Onderwerp: Bezoek-historie

Vraag en antwoord nieuwe maximumtarieven ggz en fz

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

De NZa heeft een kostprijsonderzoek uitgevoerd naar de prestaties binnen het Zorgprestatiemodel (Zpm) voor de geestelijke gezondheidszorg (ggz) die vallen onder de Zorgverzekeringswet en de Wet forensische zorg. In dit kostprijsonderzoek zijn ook de ggz-verblijfsprestaties inclusief behandeling binnen de Wet langdurige zorg (ggz-b en ggz-wonen) meegenomen én de beschikbaarheidsbijdrage voor de medische vervolgopleidingen (mvo) in de ggz. Dit onderzoek, dat uitgevoerd is onder zowel vrijgevestigde praktijken als instellingen, heeft geleid tot nieuwe tarieven die ingaan per 2026. In deze vraag en antwoord wordt ingegaan op de uitkomsten van het kostprijsonderzoek met betrekking tot het zorgprestatiemodel (ggz en fz). Mvo-ggz en Wlz-ggz laten we hierin buiten beschouwing.

Waarom voert de NZa kostprijsonderzoeken uit?

Iedereen in Nederland moet erop kunnen vertrouwen dat er op tijd, goede en betaalbare zorg beschikbaar is. Het is de wettelijke taak van de NZa om de zorg betaalbaar en toegankelijk te houden. Dat doen we onder andere door periodiek kostprijsonderzoek te doen. Daarmee herijkt de NZa de tarieven, waarmee we er voor zorgen dat gemiddeld genomen de kosten van geleverde zorg gedekt kunnen worden. Met de nieuwe maximumtarieven kunnen afspraken gemaakt worden tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars om mensen die ggz en fz nodig hebben te helpen aan tijdige en passende zorg. Als het gaat om het Zorgprestatiemodel (Zvw-ggz en fz) kunnen ook afspraken gemaakt worden over tarieven tot 10% boven het maximumtarief.

Hoe is dit onderzoek onder vrijgevestigde praktijken uitgevoerd?

De NZa heeft de kosten en opbrengsten onderzocht binnen een representatieve steekproef van ongeveer 300 vrijgevestigde praktijken. Dit vond plaats over het jaar 2023 met als doel inzicht te krijgen in de kosten per beroepsgroep en bijbehorende geleverde prestaties (zoals het aantal diagnostiek- en behandelconsulten in dat jaar). Gekozen is voor 2023, omdat dit het meest recente afgeronde boekjaar was tijdens de uitvraagperiode. Wij hebben op basis van een uitvraagformat, een instructie, een webinar en lopend tussentijds contact de praktijken ondersteund in het aanleveren van de informatie. Vervolgens hebben we de informatie gecontroleerd en gevalideerd. Daarna hebben we op basis van de informatie de gemiddelde kosten per prestatie berekend en geduid met branchepartijen. Die gemiddelde kosten per prestatie zijn de basis voor de nieuwe tarieven per 2026.

Hoe is dit onderzoek onder instellingen uitgevoerd?

De NZa heeft de kosten en opbrengsten van alle instellingen met een minimale omzet van € 290.000 voor de zorgprestaties binnen scope van dit onderzoek en meer dan 10% ten opzichte van de totale omzet over het jaar 2023 onderzocht, om te komen tot de kosten per prestatie (bijvoorbeeld voor diagnostiekconsulten, behandelconsulten en verblijfsdagen). Informatie is uitgevraagd onder 300 instellingen in de ggz en fz. Wij hebben op basis van een uitvraagformat, een instructie, een webinar en lopend tussentijds contact de instellingen ondersteund in het aanleveren van de informatie. Vervolgens hebben we de informatie gecontroleerd en gevalideerd. Daarna hebben we op basis van de informatie de gemiddelde kosten per prestatie berekend en geduid met branchepartijen en zorgaanbieders. Die gemiddelde kosten per prestatie zijn de basis voor de nieuwe tarieven per 2026.

Wat is de invloed van de uitspraak van de kortgedingrechter?

Op 2 juli 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland vonnis gewezen in kort geding van de LVVP. In dit vonnis heeft de rechtbank de NZa opgelegd om bij het bepalen van de tarieven voor vrijgevestigde psychologen en psychotherapeuten voor het contractjaar 2026 geen gebruik te maken van een methodiek waarbij de normatieve arbeidscomponent (nac) wordt gemaximeerd op een werkweek van 36 uur en 46 werkweken per jaar. Als gevolg van deze uitspraak wordt het betreffende onderdeel van de nac berekening niet gebruikt voor tarieven voor de vrijgevestigde gz-psychologen (beroepscategorie B06), de klinisch (neuro)psychologen (beroepscategorie B03) en de psychotherapeuten (beroepscategorie B07). Voor deze drie beroepen binnen setting 1 stellen we daarom nu nog geen tarieven voor 2026 vast. Op een later moment zullen we duidelijkheid geven over de totstandkoming en het tijdspad voor de tarieven voor deze drie beroepen.

Hoe verklaart de NZa de algemene tariefdaling in de ggz en fz?

In een kostprijsonderzoek meet de NZa de totale kosten en opbrengsten van vrijgevestigde praktijken en instellingen. Deze uitvraag levert een representatief beeld op van de sector. Op basis van periodiek kostprijsonderzoek nemen we alle ontwikkelingen mee in onze tarieven. Het is onze wettelijke taak om tarieven vast te stellen die redelijkerwijs kostendekkend zijn. Dit vertaalt zich in de (gewogen) gemiddelde kostprijzen.

Tarieven voor (met name) consulten dalen vooral doordat de productie harder gestegen is dan de kosten. Aanbieders hebben de zorg sinds de start van het Zorgprestatiemodel anders georganiseerd, waardoor de kosten per prestatie omlaag zijn gegaan. Daarbij speelt een rol dat het Zorgprestatiemodel een prikkel vormt om meer directe consulten te leveren.

Waarom is er geen inzicht meer in minuten en dagbesteding/vaktherapie bij verblijf?

Op het publicatieplatform van de overheid vindt u per prestatie de opbouw van het tarief (bijlage 3 bij TB/REG-26628-01). Aangezien we binnen het zorgprestatiemodel afgestapt zijn van de registratie van minuten is die informatie ook niet beschikbaar en vindt u dus ook geen minutenopbouw meer. Als het gaat om verblijf kennen we bij de verblijfsletters van A tot en met H geen verschillen meer tussen met en zonder dagbesteding en met of zonder vaktherapie. Bij de uitvraag van kosten hebben we dat onderscheid dan ook niet meer gemaakt en daarom is hierover ook geen informatie beschikbaar.

Welke ontwikkelingen in de ggz en fz hangen samen met het kostprijsonderzoek?

Instellingen in de ggz en fz

In 2024 en 2025 samen is een bedrag van 9 miljoen (in 2024 vijf miljoen en in 2025 vier miljoen) per jaar structureel toegekend, door ophoging van het macrokader fz ten behoeve van de inkoop door DJI, aan aanbieders van forensische zorg ten behoeve van de implementatie van het Kwaliteitskader Forensische zorg. Voor het jaar 2023 was al 10 miljoen toegekend door DJI zodat het totaal op 19 miljoen uitkomt. Een deel van deze gelden heeft betrekking op prestaties die zowel bij verzekeraars als bij DJI gedeclareerd worden en daardoor niet in de tarieven te verwerken zijn. Voor zover het gaat om prestaties die alleen bij DJI gedeclareerd worden, worden deze tarieven verhoogd.

Andere componenten zijn de wijzigingen in de ZPM-structuur tussen 2024 en 2026, alsook de indexering en de vergoeding voor gederfd rendement en eigen vermogen (VGREV). Bij deze wijzigingen volgen we het reguliere proces zoals beschreven in de beleidsregel waarbij de specifieke uitvoering aansluit bij NZa-beleid. Verder constateren we dat er geen andere ontwikkelingen zijn in 2024 en 2025 waarvoor we een correctie moeten doorvoeren in de tarieven.

We zien daarnaast dat de sector een grote ontwikkeling heeft doorgemaakt in lijn met de ambities van het Integraal Zorgakkoord. Al deze ontwikkelingen zijn onderdeel van de herijkte tarieven. Van beleidsontwikkelingen en ambities van o.a. het beoogd Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn geen aanwijzingen dat dit moet leiden tot aanpassing van tarieven.

Zijn de gestegen huisvestingskosten onderdeel van het tarief?

Instellingen

In 2025 heeft de NZa twee onderzoeken laten uitvoeren naar de normatieve huisvestingscomponent (nhc). Het eerste onderzoek is uitgevoerd door TNO naar wijzigingen in wet- en regelgeving met betrekking tot duurzaamheid en brandveiligheid. Dit is beschreven in het advies van TNO 'Advies effecten wijziging wet- en regelgeving op investeringskosten 2018- 2030'. Hieruit komt een verhoging van de investeringskosten (exclusief grondkosten) naar voren van 15%.

Daarnaast is in 2025 een 'Onderzoek huurcomponent in NHC' uitgevoerd door Finance Ideas naar het mogelijk verwerken van een huurcomponent in de huidige nhc-systematiek. Dit op basis van het signaal dat de nhc onvoldoende ruimte biedt om huurlasten te bekostigen. Uit het onderzoek komt naar voren dat wanneer het investeringsniveau van de nhc op peil is, dit voldoende is voor zorgaanbieders die panden in eigendom, huur of een combinatie van beide hebben. De verhoging van de investeringsbedragen (exclusief grondkosten) voor duurzaamheid en brandveiligheid zal bijdragen aan het op peil brengen van het investeringsniveau. Er zal daarom geen specifieke huurcomponent worden verwerkt in de huidige nhc-systematiek.

Als het gaat om andere prestaties dan verblijf geldt het volgende: de kapitaallasten bestaan uit twee componenten, namelijk behandeling en kantoor. De aanpassing van de verduurzamingsopslag leidt tot verandering van deze beide componenten. We hebben activiteiten in drie 'financieringsstromen': ggz, fz en ggz en fz. Wat neerkomt op een plus op deze component van ongeveer 13%. Door deze verhogingen zijn ook de gevolgen van huurontwikkeling gedekt.

Vrijgevestigden

Voor de vrijgevestigde praktijken in de ggz zijn de huisvestingskosten gebaseerd op de uitkomsten van het kostprijsonderzoek. Daarmee zijn de (eventueel gestegen) huisvestingskosten geland in de nieuwe tarieven.

Wat zijn de resultaten van het onderzoek voor praktijkhouderschap?

Voor 2026 houden we in de kostprijzen voor setting 1 (vrijgevestigden) rekening met een vergoeding voor de arbeidskosten van de praktijkeigenaar. Deze normatieve arbeidscomponent (nac) is opgebouwd uit een primaire beloning en de bijkomende kosten voor sociale lasten (bijvoorbeeld arbeidsverzekeringen en pensioen).

Beroepscategorie ZPM

Functiezwaarte

(USB-score)

Primaire beloning

Sociale lasten

Totale nac (afgerond)

Arts – specialist (meestal psychiater)

352

€ 150.021

€ 37.711

€ 187.800

Op een later moment stellen we de tarieven vast voor de klinisch (neuro)psycholoog, de gz-psycholoog en de psychotherapeut.

Bepaalt de NZa hoeveel uur een vrijgevestigde praktijkhouder werkt per week?

Nee. We zien dat sommige berichtgeving hierover onjuist is. In de tarieven is voor elke voltijd werkende praktijkhoudende psychiater een volledige normatieve arbeidskostencomponent (nac) van € 187.800 opgenomen.

De nac is gebaseerd op het takenpakket en de verantwoordelijkheden van de zorgverlener, niet op het aantal werkuren per week. Ook bij andere beroepsgroepen van dit niveau is het heel gebruikelijk om beloond te worden op basis van de functie en niet op basis van het aantal gewerkte uren. Dat de NZa vanaf 36 uur een volledige nac toekent, betekent dus niet dat de praktijkhoudende psychiater voor precies 36 uur werken beloond wordt. Een psychiater die namelijk meer consulten uitvoert, dan gemiddeld voor een volledige praktijk geldt, komt op een hoger inkomen uit.

Wat betekenen de resultaten van het onderzoek voor de contractering van zorg?

Zorgverzekeraars hanteren in de zorginkoop in de regel afslagen op de NZa maximumtarieven. Hiermee sturen zij op de kosten en de efficiëntie bij de zorgaanbieders. Het sturen op betaalbare zorg vloeit logischerwijs voort uit de rol van de zorgverzekeraars. De wisselwerking tussen het nemen van afslagen door zorgverzekeraars op de maximumtarieven vanuit de NZa, betekent echter nadrukkelijk dat er na ieder kostprijsonderzoek kritisch gekeken moet worden door zorgverzekeraars of afslagen op de nieuwe maximumtarieven nog gepast zijn en in welke mate.

De NZa vindt het van belang dat er transparantie is over de genomen afslagen, zodat partijen gemakkelijker tot elkaar kunnen komen. Dit heeft de NZa dan ook opgenomen in de Regeling Transparantie zorginkoopproces en ons document Handvatten Contractering en Transparantie gecontracteerde zorg.

Wat betekent het verplicht registeren van de verwijsdatum op de declaratie?

Momenteel is het voor alle ggz-zorgaanbieder verplicht om hun wachttijdendata maandelijks aan te leveren bij de NZa via het Zorgbeeldportaal. Door inzicht te geven in wachttijden in de ggz kunnen knelpunten in toegankelijkheid in beeld worden gebracht. Ook is het voor zorgvragers mogelijk om wachttijden mee te laten wegen in hun keuze voor de zorgaanbieder en kunnen zorgverzekeraars deze informatie gebruiken in de zorginkoop en zorgbemiddeling. De huidige werkwijze zorgt echter voor administratieve lasten bij de zorgaanbieders en is daarnaast foutgevoelig doordat het handmatig moet worden ingevuld.

Om te zorgen voor betrouwbaardere en completere informatie over wachttijden en de administratieve lasten voor de zorgaanbieders te verlagen heeft de NZa samen met de IZA-werkgroep wachttijden (met hierin onder meer ZN, de Nederlandse ggz en Vektis) gewerkt aan een nieuwe werkwijze rondom inzicht in de wachttijden ggz. Hiervoor heeft de NZa de regelgeving aangepast en is het vanaf 2026 voor alle ggz-zorgaanbieders verplicht om de verwijsdatum te registeren en mee te geven in het declaratieverkeer. Hierdoor wordt het mogelijk om de wachttijden te berekenen op basis van declaratiedata, zonder dat de zorgaanbieder dit zelf hoeft te doen. Dit zijn de retrospectieve wachttijden.

Stapsgewijze invoering

Aangezien declaratiedata op het niveau van de onderneming is, maar het noodzakelijk is om inzicht in wachttijden op vestigingsniveau te hebben, wordt de werkwijze stapsgewijs ingevoerd. Per 2026 zullen de wachttijden voor aanbieders met 1 vestiging uit de declaratiedata worden vastgesteld. Vanaf dat moment vervalt ook de verplichting voor aanbieders met 1 vestiging om de wachttijden aan te leveren bij het Zorgbeeldportaal. Voor aanbieders met meer dan 1 vestiging blijft deze verplichting in 2026 nog wel bestaan; er wordt gekoerst op het afschaffen van de aanleververplichting voor deze aanbieders via het Zorgbeeldportaal per 2027.

In 2025 blijft dus de verplichting voor alle ggz-zorgaanbieders bestaan om wachttijdgegevens aan te leveren via het Zorgbeeldportaal. Op korte termijn volgt meer over de werkwijze vanaf 2026.

Naar boven