Onderwerp: Bezoek-historie

Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg universitaire medische centra - BR/REG-17155
Publicatiedatum:28-10-2016Geldigheid:01-01-2017 t/m Versie:vergelijk Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Ingevolge artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om beschikbaarheidbijdragen vast te stellen.

 

Ingevolge artikel 59, onderdeel e, Wmg heeft de Minister van VWS met brief van 11 december 2014 (kenmerk 696543-130373-MC), ten behoeve van de voorliggende beleidsregel, een aanwijzing op grond van artikel 7 Wmg aan de NZa gegeven.

 

Op de beschikbaarheidbijdrage is titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht (‘subsidies’) van toepassing. 

1. Reikwijdte

Deze beleidsregel is van toepassing op academische zorg geleverd door universitaire medische centra. 

2. Doel van de beleidsregel

Doel van deze beleidsregel is het financieren van kapitaallasten in verband met academische zorg. 

3. Begripsbepalingen

3.1 Besluit

Besluit Beschikbaarheidbijdrage WMG van 24 augustus 2012, Staatsblad 2012, nr. 396.

 

3.2 Academische zorg

Hieronder wordt verstaan het uitvoeren van topreferente zorg en innovatieve zorg, en de ontwikkeling van nieuw vormen van diagnostiek en behandeling. De uitgebreide omschrijving van academische zorg is opgenomen in onderdeel B van de bijlage bij het Besluit.

 

3.3 DHAZ-convenant

Het tussen VWS, OC&W en de NFU overeengekomen convenant Decentralisatie Huisvesting Academische Ziekenhuizen (DHAZ).

Op grond van dit  convenant, dat geldt sinds 2004, konden en kunnen de Universitaire Medische Centra beschikken over een jaarlijks investeringskader (voor instandhoudinginvesteringen en vervangende nieuwbouw).

 

3.4 PBA-middelen

Middelen toegekend in het kader van de systematiek op grond van de regeling Planning Bouwvolume Academische ziekenhuizen.

Het is een investeringskader van de Universitaire Medische Centra voor planning en Bouw geldend voorafgaand aan het DHAZ.

 

3.5 Beschikbaarheidbijdrage

Een bijdrage als genoemd in artikel 56a Wmg.

 

3.6 Minister

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

 

3.7 Rekenrente

Het rentepercentage waarmee de te vergoeden rentecomponent wordt bepaald door deze te vermenigvuldigen met de berekende gemiddelde boekwaarde van de activa ten behoeve van de academische zorg.

 

3.8 Normatief afschrijvingspercentage

Het afschrijvingspercentage waarmee de te vergoeden afschrijvingscomponent wordt bepaald.

 

3.9 Ideaalcomplex

Bij een ideaalcomplex geldt dat afschrijvingen en investeringen aan elkaar gelijk zijn. Voor de berekening van de beschikbaarheidbijdrage voor de investeringen in academische zorg gaat de NZa uit van een ideaalcomplex.

4. Algemeen

4.1 Aangewezen vormen van zorg                                    

Bij of krachtens het Besluit is door de minister een aantal vormen van zorg aangewezen waarvoor de NZa een beschikbaarheidbijdrage kan vaststellen. Mede op basis van dit Besluit heeft de NZa onderhavig beleid ten aanzien van de verlening van de beschikbaarheidbijdrage voor 2015 vastgesteld. De kapitaallasten in verband met academische zorg van de Universitaire Medische Centra kunnen in aanmerking komen voor een beschikbaarheidbijdrage.

 

4.2 Ambtshalve toepassing artikel 56a

Op grond van artikel 56a lid 2 Wmg geeft de NZa ambtshalve toepassing aan artikel 56a leden 1 en 7 Wmg. Aan een zorgaanbieder die op grond van lid 7 wordt belast met een dienst van algemeen belang ter zake van academische zorg, kan de NZa een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in lid 1 verlenen.

 

4.3 Verlening beschikbaarheidbijdrage

De NZa wijst voor een beschikbaarheidbijdrage die aanbieders aan die in 2012 ook een vergoeding voor instandhoudingsinvesteringen ten laste van de DHAZ middelen ontvingen. De hoogte van de beschikbaarheidbijdrage wordt bepaald volgens de berekeningswijze uit artikel 5 en 6 van deze beleidsregel.

 

Op grond van de aanwijzing van de minister (kenmerk 696543-130373-MC) komen uitsluitend de acht zorgaanbieders in aanmerking die in 2012 ook een vergoeding hebben ontvangen voor de kapitaallasten die samenhangen met de publieke taken van universitair medisch centra.

Dit betreft de volgende instellingen: Vrije Universiteit Medisch Centrum, Academisch Medisch Centrum Amsterdam, Erasmus Medisch Centrum Rotterdam, Universitair Medisch Centrum Utrecht, Universitair Medisch Centrum Sint Radboud Nijmegen, Universitair Medisch Centrum Maastricht, Universitair Medisch Centrum Groningen en Leids Universitair Medisch Centrum.

 

4.4 Procedure verstrekken beschikbaarheidbijdrage 

Het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ omschrijft  de procedure die gehanteerd wordt ten aanzien van de verlening en  de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage door de NZa.  In enkele gevallen is een uitzondering op de uniforme procedure nodig. Deze uitzondering staat in dat geval omschreven in onderhavige beleidsregel en bij de betreffende zorgfunctie.

5. Hoogte van de beschikbaarheidbijdrage

5.1 Korting

Uitgangspunt voor de hoogte van de beschikbaarheidbijdrage in 2017 vormt de hoogte van de beschikbaarheidbijdrage in 2016.

 

De NZa houdt in de bepaling van de beschikbaarheidbijdragen rekening met de kortingen zoals opgenomen in de toelichting bij de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid voor 2012 en 2014.

 

5.2 Jaarlijkse verhoging en indexering

Jaarlijks zal de beschikbaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg universitaire centra in gelijke stappen worden verhoogd tot aan het structurele eindniveau in de ideaalcomplexsituatie 2023. De jaarlijkse stap, prijspeil 2012, bedraagt € 40.845. De nadere onderbouwing van deze bedragen is opgenomen in bijlage 1 bij deze beleidsregel.

 

De bedragen in deze beleidsregel zijn op prijspeil ultimo 2016.

Bij de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage wordt rekening gehouden met de definitieve materiele indexen 2017 en volgend.

 

5.3 Hoogte beschikbaarheidbijdrage 2017 (verlening)

Onderstaand de beschikbaarheidbedragen kapitaallasten medische universitaire medische centra 2017 per instelling zoals deze voorlopig ambtshalve worden verleend. 

Naam instelling

Bedrag DHAZ

UMCG

€ 4.956.920

UMC st Radboud

€ 4.957.431

UMCU

€ 4.593.688

AMC

€ 5.721.108

VUMC

€ 3.487.744

LUMC

€ 4.824.080

Erasmus MC

€ 6.387.446

AZM

€ 2.301.372

6. Berekening beschikbaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg universitaire medische centra – startniveau 2013

6.1 De bijdrage voor de kapitaallasten academische zorg wordt berekend door het DHAZ-kader te vermenigvuldigen met het VWS aandeel van 75%. Het resulterende bedrag wordt vervolgens vermenigvuldigd met de verhouding van de bijdrage academische zorg/totale omzet zorg exclusief kapitaallasten.

 

Het startniveau van het investeringsbedrag 2013 wordt hiermee bepaald op € 40.384.118. Het structurele eindniveau van het investeringsbedrag wordt hiermee bepaald op € 40.940.236.

 

De nadere onderbouwing van deze bedragen is opgenomen in bijlage 1 bij deze beleidsregel.

 

6.2 Het in artikel 6.1 berekende jaarlijkse investeringsbedrag wordt herrekend naar een exploitatievergoeding. Hierbij wordt uitgegaan van een jaarlijkse investering van het in artikel 6.1. berekende bedrag vanaf het jaar 2004.

 

6.3 De vergoeding voor kapitaallasten is opgebouwd uit een normatieve rentecomponent en een normatieve component afschrijvingen.

 

6.4 De rekenrente waarmee de rentecomponent wordt berekend bedraagt 5%.

 

Rentecomponent = rekenrente * gemiddelde boekwaarde instandhoudingsinvesteringen voor academische zorg

 

6.5 Het normatieve afschrijvingspercentage waarmee de component voor afschrijvingen wordt bepaald bedraagt 5%. Dit betekent dat voor de berekening wordt aangenomen dat instandhoudingsinvesteringen academische zorg in 20 jaar worden afgeschreven.

 

6.6 Het maximale bedrag voor de vergoeding wordt berekend uitgaande van jaarlijkse investeringen ter hoogte van het in artikel 6.1 berekende bedrag en de ideaalcomplex-situatie die wordt bereikt in 2023.

Het maximum bedraagt €40.940.236 (prijspeil 2012).

De jaarlijkse beschikbaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg kan nooit hoger worden dan de exploitatie uit het DHAZ-kader uitgaande van de rekenrente en het normatieve afschrijvingspercentage.

 

6.7 Vergoeding PBA middelen

Het voor 2013 berekende bedrag uit het DHAZ wordt structureel verhoogd met een evenredig deel van de PBA middelen 2012.

Dit laatste bedrag wordt bepaald op basis van:

  • de jaarrekeningen van de UMC's
  • een aandeel academische zorg dat wordt berekend met

de verdeelfactor uit artikel 6.1

  • de rekenrente uit artikel 6.4
  • de afschrijvingen uit de jaarrekening

 

6.8 De verhoging in artikel 6.7. heeft geen invloed op het maximumbedrag genoemd in artikel 6.1. Dat betekent dat de vergoeding voor de PBA middelen niet leidt tot een verhoging van de uit het DHAZ structureel beschikbare middelen.

7. Voorwaarden, voorschriften en beperkingen

In aanvulling op de in het Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa genoemde voorwaarden gelden de volgende voorwaarden, voorschriften en beperkingen ten aanzien van de beschikbaarheidbijdrage  kapitaallasten academische zorg universitaire medische centra:

 

7.1 De bedragen van de beschikbaarheidbijdragen worden door de zorgaanbieder apart verantwoord in de betreffende jaarrekeningen.

 

7.2 De mogelijkheid tot reservering voor het doel waarvoor een beschikbaarheidbijdrage voor kapitaallasten is verleend, is beperkt tot een periode van maximaal vier jaren met ingang van het jaar waarvoor de bijdrage is toegekend. Het bedrag dat is gereserveerd wordt apart verantwoord in de jaarrekening van de zorgaanbieder.

Artikel 8. Overige bepalingen

De beleidsregel Garantieregeling kapitaallasten 2011 tot en met 2016 (BR/CU-2142) is niet van toepassing op de kapitaallasten academische zorg Universitaire Medische Centra bekostigd uit DHAZ en PBA-middelen. De kapitaallasten academische zorg Universitaire Medische Centra worden voor 100% gegarandeerd middels deze beleidsregel. De UMC’s lopen geen prijs-/volumerisico over beschikbaarheidbijdragen. 

Artikel 9. Intrekking

Gelijktijdig met inwerkingtreding van deze beleidsregel wordt de beleidsregel ‘Beschikbaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg universitaire medische centra’, met kenmerk BR/CU-2140, ingetrokken. 

Artikel 10. Overgangsbepaling

De beleidsregel ‘Beschikbaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg universitaire medische centra’ (kenmerk BR/CU-2140) blijft van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die beleidsregel en die betrekking hebben op de periode waarvoor die beleidsregel gold.

Artikel 11. Inwerkingtreding en citeerregel

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) zal van de vaststelling van deze beleidsregel mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

 

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: ‘Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg universitaire medische centra’.

Toelichting bij beleidsregel

Voor een aantal taken van zorgaanbieders is het niet mogelijk en/of wenselijk om ze rechtstreeks aan zorgproducten voor individuele consumenten toe te rekenen. Dit geldt ook voor de academische zorg die de UMC's op grond van de zorgverzekeringswet (ZVW) door de overheid opgedragen hebben gekregen: topreferente zorg en het daarmee samenhangend onderzoek. Deze taken worden bij besluit van de Minister aangewezen en vallen onder het vaste segment. Voor de somatische functies ontvangen zorgaanbieders vanaf 1 januari 2012 (al dan niet deels) beschikbaarheidbijdragen.

 

De Beschikbaarheidbijdrage Academisch Zorg dekt de meerkosten samenhangend met topreferente zorg alsmede de kosten van translationeel onderzoek (i.e. gerichte vertaling van onderzoek naar behandeling). Het betreft dus de verbinding van onderzoek met zorg.

 

Op basis van deze beleidsregel wordt het deel kapitaallasten voor de publieke zorgtaken afgezonderd naar rato van het aandeel van de toeslag voor academische zorg in de totale zorgomzet. De toeslag voor academische zorg (beschikbaarheidbijdrage) wordt gezien als beste benadering voor de omzet van de publieke zorgtaken.

 

Voor de toepassing van de beleidsregel Garantieregeling kapitaallasten 2011 tot en met 2016 dient de bestaande vergoeding voor kapitaallasten in het budget gecorrigeerd te worden met dezelfde verdeelsleutel als voor de toerekening van de academische zorg vergoeding wordt gehanteerd. Dit betekent dat alleen het reguliere zorgdeel onder de werking van de garantieregeling kapitaallasten valt. Het academische zorgdeel wordt in een vaste beschikbaarheidbijdrage opgenomen.

Voor dit deel is geen afzonderlijke overgangsregeling nodig omdat de UMC’s geen prijs-/volumerisico lopen over de beschikbaarheidbijdrage.

 

In artikel 6. van deze beleidsregel staat hoe de hoogte van de beschikbaarheidbijdrage 2013 is bepaald. In artikel 5. staat beschreven op basis waarvan de beschikbaarheidbijdrage wijzigt ten opzicht van het voorgaande jaar. De beschikbaarheidbijdrage (inclusief jaarlijkse stap) wordt ieder jaar geïndexeerd met de materiele index.

 

Algemeen proces

Het proces van verlenen en vaststellen van een beschikbaarheidbijdrage door de NZa geschiedt – kort samengevat - als volgt. De NZa zal aan het begin van het subsidiejaar een verleningsbeschikking afgeven. Na afloop van het subsidiejaar zal de NZa een vaststellingsbeschikking afgeven.

De beschikbaarheidbijdrage zal worden bevoorschot. Uitbetaling geschiedt in 12 termijnen. Bij de vaststellingsbeschikking wordt de hoogte van de beschikbaarheidbijdrage na afloop van het subsidiejaar definitief door de NZa vastgesteld. Voor uitbetaling van de door de NZa vastgestelde beschikbaarheidbijdrage dient de zorgaanbieder zich te wenden tot ZiNL.

Deze procedure staat meer uitgebreid omschreven in het Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa. Dit kader is ook van toepassing op onderhavige beschikbaarheidbijdrage. In onderhavige beleidsregel zijn slechts enkel daar waar de procedure afwijking behoeft ten opzichte van het uniform kader, procedurele aspecten belicht.

 

De zorgaanbieder die een beschikbaarheidbijdrage ontvangt, dient dan ook kennis te nemen van zowel de regels uit het Uniform kader als ook van de op hem van toepassing zijnde specifieke beleidsregel(s).

Naar boven