Onderwerp: Bezoek-historie

Beleidsregel Toetsing eisen Wlz-uitvoerderschap - TH/BR-027
Publicatiedatum:03-10-2019Geldigheid:18-09-2019 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Grondslag

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt op grond van artikel 16, onderdeel d, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wet langdurige zorg (Wlz).

 

Op grond van artikel 4.1.1, vierde lid, van de Wlz mag een rechtspersoon de Wlz niet eerder uitvoeren dan nadat de NZa heeft vastgesteld dat die rechtspersoon in voldoende mate is voorbereid op de uitvoering van de wet. Ten behoeve van deze beoordeling gaat de NZa ten minste na of de rechtspersoon die de wet wenst te gaan uitvoeren voldoet aan de in artikel 4.1.1, eerste lid, Besluit langdurige zorg (Blz) gestelde eisen. Na aanmelding is de rechtspersoon op grond van artikel 4.1.1, tweede lid, Wlz verplicht te voldoen aan de voorschriften die bij of krachtens deze wet, waaronder de voornoemde eisen, aan Wlz-uitvoerders zijn opgelegd. De Wlz-uitvoerder dient op basis van artikel 4.1.1, vijfde lid, van de Wlz er ook zorg voor te dragen dat het dagelijks beleid wordt bepaald of mede wordt bepaald door personen die geschikt zijn in verband met de uitvoering van de wettelijke taken en daaruit voorvloeiende werkzaamheden, en wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. De NZa stelt op grond van artikel 4.1.2, eerste lid, van het Blz vast of de Wlz-uitvoerder er zorg voor heeft gedragen dat de geschiktheid en de betrouwbaarheid van voornoemde personen buiten twijfel staat.

 

Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), stelt de NZa beleidsregels vast met betrekking tot een haar toekomende of onder haar verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheid.

Artikel 1 Begripsbepalingen

 

Beleidsbepalers:

Personen die het dagelijks beleid van de Wlz-uitvoerder bepalen. Hieronder zijn ieder geval te verstaan de statutair bestuurders.

 

Blokkeringsregeling:

Regeling als beschreven in artikel 2:87, derde lid, van het BW, vastgelegd in de statuten van de rechtspersoon en die inhoudt dat een aandeelhouder zijn aandelen bij verkoop allereerst moet aanbieden aan zijn medeaandeelhouders of aan een door een orgaan van de vennootschap aan te wijzen derde.

 

BW:

Burgerlijk Wetboek.

 

Blz:

Besluit langdurige zorg.

 

Compliancefunctie:

Onafhankelijke functie bestaande uit het totaal aan activiteiten om erop toe te zien dat de rechtspersoon wettelijke voorschriften en interne afspraken en procedures naleeft.

 

Functie:

Beschreven hoedanigheid, dan wel samenstel van positionering, taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden, ingericht ten behoeve van een eveneens beschreven doel c.q. resultaat. 

 

Interne auditfunctie:

Onafhankelijke functie bestaande uit het totaal aan periodieke controleactiviteiten om te waarborgen dat de organisatie-inrichting en de processen, procedures en maatregelen van de rechtspersoon effectief zijn.

 

Interne toezichthouders:

Personen die statutair zijn belast met toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de rechtspersoon en de daarmee verbonden onderneming.

 

Medebeleidsbepalers:

Personen die het dagelijks beleid mede bepalen dan wel een (leidinggevende) functie vervullen direct onder het echelon van de beleidsbepalers (en verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen) wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.

 

NZa:

Nederlandse Zorgautoriteit.

 

Onafhankelijkheid in state:

Afwezigheid van relevante persoonlijke, hiërarchische of institutionele banden tussen degene die intern toezicht houdt en het object van toezicht.

 

Onafhankelijkheid in mind:

In besluitvorming en gedrag aantoonbaar onafhankelijk tonen (opstellen) ten opzichte van deelbelangen.

 

Risicobeheerfunctie:

Onafhankelijke functie bestaande uit het totaal aan risicobeheeractiviteiten en –processen die erop gericht zijn om de risico’s binnen vooraf gestelde aanvaardbare grenzen te houden.

 

Sleutelfunctiehouder:

Persoon, zijnde een medebeleidsbepaler, die eindverantwoordelijk is voor één van de functies van compliance, interne audit of risicobeheer.

 

Wlz:

Wet langdurige zorg.

 

Wlz-uitvoerder:

Wlz-uitvoerder als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wlz.

 

Wmg:

Wet markordening gezondheidszorg.

 

Zorgverzekeraar:

Zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Zvw.

 

Zvw:

Zorgverzekeringswet.

Artikel 2 Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa nader invulling geeft aan de in artikel 4.1.1, eerste lid, en artikel 4.1.2, eerste lid, van het Blz opgenomen bevoegdheden. Daarmee wordt in deze beleidsregel vastgelegd hoe de NZa vaststelt of een rechtspersoon in voldoende mate is voorbereid op de uitvoering van de wet vanaf de voorgenomen startdatum, ook nadien blijft voldoen aan deze eisen, en of de Wlz-uitvoerder er zorg voor heeft gedragen dat de geschiktheid en betrouwbaarheid van personen als bedoeld in artikel 4.1.1, vijfde lid, van de Wlz buiten twijfel staat.

Artikel 3 Reikwijdte

Deze beleidsregel is van toepassing op Wlz-uitvoerders als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wlz.

Artikel 4 Onderdeel van een groep

De NZa gaat na of de Wlz-uitvoerder voldoet aan de in artikel 4.1.1, eerste lid, onderdeel a, van het Blz gestelde eis dat de rechtspersoon behoort tot een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het BW waarvan ten minste één zorgverzekeraar deel uitmaakt. Hieronder wordt ten minste verstaan dat:

  1. de zeggenschap en/of de aandelen voor 100% ligt bij (de leden van) de zorgverzekeraar respectievelijk het hoofd van de groep waar de zorgverzekeraar deel van uitmaakt;
  2. de Wlz-uitvoerder die de rechtsvorm naamloze vennootschap (nv) heeft, een blokkeringsregeling heeft die in de statuten is vastgelegd.

Artikel 5 Organisatiestructuur

De NZa gaat na of de Wlz-uitvoerder voldoet aan de in artikel 4.1.1, eerste lid, onderdeel c, van het Blz gestelde eis dat de rechtspersoon een duidelijke, evenwichtige en adequate organisatiestructuur heeft. Hieronder wordt ten minste verstaan dat:

  1. de Wlz-uitvoerder een Nederlandse rechtspersoon is en de Wlz operationeel vanuit (een) vestiging(en) in Nederland uitvoert;
  2. het dagelijks beleid wordt bepaald door ten minste twee beleidsbepalers in een Raad van Bestuur;
  3. het interne toezicht op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken wordt uitgevoerd door ten minste drie personen in een Raad van Commissarissen. De commissarissen moeten allen voldoen aan de eis van onafhankelijkheid in state;
  4. de Wlz-uitvoerder een adequate procedure heeft om te borgen dat het dagelijks beleid (mede) wordt bepaald en het intern toezicht wordt uitgevoerd door personen die geschikt zijn in verband met de uitvoering van de wettelijke taken en daaruit voorvloeiende werkzaamheden, en wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat;
  5. de Wlz-uitvoerder ten minste de functies compliance, interne audit en risicobeheer heeft geborgd en ten aanzien van de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van deze functies beleid heeft opgesteld;
  6. sleutelfunctiehouders zijn aangewezen voor de functies compliance, interne audit en risicobeheer;
  7. de functies compliance en risicobeheer ten opzichte van interne audit operationeel onafhankelijk zijn van elkaar en van andere functies, waaronder ten minste wordt verstaan dat:
    1. functies niet hiërarchisch ondergeschikt zijn aan elkaar of aan andere functies, waarbij een eventuele ondergeschiktheid aan een lid van het bestuurlijk en (mede)beleidsbepalend orgaan (veelal de directie of raad van bestuur) niet als zodanig wordt aangemerkt;
    2. functies op ieder moment direct en zonder tussenkomst van derden kunnen rapporteren aan (mede)beleidsbepalers en/of interne toezichthouders.
  8. de Wlz-uitvoerder een opleidingsplan, specifiek toegespitst op relevante kennis van de Wlz, heeft.

Artikel 6 Verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden

De NZa gaat na of de Wlz-uitvoerder voldoet aan de in artikel 4.1.1, eerste lid, onderdeel d, van het Blz gestelde eis dat de rechtspersoon een duidelijke, evenwichtige en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden heeft. Hieronder wordt ten minste verstaan dat de Wlz-uitvoerder:

  1. een statutair orgaan heeft ingericht waarmee verzekerden, waaronder cliënten, aantoonbaar invloed kunnen uitoefenen op het beleid van de Wlz-uitvoerder;
  2. adequate besluitvormingsprocessen heeft vastgelegd en vastgesteld;
  3. functiebeschrijvingen heeft voor (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders;
  4. een adequate functiescheiding heeft tussen toezicht, beleid en uitvoering.

Artikel 7 Rechten en verplichtingen

De NZa gaat na of de Wlz-uitvoerder voldoet aan de in artikel 4.1.1, eerste lid, onderdeel e, van het Blz gestelde eis dat de rechten en verplichtingen binnen de rechtspersoon adequaat zijn vastgelegd. Hieronder wordt ten minste verstaan dat de Wlz-uitvoerder:

  1. de verzekerden informeert over de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de Wlz, waaronder leveringsvormen, cliëntondersteuning, langdurige zorg op grond van de Wlz in het buitenland, en eigen bijdrage;
  2. een administratie heeft waarin rechten en verplichtingen die door de organisatie worden aangegaan zodanig worden vastgelegd dat hij kan voldoen aan de uitvoeringsregels bij of krachtens de Wlz.

Artikel 8 Bedrijfsvoering vastgelegd en afgestemd

De NZa gaat na of de Wlz-uitvoerder voldoet aan de in artikel 4.1.1, eerste lid, onderdeel g, van het Blz gestelde eis dat de bedrijfsvoering van de rechtspersoon op een inzichtelijke wijze is vastgelegd en is afgestemd op de werkzaamheden die de rechtspersoon als Wlz-uitvoerder zal uitvoeren of laten uitvoeren. Hieronder wordt ten minste verstaan dat de Wlz-uitvoerder:

  1. de Administratieve Organisatie (AO) heeft ingericht. Hiervoor heeft de Wlz-uitvoerder ten minste:
    1. de administratieve processen beschreven en geborgd met betrekking tot de uitvoering van de Wlz voor de verzekerden.
    2. de volgende aspecten ten aanzien van eventueel uitbestede werkzaamheden beschreven:
      1. of, en zo ja, welke werkzaamheden zijn uitbesteed aan derden of organisatie-onderdelen binnen de eigen groep;
      2. hoe de informatie-uitwisseling is georganiseerd met derden of organisatie-onderdelen binnen de eigen groep;
      3. hoe hij toeziet op de uitbestede werkzaamheden aan derden of organisatie-onderdelen binnen de eigen groep.
    3. een risicobeheersysteem ingericht, waarin ten minste beleid is opgesteld voor de volgende interactieve processen:
      1. het opstellen van de strategie en hieraan gekoppeld het risicoprofiel en de risicobereidheid;
      2. het identificeren van risico’s;
      3. het opstellen en implementeren van het beleid voor risicobeheersing;
      4. de uitvoering, monitoring en terugkoppeling over risico’s en beheersmaatregelen.

Artikel 9 Rapportagelijnen, informatievoorziening en communicatie

De NZa gaat na of de Wlz-uitvoerder voldoet aan de in artikel 4.1.1, eerste lid, onderdeel f, van het Blz gestelde eis dat de rechtspersoon over adequate rapportagelijnen en over een adequaat systeem van informatievoorziening en communicatie beschikt. Hieronder wordt ten minste verstaan dat de Wlz-uitvoerder:

i. over een adequaat informatiesysteem (IT / administratiesysteem) beschikt voor een effectieve beheersing van bedrijfsprocessen en risico’s, dat voorziet in interne en externe informatiebehoeften;

ii. over beschreven procedures en maatregelen beschikt om de continuïteit, integriteit, voortdurende beschikbaarheid en beveiliging van geautomatiseerde gegevensverwerking te waarborgen;

iii. aantoonbaar heeft geborgd dat de geautomatiseerde gegevensverwerking is gescheiden van de overige onderdelen van de groep waarvan hij deel uitmaakt;

iv. adequate rapportagelijnen heeft ingericht tussen (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders. Hiervoor dient de Wlz-uitvoerder ten minste beleid te hebben opgesteld inzake de wijze waarop en wanneer de (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders aan elkaar rapporteren.

Artikel 10 Geschiktheid

Op basis van de in artikel 4.1.1, vijfde lid, van de Wlz bedoelde opdracht aan de Wlz-uitvoerder kunnen (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders als geschikt gelden als  zij ten minste aan de volgende eisen voldoen:

  1. (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders hebben aantoonbaar kennis, ervaring en competenties voor de functie waarvoor zij zijn aangesteld;
  2. (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders hebben aantoonbaar kennis van het Nederlandse gezondheidsstelsel voor de functie waarvoor zij zijn aangesteld;
  3. (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders hebben aantoonbaar kennis van de Wlz voor de functie waarvoor zij zijn aangesteld;
  4. (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders hebben aantoonbaar kennis van de verantwoordelijkheden en de werkzaamheden van een Wlz-uitvoerder voor de functie waarvoor zij zijn aangesteld;
  5. (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders zijn onafhankelijk in mind voor de functie waarvoor zij zijn aangesteld.

Artikel 11 Betrouwbaarheid

Op basis van de in artikel 4.1.1, vijfde lid, van de Wlz bedoelde opdracht aan de Wlz-uitvoerder kunnen (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders als betrouwbaar gelden als zij ten minste aantoonbaar vrij zijn van relevante strafrechtelijke, financiële, toezicht-, fiscaal bestuursrechtelijke en overige antecedenten zoals bedoeld in artikel 4.1.2, derde lid, van het Blz.

Artikel 12 Intrekken oude beleidsregel

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze beleidsregel wordt de Beleidsregel aanmelding als Wlz-uitvoerder, met kenmerk TH/BR-019, ingetrokken.

Artikel 13 Toepasselijkheid voorafgaande beleidsregel, bekendmaking, inwerkingtreding, en citeertitel

  1. De Beleidsregel aanmelding als Wlz-uitvoerder, met kenmerk TH/BR-019, blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die beleidsregel en die betrekking hebben op de periode waarvoor die beleidsregel gold.
  2. Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
  3. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel toetsing eisen Wlz-uitvoerderschap.

Toelichting

Algemeen

 

In artikel 4.1.1 van de Wlz en artikel 4.1.1 en artikel 4.1.2 van het Blz zijn verschillende eisen voor Wlz-uitvoerders opgenomen. Deze eisen bevatten deels open normen. In deze beleidsregel wordt vastgelegd op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om nader uitleg te geven van deze bij en krachtens de Wlz gestelde eisen.

 

Voornoemde eisen zijn relevant bij aanmelding van een rechtspersoon die de Wlz voor de verzekerden wenst uit te voeren én voor Wlz-uitvoerders die reeds de Wlz uitvoeren. De rechtspersoon is immers vanaf aanmelding verplicht te voldoen aan de voorschriften die bij of krachtens de Wlz aan Wlz-uitvoerders worden gesteld (artikel 4.1.1, tweede lid, van de Wlz). Dit veronderstelt dat de minimumeisen waaraan de NZa bij aanmelding van een rechtspersoon moet toetsen om vast te stellen of de rechtspersoon voldoende is voorbereid op uitvoering van de Wlz, blijven gelden nadat de NZa heeft vastgesteld dat de rechtspersoon voldoende is voorbereid op uitvoering van de wet. Bij bestaande Wlz-uitvoerders kunnen veranderingen optreden in de feiten of omstandigheden aangaande die uitvoerder. Vastgesteld moet kunnen worden of die Wlz-uitvoerder na die wijzigingen nog steeds in staat zal zijn de Wlz binnen de daarvoor geldende eisen uit te voeren. Dat betekent dat alle wijzigingen die daarop van invloed kunnen zijn, tijdig moeten worden gemeld bij de NZa (zie daarvoor Regeling Informatieverstrekking aanmelding en wijzigingen Wlz-uitvoerderschap met kenmerk TH/NR-015). De NZa zal vervolgens toetsen of de Wlz-uitvoerder na die wijzigingen nog steeds in staat zal zijn de Wlz binnen de daarvoor geldende eisen uit te voeren.

 

De aan te leveren informatie bij aanmelding van een rechtspersoon die de Wlz voor de verzekerden wenst uit te voeren (Wlz-uitvoerder) is nader uitgewerkt in de Regeling Informatieverstrekking aanmelding en wijzigingen Wlz-uitvoerderschap, met kenmerk TH/NR-015. In deze regeling is ook opgenomen welke wijzigingen door Wlz-uitvoerders moeten worden gemeld bij de NZa.

  

Deze beleidsregel vervangt Beleidsregel Aanmelding als Wlz-uitvoerder, met kenmerk TH/BR-019. Daarvoor is relevant dat bij de komst van de Wlz alleen de bestaande zorgverzekeraars de Wlz uitvoerden. Toetreding van nieuwe spelers was op dat moment niet aan de orde. Echter, door de werking van de zorgverzekeringsmarkt werd duidelijk dat nieuwe partijen zouden toetreden. Dat creëerde de noodzaak om de wijze van beoordeling van een aanmelding van een nieuwe Wlz-uitvoerder te heroverwegen en de beleidsregel waar nodig aan te passen. Tegelijkertijd wordt de Regeling informatieverstrekking statuten en toetsing (mede)beleidsbepalers Wlz-uitvoerder (kenmerk TH/NR-003) ingetrokken. In deze nieuwe regeling is ervoor gekozen om hierin zowel nadere regels te geven voor de aan te leveren informatie bij aanmelding als Wlz-uitvoerder en bij latere wijzigingen.

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1         Begripsbepalingen

 

In de eerdere Regeling informatieverstrekking statuten en toetsing (mede)beleidsbepalers Wlz-uitvoerder, TH/NR-003, en Beleidsregel Aanmelding als Wlz-uitvoerder, met kenmerk TH/BR-019, werden andere definities voor (mede)beleidsbepalers gehanteerd dan in deze nieuwe beleidsregel en in de nieuwe regeling met kenmerk TH/NR-015. Voorheen werden als medebeleidsbepalers gedefinieerd personen die formeel de positie bekleden van toezichthouder op het bestuur van de Wlz-uitvoerder. Dit was conform de systematiek van de Wet op het financieël toezicht (Wft). Voor de beantwoording van de vraag wie als (mede)beleidsbepalende personen kunnen worden geduid, zoekt de NZa aansluiting bij de toelichting bij de Wft. Daarin is beschreven dat bij personen die het beleid mede bepalen onder meer kan worden gedacht aan leden van raden van commissarissen. Echter vaak bestaat er toch onduidelijkheid wie onder personen die het beleid mede bepalen vallen en dan met name of daar de leden van de raden van commissarissen of leden van de raden van toezicht onder vallen. Met het oog hierop en in verband met afstemming op het vennootschaprecht, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen het bestuur en degenen die toezicht houden op het beleid van het bestuur, wordt voorgesteld de leden van eventueel aanwezige toezichthoudende organen expliciet te noemen en deze niet langer te laten vallen onder de term «mede beleidsbepalers.[1] Duidelijk is dat commissarissen als medebeleidsbepalende personen werden beschouwd. Voor de duidelijkheid is ervoor gekozen hen apart te benoemen in de toetsingssystematiek van de Wft. In deze beleidsregel is daarom, met het oog op eenduidigheid, ervoor gekozen om intern toezichthouders apart te benoemen, zoals dit thans ook in de Wft is gebeurd.

 

In de eerdere Beleidsregel Aanmelding als Wlz-uitvoerder (TH/BR-019) waren sleutelfunctiehouders niet expliciet opgenomen. Daarnaast werden sleutelfunctiehouders in de eerdere Regeling informatieverstrekking statuten en toetsing (mede)beleidsbepalers Wlz-uitvoerder (TH/NR-003) niet onder (mede)beleidsbepalers geschaard. In de memorie van toelichting bij de Wlz wordt echter verwezen naar sleutelfunctionarissen die geschikt en betrouwbaar moeten zijn.[2] In deze beleidsregel en regeling TH/NR-015 is dit hersteld. In deze beleidsregel is, met het oog op eenduidigheid, ervoor gekozen om ten aanzien van dergelijke functies aansluiting te zoeken bij de terminologie uit het financiële toezicht en dergelijke functies aan te duiden als sleutelfunctiehouders. Omdat sleutelfunctiehouders eindverantwoordelijk zijn voor het bepalen van beleid voor die functie, worden zij onder medebeleidsbepalers geschaard. Onder medebeleidsbepalers vallen daarnaast personen direct onder het echelon van de beleidsbepalers die dagelijks beleid mede bepalen.

 

Wat betreft onafhankelijkheid in state kan bij relevante persoonlijke, hiërarchische of institutionele banden tussen degene die intern toezicht houdt en het object van toezicht bijvoorbeeld worden gedacht aan de persoonlijke bevoordeling anders dan de vergoedingen van de organisatie in verband met honorering voor de functie of functies die onverenigbaar zijn.

 

Ten aanzien van de term ‘Wlz-uitvoerder’ wordt de definitie van Wlz-uitvoerder uit artikel 1.1.1 Wlz gevolgd. Omdat in artikel 1.1.1 Wlz wordt verwezen naar de rechtspersoon die geen zorgverzekeraar is en die zich overeenkomstig artikel 4.1.1 Wlz heeft aangemeld voor de uitvoering van deze wet, wordt hieronder verstaan 1) de rechtspersoon die zich aanmeldt om de Wlz uit te voeren, én 2) de rechtspersoon die, na vaststelling van de NZa dat deze voldoende is voorbereid om de Wlz uit te voeren, de Wlz daadwerkelijk uitvoert.

 

Artikel 3         Reikwijdte

 

Deze beleidsregel is van toepassing op de Wlz-uitvoerder die reeds de Wlz uitvoert (al dan niet als zorgkantoor) en de rechtsperoon die de Wlz wenst uit te voeren voor de verzekerden en daarvoor een aanmelding bij de NZa indient. De verwijzing in deze bepaling naar artikel 1.1.1 van de Wlz leidt ertoe dat ook een rechtspersoon wiens aanmelding nog niet is beoordeeld al wel als Wlz-uitvoerder wordt beschouwd. Op grond van artikel 4.1.1, tweede lid, van de Wlz is de rechtspersoon na aanmelding als Wlz-uitvoerder verplicht te voldoen aan de voorschriften die bij of krachtens de Wlz aan Wlz-uitvoerders zijn opgelegd. Daardoor zal een dergelijke rechtspersoon vanaf het moment dat de NZa vaststelt dat zij voldoende is voorbereid op uitvoering van de Wlz, aan alle daarvoor geldende voorwaarden moeten voldoen. Zij is immers vanaf datzelfde moment verantwoordelijk voor de uitvoering van de wet voor de verzekerden. Vanaf het moment van het besluit van de NZa dat de Wlz-uitvoerder voldoende is voorbereid op het uitvoeren van de Wlz, zullen zich onmiddellijk verzekerden kunnen inschrijven en zich kunnen melden met een zorgvraag. Dat betekent dat vanaf dat moment de Wlz-uitvoerder daadwerkelijk in staat moet zijn de benodigde werkzaamheden te verrichten.

 

Tegelijk ligt in het verlengde van een toetsing door de NZa bij aanmelding aan de minimumeisen gesteld in artikel 4.1.1 van het Blz dat ook nadien aan deze eisen wordt voldaan. Op grond van artikel 4.1.1, tweede lid, van de Wlz is de rechtspersoon na aanmelding als Wlz-uitvoerder immers verplicht te voldoen aan de voorschriften die bij of krachtens de Wlz zijn opgelegd aan Wlz-uitvoerders.

 

Artikel 4         Onderdeel van een groep

 

Ad i.

Hier is beoogd nadere invulling te geven aan het groepsverband waarin de Wlz-uitvoerder moet zijn opgenomen. Binnen dat verband is het de opdracht van de Wlz-uitvoerder de Wlz uit te voeren voor de eigen verzekerden.[3] Dan ligt het voor de hand dat de zeggenschap over die Wlz-uitvoerder ook binnen die groep is belegd.

 

Ad ii.

In het geval de Wlz-uitvoerder de rechtsvorm van een nv heeft, zijn de aandelen niet vrij verhandelbaar (blokkeringsregeling). De verbondenheid met de groep waarin ook een zorgverzekeraar deelneemt dient in stand te blijven, wat betekent dat aandelen niet vrij verhandelbaar kunnen zijn. Voorkomen moet daarnaast ook worden dat andere belangen dan het publieke (inclusief klant)belang een rol kunnen spelen bij de uitvoering van de Wlz. De Wlz-uitvoerder blijft immers verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wlz voor de eigen verzekerden, zodat behartiging van zowel de publieke als de klantbelangen bij de uitvoerder zelf geborgd dient te zijn.

 

Artikel 5         Organisatiestructuur

 

Ad i.

Artikel 4.1.1 Wlz bepaalt dat alleen een rechtspersoon (die behoort tot een groep waar ook een zorgverzekeraar deel van uitmaakt) zich bij de NZa kan aanmelden om voor de verzekerden de Wlz uit te voeren. De NZa sluit voor het begrip ‘rechtspersoon’ aan bij Boek 2 van het BW. Daarbij is relevant dat ook verzekeraars uit andere EU-lidstaten op basis van hun Europees paspoort in Nederland als zorgverzekeraar kunnen opereren. Dit betekent dat ten aanzien van de groep waarin de Wlz-uitvoerder dient te zijn opgenomen op grond van artikel 4.1.1, eerste lid, van de Wlz ook sprake kan zijn van een buiten Nederland gevestigde groep. Aangezien het evenwel bij de Wlz gaat om het uitvoeren van een Nederlandse publiekrechtelijke volksverzekering en daarmee wordt uitgevoerd door (wel privaatrechtelijke) zelfstandige bestuursorganen (zbo’s), die volledig uit publieke middelen worden gefinancierd, én met het oog op klantbelang, moet de organisatie in Nederland kunnen worden benaderd en waar nodig bezocht. Daarnaast is het ook vanuit het houden van toezicht door de NZa van belang dat de Wlz-uitvoerder te benaderen en te bezoeken is, hetgeen bij een vestiging buiten Nederland niet mogelijk zal zijn. Dit betekent dat de rechtspersoon statutair in Nederland moet zijn gevestigd en ook de werkzaamheden vanuit een (of meer) vestiging(en) in Nederland worden uitgevoerd. Aansluiting bij het Nederlandse vennootschaprecht qua rechtsvorm past daarnaast bij het publiekrechtelijke karakter van een Wlz-uitvoerder. Zoals toegelicht door de wetgever (Staatsblad 2014, 520, p. 82) zoekt de NZa bij de beoordeling van een aanmelding van een rechtspersoon die de Wlz wenst uit te voeren, aansluiting bij de wijze waarop De Nederlandsche Bank (DNB) als toezichthouder beoordeelt of een aspirant-verzekeraar kan worden toegelaten tot de markt van financiële ondernemingen. In dat verband is dan relevant dat de Wet op het financieel toezicht (Wft) voor het verzekeringsbedrijf de wettelijke eis kent dat dagelijks beleidsbepalers hun werkzaamheden in verband met het dagelijks beleid vanuit Nederland moeten verrichten (artikel 3:15 van de Wft) en dat voor de verzekeraar een bepaling is opgenomen over de daarvoor toegelaten rechtsvormen (artikel 3:20 van de Wft). Hier sluiten voornoemde uitgangspunten ten aanzien van de Wlz-uitvoerder bij aan.

 

Ad ii.

Gelet op de aansluiting bij de beoordeling die door DNB wordt toegepast ten aanzien van een toelating van een aspirant-verzekeraar kan gewezen worden op artikel 3:15 van de Wft wat betreft de leiding van de onderneming. De Wft stelt voor het verzekeringsbedrijf de wettelijke eis van een minimaal tweehoofdige leiding. De eis van twee leden wordt gesteld met het oog op continuïteit, waarborgen van een adequate interne controle, ondervangen van bedrijfsblindheid en onevenwichtig beleid en het waarborgen van een goede governance structuur. Dit uitgangspunt wordt gevolgd voor de beleidsbepalers van de Wlz-uitvoerder. Ook uit artikel 4.1.1, vijfde lid, van de Wlz is af te leiden dat een dagelijkse leiding uit meerdere personen moet bestaan; daarbij kan sprake zijn een personele unie met bestuurders van andere onderdelen van het concern van de zorgverzekeraar mits de belangen van de Wlz-uitvoerder goed worden geborgd. Dat stelt onder andere voorwaarden aan het voorkomen van combinaties van functies of rollen die aan de onafhankelijkheid van de betreffende functionarissen in de weg staan.

 

Ad iii.

In het kader van het toezicht op het verzekeringsbedrijf gaat DNB uit van een Raad van Commissarissen (RvC) of organen met een vergelijkbare taak en stelt DNB als eis dat de RvC minimaal uit drie leden bestaat. De NZa gaat bij de Wlz-uitvoerder eveneens uit van een RvC van minimaal drie leden. Aan de RvC worden door DNB ook eisen van onafhankelijkheid gesteld om alle in aanmerking komende deelbelangen zorgvuldig te behartigen in het belang van de rechtspersoon. Het gaat hierbij om het onafhankelijk functioneren van de RvC in totaal, als ook van de individuele leden ten opzichte van elkaar, het bestuur, de aandeelhouder, de ondernemingsraad (OR), de werknemers etcetera. Onafhankelijkheid wordt door de NZa in het kader van een evenwichtige organisatiestructuur geoperationaliseerd aan de hand van het principe van 100% onafhankelijkheid in state. De NZa gaat ervan uit dat intern toezicht bij de Wlz-uitvoerder volledig onafhankelijk dient te gebeuren, hetgeen veronderstelt dat relevante persoonlijke, hiërarchische of institutionele banden tussen degene die intern toezicht houdt en het object van toezicht afwezig zijn. De ratio van dit uitgangspunt is dat onafhankelijkheid een randvoorwaarde is voor effectief toezicht. Daarnaast is van belang dat een Wlz-uitvoerder een zelfstandig bestuursorgaan is, belast met een publieke taak, namelijk uitvoering van de Wlz voor de verzekerden, binnen een volledig publiek gefinancieerd stelsel. Met het uitgangspunt van 100% onafhankelijkheid wordt beoogd te voorkomen dat zich een situatie voordoet waarin (de schijn van) belangenverstrengeling ontstaat. Onderzocht moet worden of er een relatie bestaat tussen leden van het toezichthoudend orgaan en de organisatie waarop toezicht wordt gehouden, en zo ja, of deze relatie in de weg staat aan de onafhankelijkheid in state. Mocht onverhoopt de schijn van belangenverstrengeling zich toch voordoen, dan veronderstelt de onafhankelijkheid in mind dat de betreffende interne toezichthouder daarop eigener beweging reageert, bijvoorbeeld door zich te onthouden van stemming (bij een tegenstrijdig belang). Naast de onafhankelijkheid in state wordt daarom van interne toezichthouders verwacht dat zij onafhankelijk in mind zijn (dit wordt nader toegelicht bij artikel 10).

Tegelijkertijd betekent het voorgaande niet dat benoeming van commissarissen altijd buiten de groep zou moeten plaatsvinden. Zoals hiervoor is aangegeven moet worden voorkomen dat deze relatie binnen de groep in de weg staat aan de onafhankelijkheid in state, bijvoorbeeld omdat sprake is van vermenging van rollen tussen bestuurders en commissarissen binnen de groep (oftewel, bestuurdersrollen en commissarisrollen lopen samen) of dat een hogere bestuurder als lagere toezichthouder wordt aangewezen.

 

Ad iv.

De Wlz-uitvoerder moet ervoor zorgdragen dat het dagelijks beleid wordt bepaald of mede wordt bepaald door personen die geschikt zijn in verband met de uitvoering van de wettelijke taken en daaruit voorvloeiende werkzaamheden en wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat (artikel 4.1.1, vijfde lid, van de Wlz). Dit betekent dat de Wlz-uitvoerder niet alleen procedures heeft voor werving en toetsing van de (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders, maar voor deze functies ook passende profielen vaststelt.

De uitvoering van de Wlz valt buiten de reikwijdte van de Wft, waarbij ervoor is gekozen de toetsing op geschiktheid aan de Wlz-uitvoerder zelf op te dragen. Dat betekent dat de Wlz-uitvoerder hierbij in ieder geval in aanmerking moet nemen de opleiding, werkervaring en competenties van een beoogd (mede)beleidsbepaler, alsmede zijn of haar kennis van de financiële sector in het algemeen en van de maatschappelijke functies van de Wlz-uitvoerder en de risico’s die daarbij worden gelopen in het bijzonder (artikel 4.1.2, tweede lid, van het Blz).

Aan de NZa is opgedragen toezicht te houden op de wijze van werving, toetsing en aanstelling van deze (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders. Derhalve dient bij aanmelding al duidelijk te zijn dat de Wlz-uitvoerder afdoende maatregelen heeft ingericht om ook in de toekomst de juiste personen te kunnen werven en toetsen.     

 

Ad v.

Gelet op de aansluiting bij de beoordeling die door DNB wordt toegepast ten aanzien van een toelating van een aspirant-verzekeraar, verwacht de NZa dat de Wlz-uitvoerder ten minste de in artikel 5, onderdeel v, gemelde functies inricht (daarmee zijnde sleutelfuncties). Hiermee is geen verplichting beoogd dat de Wlz-uitvoerder de personen die deze functies vervullen zelf in dienst zou moeten hebben. Invulling kan ook geschieden door deze personen van buiten de Wlz-uitvoerder, zoals een op groepsniveau georganiseerde functie. In een dergelijk geval dienen hier wel overeenkomsten aan ten grondslag te liggen, waarin zaken zoals aansturing, rapportagelijnen en doorbelasting van kosten zijn vastgelegd. Als voor deze optie wordt gekozen dienen de betreffende overeenkomsten bij de aanmelding te worden overgelegd.

 

Het is voor het adequaat functioneren van de sleutelfuncties van belang dat hun taken en rollen helder zijn beschreven en geborgd. Dat betekent dat deze schriftelijk zijn vastgelegd en vastgesteld door de beleidsbepalers van de Wlz-uitvoerder. Wanneer gebruik wordt gemaakt van sleutelfuncties die elders in de groep zijn ingericht, met de daar beschreven taken en rollen, volstaat verwijzing daarnaar, mits uitdrukkelijk door de beleidsbepalers van de Wlz-uitvoerder daartoe is besloten en is getoetst en toegelicht dat dit beleid toepasbaar is bij de Wlz-uitvoerder. Dat besluit dient aan te geven welke van de elders beschreven taken en rollen ook voor de Wlz-uitvoerder gelden, naast eventueel specifiek voor de Wlz-uitvoerder toegevoegde taken en rollen.

 

Risicobeheer (ook wel aangeduid als risicomanagement) is gericht op het identificeren, meten en evalueren van risico’s waaraan een organisatie kan worden blootgesteld. Het gaat daarbij onder andere om operationele, financiële, politieke en maatschappelijke risico’s, voor Wlz-uitvoerders in het bijzonder betrekking hebbend op:

  • invulling zorgplicht, verzekeringsprestatie wordt geleverd;

  • afspraken binnen contracteerruimte;

  • uitgaven pgb binnen vastgestelde kader (bij zorgkantoorfunctie);

  • onjuiste besteding Wlz-geld wordt voorkomen;

  • geen onnodige kosten uitvoering.

     

    Ad vi.

    Als de sleutelfuncties van buiten de Wlz-uitvoerder kunnen worden ingevuld, kan dat betekenen dat ook de sleutelfunctiehouders geen dienstverband hebben met de Wlz-uitvoerder. In een dergelijk geval dient hun aanwijzing als eindverantwoordelijke schriftelijk te zijn vastgelegd door de Wlz-uitvoerder, waarbij ook aansturing en rapportage tussen de Wlz-uitvoerder en de partij met wie een dienstverband bestaat zijn vastgelegd, of met de sleutelfunctiehouder zelf als deze niet in enig dienstverband zou werken.

 

Ad viii.

Het is mogelijk dat een opleidingsplan op het niveau van de groep is opgesteld, waarin afzonderlijk aandacht wordt besteed aan de (bij)scholing voor de Wlz-uitvoerder.

 

Artikel 6         Verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden

 

Ad i.

De verzekerden, waaronder cliënten, worden in staat gesteld invloed uit te oefenen op het beleid van de Wlz-uitvoerder. Daarbij wordt gekeken naar instrumenten zoals een orgaan waarmee verzekerden, waaronder cliënten, aantoonbaar invloed kunnen uitoefenen op het beleid van de Wlz-uitvoerder en andere middelen waarmee hieraan invulling wordt gegeven (panels, onderzoeken, klachtenfunctie, etcetera).

 

Ad ii.

De Wlz-uitvoerder moet adequate besluitvormingsprocessen hebben vastgelegd en vastgesteld. Het gaat daarbij om de vraag bij wie/welk orgaan welke bevoegdheden tot besluitvorming zijn belegd en op welke wijze processen van besluitvorming zijn ingericht.

 

Ad iv.

Dit betreft onder andere de beschrijving van een eerste, tweede en derde lijnen van beheersing.

 

Artikel 7         Rechten en verplichtingen

 

Voor nadere regels inzake controle en administratie wordt verwezen naar de Regeling Controle en Administratie Wlz-uitvoerder.

 

Artikel 8         Bedrijfsvoering vastgelegd en afgestemd

 

Artikel 4.1.1, eerste lid, van het Blz schrijft voor dat de Wlz-uitvoerder beschikt over onder andere een duidelijke, evenwichtige en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, adequate vastlegging van de rechten en verplichtingen binnen de rechtspersoon en bijbehorende rapportagelijnen. Dat betekent dat de bedrijfsvoering van de Wlz-uitvoerder op inzichtelijke wijze is vastgelegd en is afgestemd op zijn werkzaamheden.

 

Ten aanzien van alle onderdelen van dit artikel zullen zowel opzet en bestaan, als de werking aantoonbaar dienen te zijn. Zoals bij enkele andere onderdelen van deze beleidsregel en de Regeling informatieverstrekking aanmelding en wijzigingen Wlz-uitvoerderschap kan hierbij aansluiting worden gezocht bij hetgeen geldt voor het verzekeringsbedrijf. 

 

Ad i., onderdeel b.

Onder uitbestede werkzaamheden wordt ook verstaan hetgeen binnen de Mandaat- en volmachtverleningsovereenkomst inzake uitvoering van werkzaamheden zorgkantoren 2016-2020 is uitbesteed aan zorgkantoren.

 

Artikel 10       Geschiktheid

 

De wetgever heeft de Wlz-uitvoerder de opdracht gegeven ervoor zorg te dragen dat de te benoemen personen aan de eisen van betrouwbaarheid en geschiktheid voldoen. Deze verplichting blijft ook na aanmelding als Wlz-uitvoerder van toepassing bij nieuwe benoemingen, herbenoemingen en functiewijzigingen. De NZa houdt toezicht op de uitvoering van de Wlz door Wlz-uitvoerders. De wetgever heeft de concreet te stellen eisen geënt op de voorwaarden waarop krachtens de Wft (artikel 2:31, artikel 3:8 en artikel 3:9 van de Wft juncto hoofdstuk 2 Besluit prudentiële regels Wft) bij de zorgverzekeraar moeten worden getoetst, voor vergelijkbare functies bij een Wlz-uitvoerder (Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr. 3, p. 163). Dit betekent onder meer dat, naast bestuurders en commissarissen conform artikel 3:8 van de Wft, personen die direct onder het echelon van de beleidsbepalers vallen, eveneens moeten worden getoetst bij een Wlz-uitvoerder. De ratio hierbij is dat deze personen, gelet op hun positie binnen deze organisatie, eveneens het dagelijks beleid mede bepalen. De NZa heeft ervoor gekozen deze verschillende beleidsbepalende personen onder te brengen onder de medebeleidsbepalers, omdat Wlz-uitvoerders over het algemeen redelijk compact zijn ingericht.

 

In artikel 10 wordt aangegeven welke specifieke aandachtspunten voor geschiktheid van belang zijn bij de Wlz-uitvoerder.

Voor onderdeel i wordt aansluiting gezocht bij het beleid van DNB. Er is daarnaast in dit artikel benadrukt dat het gaat om geschiktheid voor de betreffende functie. Dit betekent dat de Wlz-uitvoerder zelf moet wegen op welke wijze de onderdelen i-v relevant zijn voor de betreffende functie, mede bezien in het licht van een eventueel collectief zoals bijvoorbeeld de RvB en RvC.

(Mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders moeten onafhankelijk in mind zijn, hetgeen betekent dat zij in staat moeten zijn om onafhankelijk op te treden. Zij dienen zich, in hun afwegingen, besluitvorming en gedrag, aantoonbaar onafhankelijk te tonen (op te stellen) ten opzichte van deelbelangen. Dat betekent dat zij in staat zijn een evenwichtige belangenafweging te maken, waarbij zij rekening houden met alle relevante belangen die verband houden met de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming. In het bijzonder gaat het daarbij om de maatschappelijke functies van de Wlz-uitvoerder en de risico’s die daarbij worden gelopen.

 

De NZa moet vaststellen of de Wlz-uitvoerder er zorg voor heeft gedragen dat de geschiktheid en de betrouwbaarheid van (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders buiten twijfel staat, op basis van de voornemens, handelingen en antecedenten van deze personen. De vaststelling of de Wlz-uitvoerder deze toets goed uitvoert, is een randvoorwaarde voor de (her)benoeming van de betrokkene. Naar verwachting wordt het merendeel van de (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders ook getoetst door de DNB in het kader van de Wft. Voor (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders die reeds door DNB op geschiktheid en betrouwbaarheid zijn getoetst en akkoord bevonden hoeft alleen de specifieke geschiktheid als (mede)beleidsbepaler en interne toezichthouder voor een Wlz-uitvoerder te worden aangetoond. Om dubbele toetsing te voorkomen zal de NZa in deze voor de geschiktheid zoals getoetst door DNB afstemmen met DNB.

 

Artikel 11       Betrouwbaarheid

 

De Wlz-uitvoerder moet aantonen dat de (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders aantoonbaar vrij zijn van relevante antecedenten. Dit betekent dat wanneer de betrokkene antecedenten heeft zoals genoemd in artikel 4.1.2 van het Blz, de Wlz-uitvoerder dient aan te tonen waarom deze niet relevant zijn voor de beoogde functie. Naar verwachting wordt het merendeel van de (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders ook getoetst door de DNB in het kader van de Wft. Voor (mede)beleidsbepalers en interne toezichthouders die reeds door DNB op geschiktheid en betrouwbaarheid zijn getoetst en akkoord bevonden hoeft alleen de specifieke geschiktheid als (mede)beleidsbepaler en interne toezichthouder voor een Wlz-uitvoerder te worden aangetoond. Om dubbele toetsing te voorkomen zal de NZa in deze voor de betrouwbaarheid afstemmen met DNB.

 


[1] Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 19, p. 482.

[2] Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr. 3, p. 163.

[3] Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr. 3, p. 9.

Naar boven