Onderwerp: Bezoek-historie

Verantwoordingsdocument herijking loonnormbedragen rijdende dienst ambulancezorg 2020
Ondertekeningsdatum:08-12-2020

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) streeft ernaar om passende loonnormbedragen vast te stellen voor de ambulancezorg. De loonnormbedragen die we momenteel (2020) gebruiken voor de berekening van de loonkostenvergoeding (Spreiding & Beschikbaarheid-vergoeding, S&B) voor ambulancezorg, zijn gebaseerd op parameters die geformuleerd zijn in het jaar 2017. In de periode van 2017 tot en met 2020 zijn de loonnormbedragen jaarlijks geïndexeerd om de loonkostenvergoeding op het prijspeil van het actuele jaar te brengen.

Afgelopen tijd zijn er verschillende ontwikkelingen geweest in de sector en daarom heeft de NZa de parameters opnieuw beoordeeld. Het resultaat van deze beoordeling en berekening vindt u in dit voorliggende document.

We zijn voornemens om deze gegevens te gebruiken voor het berekenen van de loonkostenvergoeding in de budgetten voor de Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV's) voor het jaar 2021. In de daaropvolgende jaren zullen we deze loonnormbedragen indexeren.

1.2 Aanpak en opzet van het onderzoek

In januari is de NZa in samenwerking met Ambulancezorg Nederland (AZN) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) gestart met dit onderzoek. Tijdens de start van dit onderzoek hebben we de uitgangspunten en randvoorwaarden geformuleerd en gedeeld met AZN en ZN. Beide partijen hebben hier input op kunnen leveren. Daarna hebben we een expertgroep gevormd met experts vanuit het veld. In die expertbijeenkomsten hebben we de formuleringen en gegevens die tot de uitvraag behoorden besproken. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een gegevensuitvraag onder de 25 RAV's vlak voor de zomer van 2020.

De zomerperiode heeft de NZa gebruikt voor het stellen van aanvullende vragen aan de RAV's naar aanleiding van de gegevensaanlevering en het doen van berekeningen.

Voor een deel van het onderzoek en het herzien van parameters, is de NZa afhankelijk bronnen anders dan de gegevensuitvraag. Het gaat hier bijvoorbeeld om het Sectorkompas 2019, ritgegevens afkomstig van het RIVM en de nieuwe cao (2020-2021) voor de ambulancesector.

Deze onderdelen nemen we ook mee in dit onderzoek, en benoemen we bij de relevante onderwerpen.

1.3 Modelmatige bepaling loonnormbedragen

Hieronder beschrijven we op hoofdlijnen het model waarmee we tot de opbouw van de loonnormbedragen in 2020 zijn gekomen. Onderstaande beschrijving is identiek aan de beschrijving van het model uit het Verantwoordingsdocument 'Herijking loonnormbedragen ambulancezorg' d.d. 24 oktober 2017.

1.3.1 Modelmatige benadering benodigde capaciteit (aantal diensten)

Stap 0: Bepalen hoeveel diensten er op basis van het Referentiekader S&B geleverd moeten worden om de beschikbaarheid te waarborgen.

Dit is een modelmatige benadering van de benodigde capaciteit (het aantal standplaatsen per RAV). Deze berekening wordt door het RIVM uitgevoerd. De NZa koppelt hieraan op basis van inwoneraantallen en omgevingsadressendichtheid de aanwezigheidsdiensten (AWD) en paraatheidsdiensten (dit zijn vaststaande gegevens).

In de volgende stappen laten we zien hoe de NZa tot een modelmatige benadering komt van de loonkosten, behorend bij de benodigde capaciteit.

Stap 1: Bepalen hoeveel uren er per dienst in een kalenderjaar geleverd worden.

Per type dienst (paraatheidsdienst of aanwezigheidsdienst), per tijdvak (0.00u-08.00u, 8.00u-16.00u en 16.00u-24.00u) en per type dag (weekdagen, zaterdagen en zon- of feestdagen) berekenen we hoeveel uur er in een kalenderjaar geleverd moet worden voor één dienst. In één dienst worden één ambulanceverpleegkundige (AVP) en één ambulancechauffeur (ACH) ingezet.

Stap 2: Bepalen hoeveel fte AVP en ACH benodigd is om het aantal te leveren uren te kunnen leveren.

Hierin houden we rekening met het gegeven dat medewerkers niet fulltime effectief ingezet kunnen worden in een dienst. Het benodigd aantal fte wordt bepaald aan de hand van de verhouding indirecte uren en effectieve uren. Indirecte uren zijn uren die wel betaald moeten worden (zoals werkoverleg, ziekte, verlof), maar die niet ingezet kunnen worden voor een dienst. Het aldus berekende aantal benodigde fte vormt de basis voor de loonkostenvergoeding.

Deze werkwijze houdt tevens in dat alle vergoedingen die op de berekende benodigde fte-capaciteit gebaseerd zijn, zowel de vergoeding voor de 'afwezige' medewerker als voor de 'vervangende' medewerker bevatten.

Stap 3: Bepalen op welke manier de te leveren uren worden geleverd.

Hierin onderscheiden we vier mogelijkheden:

  • Geen overwerk, geen inzet

  • Geen overwerk, inzet

  • Overwerk (of externe inhuur), geen inzet

  • Overwerk (of externe inhuur), inzet

Dit onderscheid is nodig omdat de loonkosten verschillen per variant (en ook per type dienst), als gevolg van bepalingen in de cao over overwerkvergoedingen, aanwezigheidstoeslagen, et cetera. Ook voor externe inhuur gelden andere uurtarieven dan het uurloon van personeel in loondienst.

Voor de verschillende varianten berekenen we dus verschillende loonkostenvergoedingen. We werken daarmee met de kansen op wel respectievelijk geen inzet en de kansen op wel respectievelijk geen overwerk (of externe inhuur). Waar nodig worden deze kansen gecombineerd: Voor de paraatheidsdiensten is het onderscheid wel/geen inzet niet relevant en maken we alleen het onderscheid wel/geen overwerk (of externe inhuur). Voor aanwezigheidsdiensten maakt het wel uit of er sprake is van een inzet of niet, al of niet in combinatie met overwerk (of externe inhuur).

Door deze kansen te vermenigvuldigen met het totaal aantal te leveren uren per dienst (stap 1) rekenen we met het aandeel te leveren uren uit elk van deze vier vormen van levering van de dienst.

Het overwerk in de hierboven beschreven varianten betreft uitsluitend overwerk door middel van extra diensten (vanuit het perspectief van de medewerker). Vanuit het perspectief van de RAV gaat het om een dienst die onderdeel uitmaakt van de te leveren capaciteit, maar waarvoor een hogere vergoeding moet worden betaald omdat de medewerker dit in overwerk uitvoert. Overwerk in de vorm van extra diensten gaat dus gepaard met hogere kosten voor de werkgever, maar leidt niet tot extra uren die geleverd moeten worden; het is onderdeel van het aantal te leveren uren uit stap 1.

In overleg met ZN en AZN is bepaald dat de overwerk in de vorm van een extra dienst uitsluitend in het model wordt meegenomen voor de vervanging door eigen personeel in loondienst bij kortdurend en middellang ziekteverzuim. In alle andere gevallen (langdurig ziekteverzuim, vervanging bij vacatureruimte) wordt verondersteld dat de noodzaak tot vervanging tijdig voorzienbaar is. Vervanging kan in die gevallen ingeroosterd worden en leidt dan niet tot overwerk.

Stap 4: Bepalen welke inzet extra vergoed moet worden, bovenop het benodigd aantal diensten (uitloop overwerk)

Naast het aantal te leveren uren dat nodig is om de beschikbaarheid te kunnen bieden, is in de praktijk sprake van uitloop overwerk. Dit ontstaat als een rit voor het einde van een dienst aanvangt, en na einde dienst eindigt. De tijd die hiermee gemoeid is, is overwerk tijd die niet meegerekend is in het aantal te leveren uren uit stap 1. Dit type overwerk wordt apart vergoed.

Samengevat: de te leveren tijd (100% van de diensttijd uit stap 1) wordt in vier varianten ingedeeld (stap 3); daarnaast wordt extra diensttijd bij uitloop dienst (stap 4) in het model meegenomen. Zie het volgende schema:

Stap 5: Berekening loonkosten

De basis voor de loonkosten vormt de cao. Hieruit volgt onder andere:

  • Het salarisniveau van de AVP en de ACH;

  • De hoogte van geldelijke beloningen en bepalingen omtrent tijd-voor-tijd vergoeding bij verschillende typen inzet, aanwezigheid, en overwerk;

  • Bepalingen over doorbetalingen bij ziekte en vakantie;

  • Rechten op vakantiegeld en eindejaarsuitkering.

De loonkosten waar we mee rekenen worden verhoogd met de werkgeverslasten (Zvw, WW- en pensioenpremies).

Aan de hand van de cao bepalingen komen we tot een vergoeding per type dienst, per tijdvak, voor weekdagen, zaterdagen en zon- en feestdagen, per variant in inzet/overwerk, voor de ambulanceverpleegkundige en de ambulancechauffeur.

Stap 6: Bepalen toeslagen die niet via stap 1 t/m 4 worden vergoed

Het gaat hier om:

  • Onregelmatigheidstoeslag (ORT): deze is gekoppeld aan het moment waarop de dienst geleverd moet worden. Per tijdvak wordt de hoogte van de ORT bepaald

  • ORT bij ziekte en vakantie

  • Uitloop overwerk bij ziekte en vakantie

  • Extra kosten bij inhuur voor vervanging bij kortdurend ziekteverzuim

  • Dagelijkse leiding: de loonkosten die aan de teamleiding verbonden zijn.

Ook dit leidt tot extra vergoedingen per type dienst, per tijdvak, voor weekdagen, zaterdagen en zon- en feestdagen, waar nodig gedifferentieerd naar functie (ambulanceverpleegkundige en ambulancechauffeur.)

Stap 7: correctie voor AWD tijdens de uren 23.00u-8.00u

In de laatste stap corrigeren we de opbouw van het tijdvak van 16.00-24.00u in de AWD-loonnormbedragen voor de combinatie van paraatheids- en aanwezigheidsdiensten.

Omdat de AWD in werkelijkheid van 23.00u tot 8.00u is (dus 9 uur in plaats van 8), splitsen we het tijdvak van 16.00u-24.00u op in een tijdvak van 16.00u-23.00u (7 uur), met de opbouw volgens de paraatheidsdienst, en een tijdvak van 23.00u-24.00u (1 uur), met de opbouw volgens de aanwezigheidsdienst.

In de volgende paragrafen beschrijven we de onderbouwing van de parameters die we in het model gebruiken.

1.2.1 Levering van de beschikbaarheid: vier varianten

Ook in deze paragraaf sluiten we aan bij het Verantwoordingsdocument 'Herijking loonnormbedragen ambulancezorg' uit 2017. Hieronder lichten we toe hoe we de verdeling van de totale benodigde capaciteit over de vier situaties in 2017 berekend hebben voor de aanwezigheidsdiensten en de paraatheidsdiensten. Onderstaande tekst is identiek aan de beschrijving uit het verantwoordingsdocument uit 2017.

Zoals weergegeven in de beschrijving van het model gaan we uit van de volgende situaties:

Paraatheidsdiensten

Voor paraatheidsdiensten is er in de vergoeding geen verschil tussen een situatie met en zonder inzet. Het model voor de paraatheidsdiensten ziet er daarom als volgt uit:

Het aandeel van de capaciteit waarin geen sprake is van overwerk in de vorm van een extra dienst of externe inhuur stellen we gelijk aan:

1 – (ziekteverzuimpercentage * aandeel kort_middellang verzuim)

Het aandeel van de te leveren capaciteit dat door middel van overwerk in de vorm van een extra dienst wordt geleverd stellen we gelijk aan:

0,5*ziekteverzuimpercentage*aandeel kort_middellang verzuim

De factor 0,5 geeft weer dat in de helft van de gevallen van kort en middelland ziekteverzuim de dienst wordt ingevuld met eigen personeel in loondienst, dat deze capaciteit levert in de vorm van overwerk. De andere helft wordt opgevangen met externe inhuur. De kans op externe inhuur is dus gelijk aan de kans op overwerk in de vorm van een extra dienst:

0,5*ziekteverzuimpercentage*aandeel kort_middellang verzuim

Aanwezigheidsdiensten

In aanwezigheidsdiensten verschilt de vergoeding bij wel of geen inzet, in combinatie met wel of geen overwerk.

De kans op een inzet tijdens AWD is gelijk aan:

Totale inzettijd tijdens AWD ten opzichte van de totale capaciteitstijd AWD.

De kans op geen inzet tijdens AWD is gelijk aan:

1 – (totale inzettijd tijdens AWD ten opzichte van de totale capaciteitstijd AWD)

In het hoofdstuk Onderbouwing parameters beschrijven we hoe we de hoogte van de parameter berekenen.

De kansen op wel of geen overwerk in de vorm van een extra dienst of externe inhuur zijn beschreven onder de paraatheidsdiensten.

De kansverdeling van de vier verschillende situaties is als volgt*:

Kans op geen overwerk * kans op geen inzet

Kans op geen overwerk * kans op inzet

Kans op overwerk * kans op geen inzet

Kans op overwerk * kans op inzet

* Met 'overwerk' wordt hier bedoeld: overwerk in de vorm van een extra dienst of externe inhuur.

Bij de berekening van de kansverdelingen gebruiken we dus de volgende parameters:

- Ziekteverzuimpercentage (inclusief aandeel kort en middelang verzuim)

- Inzettijd tijdens AWD

In het hoofdstuk Onderbouwing parameters beschrijven we hoe we de hoogte van deze paramaters hebben bepaald.

1.3 1.4 Aanpassingen model 2020 t.o.v. model 2017

Bij het opbouwen van het model voor de loonnormbedragen 2020 constateerden we een aantal punten die niet consistent waren met de cao ambulancezorg of onderdelen die eerder niet goed in het model waren opgenomen. Onderstaande punten zijn in het model voor 2020 aangepast.

  1. Eindejaarsuitkering en vakantietoeslag worden volgens de cao berekend over het jaarsalaris. Het jaarsalaris is twaalf maal het bruto maandsalaris. Dit is exclusief overwerktoeslagen, ORT en aanwezigheidstoeslagen. In het model 2020 baseren we de eindejaarsuitkering en vakantietoeslag over het jaarsalaris exclusief toeslagen (i.p.v. het jaarsalaris inclusief toeslagen). Dit heeft een negatief gevolg voor de hoogte van de loonnormbedragen.

  2. In het model 2020 berekenen we toeslagen (inzettoeslag, overwerktoeslag en onregelmatigheidstoeslag) over een uit te betalen uur. Dit is exclusief eindejaarsuitkering en vakantietoeslag. Bovendien corrigeren we niet voor ineffectieve uren voor de toeslagen. Tenslotte worden de toeslagen alleen uitgekeerd op het moment dat de medewerker daadwerkelijk beschikbaar of aanwezig is voor het verlenen van ambulancezorg. Dit was in het eerdere model niet op deze manier opgenomen. Dit is dus hersteld. Dit heeft een negatief gevolg voor de hoogte van de loonnormbedragen.

  3. Voor het tijdsblok van 00.00-08.00 uur tijdens aanwezigheidsdiensten op de zaterdagen en zondagen (zon- en feestdagen) corrigeren we in het model 2020 voor overwerk in combinatie met een inzet. Voor werkdagen gingen we al uit van zowel overwerk met inzet als zonder inzet. Per abuis is op de zaterdagen en zaterdagen alleen uitgegaan van overwerk zonder inzetten. Dit is dus hersteld in het model 2020. Dit heeft een positief gevolg voor de hoogte van de loonnormbedragen.

  4. We passen in het model 2020 een afrondingssystematiek toe voor de inzettijd tijdens een aanwezigheidsdienst. Dit doen we conform de cao:

    • Inzetten <60 minuten, afronden op 60 minuten

    • Inzetten >60 minuten, naar boven afronden op half uren.

  5. Dit zal leiden tot een groter aantal minuten inzettijd tijdens AWD. Dit heeft een positieve impact op de kans op een inzet tijdens AWD en daarmee ook een positief effect op de hoogte van de loonnormbedragen.

2 Onderbouwing parameters

2.1 Gegevensuitvraag

De NZa heeft in de maanden juni en juli 2020 de volgende gegevens onder 25 RAV's uitgevraagd voor zowel de ambulanceverpleegkundigen (AVP) en de ambulancechauffeurs (ACH) voor de jaren 2018 en 2019:

  • Aantal fte

  • Aantal medewerkers

  • Inschaling (aantal medewerkers en fte's per salarisschaal)

  • Indirecte uren

    • Ziekteverzuim

    • Bijzonder verlof

    • Werkoverleg en teamdagen

    • Nevenwerkzaamheden

    • Overige indirecte uren

  • Gemiddeld inhuurtarief

  • Aantal uren verloond overwerk door uitloop van een reguliere dienst

  • Overige personele lasten (geen onderdeel van de herijking loonnormbedragen. Zie hoofdstuk 0)

2.2 Respons en databewerking

Alle 25 RAV's hebben de gevraagde gegevens aangeleverd. De NZa heeft de aangeleverde gegevens gecontroleerd en bewerkt waar nodig. Het betreft de volgende bewerkingen:

Overige uren:

  • De overige uren zijn geschoond voor alle niet doorbetaalde verlof-uren (ouderschapsverlof, zorgverlof). Daarnaast zijn ook de compensatie uren of tijd-voor-tijd uren verwijderd. Deze uren zitten immers al in de berekening van de benodigde formatie.

  • Enkele RAV's hebben indirecte uren opgegeven die niet toe te schrijven zijn aan de taken die de AVP en ACH primair uitvoeren ten behoeve van de ambulancezorg, zoals GHOR of GGD taken. Voor de RAV's waarbij het mogelijk was onderscheid te maken tussen verschillende typen overige uren, hebben we de indirecte uren geschoond. Voor de RAV's die hiervoor geen uitsplitsing konden geven of hebben gegeven, geldt dat we deze posten niet mee hebben genomen in de berekeningen.

Formatie en inschaling:

  • Enkele RAV's hebben in overleg met de NZa 0,01 medewerker of fte ingevuld om een foutmelding in het invulformulier te voorkomen. Deze data is aangepast naar 0.

  • RAV's waarbij personeel dat niet in dienst is van de RAV, maar wel ambulancezorg taken uitvoert, is per RAV besproken hoe dit effect heeft op de opgegeven waarden van bijvoorbeeld overige uren en overige personele lasten.

Inhuur:

  • Waarnemingen voor inhuur die bestonden uit meer dan alleen inhuur ter vervanging van (kortdurende) ziekte, zijn geschoond.

  • Voor alle opgegeven kosten en uren geldt dat we deze geschoond hebben daar waar de RAV heeft aangegeven geen goed onderscheid tussen kosten of uren te kunnen maken.

Overige personele lasten:

  • Wanneer het voor RAV's niet mogelijk was onderscheid te maken tussen opgegeven posten of de grootte van opgegeven posten niet gespecificeerd kon worden, is de waarneming niet meegenomen.

  • Opgegeven kosten die niet toe te schrijven zijn aan de rijdende dienst, zijn geschoond.

  • Veel RAV's hebben in 2019 nieuwe uniformen (nieuw kleurenschema) gekocht. Wanneer RAV's deze als eenmalige kosten opgegeven hebben, hebben we deze post gedeeld door drie, om een afschrijvingstermijn van 3 jaar na te bootsen.

Uitloop overwerk:

  • Wanneer het voor RAV's niet mogelijk was alleen de uren overwerk op te geven die door uitloop van een dienst gemaakt worden, is die waarneming niet meegenomen.

2.3 Uitgangspunten voor normering

In de periode van januari tot en met juli 2020 zijn de uitgangspunten voor de normering op de parameters afgestemd via de technisch overleggen ambulancezorg en expertsessies waarin NZa, AZN en ZN deelnamen. In die sessies hebben we afgesproken om per parameter aan te sluiten bij de normeringen zoals die in 2017 golden. Dit geldt zowel in de differentiatie tussen de verpleegkundige en de chauffeur, als voor de centrummaat voor normeringen.

Als normeringsjaar nemen we 2019, tenzij uit de gegevens aanlevering blijk dat dit jaar niet representatief is.

De NZa streeft ernaar om tot een landelijk uniforme tabel voor de loonnormbedragen te komen. We gaan uit van een landelijk gemiddelde kostendekkende vergoeding. Onderstaande centrummaten zijn overeenkomen als norm in de herijking 2020. We hebben in overeenstemming met de branchepartijen er voor gekozen om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de normeringen uit 2017. We hebben immers niet de verwachting dat de vorm en spreiding van de data er in 2020 anders uit ziet. Voor de motivatie van de normeringen uit 2017, verwijzen we naar het 'Verantwoordingsdocument herijking loonnormbedragen ambulancezorg 2017'.

Tabel 1 - Differentiatie naar type functie en basis voor normering

Uitgevraagde gegevens

Differentiatie tussen AVP en ACH?

Centrummaat/normering

Inschaling

Ziekteverzuim

Werkoverleg en teamdagen

Nevenwerkzaamheden

Bijzonder verlof

Overige indirecte uren

Duurdere externe inhuur (factor)

Uitloop overwerk (%)

Ja

Nee

Ja

Ja

Nee

Nee

Nee

Nee

Modus o.b.v. inschaling gewogen naar fte's

Gewogen gemiddelde

Mediaan

Mediaan

Mediaan

Gemiddelde

Factor o.b.v. gemiddelde

Gemiddelde

 

Tabel 2 – Bron overige gegevens en differentiatie naar type functie (betreft gegevens die niet afkomstig zijn uit gegevensuitvraag)

Overige gegevens

Bron

Differentiatie tussen AVP en ACH?

Verlof-uren

PLB-uren

Kort- en middellang ziekteverzuim

Vakantiegeld, eindejaarsuitkering

Werkgeverslasten

Feestdagen

ORT-vergoedingen

Toeslagen AWD en overwerk

Inzettijd tijdens AWD

Cao 2020-2021

Cao 2020-2021, Sectorkompas 2019

Sectorkompas 2019

Cao 2020-2021

Openbare bronnen, ABP, PFZW

Cao 2020-2021

Cao 2020-2021

Cao 2020-2021

RIVM

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

2.4 Formatie en inschaling

De aangeleverde gegevens van de RAV's geven het volgende beeld voor wat betreft de inschaling van de ambulanceverpleegkundige en de ambulancechauffeur. Het aangeleverde aantal fte per RAV staat in het figuur hieronder weergegeven. Daaronder presenteren we (o.b.v. het aantal fte) de meest voorkomende inschaling in 2018 en 2019.

Tabel 3 – Formatie in medewerkers en fte, per 1 januari

 

n = 24 RAV's

AVP

ACH

2018

Medewerkers

2137

1949

 

Fte

1947,4

1849,5

2019

Medewerkers

2187

1972

 

Fte

1981,6

1875,4

 

Figuur 1. Formatie per RAV, in fte

Tabel 4 – Inschaling 2018 en 2019 afkomstig uit gegevensuitvraag, per 1 januari

   

AVP

ACH

2018

Schaal-trede

9-11

7-11

 

Bruto maandsalaris

€ 3.691

€ 2.886

2019

Schaal-trede

55-12 (ip 40)

45-12 (ip 28)

 

Bruto maandsalaris

€ 3.917

€ 3.072

 

Op basis van de cao 2020-2021 geldt een functieherwaardering voor de kernfuncties. Zowel de verpleegkundige als de chauffeur vallen beide onder de kernfuncties. Met een benadering van de gegevens uit 2019 en de regels van de functieherwaardering geldt het volgende beeld voor 2020 en 2021:

Tabel 5 – Inschaling 2020 en 2021 na modelmatige functieherwaardering, per 1 januari

   

AVP

ACH

2020

Schaal-trede

60-7 (ip 42)

45-12 (ip 28)

 

Bruto maandsalaris

€ 4.265

€ 3.225

2021

Schaal-trede

60-8 (ip 44)

45-12 (ip 28)

 

Bruto maandsalaris

€ 4.529

€ 3.322

 

De ambulanceverpleegkundige kan als gevolg van de functieherwaardering jaarlijks weer groeien binnen de schaal. Op basis van aangeleverde gegevens van AZN is het gemiddeld uit te betalen salaris voor 2021 door de werkgever daarom niet gelijk aan het bedrag horend bij 60-8. Uit de aangeleverde gegevens door AZN blijkt dat het gemiddelde ligt tussen 60-8 en 60-9. We nemen 71,6% van het verschil tussen de bedragen horend bij 60-8 en 60-9.

60-8 is per 1-1-2021: 4.529

60-9 is per 1-1-2021: 4.595

Het verschil is 66 euro. 71,6% hiervan is: € 47,26 We rekenen vervolgens met het bedrag van 60-8 plus de € 47,26. Dit komt uit op € 4.576,26.

De basis voor deze normering komt uit onderstaande tabel.

Tabel 6 - Gemiddeld maandsalaris per fte

 

2018

2019

 

AVP

ACH

AVP

ACH

aantal waarnemingen

24

24

24

24

hoogste waarde

€ 3.821

€ 2.879

€ 4.001

€ 3.083

laagste waarde

€ 3.569

€ 2.718

€ 3.752

€ 2.928

Gemiddelde (ongewogen)

€ 3.654

€ 2.818

€ 3.886

€3.020

1e kwartiel

€ 3.620

€ 2.793

€ 3.863

€ 3.002

mediaan

€ 3.655

€ 2.828

€ 3.890

€ 3.025

3e kwartiel

€ 3.679

€ 2.850

€ 3.906

€ 3.047

standaarddeviatie

€ 52

€ 40

€ 47

€ 39

aantal instellingen onder gemiddelde

11

10

9

11

aantal instellingen boven gemiddelde

13

14

14

13

gewogen gemiddelde (naar fte gewogen)

€ 3.549

€ 2.746

€ 3.615

€ 2.943

 

In 2017 is gekozen om de modale inschaling te hanteren voor de normering. Er was een kleine spreiding rondom het gemiddelde zichtbaar en het gemiddelde was vrijwel gelijk aan de mediaan. De verschillende centrummaten wijken ook dit jaar nauwelijks van elkaar af. We sluiten aan bij de modale inschaling.

Normering inschaling:

 

Voor de normering van de inschaling gaan we uit van schaal-trede 60-8 plus 71,6% van het verschil tussen 60-8 en 60-9 (€4.576,26) voor de AVP en schaal-trede 45-12 (€3.322) voor de ACH per 1 januari 2021.

2.5 Indirecte uren

Een deel van de indirecte uren is afkomstig uit de gegevensuitvraag en een deel is afkomstig uit andere bronnen (cao, AZN). We presenteren eerst de indirecte uren op basis van de gegevensuitvraag. Vervolgens rapporteren we over de indirecte uren op basis van andere bronnen.

Indirecte uren (gegevensuitvraag)

Ziekteverzuim (exclusief zwangerschapsverlof)

We rekenen uitsluitend met de verzuimuren exclusief zwangerschapsverlof. De reden hiervoor is dat de medewerker tijdens het zwangerschapsverlof niet ingezet wordt, maar ook niet doorbetaald wordt. Zwangerschapsverlof wordt doorbetaald door het UWV. Feitelijk laten we het deel van de formatie dat met zwangerschapsverlof is dus geheel buiten beschouwing in het bepalen van vergoeding.

Tabel 7 - Ziekteverzuimpercentage exclusief zwangerschapsverlof

 

2018

2019

aantal waarnemingen

23

23

hoogste waarde

7,4%

7,9%

laagste waarde

3,1%

1,7%

Gemiddelde (ongewogen)

4,9%

5,0%

1e kwartiel

4,1%

4,1%

mediaan

4,8%

4,5%

3e kwartiel

5,7%

5,9%

standaarddeviatie

1,2%

1,5%

aantal instellingen onder gemiddelde

14

15

aantal instellingen boven gemiddelde

9

8

gewogen gemiddelde (naar fte gewogen)

4,5%

4,7%

 

Tabel 8 – ziekteverzuim (excl. Zwangerschapsverlof), omgerekend naar uren per fte

 

2018

2019

 

AVP

ACH

AVP

ACH

aantal waarnemingen

23

23

23

23

hoogste waarde

137,4

171,1

169,6

148,6

laagste waarde

51,9

56,9

23,4

30,0

gemiddelde

87,5

97,2

94,7

90,1

1e kwartiel

61,8

67,0

70,0

72,9

mediaan

89,9

88,0

95,3

89,9

3e kwartiel

105,3

121,0

118,1

109,0

standaarddeviatie

26,4

34,5

35,1

28,7

aantal instellingen onder gemiddelde

10

14

11

12

aantal instellingen boven gemiddelde

13

9

12

11

gewogen gemiddelde (naar fte gewogen)

81,6

88,7

88,3

86,0

 

Figuur 2. Ziekteverzuim (excl. zwangerschapsverlof), omgerekend naar uren per fte

Het ziekteverzuimpercentage verwerken we op drie manieren in de loonnormbedragen:

(1) Als indirecte uren; dat wil zeggen dat deze uren opgevangen moeten worden door ander personeel

(2) Voor de doorbetaling van de zieke medewerker (componenten die niet via de indirecte uren verlopen)

(3) In de vergoeding voor inhuurkrachten bij vervanging van kort- en middellang ziekteverzuim.

Er is geen reden om aan te nemen dat verschillen in ziekteverzuim tussen AVP en ACH samenhangen met de verschillende functies. Bovendien zijn de verschillen klein. Om die redenen zijn we bij de herijking van 2017 uitgegaan van een ongedifferentieerd gewogen gemiddelde voor de AVP en ACH samen. Wanneer het ziekteverzuim van AVP en ACH in 2019 wordt samengenomen, dan bedraagt het gewogen gemiddelde aantal ziekte uren exclusief zwangerschapsverlof 88,0 uur per fte. Dit komt overeen met 4,7% van 1872 uur.

Bij ziekteverzuim is de werkgever verplicht de eerste twee jaar loon door te betalen, met een minimum van 70%. In de cao is geregeld dat de werknemer recht heeft op 100% loondoorbetaling in de eerste 52 weken, en de daaropvolgende 52 weken 70%. Gezien de beperkte daling in loonkosten bij langdurig ziekteverzuim (12 maanden tot 24 maanden) corrigeren we hiervoor niet in de indirecte uren. We rekenen dus feitelijk met een 100% vergoeding, ook voor het langdurig ziekteverzuim. Wel betrekken we deze ruime vergoeding bij de manier waarop we met vervanging bij ziekte omgaan.

Normering ziekteverzuim

  • Voor de normering van het aantal ziekte uren (indirecte uren waarvoor vervanging nodig is) gaan we uit van het gewogen gemiddelde aantal ziekte uren exclusief zwangerschapsverlof voor AVP en ACH samengenomen; dit bedraagt 88,0 uur.

  • Voor de doorbetaling van de zieke werknemer gaan we uit van het gewogen gemiddelde ziekteverzuimpercentage exclusief zwangerschapsverlof voor AVP en ACH samengenomen; dit bedraagt 4,7%.

NB. Beide normeringen komen op hetzelfde neer. Het ene cijfer is echter uitgedrukt in een uren, de ander in een percentage.

 

Bijzonder verlof

Het bijzonder verlof noemt de cao 'betaald verlof in verband met bijzondere gebeurtenissen'. Deze uren zijn beschreven in artikel 7.5 van de cao ambulancezorg 2020-2021. In de herijking van 2017 bleek dat er veel verschil tussen RAV's bestond. Dat is ook in 2020 het geval. Omdat bijzonder verlof afhankelijk is van toeval en niet van functie, is in 2017 besloten om één mediane waarde van AVP en ACH samen te nemen. Omdat dit nog steeds van toepassing is, is daar ook in deze herijking voor gekozen. In onderstaande tabel tonen we de resultaten van het aantal uren bijzonder verlof, gecombineerd van AVP en ACH.

Tabel 9 - Bijzonder verlof, uren per fte, gecombineerd AVP en ACH

 

2018

2019

aantal waarnemingen

23

23

hoogste waarde

6,1

4,4

laagste waarde

0,8

1,1

gemiddelde

2,8

2,7

1e kwartiel

2,1

2,0

mediaan

2,3

2,7

3e kwartiel

3,3

3,5

standaarddeviatie

1,4

1,0

aantal instellingen onder gemiddelde

14

13

aantal instellingen boven gemiddelde

9

10

Normering bijzonder verlof individueel:

 

Voor de normering van het aantal uren voor bijzonder verlof individueel wordt uitgegaan van 2,7 uur, samengenomen voor AVP en ACH.

 

OR/werkgroepen/overleg/teamoverleg etc.

In onderstaande tabel tonen we de resultaten van het aantal uren werk/teamoverleg per fte weergeven voor AVP en ACH.

Tabel 10 - Werkoverleg en teamdagen, uren per fte

 

2018

2019

 

AVP

ACH

AVP

ACH

aantal waarnemingen

22

22

22

22

hoogste waarde

39,0

27,5

36,8

30,7

laagste waarde

3,5

2,4

3,6

2,3

gemiddelde

15,9

12,1

15,0

12,2

1e kwartiel

8,5

6,9

10,6

8,4

mediaan

13,3

11,9

13,6

11,1

3e kwartiel

20,6

16,1

18,2

15,8

standaarddeviatie

10,5

6,7

7,9

6,7

aantal instellingen onder gemiddelde

15

11

13

13

aantal instellingen boven gemiddelde

7

11

9

10

 

De hoeveelheid uren voor werkgroepen en teamoverleg verschilt sterk tussen RAV's. Dit is in het figuur hieronder weergegeven.

Figuur 3. Werkoverleg en teamdagen, uren per fte

In 2017 zagen we zowel verschil in functie in het aantal uren werkoverleg en teamdagen. Om die reden is destijds gekozen voor differentiatie tussen deze twee functies. Daarnaast zagen we een aantal uitschieters. Om die reden is de mediaan als normering gekozen. We zien dit jaar geen reden om hiervan af te wijken.

Normering werkoverleg en teamdagen:

 

Voor de normering van het aantal uren werkoverleg en teamdagen wordt uitgegaan van 13,6 uur voor AVP en 11,1 uur voor ACH.

 

Nevenwerkzaamheden

In onderstaande tabel tonen we de resultaten van het aantal uren nevenwerkzaamheden per fte weergeven voor AVP en ACH in 2018 en 2019.

Tabel 11 - Neventaken, uren per fte

 

2018

2019

 

AVP

ACH

AVP

ACH

aantal waarnemingen

20

20

20

20

hoogste waarde

147,3

73,2

147,5

90,1

laagste waarde

7,2

7,2

7,6

7,4

gemiddelde

63,8

34,9

69,9

39,7

1e kwartiel

36,8

21,4

44,7

24,9

mediaan

61,8

32,4

73,1

34,4

3e kwartiel

82,2

46,9

85,9

53,3

standaarddeviatie

36,9

18,1

35,1

22,0

aantal instellingen onder gemiddelde

11

12

8

12

aantal instellingen boven gemiddelde

9

8

12

8

 

De hoeveelheid uren voor neventaken verschilt sterk tussen RAV's. Bij het merendeel van de RAV's besteedt de AVP daarnaast meer uren aan neventaken dan de ACH. Dit is in het figuur hieronder weergegeven.

Figuur 4. Nevenwerkzaamheden, uren per fte

In 2017 zagen we dat verschil in uren tussen de AVP en ACH samenhangt met de type functie. Daarom is destijds gekozen om onderscheid te maken in de indirecte uren voor de neventaken. Daarnaast zagen we in 2017 een aantal uitschieters. Daarom is toen gekozen voor de mediaan. We zien dit jaar geen reden om hiervan af te wijken.

Normering nevenwerkzaamheden:

 

Voor de normering van het aantal uren voor nevenwerkzaamheden wordt uitgegaan van 73,1 uur voor AVP en 34,4 uur voor ACH.

 

Overige indirecte uren

In de gegevensuitvraag hebben we de overige indirecte uren met daarop een toelichting en specificatie uitgevraagd. Het aantal uren dat de RAV's hebben opgegeven, varieert sterk. De uren AVP en ACH hebben we samengenomen, wat neer komt op 5,0 uur per fte in 2018 en 4,8 uur per fte in 2019. In 2017 hebben we deze uren ook samen genomen en hebben we gekozen voor het gemiddelde. Er was toen geen aanleiding om af te wijken van het gemiddelde. In dit onderzoek sluiten we hier bij aan.

De overige indirecte uren zijn door de RAV's gespecificeerd en omvatten zaken zoals: beheer wagenpark, vakbondszaken en instructeurs-uren.

In onderstaande tabel tonen we de resultaten van de overige indirecte uren.

Tabel 12 - overige indirecte uren, uren per fte

 

2018

2019

 

AVP

ACH

gecombineerd

AVP

ACH

gecombineerd

aantal waarnemingen

18

19

19

18

19

19

hoogste waarde

31,8

19,4

25,9

34,4

20,4

27,7

laagste waarde

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

gemiddelde

5,8

4,3

5,0

5,7

4,2

4,8

1e kwartiel

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

mediaan

0,3

0,5

0,6

0,1

0,0

0,6

3e kwartiel

5,8

4,7

5,7

6,0

5,3

4,9

standaarddeviatie

10,5

7,1

8,5

10,5

7,0

8,5

aantal instellingen onder gemiddelde

13

14

14

13

15

14

aantal instellingen boven gemiddelde

5

5

5

5

5

5

 

In 2017 is besloten op de overige indirecte uren (overige afwezigheid) voor AVP en ACH samen te nemen omdat de uren mogelijk door elkaar gehaald zijn. Voorafgaand aan de gegevensuitvraag hebben we met de branchepartijen afgestemd dat we zoveel mogelijk aansluiten bij de uitgangspunten van 2017. Om die reden nemen we de uren dit jaar ook samen. We gaan uit van het gecombineerde gemiddelde.

Normering overige indirecte uren:

 

Voor de normering van het aantal overige indirecte uren wordt uitgegaan van 4,8 voor AVP en ACH samen.

 

Indirecte uren (cao, gegevens AZN)

Vakantiedagen

Op basis van cao ambulancezorg (2020-2021) heeft een medewerker met een voltijd dienstverband recht op 172 vakantie uren. Dit zijn 144 wettelijke en 28 bovenwettelijke uren. Deze uren hanteren we ook in de berekening van de effectieve uren.

Persoonlijk levensfase budget (PLB)

De cao ambulancezorg (2020-2021) regelt ook de PLB-uren. Werknemers geboren in 1960 of daarna hebben recht op een PLB van 35 uur per jaar. Werknemers geboren in 1959 of daarvoor, ontvangen een PLB van 55 uur op jaarbasis. Op basis van de leeftijdsopbouw van het personeelsbestand (afkomstig uit het Sectorkompas 2019) berekenen we een gewogen gemiddelde van 36,67 PLB-uren per medewerker (o.b.v. één fte). Dit getal hanteren we in de berekening van de effectieve uren. Om tot dit gemiddelde te komen hebben we 1/5 deel van de leeftijdsgroep 55 t/m 59 jarigen genomen, en dit aantal opgeteld bij het aantal 60 jarigen en ouder.

Tabel 13 - PLB-uren benadering

Begin 2019 (eind 2018)

Jaarlijkse PLB uren

aandeel

Gemiddeld PLB-uren

< 59 jarigen

35

91,63

 

≥ 59 jarigen

55

8,37%

 
   

100%

36,7 uren per fte

 

Feestdagen

Voor de feestdagen gaan we uit van de feestdagen genoemd in de cao. In de cao staat aangegeven dat een feestdag voor 7,2 uur telt. We rekenen 5,1 uur toe aan Koningsdag, Bevrijdingsdag, nieuwjaarsdag, en eerste- en twee kerstdag. Dit komt neer op (5/7 maal 7,2 uren). Hier houden we rekening met het feit dat een feestdag samen kan vallen met een weekenddag. Een medewerker heeft immers o.b.v. de cao alleen recht op 7,2 uur compensatie als de feestdag op een weekdag valt. Voor Tweede Paasdag, Tweede Pinksterdag en Hemelvaartsdag geldt dat deze drie dagen sowieso op een werkdag vallen. Voor deze dagen rekenen we 7,2 uur toe. Het totaal aan feestdag-uren komt daarmee uit op gemiddeld 47,3 uren per jaar.

Scholingsuren

Voor de scholingsuren gaan we uit van 48 uur per fte. Dit geldt zowel voor de AVP als de ACH. Hier is gekozen om aan te sluiten bij het resultaat van het eerdere onderzoek in 2017. Deze gegevens zijn dus niet in de recente uitvraag opgevraagd.

2.6 Effectieve uren

Als we spreken over effectieve uren, worden de uren bedoeld waarin de ambulanceverpleegkundige en -chauffeur tot de beschikking (via paraatheidsdienst of aanwezigheidsdienst) van een ambulance-inzet staan. De berekening voor de effectieve uren bestaat uit de volgende componenten:

   

AVP

ACH

Aanstellingsuren

 

1872

1872

-/-

Wettelijk verlof

144

144

-/-

Bovenwettelijk verlof

28

28

-/-

PLB-uren

36,7

36,7

-/-

Feestdagen

47,3

47,3

-/-

Ziekteverzuim (excl. Zwangerschapsverlof)

88,0

88,0

-/-

Bijzonder verlof

2,7

2,7

-/-

Scholingsuren

48,0

48,0

-/-

OR/werkgroepen/overleg/teamoverleg etc.

13,6

11,1

-/-

Nevenwerkzaamheden

73,1

34,4

-/-

Overige ineffectieve uren

4,8

4,8

Totaal effectieve uren

 

1.385,8

1.427,0

 

Dit leidt tot een totaal aan effectieve uren voor de AVP en een totaal aan effectieve uren voor de ACH. De scholingsuren, OR/werkgroep/overleg-uren en de neventaken zijn voor de AVP en de ACH afzonderlijk bepaald. Daarom ontstaat er een verschil in effectieve uren tussen de AVP en de ACH.

2.7 Vervanging bij ziekte

Het meenemen van het ziekteverzuim als indirecte uren in het loonnormbedragen model veronderstelt impliciet dat deze uren 1 op 1 kunnen worden opgevangen met eigen personeel (d.w.z. tegen een vergoeding van 100% van de personeelskosten). Het model rekent indirecte uren om tot extra benodigde fte's, die volledig vergoed worden. Dit geldt voor alle componenten die met de fte-factor (op basis van verhouding benodigde/effectieve uren) worden berekend: dus de vergoedingen voor de in de basis te leveren uren, onderverdeeld in wel/geen inzet in combinatie met wel/geen overwerk.

Uit de cao (artikel 9.2) blijkt dat de doorbetaling bij ziekte inclusief de structurele looncomponenten is. Overwerkvergoeding en ORT zijn beide structurele looncomponenten. Daarom worden aanvullend de ORT en het uitloop-overwerk voor zowel de zieke medewerker als de vervanger vergoed. Hiermee zijn alle looncomponenten, overwerkvergoedingen en ORT bij ziekte vergoed (deels via de effectieve uren, deels via aanvullende componenten).

Kosten doorbetaling zieke medewerker

Bij de paragraaf over ziekteverzuim hebben we aangegeven dat bij langdurig ziekteverzuim de werkelijke loonkosten van de zieke medewerker iets lager dan 100% liggen op basis van de bepalingen uit de cao (doorbetaling van 100% in de eerste 12 maanden, en 70% in het tweede ziektejaar).

Zoals aangegeven stellen we voor hiervoor niet te corrigeren; dat wil zeggen dat we voor een deel van het langdurig verzuim (52% van het ziekteverzuim, bron: Sectorkompas 2019) voor 30% te veel vergoeden. Uit de cao (artikel 9.2) blijkt dat de doorbetaling bij ziekte inclusief de structurele looncomponenten is. Dit is dan ook verwerkt in het model.

Kosten voor vervanging bij ziekte

De kosten voor vervanging bij ziekte zullen over het geheel genomen iets hoger dan 100% liggen: inzet van eigen personeel zal soms samengaan met extra overwerk (=overwerk door middel van extra dienst) en/of ORT (dus meer dan standaard in de vergoeding is meegenomen), of er is in het uiterste geval inhuur van extern personeel nodig.

Hieronder maken we de vergelijking tussen kosten van inhuur zoals uitgevraagd onder de RAV's en kosten van personeel in loondienst.

Uurtarief bij inhuur

De volgende tabel laat de gemiddelde inhuurtarieven zien voor AVP en ACH uit 2018 en 2019 zoals de RAV's die hebben opgegeven in de gegevensuitvraag.

Tabel 14 - gemiddelde inhuurtarieven per uur per jaar

 

2018

2019

 

AVP

ACH

AVP

ACH

aantal waarnemingen

22

23

24

23

hoogste waarde

€ 123,03

€ 109,94

€ 130,41

€ 116,62

laagste waarde

€ 57,00

€ 36,00

€ 70,00

€ 38,00

gemiddelde

€ 86,37

€ 73,18

€ 91,52

€ 78,18

1e kwartiel

€ 80,00

€ 68,17

€ 85,51

€ 71,99

mediaan

€ 84,81

€ 72,00

€ 87,80

€ 75,00

3e kwartiel

€ 86,87

€ 73,92

€ 93,17

€ 82,24

standaarddeviatie

€ 14,76

€ 14,51

€ 13,99

€ 15,67

aantal instellingen onder gemiddelde

14

15

18

15

aantal instellingen boven gemiddelde

8

8

6

8

 

Kanttekening bij deze cijfers is dat het gaat om gemiddelden, waarin geen onderscheid is gemaakt naar de momenten waarop er personeel is ingehuurd (overdag, 's nachts, weekend, etc.). Er zitten dus zowel duurdere als goedkopere inhuurtarieven in deze cijfers.

Uurtarief personeel in loondienst (benadering inclusief ORT en overwerk)

De kosten per uur in loondienst benaderen we op basis van de gegevensuitvraag als volgt:

Loonkosten AVP (excl. overwerk, ORT, vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, werkgeverslasten) per uur, schaal 60-8 plus 71,6% van het verschil tussen 60-8 en 60-9, op basis van 1872 uur per fte (€4.576*12/1872 =) €29,34 per uur.

Voor ACH, schaal 45-12, komt dit uit op (€3.322*12/1872) = €21,29 per uur.

Wanneer we corrigeren voor de toeslagen (overwerk, ORT, vakantietoeslag, eindejaarsuitkering) komen de loonkosten per uur uit op ca. €39,79 voor AVP en €30,36 voor ACH.

Als we tot slot ook de werkgeverslasten hierover heen berekenen, komen we op € 51,19 en €39,06 voor de AVP en ACH respectievelijk.

Als we dit vergelijken met de gemiddelde inhuurtarieven uit bovenstaande tabel voor AVP (€ 91,52) en ACH (€ 78,18) dan zien we een verschil van een factor 2,00 voor de AVP en 1,79 voor de ACH. We gaan uit van een factor 2 voor duurdere inhuur, welke wordt ingezet tijdens de helft van het kortdurend/middellang ziekteverzuim.

Conclusie

 

De kosten voor inhuur zijn naar schatting 2 maal zo hoog als de kosten van personeel in loondienst.

 

Wij gaan ervan uit dat wanneer langdurig verzuim wordt opgevangen met eigen personeel, dit redelijk in de roosterplanning verwerkt kan worden en de hoeveelheid extra overwerk beperkt zal zijn. De ruimte die ontstaat door verminderde doorbetaling aan de zieke medewerker zal dit moeten kunnen opvangen.

In het voortraject hebben we afgesproken dat alle vervanging bij kortdurend ziekteverzuim door eigen personeel wordt opgevangen in overwerk. Dit wordt veroorzaakt doordat het personeel reeds in de roosterlijn is opgenomen.

Kortdurend verzuim is lastiger met de roosterplanning op te vangen, en leidt dus tot overwerk (extra dienst) of inhuur van personeel. Het kortdurend verzuim (maximaal 1 week) en middellang verzuim (1 tot 6 weken) samen is ongeveer 48% van het totale verzuim (bron: Sectorkompas 2019). Wanneer deze vervanging geheel in overwerk (extra dienst) van eigen personeel wordt uitgevoerd, leidt dat tot 75% meerkosten (75% toeslag bij overwerk in de vorm van een extra dienst op basis van de cao).

Uitgangspunt bij het loonnormbedragen model is dat de vergoeding gebaseerd moet zijn op het werkelijke kostenniveau in de sector, zodat de beschikbaarheid gegarandeerd kan worden. Daarom gaan we uit van de verhouding inhuur/inzet eigen personeel bij kortdurend verzuim. We gaan hierbij uit van 50%/50%. Dit is tot stand gekomen op basis van een expertopinie.

Conclusie

 

- Kort en middellang ziekteverzuim wordt in de helft van de gevallen opgevangen met eigen personeel, door overwerk in de vorm van een extra dienst. De andere helft wordt opgevangen met inhuur van personeel. Hierbij gaan we uit van 2 keer zo hoge kosten t.o.v. personeel in loondienst (niet zijnde overwerk).

Omgekeerd geldt in de modelmatige benadering ook:

- Alle overwerk in de vorm van een extra dienst betreft uitsluitend de vervanging bij kort en middellang ziekteverzuim door eigen personeel.

- Langdurig ziekteverzuim kan via de roosterlijn worden opgevangen; dit leidt niet tot overwerk bij het vervangend personeel.

 

De vergoeding voor de zieke medewerkers en de vervanging bij ziekte als volgt in het model wordt verwerkt:

a. Het aantal uren ziekteverzuim wordt in mindering gebracht op het aantal effectieve uren. Dit zorgt ervoor dat de zieke medewerker en de vervanging voor 100% worden vergoed; dit geldt zowel voor de situatie mét als zonder overwerk (ook het overwerk voor de zieke medewerker wordt vergoed).

b. De ORT voor de zieke medewerker wordt aanvullend vergoed met een opslag van: (ziekteverzuimpercentage 4,7% * ORT component) Dit is dus een extra vergoeding naast de ORT component die voor de vervangende medewerker wordt vergoed.

c. Omdat deze 100% vergoeding onder a ontoereikend is vanwege duurdere inzet bij kort en middellang verzuim, wordt aanvullend een parameter toegevoegd die hiervoor corrigeert.

Conclusie:

 

De opslag voor de inhuur bedraagt:

De kans op vervanging door inhuur * totaal benodigde uren in het jaar * uurtarief AVP (of ACH) * factor duurdere inhuur

 

Toelichting:

  • De kans op vervanging door inhuur is: 4,7%(ziekteverzuimpercentage) * 0,42 (aandeel kort-middellang verzuim) * 0,5 (aandeel inhuur in de vervanging)

  • Het uurtarief van de AVP/ACH is inclusief eindejaarsuitkering, vakantiegeld en werkgeverslasten, en behoort bij 1872 aanstellingsuren

  • De factor 2 corrigeert voor het gegeven dat het uurtarief van de inhuur 2 maal het uurtarief van de AVP/ACH is

  • De totaal benodigde uren is toegevoegd omdat inhuur verondersteld wordt alleen effectieve uren te maken. Het gaat hier om het benodigd aantal uren voor een dienst per tijdsblok en dag.

De vergoeding voor de vervanging bij kort en middellang ziekteverzuim door eigen personeel (via overwerk in de vorm van een extra dienst) loopt mee in a. Hiervoor is dus geen aanvullende vergoeding nodig.

De vergoeding voor de vervanging en doorbetaling bij ziekte zoals beschreven in deze paragraaf is dus ruim: er is immers niet gecorrigeerd voor een (op basis van de cao) lagere loondoorbetaling bij langdurige verzuim; daarnaast zal het uitgangspunt dat wanneer kortdurend verzuim door eigen personeel wordt opgevangen dit altijd in overwerk is, een zekere overschatting van de meerkosten geven.

2.8 Vergoedingen op basis van de cao

AWD (vergoeding bij wel/geen inzet tijdens AWD)

Tijdens een aanwezigheidsdienst gelden andere verloningen o.b.v. de cao dan voor parate diensten. Artikel 4.9, lid 4 van de cao stelt dat ORT niet wordt toegekend als sprake is van overwerk. Artikel 4.12, lid 4 van de cao stelt dat in het geval van inzet tijdens een aanwezigheidsdienst, enkel de hoogste van de dan geldende toeslagen (ORT en inzet tijdens AWD) van toepassing is. Voor de AVP geldt dat de onregelmatigheidstoeslag lager is dan de aanwezigheidstoeslag. Voor de ACH gaat dit niet altijd op: op de zondag is de ORT hoger dan de aanwezigheidstoeslag, en op een aantal uren van de zaterdag geldt ook dat de ORT hoger is dan de aanwezigheidstoeslag. Dit leidt tot volgend overzicht betreffende de verloningen:

 

Geen inzet

Inzet

Geen overwerk

0,3 uurloon + ORT

1,5 uurloon (AVP)

1,5 uurloon of 1,0 uurloon + ORT (ACH)

Overwerk

1,75 uurloon

1,75 uurloon (in geval van een extra dienst).

1,65 uurloon (in geval van uitloop dienst).

 

Onregelmatigheidstoeslag (ORT)

Op het gebeid van ORT sluit de cao ambulancezorg per 1 oktober 2020 aan bij de cao ziekenhuizen. In plaats van een vast bedrag, is ORT vanaf dat moment gebaseerd op een percentage van het geldende uurloon. Voor de berekening van het ORT geldt als maximum het uurloon behorende bij ip-nr 28 (cao ambulancezorg 2020-2021, artikel 4.9 lid 3). De percentages zijn in onderstaande tabel weergegeven.

ma - vr

 

za

 

zondagen en feestdagen

 

00:00-06:00

47%

00:00-06:00

52%

 

06:00-07:00

22%

06:00-08:00

38%

00:00-24:00

60%

20:00-22:00

22%

12:00-22:00

38%

24 en 31 dec

 

22:00-24:00

47%

22:00-24:00

52%

18:00-24:00

60%

 

De koppeling met de maximale ORT vergoeding o.b.v. ip-nr 28 heeft gevolgen voor de ORT van de AVP. De AVP krijgt de ORT o.b.v. ip-nr 28 in plaats van de daadwerkelijke inschaling.

Tot slot merken we op, dat de ORT op zaterdagen tussen 08:00-12:00 uur is vervallen in de nieuwe cao (2020-2021).

Vakantie en eindejaarsuitkering

De vakantietoeslag en eindejaarsuitkering zijn beide 8,33% (cao ambulancezorg 2020-2021, artikel 4.2 onder 7). In de herijking van 2017 (o.b.v. cao ambulancezorg 2015-2018) is uitgegaan van een vakantietoeslag van 8%. Dit betekent dat de vakantietoeslag t.o.v. de vorige herijking iets stijgt.

Overwerk en ORT tijdens vakantie

Uit de cao (artikel 7.1) blijkt dat de doorbetaling tijdens opname van vakantie-uren inclusief ORT en geldelijke beloningen voor overwerk is. Hier houden we rekening mee in het model

Overwerk en ORT tijdens ziekte

Uit de cao (artikel 9.2) blijkt dat de doorbetaling bij ziekte inclusief de structurele looncomponenten is. Overwerkvergoeding en ORT zijn beide structurele looncomponenten. Hier houden we rekening mee in het model.

2.9 Overige parameters

2.9.1 Dagelijkse leiding

De parameter 'factor dagelijkse leiding' is in het loonnormbedragenmodel van 2017 gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

(a) 1 teamleider op 20 medewerkers;

(b) inschaling in schaal 12-8.

Deze uitgangspunten zijn vastgesteld in de oude loonnormbedragen in 2004. In 2017 is gezamenlijk geconcludeerd dat de post dagelijkse leiding te veel verweven is met Directie en administratie (D&A). Een integraal kostenonderzoek naar D&A zou nodig zijn om de dagelijkse leiding te actualiseren. Omdat een integraal onderzoek niet binnen de scope van de huidige herijking past, wordt gekozen om de post dagelijkse leiding niet te herijken.

De kostencomponent voor de dagelijkse leiding wordt in het model 2020 geïndexeerd naar het voorlopig prijspeil 2021 met behulp van de personele indexatie. De indexatie van 2004 naar 2021 betreft 42,5%.

2.9.2 Werkgeverslasten

De werkgeverslasten in dit verantwoordingsdocument hebben we gebaseerd op de percentages en franchise uit 2020. We waren voornemens om de werkgeverslasten 2021 te hanteren in onze berekeningen. De benodigde getallen voor de berekening 2021 waren echter op tijd beschikbaar. Om die reden presenteren we hieronder de werkgeverslastenpercentages op basis van de pensioenpremies 2020, de franchise 2020, en de overheidspercentages van 2020. We zijn hierbij uitgegaan van het salaris 2021.

Aftopgrens pensioen

€ 110.111

Franchise ABP pensioen / AOP/AP

€ 14.200 / € 21.400

Franchise PFZW pensioen / AOP/AP

€ 12.770 / € 21.430

Zvw werkgeversheffing

6,70%

Maximumbijdrage inkomen zvw

€ 57.232

Premie WW-Awf

2,94%

Ufo-premie

0,68%

Basispremie WAO/IVA/WGA/WIA incl. kinderopvang

7,27%

Gedifferentieerde premie Whk - wia

1,28%

Pensioenpremie PFZW

11,75%

AOP/AP PFZW

0,25%

Pensioenpremie ABP

17,43%

IVP ABP

2,60%

AOP/AP ABP

0,70%

WW ABP

0,94%

 

We gaan uit van de volgende wegingen (bron: AZN):

Publiek (ABP)

Privaat (PFZW)

58,1%

41,9%

 

En onderstaande weging (bron: AZN):

AVP

ACH

51,0%

49,0%

 

Dit resulteert afgerond in onderstaande werkgeverslasten:

Gewogen ACH en AVP

28,7%

2.9.3 Inzettijd tijdens AWD

De NZa heeft de inzettijd in AWD berekend aan de hand van aanvullende data van het RIVM. De aanvullende dataset bestaat uit een tabel met het aantal A1- en A2-inzetten per dagblok (0.00u-8.00u, 8.00u-16.00u, 16.00u-24.00u) per modelmatige standplaats en gekoppeld aan de inzettijd. De inzettijd is gecategoriseerd naar 0-60 minuten, 60-90 minuten, 90-120 minuten, 120-150 minuten, 150-180 minuten, 180-240 minuten en >240 minuten. Deze inzettijd hebben we afgerond conform de uitbetalingstijd afkomstig uit de cao. De inzetten van >240 minuten hebben we afgerond op 270 minuten.

Bovenstaande gegevens hebben we gekoppeld aan de uitput van het referentiekader 2020. Dit betreft de capaciteit ambulance eenheden per dagblok, per standplaats en daaraan hebben we de parameter 'paraat' (of AWD) gekoppeld. Op basis van deze data hebben we de totale uit te betalen inzettijd tijdens AWD uren van het dagblok 0-8 uur berekend én de totale tijd aan ambulance eenheden (capaciteit referentiekader) per jaar berekend. We zijn hierbij uitgegaan van 260 werkdagen, 52 zaterdagen en 52 zondagen voor 2019. We hebben alleen de A-ritten meegenomen; we veronderstellen dat tijdens de AWD geen besteld vervoer plaatsvindt.

De berekening laat zien dat in 14,0% van de tijd tussen 0.00u-8.00u uur in AWD sprake is van een uit te betalen inzet.

 

De cao gaat uit van negen uur AWD, namelijk van 23.00u-8.00u. De tijdsblokken uit het referentiekader maken het onmogelijk om het uur 23.00-24.00u te filteren en bovenstaande cijfers te corrigeren voor dit uur AWD. Om die reden heeft de NZa voor het uur 23.00u-24.00u uur dezelfde kans op inzet aangehouden als geldt voor 0.00u-8.00u.

2.9.4 ORT in combinatie met overwerk

Op basis van artikel 4.9 onder 4, wordt onregelmatigheidstoeslag niet uitgekeerd tijdens overwerk. Wij houden hier rekening mee in het model. Dit betekent dat we geen onregelmatigheidstoeslag toerekenen op momenten waarop overwerk kan plaatsvinden.

2.9.5 Uitloop overwerk

In onderstaande tabel tonen we de resultaten voor het uitloop overwerk percentage. Dit percentage komt tot stand door per RAV het aantal uitbetaalde uitloopoverwerkuren te delen op de totale uren benodigde capaciteit (m.a.w. 8 maal 52 maal het aantal diensten uit het referentiekader).

Tabel 15 - uitloop overwerk

 

2018

2019

aantal waarnemingen

22

22

hoogste waarde

6,6%

7,3%

laagste waarde

0,2%

0,1%

gemiddelde

2,4%

2,4%

1e kwartiel

1,4%

1,3%

mediaan

2,4%

2,4%

3e kwartiel

3,2%

3,0%

standaarddeviatie

1,5%

1,6%

aantal instellingen onder gemiddelde

11

12

aantal instellingen boven gemiddelde

11

10

 

Wat opvalt aan de cijfers voor uitloop overwerk is dat het gemiddelde van 2016 (o.b.v. het onderzoek uit 2017) fors is toegenomen in 2018/2019, terwijl er geen stijging tussen 2018 en 2019 waarneembaar is. We hebben deze verschillen niet algemeen kunnen duiden. We hebben navraag gedaan bij een aantal RAV's die voor 2018 en 2019 heel andere cijfers hebben opgegeven dan in 2017. De reactie hierop was dat er meer uitloop overwerk was als gevolg van onderbezetting waardoor diensten vaker uitlopen, drukkere diensten zonder dat de capaciteit meegroeit, problemen met efficiënt roosteren en een krappe arbeidsmarkt. Andere RAV's, die flink minder uitloop overwerk hadden dan in opgegeven is in 2017, verklaarden dat er juist een betere planning was afgelopen jaren waardoor uitloop van een dienst minder vaak voorkomt. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat de rittijd van ambulance inzetten is toegenomen, waardoor men vaker uit de dienst loopt.

Figuur 5 – Uitloop overwerk per RAV

Conclusie: We gaan uit van gemiddelde van 2,4%.

3 Resultaat herijking loonnormbedragen rijdende dienst

Als we de uitkomsten van hoofdstuk 2 combineren in het model zoals we deze in hoofdstuk 1 hebben beschreven, leidt dit tot onderstaande loonnormbedragen voor de rijdende dienst. Onderstaande tabel toont het resultaat per dag en per tijdsblok van 8 uren.

Tabel 16 - Nieuwe loonkostenbedragen S&B-vergoeding per dagdeel

 

Aanwezigheid

Paraatheid

Aanwezigheid

Paraatheid

Paraatheid

 

0-8 u

8-16 u

16-24 u

0-8 u

16-24 u

Werkdag

€ 139.282

€ 225.603

€ 230.449

€ 272.763

€ 247.204

Zaterdag

€ 30.898

€ 51.109

€ 53.400

€ 58.621

€ 56.856

Zondag

€ 39.713

€ 69.274

€ 65.368

€ 69.274

€ 69.274

 

De tabel hieronder toont het verschil met de (oude) loonnormbedragen uit de beleidsregel van 2020 (geïndexeerd naar 2021).

Tabel 17 - Verschil nieuwe loonkostenbedragen S&B-vergoeding met oude bedragen

 

Aanwezigheid

Paraatheid

Aanwezigheid

Paraatheid

Paraatheid

 

0-8 u

8-16 u

16-24 u

0-8 u

16-24 u

Werkdag

3,40%

5,61%

4,08%

7,62%

4,60%

Zaterdag

8,80%

-3,29%

7,22%

10,92%

7,58%

Zondag

3,06%

5,92%

5,34%

5,92%

5,92%

4 Overige loonkosten

De overige loonkosten bestaan uit:

  • Jubilea/gratificatie

  • Kantinekosten

  • Arbodienst

  • Vitaliteit

  • Kleding/schoeisel

  • Reiskosten

  • Assessments bij indiensttreding

  • Werving

  • Verblijfkosten bij opleiding

  • Lidmaatschap V&VN

  • Declaratie aanvraag VOG

  • Herregistratie BIG

  • Werkkostenregeling

  • Maaltijdvergoeding (24-uurs dienst)

  • Vergoeding keuring nieuw rijbewijs

  • Kosten vervanging nieuw rijbewijs

  • Toeslag voor neventaken / taakaccenten. Hierbij werd een toelichting gevraagd.

  • Overige kosten. Hierbij werd een toelichting gevraagd.

Figuur 6 toont de geanonimiseerde gemiddelde overige loonkosten rijdende dienst per fte per RAV. Deze hebben we berekend door voor elke RAV alle uitgevraagde overige loonkosten, zoals hierboven genoemd, bij elkaar op te tellen en te delen door het totale aantal fte rijdende dienst. Deze data zijn ook weergegeven in Tabel 18 - Overige loonkosten rijdende dienst per fte.

Figuur 6 – Gemiddelde overige loonkosten per RAV (geanonimiseerd), per fte

De losse posten waar dit bedrag uit opgebouwd is, verschillen sterk tussen RAV's. Daarom is er voor gekozen om alle posten samen te nemen en één gemiddelde te berekenen. Deze berekenen we door het totaal aan overige loonkosten van alle RAV's op te tellen en te delen door het totaal aan fte rijdende dienst personeel van alle RAV's. Dit gewogen gemiddelde overige loonkosten per fte bedraagt € 3.761 in 2018 en € 4.633 in 2019.

Tabel 18 - Overige loonkosten rijdende dienst per fte

 

2018

2019

aantal waarnemingen

23

24

hoogste waarde

€ 6.487

€ 8.536

laagste waarde

€ 2.256

€ 2.502

Gemiddelde

€ 3.828

€ 4.596

1e kwartiel

€ 2.983

€ 3.564

mediaan

€ 3.640

€ 4.560

3e kwartiel

€ 4.563

€ 5.305

standaarddeviatie

€ 1.090

€ 1.382

aantal instellingen onder gemiddelde

12

12

aantal instellingen boven gemiddelde

11

12

Gewogen gemiddelde

€ 3.761

€ 4.633

Normering overige loonkosten rijdende dienst:

 

Voor de normering van de overige loonkosten per fte van de rijdende dienst gaan we uit van 4.633 euro.

Naar boven