Onderwerp: Bezoek-historie

Beleidsregel Beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2019 (BR/REG-19130)
Geldigheid:01-01-2019 t/m 31-12-2019Versie:vergelijk Status: Toekomstig geldig

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2019

Gelet op artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in artikel 56a van de Wmg.

Op grond van artikel 56a, tweede lid, onder a, van de Wmg geeft de NZa op aanvraag toepassing aan artikel 56a, eerste tot en met zevende lid, van de Wmg. Gelet op artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg, heeft de minister van VWS, ten behoeve van de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist als bedoeld in artikel 3.1.1 van deze beleidsregel, een viertal aanwijzingen op grond van artikel 7 van de Wmg aan de NZa gegeven. Deze aanwijzingen dateren van 17 september 2012, 17 oktober 2013, 6 juli 2016 en 26 juni 2018 en hebben respectievelijk als kenmerk MC-U-3131142, 132010-106827-MC, 984591-152516-MC en 1355023-177350-PZo. Deze aanwijzingen zijn gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 20041, 30705, 36918 en 37253.

Gelet op artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg, heeft de minister van VWS, ten behoeve van de ziekenhuisopleidingen als bedoeld in artikel 3.1.2 van deze beleidsregel, een aanwijzing op grond van artikel 7 van de Wmg aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing dateert van 28 juni 2013 en heeft als kenmerk 125996-105636-MC.

Gelet op artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg heeft de minister van VWS, ten behoeve van de medische opleidingen tot sportarts, klinisch neuropsycholoog en arts voor verstandelijk gehandicapten, een aanwijzing op grond van artikel 7 Wmg aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing dateert van 30 juni 2015 en heeft als kenmerk 776201-137544-MC.

Op de beschikbaarheidbijdrage zijn titel 4.2 (‘subsidies’) en 4.4 (‘bestuursrechtelijke geldschulden’) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG van toepassing. De beschikbaarheidbijdrage wordt beschikbaar gesteld uit het Zorgverzekeringsfonds (Zvf) en het Fonds langdurige zorg (Flz).

Artikel 1. Begripsbepalingen

Algemene begripsbepalingen

Onderstaande begripsbepalingen zijn geldig voor alle opleidingen waarop deze beleidsregel van toepassing is. Begripsbepalingen die van toepassing zijn op de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist zijn opgenomen in artikel 1.11 tot en met 1.22. Voor ziekenhuisopleidingen zijn de begripsbepalingen opgenomen in artikel 1.23 tot en met 1.27.

1.1 (Medische) vervolgopleidingen

De (medische) vervolgopleidingen waarop deze beleidsregel van toepassing is, zijn te verdelen in twee categorieën:

- Vervolgopleidingen tot (medisch) specialist;
- Ziekenhuisopleidingen.

 

1.1.1 Vervolgopleidingen tot (medisch) specialist
De vervolgopleidingen tot (medisch) specialist zijn:

a. De 28 erkende medisch specialismen: anesthesiologie, cardiologie, cardio-thoracale chirurgie, dermatologie en venerologie, heelkunde, interne geneeskunde, keel-neus-oorheelkunde, kindergeneeskunde, klinische genetica, klinische geriatrie, longziekten en tuberculose, maag-darm-leverziekten, medische microbiologie, neurochirurgie, neurologie, nucleaire geneeskunde1, obstetrie en gynaecologie, oogheelkunde, orthopedie, pathologie, plastische chirurgie, psychiatrie, radiologie, radiotherapie, reumatologie, revalidatiegeneeskunde, sportgeneeskunde en urologie;

b. De technische zorg specialismen: klinische chemie, klinische fysica en ziekenhuisfarmacie;

c. De tandheelkundige specialismen: orthodontie en kaakchirurgie;

d. De overige specialismen: arts voor verstandelijk gehandicapten, SEH-arts, huisarts en specialist ouderengeneeskunde;

e. Gezondheidszorgpsycholoog, klinisch neuropsycholoog, klinisch psycholoog en psychotherapeut ;

f. Verpleegkundig specialist in de ggz.

 

1.1.2. Ziekenhuisopleidingen
De vervolgopleidingen tot gespecialiseerd verpleegkundige en medisch- ondersteunend personeel zijn:

a. Deskundige infectiepreventie2, gipsverbandmeester en gespecialiseerd verpleegkundigen, te weten: ic-verpleegkundige, ic-neonatologieverpleegkundige, ic-kinderverpleegkundige, kinderverpleegkundige, dialyseverpleegkundige, oncologieverpleegkundige,seh-verpleegkundige en obstetrie-verpleegkundige;

b. Medisch ondersteunend personeel: operatie-assistent, anesthesiemedewerker, radiodiagnostisch laborant, radiotherapeutisch laborant en klinisch perfusionist.

1.2 Opleidende zorgaanbieder

De zorgaanbieder die door een voor de desbetreffende opleiding relevante registratiecommissie, het College Zorg Opleidingen (CZO), de Commissie Registratie en Toezicht (CRT) of de opleidingsinstelling Geestelijke Gezondheidszorg Verpleegkundig Specialist (GGZ-VS) is erkend voor het verzorgen van een (deel van een) (medische) vervolgopleiding.

1.3 Beschikbaarheidbijdrage

Bijdrage als bedoeld in artikel 56a Wmg.

1.4 Subsidiabele opleidingsplek

Een opleidingsplaats die in aanmerking komt voor een subsidie. Dit betekent een opleidingsplek waar een beschikbaarheidbijdrage voor mag worden ontvangen.

1.5 Minister

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1.6 Fte

Full time equivalent (voltijdse plaats).

1.7 Berekening aantal gerealiseerde fte

De berekening van de realisatie per (medisch) specialist in opleiding (in fte) vindt plaats volgens de volgende formule:

‘Aantal uren opleiding volgens de personeels of salarisadministratie van de zorgaanbieder' gedeeld door ‘uren reguliere werkweek overeenkomstig de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst of sectorale rechtspositieregeling’.


De collectieve arbeidsovereenkomst of sectorale rechtspositieregeling wordt gehanteerd van de opleidende zorgaanbieder waar de (medisch) specialist in opleiding zijn formeel dienstverband heeft. In de toelichting van deze beleidsregel worden een aantal rekenvoorbeelden gegeven van hoe het aantal gerealiseerde fte moet worden berekend.

Maximum fte in opleiding conform het opleidingsregister

Voor een aantal opleidingen in de ggz bestaat een maximum aantal uren dat een opleideling in opleiding mag zijn per week. Het aantal gerealiseerde fte per opleideling mag niet boven dit maximum uitkomen. Een opleideling mag voor meer uren dan het maximum in dienst zijn bij de opleidende zorgaanbieder, maar deze zorgaanbieder mag voor de uren boven het maximum geen beschikbaarheidbijdrage ontvangen.

- Voor de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog geldt een maximum van 36 opleidingsuren per week (1 fte).
- Voor de opleiding tot klinisch psycholoog geldt een maximum van 27 opleidingsuren per werkweek (0,75 fte).
- Voor de opleiding tot klinisch neuropsycholoog geldt een maximum van 27 opleidingsuren per werkweek (0,75 fte).
- Voor de opleiding tot psychotherapeut per werkweek geldt een maximum van 18 opleidingsuren (0,5 fte).
- Voor de opleiding tot verpleegkundig specialist in de ggz geldt een maximum van 36 opleidingsuren per werkweek (1 fte).

Boventallige (medisch) specialisten in opleiding, zoals beschreven in artikel 1.15, komen niet in aanmerking voor een beschikbaarheidbijdrage en mogen niet in de berekening van de realisatie worden meegenomen.

Het aantal uren dat voor één persoon wordt ingevoerd in de aanvraag mag nooit leiden tot een realisatie hoger dan 1 fte.

1.8 Startmoment van de opleiding

Het startmoment van de opleiding is dat moment waarop de (medisch) specialist in opleiding met zijn opleiding begint.

1.9 Jaar t

Jaar t is het lopende subsidiejaar waarin de opleiding plaatsvindt.

1.10 Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa

Het Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa omschrijft de uniforme procedure die gehanteerd wordt ten aanzien van de verstrekking van alle beschikbaarheidbijdragen door de NZa. Dit kader is ook van toepassing op de beschikbaarheidbijdrage voor de (medische) vervolgopleidingen. In enkele gevallen geldt een uitzondering op de uniforme procedure. Deze uitzondering staat dan omschreven in deze beleidsregel.

Begripsbepalingen vervolgopleiding tot (medisch) specialist

Artikel 1.11 tot en met 1.22 beschrijven de begripsbepalingen die van toepassing zijn op de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist zoals genoemd in artikel 1.1.1.

1.11 Opleidingen met een vooropleiding

a. Om de opleidingen longziekten en tuberculose, maag-, darm- en leverziekten, cardiologie, klinische geriatrie of reumatologie te mogen volgen, dient de (medisch) specialist in opleiding tevens de vooropleiding interne geneeskunde te volgen.

b. Om de opleidingen orthopedie, urologie en plastische chirurgie te mogen volgen, dient de (medisch) specialist in opleiding tevens de vooropleiding heelkunde te volgen.

1.12 Instroomplaats

Opleidingsplaats voor (medisch) specialist in opleiding die:

a. In het jaar t met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist begint op een subsidiabele opleidingsplek, of;

b. Voorafgaand aan het jaar t met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist is begonnen op een niet-subsidiabele opleidingsplek, maar in jaar t alsnog op een subsidiabele instroomplaats de opleiding vervolgt.

1.13 Doorstroomplaats

Opleidingsplaats voor (medisch) specialist in opleiding die:

a. In een eerder jaar met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist is begonnen op een subsidiabele instroomplaats of;

b. In het jaar t met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist is begonnen op een subsidiabele instroomplaats en om inhoudelijke redenen in jaar t doorstroomt naar een andere opleidende zorgaanbieder.

1.14 Instroomjaar

Het kalenderjaar (jaar t) waarin de (medisch) specialist in opleiding start met de opleiding op een subsidiabele opleidingsplek.

1.15 Boventallige (medisch) specialist in opleiding

Een boventallige (medisch) specialist in opleiding is iemand die wordt opgeleid voor eigen rekening, voor rekening van de opleidende zorgaanbieder of voor rekening van derden. Deze (medisch) specialist in opleiding is niet subsidiabel en de zorgaanbieder kan voor deze (medisch) specialist in opleiding geen beschikbaarheidbijdrage ontvangen.

1.16 Registratiecommissies voor medische specialismen

De registratiecommissies voor medische specialismen zijn:

a. Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (RGS) van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG);

b. Stichting Opleiding Klinisch Fysicus (OKF);

c. Specialisten Registratiecommissie (SRC) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP);

d. Registratiecommissie van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde (NVKC);

e. Registratiecommissie Tandheelkundig Specialismen (RTS) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT);

f. Commissie Registratie en Toezicht (CRT) van de Federatie van Gezondheidszorgpsychologen en psychotherapeuten (FGzPt);

g. Registratiecommissie Specialismen Verpleegkunde (RSV) van de Vereniging Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN).

1.17 Erkennende opleidingsinstituten voor medische specialismen

De opleidingsinstituten zijn instituten die erkenningen afgeven aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.1.1.

a. De RGS van de KNMG geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.1.1 onderdelen a en d.

b. De OKF geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.1.1 onderdeel b.

c. De SRC van de KNMP geeft erkenningen af aan de opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.1.1 onderdeel b.

d. De Registratiecommissie van de NVKC geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.1.1 onderdeel b.

e. De RTS van de KNMT geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.1.1 onderdeel c.

1.18 Erkennende opleidingsinstituten voor ggz-opleidingen

a. De CRT van de FGzPt geeft erkenningen af aan de opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.1.1. onderdeel e.

b. De RSV van V&VN geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van de opleiding als genoemd in artikel 1.1.1. onderdeel f.

1.19 Werkgevers voor specifieke opleidingen

Voor enkele opleidingen geldt dat de (medisch) specialist in opleiding niet in dienst is bij een opleidende zorgaanbieder, maar bij een stichting die verantwoordelijk is voor het gehele proces van de beschikbaarheidbijdrage en financiering van de opleiding. Deze worden in deze beleidsregel beschouwd als opleidende zorgaanbieder. De SBOH en de SBOS zijn verantwoordelijk voor het gehele proces van aanvragen van de beschikbaarheidbijdrage en financiering van deze opleidingen.

Deze stichtingen zijn:

a. De Stichting Beroepsopleiding tot Huisarts (SBOH). De SBOH is de werkgever van huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde en artsen voor verstandelijk gehandicapten in opleiding. De SBOH is werkgever van de artsen verstandelijk gehandicapten die vanaf 2016 zijn gestart met hun opleiding3.

b. De Stichting Beroepsopleiding tot Sportarts (SBOS). De SBOS is de werkgever van sportartsen in opleiding.

1.20 Opleidingsoverzicht

Overzicht uit het opleidingsregister van de per opleiding tot (medisch) specialist gerealiseerde opleidingsplaatsen per opleidende zorgaanbieder, uitgesplitst naar instroomplaatsen (medisch) specialist en doorstroomplaatsen (medisch) specialist.

1.21 Gerealiseerde opleidingsplaats

Het aantal uren dat de (medisch) specialist in opleiding feitelijk heeft besteed aan zijn opleiding. Hierbij gaan wij uit van de berekening zoals genoemd in artikel 1.7.

1.22 Verdeelplan

a. Overzicht van de verdeling van het maximaal aantal instroomplaatsen en bijbehorende fte voor de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist per specialisme per opleidende zorgaanbieder, zoals dat is opgesteld door de Minister.

b. In het verdeelplan is ook het maximaal aantal doorstroomplaatsen in bijbehorende fte voor de vervolgopleiding tot (medisch) specialist per opleidende zorgaanbieder voor de opleiding sportgeneeskunde en de opleidingen tot huisarts, specialist ouderengeneeskunde en arts verstandelijk gehandicapten ten behoeve van de SBOH vastgelegd4. In het verdeelplan is het aantal fte doorstroom voor de overige opleidingen niet gemaximeerd.

Begripsbepalingen ziekenhuisopleidingen

In de artikelen 1.23 tot en met 1.27 zijn de begripsbepalingen beschreven die van toepassing zijn op de ziekenhuisopleidingen als genoemd in artikel 1.1.2.

 

1.23 Instroomplaats

Opleidingsplaats voor een natuurlijk persoon die voor de eerste keer aanvangt met een volledige ziekenhuisopleiding bij een opleidende zorgaanbieder.

1.24 Gediplomeerde

Natuurlijk persoon die met goed gevolg een volledige ziekenhuisopleiding heeft voltooid bij een erkende opleidende zorgaanbieder en een diploma heeft van het CZO. Dit betreft alle ziekenhuisopleidingen. Voor deze opleidingen ontvangt de opleidende zorgaanbieder subsidie per gediplomeerde/uitstromer.

1.25 Registratiecommissie voor ziekenhuisopleidingen

De registratiecommissie voor ziekenhuisopleidingen is het College Zorg Opleidingen (CZO).

1.26 Erkennende opleidingsinstituten voor de ziekenhuisopleidingen

Het CZO geeft erkenningen af aan opleidende ziekenhuizen voor het verzorgen van ziekenhuisopleidingen als genoemd in artikel 1.1.2. 

1.27 Opleidingsopgave van CZO

De NZa ontvangt van CZO een opgave van het gerealiseerde aantal ingestroomde en gediplomeerde personen in jaar t uitgesplitst naar opleiding en door het CZO erkende zorgaanbieder.

Artikel 2. Doel van de beleidsregel

Deze beleidsregel beschrijft hoe zorgaanbieders in aanmerking kunnen komen voor een beschikbaarheidbijdrage voor de bekostiging van (medische) vervolgopleidingen en op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheden om deze beschikbaarheidbijdrage toe te kennen.

Artikel 3. Reikwijdte

Deze beleidsregel is van toepassing op het door een zorgaanbieder beschikbaar hebben van (medische) vervolgopleidingen als bedoeld in artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG, juncto onderdeel B, onder 1, sub a, b en c, van de bijlage.

Artikel 4. Algemeen

4.1

De NZa verstrekt de beschikbaarheidbijdrage aan opleidende zorgaanbieders ter vergoeding van de kosten die de zorgaanbieder daadwerkelijk maakt voor het verzorgen van (medische) vervolgopleidingen, als bedoeld in artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG, juncto onderdeel B, onder 1, sub a, b en c, van de bijlage.

4.2

De NZa kan op aanvraag een beschikbaarheidbijdrage verstrekken voor het bekostigen van (medische) vervolgopleidingen. De opleidende zorgaanbieder moet vóór 1 oktober van jaar t-1 de verlening van de beschikbaarheidbijdrage bij de NZa aanvragen voor zowel instroom, doorstroom als ziekenhuisopleidingen. Niet tijdige aanvragen voor verlening worden niet in behandeling genomen. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 Awb kan de NZa hiervan afwijken5.

4.3

De opleidende zorgaanbieder moet vóór 1 juni van jaar t+1 de vaststelling van debeschikbaarheidbijdrage bij de NZa aanvragen.

4.4

De NZa verstrekt uitsluitend beschikbaarheidbijdragen aan opleidende zorgaanbieders die door een registratiecommissie als genoemd in artikel 1.16, de opleidingsinstituten als genoemd in artikel 1.17 en 1.18, of het CZO als genoemd in artikel 1.25, erkend zijn om een (medische) vervolgopleiding te verzorgen.

4.5

In aanvulling op het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ gelden de volgende voorwaarden, voorschriften en beperkingen ten aanzien van de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen:

a. De opleidende zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het juist en tijdig laten registreren van de opleidingsgegevens van de (medisch) specialist in opleiding bij desbetreffende registratiecommissie, zoals genoemd in artikel 1.17 en 1.18, of het CZO als genoemd in artikel 1.25.

b. Het is van belang dat de opleidende zorgaanbieder uiterlijk 31 december van het subsidiejaar, jaar t, een opleideling koppelt aan een toegekende instroomplaats. Als een opleideling niet uiterlijk 31 december van het subsidiejaar wordt gekoppeld aan een instroomplaats, dan ontvangt de zorgaanbieder voor dat subsidiejaar geen beschikbaarheidbijdrage voor deze instromer.
De zorgaanbieder kan wel een doorstroomsubsidie voor jaar t+1 aanvragen voor deze opleideling als in het jaar t+1 door de registratiecommissie de opleideling als doorstromer wordt aangemerkt. De situatie kan zich voordoen dat een zorgaanbieder een afwijzing ontvangt op zijn aanvraag tot verlening voor jaar t+1, omdat de zorgaanbieder alleen één doorstromer in opleiding heeft die niet tijdig als instromer is gekoppeld in jaar t. In afwijking van artikel 5.1.3 van het Uniform kader kan de NZa in deze situatie de beschikbaarheidbijdrage voor jaar t+1 vaststellen zonder dat er voorafgaand een verleningsbeschikking is afgegeven.

c. Substitutie van toegewezen fte’s tussen soorten zorgopleidingen, en substitutie van fte’s tussen de categorieën instroom en doorstroom is niet mogelijk.

d. Het is toegestaan dat opleidelingen met een vooropleiding tijdens de opleiding overstappen naar een ander specialisme met dezelfde vooropleiding, mits uiterlijk 31 december van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar het opleidingsschema volledig is goedgekeurd door desbetreffende registratiecommissie en dit is opgenomen in het opleidingsregister van desbetreffende registratiecommissie.

e. Er wordt geen vergoeding verstrekt aan (medisch) specialisten in opleiding die zijn ingestroomd voor eigen rekening, voor rekening van de opleidende zorgaanbieder of voor rekening van derden. Er wordt ook geen vergoeding verstrekt voor deze (medisch) specialisten in opleiding in latere jaren. Uitzondering op dit laatste vormt de (medisch) specialist in opleiding die later instroomt op een instroomplaats die in het verdeelplan is toegewezen aan de opleidende zorgaanbieder.

f. De beschikbaarheidbijdrage wordt, met inachtneming van het aantal subsidiabele opleidingsplaatsen per opleiding, alleen verstrekt aan de opleidende zorgaanbieder bij wie de (medisch) specialist in opleiding volgens de desbetreffende registratiecommissie geregistreerd staat.

g. Niet-gerealiseerde instroom of doorstroom, als vastgelegd in het verdeelplan, van beroepsbeoefenaren in opleiding kan niet worden doorgeschoven naar een volgend kalenderjaar.

h. Bij de bepaling van het gerealiseerde aantal opleidingsplaatsen dient rekening te worden gehouden met het startmoment van de opleiding en met deeltijdarbeid, zoals vermeld in de (leer)-arbeidsovereenkomst.

i. De opleidende zorgaanbieder doet direct schriftelijk mededeling aan de NZa wanneer een opleidingserkenning wordt ingetrokken of van andere omstandigheden die van belang kunnen zijn voor (een beslissing tot intrekking van) de beschikbaarheidbijdrage, zoals een fusie of een faillissement. Daarbij worden relevante stukken overlegd.

4.6

De NZa beoordeelt de ontvangen aanvragen aan de in deze beleidsregel en het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ gestelde criteria.

4.7

De NZa stelt de beschikbaarheidbijdrage alleen vast indien voldaan wordt aan de criteria genoemd in deze beleidsregel en in het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’.

4.8

Volgens het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ is iedere opleidende zorgaanbieder die een verleningsbeschikking heeft ontvangen met een bedrag van €125.000 of meer, bij de aanvraag tot vaststelling verplicht een door een accountant opgesteld assurance-rapport mee te leveren.6 Het bedrag aan ziekenhuisopleidingen in de aanvraag telt niet mee voor deze grens.

4.9

In afwijking van artikel 5.2.5 van het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ controleert de NZa de aanvragen van opleidende zorgaanbieders waaraan een beschikbaarheidbijdrage is verleend van een bedrag tussen de €25.000,- en €125.000,- (exclusief ziekenhuisopleidingen). De NZa raadpleegt hiervoor de overzichten van de betreffende registratiecommissie. Wanneer de NZa significante afwijkingen constateert, neemt de NZa contact op met de zorgaanbieder. Indien de NZa het nodig acht heeft zij de bevoegdheid alsnog een assurance-rapport op te vragen bij de zorgaanbieder.

4.10

De beschikbaarheidbijdrage kan lager worden vastgesteld, als:

a. De activiteiten waarvoor de beschikbaarheidbijdrage is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden.

b. De zorgaanbieder niet heeft voldaan aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de beschikbaarheidbijdrage zoals opgenomen in de verleningsbeschikking en deze beleidsregel.

c. De zorgaanbieder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening zou hebben geleid.

d. De verlening van de beschikbaarheidbijdrage anderszins onjuist was en de zorgaanbieder dit wist of dit behoorde te weten.

4.11

De NZa kan gegevens van de registratiecommissies raadplegen voor de eigen controle van de aanvragen voor vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage. De NZa kan op basis van deze gegevens van de registratiecommissie de beschikking aanpassen.

4.12 Failissementen

Als de rechtbank het faillissement van een zorgaanbieder heeft uitgesproken en een curator heeft aangesteld, dient de curator de aanvraag tot vaststelling namens de failliete zorgaanbieder in. Dit doet de curator voor de subsidiejaren waarvoor de failliete zorgaanbieder nog geen vaststelling heeft ingediend, maar wel een verleningsbeschikking heeft ontvangen. De curator handelt daarbij volgens de voorschriften en voorwaarden uit deze beleidsregel en het Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa.

Als een failliete zorgaanbieder een aanvraag indient voor de  verlening van de beschikbaarheidbijdrage, neemt de NZa deze aanvraag niet in behandeling. Als het faillissement vóór 1 januari van jaar t wordt uitgesproken en de verleningsbeschikking voor jaar t reeds door de NZa is afgegeven, kan de NZa de verleningsbeschikking intrekken en de uitgekeerde voorschotten terugvorderen. Er is dan immers vanwege het faillissement niet opgeleid in jaar t.

4.13 Fusie en overname

Als een juridische fusie tussen of overname van opleidende zorgaanbieders op 1 januari van jaar t plaatsvindt, gaat de NZa in jaar t uit van de gefuseerde zorgaanbieder. De gefuseerde zorgaanbieder dient voor zowel de verlening als de vaststelling van jaar t één aanvraag in op het NZa-nummer van de gefuseerde zorgaanbieder. De NZa geeft op basis van deze aanvraag voor zowel de verlening als de vaststelling één beschikking af op het NZa-nummer van de gefuseerde zorgaanbieder.

Als een fusie tussen of overname van opleidende zorgaanbieders plaatsvindt na 1 januari van jaar t, gaat de NZa voor de verlening en vaststelling van jaar t uit van de afzonderlijke zorgaanbieders. Beide zorgaanbieders dienen voor zowel de verlening als vaststelling van jaar t een aanvraag in op hun eigen NZa-nummer. De NZa geeft op basis van deze aanvragen voor zowel de verlening als de vaststelling een beschikking per zorgaanbieder af op hun eigen NZa-nummer.

Vanaf het jaar dat volgt op de fusie, gaat de NZa voor de verlening en vaststelling uit van de gefuseerde zorgaanbieder. Dit betekent dat de gefuseerde zorgaanbieder voor de verlening en vaststelling vanaf het jaar volgend op de fusie één aanvraag moet indienen op het NZa-nummer van de gefuseerde zorgaanbieder.

Artikel 5. Berekening verlening beschikbaarheidbijdrage - vervolgopleiding tot (medisch) specialist

5.1

De NZa toetst het door de opleidende zorgaanbieder aangevraagde aantal (medisch) specialist instroomplaatsen aan het verdeelplan. Dit geldt ook voor doorstroomplaatsen voor de opleidingen zoals genoemd in artikel 1.22 onderdeel b. Het aantal opleidingsplaatsen (medisch) specialist per opleiding in de beschikking kan het aantal instroomplaatsen en doorstroomplaatsen voor de opleidingen genoemd in artikel 1.22 onderdeel b uit het verdeelplan niet overschrijden.

5.2

Bij het berekenen van de beschikbaarheidbijdrage worden de instroomplaatsen voor (medisch) specialisten van vooropleidingen en opleidingen met een vooropleiding niet meegenomen. Instroomplaatsen voor opleidingen met een vooropleiding worden achteraf gefinancierd, zie hiervoor artikel 8.1 sub c.

5.3

De NZa verleent op aanvraag een beschikbaarheidbijdrage voor doorstroomplaatsen (medisch) specialist volgens de overzichten van de registratiecommissies met peildatum 31 oktober van jaar t-1. Uitzonderingen hierop zijn de opleidingen die zijn genoemd in artikel 1.22 onderdeel b. De NZa toetst voor deze vervolgopleidingen het aantal aangevraagde doorstroomplaatsen aan het verdeelplan.

5.4

De totale beschikbaarheidbijdrage waar een zorgaanbieder recht op heeft, wordt berekend aan de hand van de vergoedingsbedragen die de NZa van de Minister ontvangt. Bij de berekening van de beschikbaarheidbijdrage wordt rekening gehouden met de staffel, zoals omschreven in artikel 6, tweede lid, van de Aanwijzing7. De NZa indexeert deze vergoedingsbedragen jaarlijks met de door VWS aangegeven percentages.

Artikel 6. Berekening verlening beschikbaarheidbijdrage - ziekenhuisopleiding

6.1

De NZa toetst of de aanvragende zorgaanbieder in de opleidingsopgave van het CZO van jaar t-2 voorkomt.

6.2

De NZa verleent op aanvraag een beschikbaarheidbijdrage voor instroomplaatsen en gediplomeerden van ziekenhuisopleidingen, wanneer deze zijn opgenomen in de opleidingsopgave van het CZO van jaar t-2.

 

6.2.1 De verlening van de beschikbaarheidbijdrage voor de instroomplaatsen van de ziekenhuisopleidingen vindt per medisch beroepsbeoefenaar in opleiding plaats, voor aanvang van de opleiding. Voor de opleidingen tot operatieassistent, anesthesiemedewerker, radiodiagnostisch laborant, radiotherapeutisch laborant en klinisch perfusionist ontvangt de opleidende zorgaanbieder subsidie per instromer.

 

6.2.2 De verlening van de beschikbaarheidbijdrage voor de gediplomeerden van de ziekenhuisopleidingen vindt per medisch beroepsbeoefenaar in opleiding plaats, na diplomering van de opleiding.

6.3

De totale beschikbaarheidbijdrage waar een zorgaanbieder recht op heeft, wordt berekend aan de hand van de vergoedingsbedragen voor de ziekenhuisopleidingen die de NZa van de Minister ontvangt. De NZa indexeert deze vergoedingsbedragen jaarlijks met de door VWS aangegeven percentages.

Artikel 7. Bevoorschotting

7.1

De op grond van artikel 5 en 6 van deze beleidsregel totaal verleende beschikbaarheidbijdrage wordt voor 85% bevoorschot aan de opleidende zorgaanbieder. Dit in afwijking van het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’.

7.2

De bevoorschotting vindt in 10 termijnen plaats met de volgende verdeling: januari 8%, februari 8%, maart 8%, april 7%, mei 16%, juni 7%, juli 8%, augustus 8%, september 7% en oktober 8%. In de maanden november en december van jaar t vindt geen bevoorschotting plaats. Dit in afwijking van het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’.

7.3

De feitelijke uitbetaling van de voorschotten gebeurt door Zorginstituut Nederland (ZINL).

Artikel 8. Berekening vaststelling beschikbaarheidbijdrage - vervolgopleiding tot (medisch) specialist

8.1

De hoogte van de gerealiseerde fte’s voor de vervolgopleiding tot (medisch) specialist wordt door de NZa vastgesteld, waarbij:

a. Het aantal instroomplaatsen en/of fte (medisch) specialist per opleiding per opleidende zorgaanbieder niet hoger vastgesteld kan worden dan het aantal instroomplaatsen en/of fte (medisch) specialist dat voor die zorgaanbieder in het verdeelplan is vastgelegd. Als blijkt dat bij één of meerdere opleidingen het aantal aangevraagde plaatsen en/of fte hoger is dan het verdeelplan, dan zal de NZa het aantal fte en/of personen instroom neerwaarts bijstellen tot het maximum van het verdeelplan, tenzij er sprake is van:

  • Een (medisch) specialist in vooropleiding die in het instroomjaar niet de opleiding volgt bij de opleidende zorgaanbieder waaraan de instroomplaats (medisch) specialist is toegewezen. De instroomplaatsen van opleidingen met een vooropleiding zijn in het verdeelplan toegewezen aan de zorgaanbieder waar de eindopleiding wordt gevolgd.
  • Vervanging van een (medisch) specialist in opleiding binnen een instroomjaar, waardoor het totaal aantal personen het verdeelplan kan overschrijden. Het aantal fte mag in dit geval niet hoger uitvallen dan het verdeelplan.
  • Een opleiding radiotherapie of nucleaire geneeskunde8 waarbij de (medisch) specialist in opleiding in het instroomjaar bij twee verschillende zorgaanbieders opleiding volgt. Alleen bij deze twee opleidingen is dit toegestaan.

b. Het aantal instroomplaatsen en/of fte (medisch) specialist én het aantal doorstroomplaatsen in fte uit artikel 1.22 onderdeel b zoals opgenomen in het verdeelplan per opleiding per opleidende zorgaanbieder niet hoger vastgesteld kan worden dan het aantal opleidingsplaatsen dat voor die zorgaanbieder in het verdeelplan is vastgelegd. Indien blijkt dat bij één of meerdere opleidingen het aantal ingevulde plaatsen en/of fte hoger is dan het verdeelplan, dan zal de NZa het aantal fte en personen instroom en/of doorstroom neerwaarts bijstellen tot het maximum van het verdeelplan, tenzij er sprake is van onderstaande uitzonderingen. Genoemde uitzonderingen moeten aan de hand van de hieronder nader gespecificeerde documenten bij de aanvraag worden aangetoond. De uitzonderingen zijn:

  • Het intrekken van een opleidingserkenning van een opleidende zorgaanbieder, waardoor een andere opleidende zorgaanbieder een of meer opleidingsplaatsen boven het verdeelplan krijgt toegewezen. Hier dient een besluit van de relevante registratiecommissie c.q. de opleidingsinstellingen als genoemd in artikel 1.2 aan ten grondslag te liggen.
  • Het herstellen van een ingetrokken opleidingserkenning waarbij de oorspronkelijke zorgaanbieder voor de teruggeplaatste (medisch) specialist(en) kan afwijken van het verdeelplan. Hier dient een besluit van de relevante registratiecommissie of de opleidingsinstellingen als genoemd in artikel 1.2 aan ten grondslag te liggen.
  • Faillissement van een opleidende zorgaanbieder, waardoor een andere opleidende zorgaanbieder een of meer opleidingsplaatsen boven het verdeelplan krijgt toegewezen. Hiervoor is goedkeuring nodig van het nieuwe opleidingsschema door de relevante registratiecommissie of de opleidingsinstellingen als genoemd in artikel 1.2.
  • Fusie van twee of meer opleidende zorgaanbieders waardoor één zorgaanbieder of de opvolgende rechtspersoon de opleidingsplaatsen krijgt toegewezen. Het totaal aantal plaatsen van de gefuseerde zorgaanbieders kan niet hoger zijn dan het aantal plaatsen van de afzonderlijke zorgaanbieders voor de fusie.
  • Overplaatsing van de (medisch) specialist in opleiding door een uitspraak van een geschillencommissie of een centrale opleidingscommissie vanuit een opleidende zorgaanbieder naar de andere opleidende zorgaanbieder. De uitspraak moet aan de aanvraag toegevoegd worden.
  • Verlenging van de duur van de opleiding van de (medisch) specialist in opleiding vanwege opleidingsinhoudelijke redenen. Hier dient een besluit van de registratiecommissie of de opleidingsinstellingen als genoemd in artikel 1.2 aan ten grondslag te liggen waaruit blijkt dat de duur van de opleiding wordt verlengd.
     

c. Het aantal instroomplaatsen (medisch) specialist voor de (opleidingen met een) vooropleiding wordt vastgesteld op basis van de aanvraag tot vaststelling.

d. Het aantal doorstroomplaatsen (medisch) specialist niet hoger kan worden vastgesteld dan het aantal doorstroomplaatsen (medisch) specialist zoals vermeld in het verdeelplan voor de opleidingen zoals genoemd in artikel 1.22 onderdeel b. Als het aantal doorstroomplaatsen (medisch) specialist hoger uitvalt dan vastgesteld in het verdeelplan, dient dit expliciet te worden toegelicht in het aanvraagformulier. Het totaal aan doorstroomplaatsen (medisch) specialist kan voor deze opleidingen hoger vastgesteld worden wanneer er sprake is van een van de in artikel 8.1 onderdeel b genoemde situaties.

e. Een (medisch) specialist in opleiding9 kan een deel van de opleiding buiten Nederland volgen, mits er vooraf toestemming is van de relevante registratiecommissie of opleidingsinstelling. Voorwaarden zijn:

  • Het dienstverband en/of de arbeidsovereenkomst tussen de opleidende zorgaanbieder en de (medisch) specialist in opleiding moet voortduren;
  • De opleiding buiten Nederland is vastgelegd in het opleidingsschema;
  • De opleiding buiten Nederland mag niet leiden tot verlenging van de duur van de opleiding.

8.2

De beschikbaarheidbijdrage kan naast de in artikel 4.10 genoemde omstandigheden lager worden vastgesteld, als:

a. Een (medisch) specialist in opleiding stopt met de opleiding. Dit wordt aangemerkt als uitval, ongeacht de reden hiervan. Uitzonderingen hierop zijn:

  • De opleiding tot huisarts in het geval van zwangerschaps- en bevallingsverlof. Deze tijd mag blijven meetellen bij het gerealiseerde aantal fte.
  • Uitval als gevolg van langdurige ziekte. Deze mag wel meetellen bij het gerealiseerde aantal fte indien de zorgaanbieder een loonbetalingsverplichting heeft.
  • Wanneer er sprake is van onderbreking gedurende een geschil. De periode van onderbreking telt mee bij het gerealiseerde aantal fte indien de zorgaanbieder een loonbetalingsverplichting heeft.
     

b. De (medisch) specialist in opleiding tijd besteedt aan activiteiten die buiten de opleiding vallen, zoals bijvoorbeeld het verrichten van onderzoek10.

c. De (medisch) specialist in opleiding vrijstellingen heeft en daardoor eerder gevolgde onderdelen van de opleiding niet hoeft te volgen.

d. De opleiding in eigen tijd wordt gevolgd.

e. Een (medisch) specialist in opleiding is ingestroomd voor eigen rekening, voor rekening van de opleidende aanbieder of voor rekening van derden, indien deze niet later op een instroomplaats in het verdeelplan van de zorgaanbieder wordt toegewezen.

f. De (medisch) specialist in opleiding of de medisch beroepsbeoefenaar in dienst is bij het ministerie van Defensie. Het salaris van de (medisch) specialist in opleiding of de medisch beroepsbeoefenaar wordt betaald door het ministerie van Defensie. De opleiding wordt gevolgd bij een zorgaanbieder. Bij de opgave tot vaststelling moet door de opleidende zorgaanbieder voor de betreffende opleideling aangegeven worden wat het salaris is dat door het ministerie van Defensie wordt uitbetaald. De beschikbaarheidbijdrage voor deze opleideling zal worden vastgesteld op het aantal fte maal het vergoedingsbedrag minus het salaris.

8.3

De NZa houdt er bij de vaststelling van de definitieve beschikbaarheidbijdrage van de opleidingen tot (medisch) specialist rekening mee dat:

  • Opleidingen niet altijd per 1 januari van het jaar beginnen.
  • Een (medisch) specialist in opleiding die een doorstroomplaats (medisch) specialist bezet, gedurende het jaar kan wisselen van opleidende zorgaanbieder, volgens de regels van de registratiecommissies. De wijzigingen worden door de NZa verwerkt bij de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage. Mutaties kunnen alleen plaatsvinden bij doorstroomplaatsen (medisch) specialist in opleiding, met uitzondering van de situatie in artikel 1.13 onderdeel b. Bij opleidingen genoemd in artikel 1.22 onderdeel b kunnen geen mutaties plaatsvinden (met uitzondering van de mutaties genoemd in artikel 8.1 onderdeel a).
  • Tussen instroomplaatsen (medisch) specialist in opleiding en doorstroomplaatsen (medisch) specialist in opleiding geen uitruil kan plaatsvinden.
  • De opleidende zorgaanbieder een aanvraag indient voor vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage van de instroomplaatsen (medisch) specialist van vooropleidingen en opleidingen met een vooropleiding. Gelet op artikel 5.2 vindt de bekostiging van deze vooropleidingen volledig bij de vaststelling plaats.
  • Een instroomplaats (medisch) specialist in opleiding met een vooropleiding in het verdeelplan wordt toegewezen aan de opleidende zorgaanbieder waar de eindopleiding wordt gevolgd.

8.4

De hoogte van de beschikbaarheidbijdrage wordt vastgesteld, waarbij:

  • Het aantal gerealiseerde fte per opleiding wordt bepaald, rekening houdend met de criteria van de artikelen 8.1 tot en met 8.3.
  • De vergoedingsbedragen, zoals vastgesteld door de Minister en geïndexeerd door de NZa, worden bepaald per opleiding. Bij de berekening van de vergoedingsbedragen wordt er rekening gehouden met de staffel, zoals omschreven in artikel 6, tweede lid, van de aanwijzing.11
  • Het aantal gerealiseerde fte per opleiding vermenigvuldigd wordt met de corresponderende vergoedingsbedragen.
  • De vastgestelde beschikbaarheidbijdrage wordt verrekend met de bevoorschotting. Wanneer de definitieve beschikbaarheidbijdrage hoger uitvalt dan de bevoorschotting, bepaalt de NZa in de vaststellingsbeschikking dat het openstaande bedrag door Zorginstituut Nederland wordt voldaan aan de opleidende zorgaanbieder. Wanneer de definitieve beschikbaarheidbijdrage lager uitvalt dan de bevoorschotting, bepaalt de NZa in de vaststellingsbeschikking dat de opleidende zorgaanbieder het te betalen bedrag dient te voldoen aan Zorginstituut Nederland.

Artikel 9. Berekening vaststelling beschikbaarheidbijdrage - ziekenhuisopleiding

9.1

De hoogte van de beschikbaarheidbijdrage voor de ziekenhuisopleidingen wordt vastgesteld door de vergoeding zoals vastgesteld door de Minister en geïndexeerd door de NZa. Daar wordt het vermenigvuldigd met het aantal gerealiseerde opleidingsplaatsen waarbij:

a. Het aantal gerealiseerde opleidingsplaatsen uitgedrukt wordt in het aantal instromers en het aantal gediplomeerden in de ziekenhuisopleidingen.

b. Het aantal gerealiseerde opleidingsplaatsen wordt vastgesteld op basis van de opleidingsopgave van het CZO over jaar t.

c. De instromer voor de eerste keer aanvangt met een ziekenhuisopleiding. Dit geldt voor de opleidingen tot operatieassistent, anesthesiemedewerker, radiodiagnostisch laborant, radiotherapeutisch laborant en klinisch perfusionist. Hiervoor ontvangt de opleidende zorgaanbieder subsidie per instromer.

d. De opleidende zorgaanbieder een erkenning heeft van het CZO voor opleidingen waarvoor de beschikbaarheidbijdrage is aangevraagd.

Artikel 10. Intrekken oude beleidsregel

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze beleidsregel wordt de Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen, met kenmerk BR/REG-17185, ingetrokken.

Artikel 11. Toepasselijkheid voorafgaande beleidsregel

De Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen, met kenmerk BR/REG-17185, blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die beleidsregel en die betrekking hebben op de periode waarvoor die beleidsregel gold.

Artikel 12. Inwerkingtreding en citeerregel

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2019 en is geldig voor de aanvragen tot verlening en vaststelling die gaan over het subsidiejaar 2019.
Ingevolge artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van de Wmg, zal van de vaststelling van deze beleidsregel mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 13. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2019.

Toelichting

Algemeen

Om zorg als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz) beschikbaar te hebben, zijn (medische) vervolgopleidingen noodzakelijk. In het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG (een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 56a van de Wmg) zijn daarom de (medische) vervolgopleidingen aangewezen die in aanmerking kunnen komen voor een beschikbaarheidbijdrage (artikel 2 van het Besluit en onderdeel B, onder 1, van de bijlage bij het Besluit).

Het 'Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ geldt als algemene beleidsregel voor meerdere beschikbaarheidbijdragen die de NZa verstrekt, waaronder de beschikbaarheidbijdrage voor (medische) vervolgopleidingen. Dit betekent dat de NZa in beginsel haar beleid uitvoert volgens dit uniform kader, tenzij deze beleidsregel iets anders voorschrijft.  

Artikelsgewijs

Artikel 1.7 Berekening aantal gerealiseerde fte

  • De realisatie mag alleen worden opgegeven voor (medisch) specialisten in opleiding.

  • Alleen de uren waarin een (medisch) specialist in opleiding is, vallen onder de beschikbaarheidbijdrage. Stel dat een arts in opleiding meer uren werkt dan hij/zij in opleiding is, bijvoorbeeld bij een parttime opleiding maar met een volledige deelname in het dienstenrooster, dan tellen deze extra uren naast de parttime-opleidingsuren niet mee in het gerealiseerde aantal fte.

  • De collectieve arbeidsovereenkomst of sectorale rechtspositieregeling wordt gehanteerd van de opleidende zorgaanbieder waar de (medisch) specialist in opleiding zijn formeel dienstverband heeft.

    Bijvoorbeeld: wanneer een (medisch) specialist in opleiding vanuit een universitair medisch centrum (umc) voor een bepaalde periode wordt gedetacheerd naar een algemeen ziekenhuis. Dan blijft voor de berekening van het gerealiseerde aantal fte de cao van het umc van toepassing. Alleen in het geval er sprake is van een formele indiensttreding bij het algemene ziekenhuis zal, in dit voorbeeld, het algemeen ziekenhuis voor dat gedeelte de aanvraag indienen en moet de cao van het algemene ziekenhuis worden toegepast.

  • Voor één persoon mag maximaal 1 fte op de aanvraag worden ingevoerd.

    Bijvoorbeeld: een detachering tussen twee aanbieders met verschillende cao’s kan niet leiden tot een realisatie die hoger is dan 1 fte.

    Een rekenvoorbeeld

    Pieter is in een jaar fulltime in opleiding tot cardioloog in een UMC. Pieter is daar in dienst. Voor de fte bepaling in een UMC wordt een werkweek van 36 uur voor een AIOS gehanteerd. De tweede helft van het jaar (dat staat gelijk aan 0,5 jaar) doet Pieter zijn opleiding in een algemeen ziekenhuis, waar de cao een werkweek voor een AIOS van 38 uur omvat. De cao van het ziekenhuis waar Pieter in dienst is (het UMC met een 36- urige werkweek) blijft gedurende zijn opleidingsjaar leidend voor de fte berekening.  De berekening van het aantal gerealiseerde fte voor het hele jaar is als volgt:

    0,5 * 36/36 = 0,5 fte voor het eerste half jaar
    0,5 * 36/36 = 0,5 fte voor het tweede half jaar
    Totaal voor het jaar = 1 fte

    Nog een rekenvoorbeeld

    Jantine is 1 september 2017 gestart met haar opleiding tot klinisch psycholoog. Ze heeft in 2017 voor 4 maanden opleiding gevolgd, dat staat gelijk aan 0,33 jaar. Ze is voor 32 uur per week in dienst, maar wordt 27 uur per week opgeleid (dit is het maximum conform het opleidingsregister). Uit de geldende cao blijkt dat een fulltime plaats 36 uur omvat. Het aantal fte dat voor Jantine in de aanvraag ingevuld mag worden is dan:

    0,33 * 27 / 36 = 0,25 fte

    Nog een rekenvoorbeeld                                                                    

    Hans is in een jaar fulltime in opleiding tot cardioloog in een algemeen ziekenhuis. Hans is daar in dienst. Voor de fte bepaling in een algemeen ziekenhuis wordt een werkweek van 38 uur voor een AIOS gehanteerd.. De tweede helft van het jaar (dat staat gelijk aan 0,5 jaar) zet Hans zijn opleiding voort in een UMC, waar de cao een werkweek van 36 uur voor een AIOS omvat. De cao van het ziekenhuis waar Hans in dienst is, is leidend voor de fte berekening.  De berekening van het gerealiseerde aantal fte voor het hele jaar is als volgt:

    0,5 * 38/38 = 0,5 fte voor het eerste half jaar
    0,5 * 38/38 = 0,5 fte voor het tweede half jaar
    Totaal voor het jaar = 1 fte

Artikel 1.11 Opleidingen met vooropleiding

Door middel van onderstaand voorbeeld wordt de vooropleiding uitgelegd:

De afdeling ‘maag-darm-leverziekten’ (mdl) verzorgt de opleiding tot mdl-arts. De opleiding tot mdl-arts duurt zes jaar en bestaat uit twee jaar (voor)opleiding interne geneeskunde en vier jaar (eind)opleiding mdl. Dit betekent dat de (medisch) specialist in opleiding niet de volledige opleiding interne geneeskunde dient af te ronden, maar twee jaar van deze opleiding volgt.

De vooropleiding hoeft niet per definitie voorafgaand aan de 'eindopleiding' te worden gevolgd.

Artikel 1.13 Doorstroomplaats

Als een (medisch) specialist in opleiding om inhoudelijke redenen doorstroomt naar een andere opleidende zorgaanbieder, wordt dit vastgelegd bij de desbetreffende registratiecommissie. Een (medisch) specialist in opleiding op een doorstroomplaats kan niet worden vervangen. 

Artikel 3 Reikwijdte

Deze beleidsregel is van toepassing op alle erkende opleidende zorgaanbieders die de (medische) vervolgopleidingen verzorgen.

Artikel 4 Algemeen

  • Alleen opleidende zorgaanbieders die erkend zijn, kunnen in aanmerking komen voor een beschikbaarheidbijdrage. Een opleidende zorgaanbieder ontvangt van een registratiecommissie een erkenning om een vervolgopleiding tot (medisch) specialist te verzorgen. Het college van de betreffende registratiecommissie stelt eisen aan een opleiding en de betreffende registratiecommissie controleert of opleidende zorgaanbieders zich hieraan houden. Bij de opleidingen in de ggz, genoemd in artikel 1.1.1 onder e, worden de erkenningen verstrekt door de Registratiecommissie Commissie Registratie en Toezicht (CRT) of door de opleidingsinstellingen als genoemd in artikel 1.2. Bij de ziekenhuisopleidingen ontvangen opleidende zorgaanbieders een erkenning van het CZO.

  • De opleidende zorgaanbieder dient een aanvraag in bij de NZa om aanspraak te maken op een beschikbaarheidbijdrage. Zoals vermeld in het Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa dient de NZa de aanvragen voor de verlening te ontvangen vóór 1 oktober van jaar t-1 middels het daarvoor geldende aanvraagformulier. De aanvraag voor de vaststelling dient de NZa vóór 1 juni van jaar t+1 te ontvangen.

  • Niet tijdige aanvragen voor verlening worden niet in behandeling genomen. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 Awb kan de NZa hiervan afwijken. Hiermee wordt bedoeld dat de NZa zal toetsen of de gevolgen voor de opleidende zorgaanbieder wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

  • De NZa streeft er naar om de aanvraagformulieren uiterlijk zes weken voor het verstrijken van de indiendeadline te publiceren. De aanvrager dient het formulier tijdig en volledig in te vullen. Het is daarbij belangrijk dat de aanvrager de toelichting zorgvuldig leest, zodat de NZa een complete aanvraag ontvangt. De aanvrager gebruikt één formulier voor alle (medische) vervolgopleidingen gefinancierd uit het Zorgverzekeringsfonds en één formulier voor opleidingen gefinancierd uit het Fonds langdurige zorg. Beide formulieren zijn voor zowel de opleidingen tot (medisch) specialist als de ziekenhuisopleidingen.

  • Als de NZa een beschikbaarheidbijdrage verleent, kan de opleidende zorgaanbieder met de verleningsbeschikking op grond van artikel 56a WMG een beschikbaarheidbijdrage in rekening brengen bij Zorginstituut Nederland door het formulier ‘Opgave Bankrekeningnummer beschikbaarheidbijdrage’ van Zorginstituut Nederland in te vullen en naar het Zorginstituut op te sturen, met een kopie van de verleningsbeschikking bijgevoegd.

  • Wanneer de NZa de aanvraag tot verlening van een opleidende zorgaanbieder op of na 1 oktober van jaar t-1 heeft ontvangen, zal de aanvraag zonder inhoudelijke beoordeling niet in behandeling worden genomen.

  • Van belang is dat de aanvraag voor de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage tijdig en volledig wordt ingediend. De aanvraag is volledig als het formulier helemaal is ingevuld. De verklaring is rechtsgeldig wanneer deze is ondertekend door de Raad van Bestuur of bevoegde vertegenwoordiger van de opleidende zorgaanbieder. De volledige procedure voor de indiening van aanvragen staat beschreven in het Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa. Ook kunt u de volledige procedure voor het aanvragen van de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen teruglezen op de informatiekaart ‘Aanvraagproces beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen’, te vinden op https://puc.overheid.nl/nza .

  • Vanwege het grote belang van tijdig indienen, kan de NZa een kortingsmethodiek hanteren indien de aanvraag voor vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage niet tijdig en/of niet compleet wordt ingediend. De kortingsmethodiek staat beschreven in het Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa.

  • Een aanvraag mag alleen worden ingediend door de opleidende zorgaanbieder bij wie de (medisch) specialist in opleiding geregistreerd staat volgens de registratiecommissie.

  • Nadat de NZa een aanvraag heeft ontvangen van een erkende opleidende zorgaanbieder, beoordeelt zij deze en geeft beschikkingen af. De NZa geeft afzonderlijke beschikkingen af voor opleidingen die bekostigd worden uit het Zvf (vanuit de Zvw gefinancierde opleidingen) en het Flz (vanuit de Wlz gefinancierde opleidingen). De beschikbaarheidbijdrage wordt per kalenderjaar verstrekt.

  • De (medisch) specialist in opleiding tot arts verstandelijk gehandicapten, specialist ouderengeneeskunde, gezondheidszorgpsycholoog voor gehandicaptenzorg en verpleeghuis, klinisch psycholoog gehandicaptenzorg en psychotherapeut gehandicaptenzorg worden bekostigd uit het Flz. De andere in het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG genoemde opleidingen worden bekostigd uit het Zvf.

  • Met de verleningsbeschikking ontvangt de opleidende zorgaanbieder een voorlopige aanspraak op de beschikbaarheidbijdrage voor het verzorgen van de (medische) vervolgopleidingen. De Minister informeert de NZa jaarlijks over de hoogte van de vergoeding per opleidingsplaats.

  • Zodra de vergoedingen bekend zijn, publiceert de NZa de vergoedingen per opleiding op https://puc.overheid.nl/nza.

  • Het is mogelijk om een boventallige doorstromer een instroomplaats toe te wijzen. Vanaf het moment dat de boventallige doorstromer is toegewezen aan een rechtmatige instroomplaats, kan deze persoon na afloop van dat jaar subsidiabel doorstromen. Dit moet bij de betreffende registratiecommissie kenbaar gemaakt worden en geregistreerd.

Artikel 4.1

Periodiek worden de vergoedingsbedragen voor de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen herijkt. In de komende jaren voert de NZa kostenonderzoeken uit om de hoogte van de vergoedingsbedragen te kunnen herijken. Deze onderzoeken maken inzichtelijk welke kosten opleidende zorgaanbieders daadwerkelijk maken voor het verzorgen van opleidingen en welke activiteiten hierbij horen. Op basis daarvan kan bepaald worden wat passende vergoedingsbedragen zijn. Bij kostenonderzoeken stelt de NZa in samenwerking met de betrokken organisaties in de verschillende sectoren de kostenbepalende aspecten van opleidingen vast, waarbij ook aandacht besteed wordt aan mogelijk meer opleidingsspecifieke kostenaspecten (zoals bijvoorbeeld onbetaald verlof en eigen bijdragen van opleidelingen).

Artikel 4.8 en 4.9

Als een opleidende zorgaanbieder een aanvraag tot vaststelling doet van een beschikbaarheidbijdrage voor zowel een vervolgopleiding tot (medisch) specialist als een ziekenhuisopleiding, telt het bedrag in de verleningsbeschikking voor de ziekenhuisopleiding niet mee voor het bepalen van de grens van €125.000.  Vanaf deze grens moet er een assurancerapport worden aangeleverd. Zie het volgende voorbeeld met fictieve bedragen:

a. Zorgaanbieder A vraagt een beschikbaarheidbijdrage aan voor één opleideling cardiologie en ontvangt hiervoor een verleningsbedrag van €150.000. Zorgaanbieder A moet vervolgens tijdens de vaststelling een assurancerapport aanleveren.

b. Zorgaanbieder B vraagt een beschikbaarheidbijdrage aan voor één opleideling cardiologie en ontvangt hiervoor een verleningsbedrag van €100.000 en voor meerdere seh-verpleegkundigen in opleiding vanuit de ziekenhuisopleidingen. Zorgaanbieder B ontvangt hiervoor een verleningsbedrag van €200.000. De totale aanvraag is €300.000.
Zorgaanbieder B hoeft tijdens de vaststelling assurancerapport aan te leveren, omdat ziekenhuisopleidingen niet meetellen voor de eis een assurance-rapport aan te leveren vanaf €125.000.

c. Zorgaanbieder C vraagt een beschikbaarheidbijdrage aan voor meerdere seh-verpleegkundigen in opleiding vanuit de ziekenhuisopleidingen en ontvangt hiervoor een verleningsbedrag van €300.000. Zorgaanbieder C hoeft tijdens de vaststelling assurancerapport aan te leveren, omdat ziekenhuisopleidingen niet meetellen voor de eis een assurance-rapport aan te leveren vanaf €125.000.

In afwijking van artikel 5.2.5 van het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ controleert de NZa de aanvragen van opleidende zorgaanbieders waaraan een beschikbaarheidbijdrage is verleend met een bedrag tussen de €25.000,- en €125.000,- (exclusief ziekenhuisopleidingen). De NZa raadpleegt hiervoor de overzichten van de betreffende registratiecommissie. Wanneer de NZa significante afwijkingen constateert, neemt de NZa contact op met de zorgaanbieder. Indien de NZa het nodig acht, heeft zij de bevoegdheid alsnog een assurancerapport op te vragen bij de zorgaanbieder.

4.13 Fusies en overnames

Hieronder vindt u twee voorbeelden van een fusie tussen twee opleidende zorgaanbieders12, waaruit duidelijk wordt hoe de opleidende zorgaanbieders de aanvragen in moeten dienen in geval van fusie/overname  en hoe de NZa beschikkingen afgeeft.

Voorbeeld 1:
Zorgaanbieder A (NZa-nummer 100) en zorgaanbieder B (NZa-nummer 150) fuseren op 10 juli 2017 tot zorgaanbieder C (NZa-nummer 200). Zij dienen als volgt aanvragen in:

  • Verlening 2017
    Beide zorgaanbieders dienen een aanvraag in voor hun eigen beschikbaarheidbijdrage. Vóór 1 oktober 2016 dient zorgaanbieder A een aanvraag in tot verlening onder NZa-nummer 100 en zorgaanbieder B onder NZa-nummer 150. De NZa geeft op basis van deze aanvragen een beschikking af.

  • Vaststelling 2017
    Beide zorgaanbieders dienen een aanvraag in voor hun eigen beschikbaarheidbijdrage. Vóór 1 juni 2018 dient zorgaanbieder A een aanvraag in tot vaststelling onder NZa-nummer 100 en zorgaanbieder B onder NZa-nummer 150. De NZa geeft op basis van deze aanvragen een beschikking af.

  • Verlening 2018 (en verdere verleningen)
    De gefuseerde zorgaanbieder C dient vóór 1 oktober 2017 een aanvraag in onder NZa-nummer 200. De NZa geeft op basis van deze aanvraag één beschikking af.

  • Vaststelling 2018 (en verdere vaststellingen)
    Zorgaanbieder C dient vóór 1 juni 2019 een aanvraag in onder NZa-nummer 200. De NZa geeft op basis van deze aanvraag één beschikking af.

Voorbeeld 2:
Zorgaanbieder A (NZa-nummer 300) en zorgaanbieder B (NZa-nummer 350) fuseren op 1 januari 2017 tot zorgaanbieder C (NZa-nummer 400). Zij dienen als volgt aanvragen in:

  • Verlening 2017 (en verdere verleningen)
    De gefuseerde zorgaanbieder C dient vóór 1 oktober 2016 een aanvraag in onder NZa-nummer 400. De NZa geeft op basis van deze aanvraag een beschikking af.

  • Vaststelling
    Beide zorgaanbieders dienen een aanvraag in voor hun eigen beschikbaarheidbijdrage. Vóór 1 juni 2017 dient zorgaanbieder A een aanvraag in onder NZa-nummer 300 en zorgaanbieder B onder NZa-nummer 350. De NZa geeft op basis van deze aanvragen een beschikking af.

  • Vaststelling 2017 (en verdere vaststellingen)
    De gefuseerde zorgaanbieder C dient vóór 1 juni 2018 een aanvraag in onder NZa-nummer 400. De NZa geeft op basis van deze aanvraag een beschikking af.

Artikel 5 Berekening verlening beschikbaarheidbijdrage - vervolgopleiding tot (medisch) specialist

Voor de vervolgopleiding tot (medisch) specialist beoordeelt de NZa de aanvraag als volgt:

  • Bekostiging van instroomplaatsen (medisch) specialist
    De Minister legt jaarlijks het maximum aantal instroomplaatsen (in personen en fte) voor opleidingen tot (medisch) specialist per specialisme per opleidende zorgaanbieder vast in het verdeelplan. Na bekendmaking van het verdeelplan, dienen opleidende zorgaanbieders een aanvraag in bij de NZa tot verlening van de beschikbaarheidbijdrage voor instroomplaatsen (medisch) specialist. De NZa toetst de individuele aanvragen aan het verdeelplan. Wanneer de aanvraag het maximum aantal opleidingsplaatsen (medisch) specialist per opleiding van de opleidende zorgaanbieder in het verdeelplan overschrijdt, zal de NZa deze overschrijding afwijzen. Uitzondering hierop vormen de (opleidingen met een) vooropleidingen.  

  • Bekostiging van instroomplaatsen van opleidingen met een vooropleiding
    Bij het berekenen van de beschikbaarheidbijdrage worden de instroomplaatsen voor (medisch) specialisten van opleidingen met een vooropleiding niet meegenomen omdat van tevoren niet duidelijk is waar de vooropleiding wordt gevolgd. Dit betekent dat de instroomplaatsen (medisch) specialist van de opleidingen met een vooropleiding niet worden bevoorschot gedurende het jaar. De realisatie van deze instroomplaatsen berekent en verrekent de NZa bij de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage na afloop van het jaar waarin de vooropleiding is verzorgd. De opleidende zorgaanbieder dient hiervoor bij de NZa een aanvraag tot vaststelling in. Zie hiervoor ook de toelichting bij artikel 8.

  • Bekostiging van doorstroomplaatsen
    De minister legt voor een aantal opleidingen in het verdeelplan het aantal doorstroomplaatsen (medisch) specialist per opleiding per zorgaanbieder vast. De NZa toetst de aanvraag voor deze doorstroomplaatsen (medisch) specialist ook aan het verdeelplan. Voor de doorstroomplaatsen (medisch) specialist van opleidingen die niet opgenomen zijn in het verdeelplan, toetst de NZa niet aan het verdeelplan.

  • Indexering vergoedingsbedragen
    Voor indexering wordt een verhouding aangehouden van 70% van de index voor de personele kosten en 30% van de index voor de materiële kosten. Alleen voor de opleiding tot huisarts wordt een afwijkende verhouding gehanteerd van 97% van de index voor personele kosten en 3% voor de materiële kosten.

    De index voor de personele kosten is gebaseerd op het percentage dat de overheid vaststelt: de overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (ova). Het Centraal Planbureau berekent het percentage op basis van de cao's en loonkostenontwikkeling in de markt.

    De index voor de materiële kosten is gebaseerd op het prijsindexcijfer particuliere consumptie uit het Centraal Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau.

De vergoedingsbedragen worden afgerond op een veelvoud van 100 euro.

Artikel 6 Berekening verlening beschikbaarheidbijdrage - ziekenhuisopleidingen

De NZa ontvangt van het CZO een overzicht met opleidingsgegevens van het jaar t-2. Dit overzicht wordt in februari door het CZO opgesteld over het voorgaande subsidiejaar. In dit overzicht staat per opleidende zorgaanbieder voor welke opleidingen zij in aanmerking komen voor een beschikbaarheidbijdrage. De opleidende zorgaanbieder dient een aanvraag in voor de ziekenhuisopleidingen. Dit gebeurt in hetzelfde aanvraagformulier als voor (medische) vervolgopleidingen. De NZa verleent een beschikbaarheidbijdrage voor instroomplaatsen en gediplomeerden van ziekenhuisopleidingen, wanneer deze zijn opgenomen in de opleidingsopgave van het CZO van jaar t-2.

Met de beschikking ontvangt de opleidende zorgaanbieder een voorlopige verlening van de beschikbaarheidbijdrage voor het bekostigen van de instromers en gediplomeerden. De subsidie van ziekenhuisopleidingen hangt af van de opleiding die verzorgd wordt. Als het gaat om een opleiding met een instroomsubsidie, dan wordt subsidie ontvangen op het moment dat de opleiding start. Als het gaat om een opleiding met uitstroomsubsidie, dan wordt subsidie ontvangen op het moment dat de opleideling het diploma heeft behaald. Omdat het opleidingsoverzicht van het CZO voor de verlening over jaar t-2 wordt opgesteld, betekent dit dat de subsidie voor gediplomeerden niet in het opleidingsjaar zelf wordt ontvangen, maar een of twee jaar erna, afhankelijk van het moment van ontvangst van het diploma. Dit wordt in figuur 1 en met het voorbeeld toegelicht:

Schematische weergave VE+VA Zhuisopleidingen
Figuur 1. Schematische weergave verlening en vaststelling ziekenhuisopleidingen

Voorbeeld
Bovenstaande weergave laat het verband zien tussen de ontvangst van de gegevens van het CZO door de NZa en het verlenen van de beschikbaarheidbijdrage voor ziekenhuisopleidingen:  

  • De verlening 2017 vindt plaats in oktober 2016

  • De meest recente realisatiecijfers in oktober 2016 zijn de realisatiecijfers over het jaar 2015. Deze cijfers ontvangt de NZa in februari 2016 van het CZO.

  • 2017 = jaar t

  • 2018 = jaar t-2

Zie de toelichting op artikel 5 voor de wijze van het indexeren van de vergoedingsbedragen.

Artikel 7 Bevoorschotting

Opleidende zorgaanbieders worden gedurende het jaar tot 85% bevoorschot. Hier is voor gekozen zodat het merendeel van de opleidende zorgaanbieders na afloop van het jaar zo min mogelijk hoeft terug te betalen.

Om betaling van de voorschotten te realiseren, moeten opleidende zorgaanbieders zelf een aanvraag indienen bij Zorginstituut Nederland  volgens artikel 56 lid a van de WMG. Zorginstituut Nederland is de beheerder van het Zvf en het Flz en is verantwoordelijk voor het verzorgen van de betalingen.

Artikel 8 Berekening vaststelling beschikbaarheidbijdrage - vervolgopleiding tot (medisch) specialist

De NZa houdt bij de vaststelling van de definitieve beschikbaarheidbijdrage van de opleidingen tot (medisch) specialist rekening met het verdeelplan, waarbij;

  • Opleidingen niet altijd per 1 januari van het jaar beginnen; (medische) specialisten in opleiding kunnen ook gedurende het jaar met de opleiding starten. Daarnaast kan het voorkomen dat de opleidende zorgaanbieder minder instroomplaatsen (medisch) specialist heeft gerealiseerd dan voorafgaand van het jaar is aangevraagd;

  • Gedurende het jaar (medische) specialisten in opleiding die een doorstroomplaats (medisch) specialist bezetten, kunnen wisselen van opleidende zorgaanbieder, volgens de regels van de registratiecommissies. Deze wijzigingen moeten vooraf worden doorgegeven aan de registratiecommissies. De wijzigingen worden na afloop door de NZa verwerkt bij de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage. Mutaties kunnen alleen plaatsvinden bij doorstroomplaatsen (medisch) specialist, instroomplaatsen medisch specialist voor  (opleidingen met) vooropleidingen en instroomplaatsen medisch specialist op de opleiding radiotherapie en nucleaire geneeskunde13. Bij opleidingen genoemd in artikel 1.22 lid b kunnen geen mutaties plaatsvinden bij zowel instroom als doorstroomplaatsen (met uitzondering van de mutaties genoemd in artikel 8.1 lid a);

  • Tussen toegewezen instroomplaatsen (medisch) specialist en doorstroomplaatsen (medisch) specialist geen uitruil kan plaatsvinden;

  • De opleidende zorgaanbieder een aanvraag indient voor vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage van de instroomplaatsen (medisch) specialist van vooropleidingen. De NZa heeft geen beschikking afgegeven voor de verlening van de beschikbaarheidbijdrage van de opleidingen met een vooropleiding. Daarom vindt de bekostiging van deze opleidingen volledig achteraf plaats.

  • Een instroomplaats (medisch) specialist met een opleiding met een vooropleiding wordt in het verdeelplan toegewezen aan de opleidende zorgaanbieder waar de eindopleiding wordt gevolgd. Bij enkele (medische) vervolgopleidingen is het toegestaan dat een (medisch) beroepsbeoefenaar in opleiding met de eindopleiding begint en op een later moment start met de vooropleiding. Als uit het opleidingsschema van de (medisch) specialist in opleiding blijkt dat hij/zij begint met de eindopleiding, dan kan de beschikbaarheidbijdrage alleen worden verstrekt aan de opleidende zorgaanbieder die de instroomplaats (medisch) specialist toegewezen heeft gekregen.

Verder bevat dit artikel een opsomming van uitzonderlijke situaties waarin afgeweken kan worden van het verdeelplan.

  • Bij een vervanging in het instroomjaar kan bij de vaststelling het aantal fte niet hoger zijn dan in het verdeelplan staat. Alleen het aantal personen kan hoger zijn dan het verdeelplan. Dit is alleen toegestaan als aangetoond kan worden dat er sprake is van vervanging in het instroomjaar.

Artikel 9 Berekening vaststelling beschikbaarheidbijdrage - ziekenhuisopleiding

De vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage voor ziekenhuisopleidingen kent hetzelfde proces als de vaststelling voor de beschikbaarheidbijdrage voor de vervolgopleiding tot (medisch) specialist. De NZa houdt bij de definitieve vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage voor ziekenhuisopleidingen rekening met de opleidingsopgave van het CZO. Gespecialiseerd verpleegkundigen en medisch ondersteunend personeel in opleiding die een zorgopleiding afbreken en later opnieuw beginnen of medische beroepsbeoefenaren in opleiding die de ziekenhuisopleiding bij een andere zorgaanbieder voortzetten, tellen niet voor een tweede keer mee voor een vergoeding vanuit de beschikbaarheidbijdrage. Dat geldt ook als de medische beroepsbeoefenaar in opleiding verandert van ziekenhuisopleiding.

Wanneer een opleidende zorgaanbieder een beschikbaarheidbijdrage voor een opleidingsplaats ontvangt, dient een erkenning door het CZO voor deze opleiding aanwezig te zijn. Dit betekent voor de bekostiging van opleidingsplaatsen dat op het moment dat het diploma behaald wordt, een erkenning aanwezig is voor betreffende opleiding. Bij de opleidingen tot operatieassistent, anesthesiemedewerker, radiodiagnostisch laborant, radiotherapeutisch laborant en klinisch perfusionist dient de erkenning aanwezig te zijn wanneer wordt gestart met de opleiding.

De volledige procedure voor het aanvragen van de beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen staat beschreven op de informatiekaart ‘Aanvraagproces beschikbaarheidbijdrage ziekenhuisopleidingen’, te vinden op https://puc.overheid.nl/nza/.

Inhoudsopgave

Alles dichtklappenAlles openklappen
Naar boven