Er zijn voor het jaar 2017 enkele tekstuele verduidelijkingen in deze beleidsregel doorgevoerd.
Artikelsgewijs
Artikel 1 Begripsbepalingen
De begrippen Investeringen in medische en overige inventarissen en Investeringen in computerapparatuur en –programmatuur zijn ook van toepassing indien de betreffende investeringen worden gefinancierd via huur dan wel leasing. Bij huur of leasing van inventaris wordt de hierin opgenomen afschrijvingscomponent beschouwd als werkelijke afschrijvingskosten.
Artikel 3 Reikwijdte
De beleidsregel is van toepassing voor bestaande zorgaanbieders. Voor nieuwe zorgaanbieders is de Beleidsregel invoering en tarieven normatieve huisvestingscomponent (NHC) en inventariscomponent (NIC) nieuwe zorgaanbieders van toepassing.
Artikel 4 Prijspeil
De beleidsregelwaarden voor instandhouding en kapitaallasten kleinschalig wonen (met uitzondering van inventaris) worden geïndexeerd met de TNO-Gezondheidszorgindex.
De indexatie bedraagt 2,13%. De gemiddelde gezondheidszorgindex voor het jaar 2016 is aangevuld met een prognose voor 2017 op basis van het Centraal Economisch Plan (CEP).
De beleidsregelwaarden voor inventaris worden geïndexeerd met de materiële kostenindex.
De indexatie bedraagt 1,87%. Deze index is berekend op basis van de indices van het Centraal Planbureau, zoals gepubliceerd in het Centraal Economisch Plan (CEP, onderdeel Consumptieve bestedingen/Huishoudens). Dit betreft de prognose voor 2017 en een correctie voor 2016.
Bij de toetsing aan de normstelling voor interim-voorziening bij de nacalculaties over de jaren 2012 t/m 2017 wordt uitgegaan van de norm op basis van de definitieve TNO-gezondheidszorgindex die voor dat desbetreffende jaar van toepassing is.
Artikel 6.7 Interim-voorzieningen
Voor tot en met 31 december 2012 in gebruik te nemen interim-voorziening blijven de huidige regels in het kader van de nacalculatie van kracht. Voor ná 31 december 2012 in gebruik te nemen interim-voorziening, zal worden voorzien in een maximering van de kosten, aansluitend bij het referentiekader voor interim-voorziening in de Care van het College bouw zorginstellingen van februari 2007. Door het toepassen van de norm voor interim-voorziening wordt er een bovengrens gesteld aan de toelaatbare investeringskosten. In de Aanwijzing integrale tarieven voor de langdurige zorg en de gehele GGZ (d.d. juli 2011, kenmerk: MC-U-3072370 ) is aangegeven dat de NZa voorziet in een normstelling voor na 31 december 2012 in gebruik te nemen interim-voorziening. In de beleidsregel is de normstelling voor interim-voorzieningen opgenomen.
De norm per plaats aan kapitaallasten interim-voorzieningen is € 13.942,- (definitief prijspeil 2017), waarbij uitgegaan is van 50 m2 per plaats en € 279,- per m2.
De gemiddelde kapitaallasten per jaar van de interim-voorziening worden getoetst aan de norm. Indien de gemiddelde kapitaallasten van de interim-voorziening onder de norm blijven, worden deze gehonoreerd. De gemiddelde kapitaallasten van de interim-voorziening (afschrijving en rente) die boven de norm uitkomen, worden niet vergoed. De kapitaallasten kunnen ook betrekking hebben op huur, indien er sprake is van (gedeeltelijke) huur van interim-voorziening (kale huur).
Voorbeeld:
Een zorgaanbieder neemt in 2015 135 plaatsen in interim-voorziening in gebruik voor 3 jaar. Per jaar is er sprake van € 1,9 miljoen aan rente en afschrijving voor de interim-voorziening.
De norm voor interim-voorziening is € 13.663,– (definitief prijspeil 2014) per plaats. Bij de nacalculatie jaar t wordt uitgegaan van de norm op basis van de definitieve TNO gezondheidszorgindex voor jaar t.
In het nacalculatieformulier van jaar t vindt bij opgave door de zorgaanbieder de volgende berekening en toetsing plaats:
|
jaar
|
Rente + afschrijving
|
Gemiddelde kapitaallasten per plaats per jaar
|
|
1
|
€ 1.900.000
|
€ 14.074
|
|
2
|
€ 1.900.000
|
€ 14.074
|
|
3
|
€ 1.900.000
|
€ 14.074
|
|
totaal
|
€ 5.700.000
|
|
Gemiddelde kapitaallasten per jaar: € 1.900.000,– (€ 5.700.000,–/3).
Gemiddelde kapitaallasten per plaats per jaar: € 14.074,– (€ 1.900.000,–/135).
De gemiddelde kapitaallasten per plaats overschrijden de norm met € 411,– (€ 14.074,– - € 13.663,–). Per jaar (3 jaar) wordt een correctiebedrag geboekt van -/- € 55.485,– (135 * € 411,–).
De werkelijke kapitaallasten voor interim-voorziening minus het correctiebedrag blijven onderdeel van de afbouw van de nacalculatie volgens het NHC invoertraject.
Artikel 7.2.2 Rente eigen vermogen
Over het eigen vermogen wordt een vergoeding ingecalculeerd. Deze vergoeding is gelijk aan de prijsstijging van de materiële kosten. De prijsindex materiële kosten 2017 van 1,87% resulteert in een vergoeding van 1,87% over het eigen vermogen 2017.
Artikel 7.2.5 Rente van leningen afgesloten na 1 januari 2009 met een looptijd van twee jaar of meer in combinatie met een renteswap Zorgaanbieders sluiten in toenemende mate leningen af waarvoor een totale looptijd van twee jaar of meer geldt en waarbij geen sprake is van een rentefixatie voor tenminste twee jaar. Deze leningen, waarbij in de praktijk veelal sprake is van een roll-over lening (variabele rente) in combinatie met een renteswap komen vanaf 2009 ook voor vergoeding in aanmerking.
De renteswap wordt gebruikt om renterisico’s te beheersen of af te dekken, of om een gewenste rentepositie in te nemen. Een rentederivaat is een van de rente afgeleid product.
Artikel 7.4 Eigen vermogen
Het eigen vermogen vormt een integraal bestanddeel van het vermogen van de zorgaanbieder. Voor een juist resultaat en juiste vermogensbepaling moeten de in de gezondheidszorg algemeen aanvaarde regels voor financiële verslaglegging worden toegepast.
Dit betekent onder meer dat de afschrijving op werkelijke instandhoudingsinvesteringen moet plaatsvinden ingevolge artikel 9 (instandhouding) en de afschrijving op investeringen in inventarissen ingevolge artikel 10 (inventaris).
Artikel 7.5.1 Normrente
Voor de berekening van de normrente kunnen zorgaanbieders gebruik maken van de NZa website (www.nza.nl) onderdeel rentenormeringen.
De IRS- en WFZ-percentages voor verschillende looptijden worden dagelijks gepubliceerd (zie www.wallich.eu). De percentages voor ontbrekende jaren worden bepaald door lineaire interpolatie. Voor de jaren na dertig jaar blijft het percentage constant.
Artikel 9.1
Artikel 9 (instandhouding) is niet van toepassing op bedden/plaatsen die vallen onder artikel 12 (Kleinschalig wonen).
Deze bepaling geldt niet voor bedden kleinschalig wonen voor verblijf en behandeling, waarvoor geen modulaire zorgprestaties afgesproken kunnen worden. De instandhouding voor voorzieningen voor dagactiviteiten en behandeling, met betrekking tot plaatsen kleinschalig wonen voor verblijf en behandeling, wordt bekostigd op basis van artikel 9. Hiervoor wordt volgens artikel 9.5 voor voorzieningen voor dagactiviteiten en behandeling een normatief aantal vierkante meters afgesproken.
Artikel 9.2.2 Afschrijvingskosten jaarlijkse instandhoudingsinvesteringen
De afschrijving op jaarlijkse instandhoudingsinvesteringen is van geringe omvang. Deze afschrijvingskosten worden direct opgenomen. Dat wil zeggen dat de opname niet is gekoppeld aan de werkelijk gerealiseerde instandhoudingsinvesteringen.
Artikel 9.2.3 Afschrijvingskosten incidentele instandhoudingsinvesteringen
Het betreft hier de afschrijvingskosten op de grotere instandhoudingsinvesteringen die zich incidenteel voordoen zoals renovaties. Het investeringsbedrag van deze component wordt jaarlijks per zorgaanbieder vastgesteld. De hieruit voortvloeiende afschrijvingskosten worden echter pas opgenomen zodra daadwerkelijk instandhoudingsinvesteringen zijn gerealiseerd.
De NZa zal in dat geval overgaan tot aanpassing van de aanvaardbare kosten.
Artikel 11.1 Normatieve vergoedingen
Voor kleinschalig wonen worden de kapitaallasten normatief vergoed. De normatieve vergoeding is gebaseerd op bezette plaatsen. Het aantal bezette plaatsen kleinschalig wonen wordt bepaald door het aantal afgesproken dagen ten behoeve van kleinschalig wonen te delen door 365 (zie 1). Zorgaanbieder en Wlz-uitvoerder geven bij de budget- en herschikkingsronde op hoeveel van de afgesproken dagen betrekking hebben op cliënten in kleinschalige woonvoorzieningen. De opgave gebeurt in het budget- en herschikkingsformulier.
De bezette plaatsen kleinschalig wonen bestaan uit drie typen:
- individueel verblijf;
- kleinschalig groepsverblijf licht;
- kleinschalig groepsverblijf zwaar.
Uit de opgave moet blijken om welk type het gaat.
Artikel 11.2 Opschoning plaatsen kleinschalig wonen i.v.m. Jeugdwet, Wmo en forensische zorg
De plaatsen die betrekking hebben op verblijf met begeleiding (zzp-c), verzorgingsdag VZ.2.5 Jeugdigen in Ribw’s en overige dagen kinderen en jeugdigen die onder de Jeugdwet vallen, worden niet vanuit de Wlz vergoed. Dit komt door de overhevelingen naar de Jeugdwet en de Wmo. Vanuit de Wlz worden alleen de plaatsen kleinschalig wonen vergoed die betrekking hebben op de productie die onder de Wlz wordt afgesproken.
Dit betekent bijvoorbeeld dat Ribw’s vanwege hun zzp-c productie vanaf 2015 niet meer onder de Wlz worden bekostigd en volledig zijn overgaan naar de gemeenten (Wmo). Intramurale cliënten van ggz en ghz zorgaanbieders die vanaf 2015 onder de Jeugdwet vallen en waarvan de kapitaallasten en kosten inventaris via plaatsen kleinschalig wonen worden bekostigd, zijn vanaf 2015 ook geen onderdeel meer van de Wlz.
Tot 2015 was het gebruikelijk om de forensische plaatsen kleinschalig wonen apart te registreren en in te boeken in de AWBZ-rekenstaat. Vervolgens werden de kapitaallasten en kosten inventaris van deze plaatsen weer doorbelast naar het Ministerie van Veiligheid en Justitie – directie Forensische Zorg (DForZo) – op basis van de procentuele verhouding van de NHC waarden van de productie van het jaar t-1. Door de overhevelingen naar Jeugdwet en Wmo is kleinschalig wonen vanaf 2015 geen onderdeel meer van deze verdeelsystematiek. De forensische plaatsen kleinschalig wonen worden daarom vanaf 2015 niet meer opgenomen in het Wlz-budget. DForZo kan op basis van de afgesproken dagen van cliënten die in Ribw’s verblijven zelf de bezette forensische plaatsen berekenen en bekostigen.