4.1 Brandbestrijdingsuitrusting
Deze eisen betreffen de actieve middelen om een brand te blussen.
Brandbluspompen
-
Vaartuigen L≥55 m: Minimaal twee brandpompen, waarvan er één onafhankelijk van de hoofdmotor moet zijn.
-
Vaartuigen L<55 m: Minimaal één brandpomp, mechanisch aangedreven en niet afhankelijk van de hoofdmotor (tenzij er een keerkoppeling of verstelbare schroef aanwezig is).
Capaciteit
De pompen moeten gezamenlijk een capaciteit hebben van minstens tweederde van de vereiste lenspompcapaciteit. De minimale individuele capaciteit is 15 m³/h (voor vaartuigen <45 m) of 25 m³/h (voor vaartuigen ≥45 m).
De brandbluspompen, de noodbrandbluspomp uitgezonderd, zijn in staat voor brandblusdoeleinden een totale hoeveelheid water te leveren met een minimum druk van 0,25 N/mm2, met een totale capaciteit (Q) van ten minste:
Q = [0,15 √{L(B+D)} + 2,25]2 m3 per uur waarin L, B en D in meters zijn. De vereiste totale capaciteit der brandbluspompen behoeft echter niet groter te zijn dan 180 m3 per uur.
Hoofdbrandblusleiding
De hoofdbrandblusleiding mag geen andere aansluitingen hebben dan die voor brandbestrijding, met uitzondering van dekwas- en lensejectoraansluitingen.
Brandkranen (= hydranten) en slangen
Het aantal brandkranen moet zodanig zijn dat elk deel van het schip met een krachtige waterstraal bereikt kan worden. De nozzle-maat is 12 mm voor vaartuigen ≥24 m en 10 mm voor vaartuigen <24 m. Lengte van de slangen: 10 m in de machinekamer; maximaal 20 meter aan dek. Brandslangen moeten bij de kranen gereed worden gehouden.
Leidingen
De hoofdbrandblusleiding moet van hittebestendig materiaal zijn en voorzien zijn van aftapkranen tegen bevriezing.
Bereik
Het aantal en de positie van de brandkranen moet zodanig zijn dat elk deel van het schip dat op zee toegankelijk is, bereikt kan worden met een krachtige waterstraal (of twee stralen voor vaartuigen ≥55 m).
Straalpijpen
Straalpijpen moeten van een goedgekeurd type zijn en kunnen wisselen tussen spuiten (straal) en sproeien (nevel). De opening moet 12 mm zijn voor vaartuigen ≥24 m en 10 mm voor vaartuigen <24 m.
Draagbare brandblussers
Alle draagbare brandblussers moeten zijn voorzien van een MED keur.
Brandblussers die PFAS of PFOS houdend brandblusmedium hebben zijn niet meer toegestaan (per 23-10-2026 geen dergelijke nieuwe brandblussers meer verkocht worden; tot 31-12-2030 mogen dergelijke brandblussers nog gebruikt worden).
Accommodatie en serviceruimten: Er moeten voldoende draagbare blussers aanwezig zijn. Voor schepen ≥ 55m zijn dit er minimaal vijf, voor kleinere schepen minimaal vier.
Vulling: poeder- en gasblussers moeten een inhoud van minstens 5 kg hebben; schuim- en waterblussers minstens 9 liter.
De blusstof moet geschikt zijn voor de te verwachten branden in die ruimte. In de nabijheid van elektrische installaties mogen geen geleidende blusstoffen (zoals water) worden geplaatst.
Radiohut: specifieke eisen gelden voor een niet-geleidende blusser nabij de radiohut.
Vast brandblussysteem in machinekamer
Een vast brandblussysteem is verplicht in de machinekamer (Categorie A) en bij een motorvermogen van 375 kW en meer vanwege het risico op oliebranden. Deze installaties moeten van buiten de te beschermen ruimte bediend kunnen worden.
De systemen die veelal aan boord van vissersvaartuigen gebruikt worden zijn:
NOVEC, CO2, Aerosols, Watermist
Internationale walaansluiting
Vaartuigen van 60 meter of langer moeten ten minste één internationale walaansluiting hebben om hulp van de wal te kunnen ontvangen.
Kombuizen
Afzuigkanalen van kombuizen moeten voorzien zijn van een vetvanger, een brandklep en, indien ze door de accommodatie lopen, een vast blussysteem. Het blussysteem moet voorzien zijn van een MED keur.
Verfopslag
Ruimten voor de opslag van brandbare vloeistoffen moeten worden beschermd door een vast blussysteem.