde methodiek met zich mee dat behandeling op de voorgrond sinds 2026 ook verdisconteerd is in het tarief, maar dat de omvang daarvan niet geduid kan worden.
De definitie van een dag logeeropvang zoals gespecificeerd in artikel 1 verschilt van de zzp's. De dag van opname kan alleen worden gedeclareerd indien de opname voor 20.00 uur heeft plaatsgevonden. De (kalender)dag van ontslag mag altijd in rekening worden gebracht ongeacht of het ontslag om 9.00 uur was of om 21.00 uur.
De NZa heeft het tijdstip van ontslag niet geduid omdat zorgaanbieders dan een tijdregistratie moeten uitvoeren.
h. Logeren zevmb
De prestatiebeschrijving en de beleidsregelwaarde logeren zevmg zijn per 2022 ingevoerd. De NZa heeft per 2026 de beleidsregelwaarde gewijzigd op basis van het kostenonderzoek GHZ-GGZ-wonen. Daarbij heeft de NZa niet alleen de behandeling op de achtergrond maar ook de behandeling in de voorgrond verdisconteerd in de tarieven waarop ook de prestatiebeschrijving is aangepast.
j. & k. beveiligde zorg LZ niveau 2 en 3
Aan de beleidsregel zijn twee nieuwe prestaties en tarieven toegevoegd: beveiligde zorg LZ niveau 2 en beveiligde zorg niveau 3. Zorgkantoren en zorgaanbieders hebben aangegeven belemmeringen te ervaren in de bekostiging van de beveiligde zorg in het kader van de Wlz. Het leveren van zorg in beveiligde setting brengt extra kosten met zich (extra personele kosten, gebouwkosten en extra behandeling). In de bestaande bekostiging werd onvoldoende ruimte ervaren voor deze extra kosten. Specifiek gaat het om Wlz-cliënten met behoefte aan beveiligde zorg die door middel van een rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 28a Wzd of een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 5.19 van de Wvggz zijn aangewezen op verblijf in een instelling in een beveiligde setting overeenkomend met een forensisch psychiatrische afdeling of een forensisch psychiatrische kliniek.
De zorg die aan deze cliënten dient te worden geleverd is vergelijkbaar met de zorg zoals deze in de forensische zorg wordt geleverd.
Op dit moment vinden er al rechterlijke machtigingen tot onvrijwillige opname in een beveiligde setting plaats, waardoor de bekostigingsproblematiek als urgent wordt ervaren.
De tarieven voor beveiligde zorg LZ niveau 2 en beveiligde zorg LZ niveau 3 zijn per 2026 gebaseerd op de uitkomsten van het kostprijsonderzoek ggz/fz, waar voor de langdurige zorg de Beveiligde Zorg LZ 2 en 3 specifiek uitgevraagd zijn.
Behandeltarieven op basis van de sglvg behandeling uit de beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven modulaire zorg 2022 en de uren behandeling zoals deze zijn opgenomen in het zzp sglvg-1 (Z573).
De eisen die worden gesteld aan de beveiligde setting komen overeen met de eisen zoals die gebruikelijk zijn in de forensische psychiatrie. Zie ook hoofdstuk 3, artikel 3.3. van de Beleidsregel Prestaties en tarieven geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg.
Deze prestatie is beschikbaar voor elke cliënt met een Wlz-indicatie. De integrale prestatie kan alleen tijdelijk worden gedeclareerd en niet in combinatie met andere tarieven/toeslagen.
m. Coördinatiekosten levensloopaanpak
De prestatie coördinatiekosten levensloopaanpak (H540) is een prestatie voor het bekostigen van coördinatiekosten voor Wlz-clienten die zijn geïncludeerd in de Ketenveldnorm levensloopfunctie en beveiligde intensieve zorg. De Ketenveldnorm levensloopfunctie en beveiligde intensieve zorg is opgenomen in het register van kwaliteitsinstrumenten bij het Zorginstituut Nederland. Deze prestatie heeft een maximum tarief.
Het doel van de 'Ketenveldnorm levensloopfunctie en beveiligde intensieve zorg' is om regionaal een geïntegreerd en domeinoverstijgende zorgaanbod te organiseren en te leveren voor personen van 18 jaar en ouder, die potentieel gevaarlijk gedrag vertonen als gevolg van een psychische aandoening, een verstandelijke beperking, een verslaving of hersenletsel. De zorg voor deze cliënten beslaat vaak het sociaal domein, het zorgdomein, het forensisch domein en het veiligheidsdomein. Deze zorg is zo complex dat een goede samenwerking tussen de verschillende domeinen vereist is. Een gebrekkige samenwerking tussen de hulpverleners die betrokken zijn bij de zorg aan een cliënt, kan leiden tot versnippering en gebrek aan eenduidigheid in het zorgaanbod. Terwijl deze complexe groep cliënten juist gebaat is bij een geïntegreerd zorgaanbod en een vast aanspreekpunt. Doel is een veiligere samenleving creëren door in te zetten op stabiliteit van deze personen. Het gaat om mensen die al ondersteuning of zorg ontvangen, ergens op een wachtlijst staan of tot nu toe hulp weigeren.
Het Zorg- en Veiligheidshuis regiseert de aanpak van de complexe casuïstiek om escalatie te voorkomen. De aanmelding voor de levensloopaanpak van een Wlz-cliënt is georganiseerd in afstemming met de Zorg- en Veiligheidshuizen. Gezamenlijk komen betrokken partijen tot het besluit een cliënt wel of niet te includeren. In het proces van de coördinatiekosten levensloopaanpak wordt door de Zorg- en Veiligheidshuizen de datum inclusie vastgelegd. Daar vindt ook de controle op de Wlz indicatie plaats. De levensloopaanbieder die de coördinatie gaat leveren, krijgt een bevestiging van de datum inclusie plus van het bestaan van de Wlz indicatie als deze voor betreffende cliënt is afgegeven.
Indien één levensloopaanbieder in meerdere regio's actief is, kan deze er voor kiezen om de prestatie bij één van de verbonden zorgkantoren af te spreken. Zowel zorgaanbieders als zorgkantoren kunnen kosten/opbrengsten (zorgaanbieders) of contracteerruimte (zorgkantoren) onderling verrekenen/overhevelen.
Na de inclusie wordt vanuit de levensloopaanpak ondersteuning en zorg in samenhang ingezet, voor zover dat nog niet aan de orde was voorafgaand aan de inclusie.
De prestatie kan per geïncludeerde persoon met een Wlz-indicatie maximaal één keer per dag worden gedeclareerd door de levensloopzorgaanbieder, ongeacht of de cliënt zorg ontvangt vanuit mpt, zzp, vpt, pgb, tijdelijk opgenomen zit in detentie of in een andere vorm van opvang of zwerft en geen vaste woon- en verblijfplaats heeft. De levensloopaanbieders zijn mede verantwoordelijk voor een gedegen registatie van de geïncludeerde personen die zij onder hun hoede nemen. Zorgkantoren kunnen deze zorgaanbieders hierop aanspreken. Levensloopaanbieders kunnen, maar hoeven niet de inhoudelijke zorg te leveren c.q. te declareren. De Wlz-zorg (mpt, vpt, zzp) kan ook geleverd worden door andere zorgaanbieders.
n. Prestatie ZZP 7vg-plus inclusief behandeling en inclusief dagbesteding
Door een aanpassing in de prestatiestructuur is het per 1 januari 2026 mogelijk in de bekostiging te differentiëren tussen cliënten met Wlz indicatie zorgprofiel vg7. De cliënt is krachtens zijn indicatiebesluit aangewezen op het zorgprofiel VG (Besloten) wonen met zeer intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering en verblijft in een instelling waar de cliënt ook behandeling ontvangt, waarbij de cliënt voldoet aan de gehele prestatiebeschrijving, waaronder alle punten van de "Doelgroep" en van de "Prestatie en voorwaarden". Afhankelijk van de zorglevering (waaronder contextkenmerken) aan de omschreven doelgroepen (cliëntkenmerken) kan worden bepaald welke prestatie in rekening kan worden gebracht.
Artikel 7 Prestatiebeschrijvingen toeslagen
2 Toeslag cerebrovasculair accident (cva)
Voor deze toeslag is geen specifieke toelating door de toelatende instantie (VWS, Cibg) nodig.
3. Toeslagen chronische ademhalingsondersteuning
Voor cliënten die non-invasief of invasief beademd worden, is het mogelijk een toeslag te declareren. Tot 2021 kon een toeslag invasieve beademing of een toeslag non-invasieve beademing worden gedeclareerd. Wij ontvingen signalen dat deze indeling niet meer aansloot bij de praktijk en dat de tarieven als ontoereikend werden ervaren. De zorg voor cliënten met non-invasieve beademing lijkt inhoudelijk erg op de zorg voor cliënten met invasieve beademing.
Daarom hebben we in 2021 voorzien in een tijdelijke oplossing, waarbij het onderscheid tussen invasieve- en non-invasieve beademing werd losgelaten. Er kwamen twee nieuwe toeslagen waarbij is aangesloten bij de Zorgprofielen chronische beademing van de VSCA.
Om tot een meer passende vorm van bekostiging voor de langere termijn te komen, heeft Bureau HHM in 2020 en 2021 onderzoek gedaan naar de inhoud en kosten van chronische ademhalingsondersteuning. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de Zorgprofielen chronische beademing een goede indicator zijn voor de extra handelingen die bij de zorg komen kijken.
Naar aanleiding van dit onderzoek zijn wijzigingen doorgevoerd in de toeslagen chronische ademhalingsondersteuning. Zo is de titel van de toeslagen gewijzigd van 'toeslag beademingszorg' naar 'toeslag chronische ademhalingsondersteuning'. Daarnaast wordt er nu onderscheid gemaakt in drie typen toeslagen, laag, midden en hoog. Hierbij is de koppeling met het Zorgprofiel chronische beademing van de VSCA leidend. Ook de tarieven zijn naar aanleiding van het onderzoek gewijzigd. Meer informatie staat in de Rapportage toeslag beademingszorg van Bureau HHM.
10 – 12 Toeslagen woonzorg gehandicaptenzorg
Deze toeslag wordt gebruikt om de gebruikelijke zorg te bekostigen die elk kind behoeft, omdat een kind bijvoorbeeld nog niet zelf zich kan aankleden, wassen, et cetera. Het betreft die activiteiten die ouders normaliter uitvoeren gedurende de opvoeding van het kind. De zorg die noodzakelijk is als gevolg van de beperkingen van het kind wordt bekostigd op basis van zzp's. De toeslag is gedifferentieerd naar drie leeftijdscategorieën. Indien kinderen en jeugdigen thuis wonen is deze toeslag niet nodig omdat dan de ouders of andere opvoeders deze taken verrichten.
13 Toeslag dagbesteding gehandicaptenzorg kind
De dagbesteding voor kinderen bevat een opvoedings- en ontwikkelingselement dat een speciale toeslag en een hoger tarief rechtvaardigt.
16 Toeslagen woonzorg jong volwassenen ggz
Bij deze doelgroep is de ontwikkeling tot een volwassen persoon vaak verstoord. Daarom ligt er een sterke nadruk op het aanleren van vaardigheden ten behoeve van en (meer) zelfstandig leven.
17. Toeslag gespecialiseerde behandelzorg
In 2021 heeft een kostenonderzoek plaatsgevonden naar geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen(gzsp)/Wlz-behandelprestaties (zorg in een groep en sglvg). De zorg die binnen deze prestaties wordt geleverd is identiek in de Zvw en de Wlz. Tijdens dit kostenonderzoek zijn vier prestaties onderzocht:
-
Zorg in een groep aan kwetsbare patiënten (Wlz mpt prestatie: Dagbehandeling somatiek en psychogeriatrisch).
-
Zorg in een groep aan lichamelijk gehandicapten / mensen met niet-aangeboren hersenletsel (Wlz mpt prestaties: dagbehandeling licht, midden en zwaar).
-
Zorg in een groep aan patiënten met de ziekte van Huntington (nog geen aparte Wlz mpt prestatie)
-
Zorg aan patiënten met sterk gestoord gedrag en een lichte verstandelijke beperking (sglvg) (Wlz mpt prestatie: Behandeling sglvg traject en deeltijd).
Door partijen is aangegeven dat de zorg van de mpt-prestatie sglvg gelijk is aan de zorg die onder de toeslag gespecialiseerde behandelzorg (Z981/V981) geleverd wordt. Daarom stellen we het tarief van deze toeslag gelijk aan het tarief voor de mpt-prestatie sglvg. Het tarief van de prestatie Z981/V981 is, evenals het tarief van de mpt prestatie sglvg, gebaseerd op declarabele directe tijd wat inhoudt dat alleen de directe contacttijd tussen zorgaanbieder en cliënt gedeclareerd mag worden. Zie regeling Declaratievoorschriften, administratievoorschriften en informatieverstrekking Wlz, artikel 4, lid 1 sub c.
Artikel 8 Overbruggingszorg sglv- en lvg-cliënten
De indicaties sglvg en lvg zijn tijdelijke indicaties. Op het moment dat deze indicaties aflopen en er een nieuwe Wlz-indicatie wordt afgegeven, is er voor deze cliënten niet altijd meteen plaats in een nieuwe instelling die de zorg passende bij de nieuwe indicatie gaat leveren. Deze cliënten blijven vervolgens nog op hun oude plaats zitten. Instellingen moeten dan de nieuwe prestatie, behorende bij de nieuwe indicatie, declareren. Deze (maximum) tarieven van de nieuwe prestatie dekken de kosten van de plaatsen niet altijd in de overbruggingsperiode. Om instellingen tegemoet te komen, kunnen zij overbruggingszorg-prestaties declareren. Overbruggingszorg geldt alleen voor cliënten die een sglvg- of lvg-indicatie hebben gehad en waarvoor niet meteen een plaats beschikbaar is om de zorg behorende bij hun nieuwe Wlz-indicatie te ontvangen.
Het tarief dat bij overbruggingszorg hoort is een maximumtarief.
Overbruggingszorg mag niet meer gedeclareerd worden op het moment dat de cliënt verhuist naar een nieuwe, juiste plaats.
Artikel 9 Aan- en afwezigheid
Onder de voorwaarden, zoals in beschreven in dit artikel, is het mogelijk om basisprestaties te declareren bij afwezigheid van de cliënt. Het is niet toegestaan afzonderlijk afgesproken dagbesteding, vervoer van en naar dagbesteding/dagbehandeling, en afzonderlijk afgesproken behandeling te declareren bij afwezigheid van een cliënt.
Het is ook niet toegestaan om toeslagen te declareren bij afwezigheid van de cliënt, behalve de woonzorgtoeslag ghz (Z978, Z979 en Z980). De woonzorgtoeslag mag wel gedeclareerd worden bij afwezigheid.
Aan artikel 9 is per 2022 toegevoegd dat voor cliënten die in deeltijd verblijven afwezigheidsdagen mogen worden gedeclareerd. Hiermee kunnen zorgaanbieders van deeltijdverblijf de incidentele, kortdurende afwezigheid van cliënten declareren. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op ziekte, verjaardagen of begrafenissen. Het aantal te declareren afwezigheidsdagen per jaar is afhankelijk van het aantal dagen dat een cliënt volgens het vaste patroon in deeltijd verblijft.
Artikel 10 Overbruggingsperiode instroom sglvg en lvg
Aangezien het voorkomt dat een cliënt vanaf het moment van het ontvangen van de indicatie niet meteen op een plaats terecht kan waar de zorg behorende bij zijn/haar indicatie geleverd kan worden, is er in samenwerking met VWS een overbruggingsregeling tot stand gekomen. Deze overbruggingsregeling maakt het mogelijk om een periode van dertien weken sglvg- en lvg-zorg te leveren via een mpt of vpt. De periode van dertien weken kan maximaal één keer verlengd worden. Deze wijziging heeft betrekking op artikel 2.5, tweede lid van de Rlz.
Artikel 11, eerste lid, Aanvullende voorwaarde voor prestatie zzp vv-10 (palliatief terminale zorg)
De onderbouwing van de extra zorginzet, de inschatting van de levensverwachting, de geldige Wlz-indicatie en in het geval van zzp vv-10 aanvullend daarop de vaststelling dat tevens aan alle onderdelen van voorwaarde C is voldaan, worden opgenomen in het cliëntdossier van de zorgaanbieder. Dit ter toetsing bij de materiële controle.
Voor cliënten die thuis wonen of in een instelling verblijven, kan de prestatie vpt of zzp vv-10 worden gedeclareerd. Hiervoor gelden de voorwaarden zoals genoemd in artikel 11, lid 1.
Cliënten die een mpt en/of pgb afnemen kunnen gebruik maken van de extra kosten thuis regeling (ekt) van artikel 5.3 lid 4 en 5 van de Rlz.
Het is alleen mogelijk om de prestatie vpt of zzp vv-10 te declareren wanneer de cliënt beschikt over een Wlz-indicatie. De zorgaanbieder kan, tot het overlijden van de cliënt of tot er geen sprake meer is van een terminale fase, de prestaties vpt of zzp vv-10 declareren.
Wanneer de prestatie vpt of zzp vv-10 in rekening wordt gebracht, is het niet toegestaan dat daarnaast een andere vpt of zzp op basis van het geïndiceerde zorgprofiel wordt gedeclareerd.
Artikel 11, derde lid, Palliatief terminale zorg (ptz) voor Wlz-cliënten met een zorgprofiel gehandicaptenzorg (ghz) of geestelijke gezondheidszorg (ggz)
De prestaties vpt en zzp vv-10 zijn bedoeld voor ptz Wlz-cliënten met dominante grondslag somatische en/of psychogeriatrische ziekte/aandoening. Wlz-cliënten met zorgprofiel vv (verpleging en verzorging) voldoen hier aan en de prestatie vpt of zzp vv-10 sluit hierop aan. Voor Wlz-cliënten met een zorgprofiel gehandicaptenzorg (ghz) of geestelijke gezondheidszorg (ggz) kan de ptz bekostigd worden vanuit het huidige zorgprofiel en bijbehorende prestatie maar het is ook mogelijk om hiervoor de prestatie vpt of zzp vv-10 te gebruiken. Een ghz of ggz Wlz-cliënt die terminale zorg behoeft, heeft toegang tot de prestatie vpt of zzp vv-10 wanneer de dominante grondslag een somatische en/of psychogeriatrische ziekte/aandoening wordt en wanneer de zorg voor deze cliënten overeenkomt met wat in de prestatiebeschrijving van vpt of zzp vv-10 beschreven staat. Daarnaast voldoet de ghz of ggz Wlz-cliënt aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 11, eerste tot en met derde lid. Dit uitgangspunt verschilt niet van de situatie zoals onder de indicatiestelling. Het CIZ gaf een indicatie zorgprofiel vv-10 ook af voor ghz en ggz Wlz-cliënten indien deze voldeden aan de gestelde voorwaarden in artikel 11, eerste tot en met derde lid.
Artikel 12 en 14 Deeltijdverblijf (dtv)
Dtv houdt in dat cliënten middels een gemiddeld vast patroon van verblijfplaats kunnen wisselen: ze wonen deels thuis en deels in een instelling. Hierdoor kunnen cliënten wennen aan het verblijf in een instelling en/of worden mantelzorgers ontzien. Uitgesloten voor dtv zijn sglvg-,lvg- en ggz-b-cliënten, de lage zzp's (zoals beschreven in het overgangsrecht) en vv-9b en vv-10.
De basis van dtv is verblijf. Er is dan ook sprake van dtv als een cliënt 3½, 4 of 4½ etmalen per week in een instelling verblijft en de rest van de etmalen thuis. Er is bewust voor deze afbakening gekozen, omdat in geval van een andere hoeveelheid etmalen er al mogelijkheden bestaan om de afwisseling tussen verblijf in een instelling en thuis te bekostigen:
-
Als een cliënt langer in een instelling verblijft dan 4½ etmalen, dan is er sprake van volledig verblijf en kan verblijf thuis geregeld worden met afwezigheidsdagen (artikel 9, tweede lid, onder d).
-
Indien een cliënt minder dan 3½ etmalen verblijft in een instelling kan afwisseling tussen instelling en thuis geregeld worden door middel van logeren.
Dtv is alleen mogelijk indien er een gemiddeld vast patroon is van verblijf in een instelling en verblijf thuis. Het gaat om een gemiddeld vast patroon dat zich tweewekelijks herhaalt, vanwege helderheid voor de cliënt, de zorgaanbieder en het zorgaanbieder. Het gemiddelde patroon moet bezien worden over een periode van 14 etmalen, waarbij er geen halve etmalen gedeclareerd kunnen worden. In een periode van 14 etmalen is er dan sprake van dtv als een cliënt gemiddeld 7, 8 of 9 etmalen in een instelling verblijft en de overige etmalen thuis is.
In artikel 14 staan de declaratiecodes voor deeltijdverblijf beschreven. Deeltijdverblijf omvat de zzp-prestaties. Om declaratie van dtv mogelijk te maken, zijn aparte codes gemaakt die bij declaratie van dtv moeten worden gebruikt. Dit impliceert dat juridisch-technisch nieuwe prestaties en tarieven worden geïntroduceerd. Dat is niet het geval; het gaat slechts om een declaratievoorschrift. De aparte declaratiecodes dragen, ondanks de verplichting tot declaratie ervan bij dtv, bij aan de vermindering van de administratieve lasten en maken declaratie van zzp en mpt in combinatie mogelijk, dat anders in de declaratiesystemen niet mogelijk is. De codes zijn om de volgende redenen noodzakelijk voor de levering van dtv:
-
Om het onderscheid tussen dtv en een reguliere zzp prestatie duidelijk te maken is samen met partijen gekozen voor afzonderlijke dtv declaratiecodes.
-
Bij dtv gelden - in tegenstelling tot de reguliere zzp prestaties – niet de regels voor mutatiedagen. Met aparte codes kan dtv worden gedeclareerd met uitsluiting van een combinatie met mutatiedagen, wat niet kan bij het declareren van zzp's.
-
Het gebruik van dtv kan hierdoor goed gemonitord worden.
-
Voor dtv gelden specifieke voorwaarden met betrekking tot de eigen bijdrage en het gemiddeld vast patroon.
-
Door dtv kunnen zorgaanbieders voor cliënten met de leveringszorg mpt ook verblijf declareren. De introductie van dtv zorgt voor een administratieve lastenverlichting bij zorgaanbieders. Zorgaanbieders hoeven niet meer administratief te switchen tussen de leveringsvorm zzp en mpt om deeltijdverblijf mogelijk te maken.
-
De tarieven voor dtv zijn afgeleid van de zzp tarieven. In de dtv tarieven houden we per 2025 echter rekening met een hoger percentage leegstand verwerkt in de nhc en nic. . We verhogen het leegstandspercentage bij Deeltijdverblijf van 18% naar 25%. Meer informatie hierover is opgenomen in de Beleidsregel normatieve huisvestingscomponent (nhc) en normatieve inventariscomponent (nic) geestelijke gezondheidszorg, forensische zorg en langdurige zorg.
-
De nic-bedragen van dtv ggz-wonen (H401 t/m H405) zijn per 2022 opgehoogd voor roerende voorzieningen, die voor rekening van de Wlz komen. Deze ophoging (correctie) was in 2020 al doorgevoerd in de nic van de overige Wlz-prestaties (zzp's en dtv's zonder behandeling).
Bij deeltijdverblijf ziet de cliënt af van het aanvragen van structurele logeeropvang binnen het mpt. Incidentele logeeropvang blijft mogelijk voor de cliënt (ook als de cliënt kiest voor dtv). Het is echter niet mogelijk om in dezelfde periode dtv en logeren te declareren. De dtv-prestaties kunnen niet gecombineerd worden met mutatiedagen.