Onderwerp: Bezoek-historie

Leidraad 5c - Branddetectie, brandbescherming en brandbestrijding - Brandbestrijding
Geldigheid:22-09-2026 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

1 Toepassingsgebied

Alle vissersvaartuigen <75 meter1

2 Materialen en types

Brandbescherming

Er wordt onderscheid gemaakt tussen

passieve brandbescherming – voorkomen van branduitbreiding door constructie en isolatie

actieve brandbescherming – detecteren en bestrijden van brand met installaties

In deze Leidraad gaat het over de actieve brandbescherming.

Zie tevens:

5a Leidraad brandbescherming, vluchtwegen

5b Leidraad branddetectie

3 Onderhoud en certificering

De kapitein is verantwoordelijk voor het onderhoud:

- Brandblusmiddelen moeten te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

- Locaties van de brandblusmiddelen moeten overeen komen met het brandbeveiligingsplan.

- Brandslangen moeten minimaal elke zes maanden beproefd worden. Brandslangen en spuitstukken moeten voorzien zijn van een MED keur.

- Er moeten maandelijks oefeningen worden gehouden, waaronder het blussen van brand. Bij het oefenen tevens de brandkleppen bedienen. (Nood)brandbluspomp/ dekwaspomp/ lenspomp/ algemene dienstpomp bedienen.

4 Eisen klasse

4.1 Brandbestrijdingsuitrusting

Deze eisen betreffen de actieve middelen om een brand te blussen.

Brandbluspompen

  • Vaartuigen L≥55 m: Minimaal twee brandpompen, waarvan er één onafhankelijk van de hoofdmotor moet zijn.

  • Vaartuigen L<55 m: Minimaal één brandpomp, mechanisch aangedreven en niet afhankelijk van de hoofdmotor (tenzij er een keerkoppeling of verstelbare schroef aanwezig is).

Capaciteit

De pompen moeten gezamenlijk een capaciteit hebben van minstens tweederde van de vereiste lenspompcapaciteit. De minimale individuele capaciteit is 15 m³/h (voor vaartuigen <45 m) of 25 m³/h (voor vaartuigen ≥45 m).

De brandbluspompen, de noodbrandbluspomp uitgezonderd, zijn in staat voor brandblusdoeleinden een totale hoeveelheid water te leveren met een minimum druk van 0,25 N/mm2, met een totale capaciteit (Q) van ten minste:

Q = [0,15 √{L(B+D)} + 2,25]2 m3 per uur waarin L, B en D in meters zijn. De vereiste totale capaciteit der brandbluspompen behoeft echter niet groter te zijn dan 180 m3 per uur.

Hoofdbrandblusleiding

De hoofdbrandblusleiding mag geen andere aansluitingen hebben dan die voor brandbestrijding, met uitzondering van dekwas- en lensejectoraansluitingen.

Brandkranen (= hydranten) en slangen

Het aantal brandkranen moet zodanig zijn dat elk deel van het schip met een krachtige waterstraal bereikt kan worden. De nozzle-maat is 12 mm voor vaartuigen ≥24 m en 10 mm voor vaartuigen <24 m. Lengte van de slangen: 10 m in de machinekamer; maximaal 20 meter aan dek. Brandslangen moeten bij de kranen gereed worden gehouden.

Leidingen

De hoofdbrandblusleiding moet van hittebestendig materiaal zijn en voorzien zijn van aftapkranen tegen bevriezing.

Bereik

Het aantal en de positie van de brandkranen moet zodanig zijn dat elk deel van het schip dat op zee toegankelijk is, bereikt kan worden met een krachtige waterstraal (of twee stralen voor vaartuigen ≥55 m).

Straalpijpen

Straalpijpen moeten van een goedgekeurd type zijn en kunnen wisselen tussen spuiten (straal) en sproeien (nevel). De opening moet 12 mm zijn voor vaartuigen ≥24 m en 10 mm voor vaartuigen <24 m.

Draagbare brandblussers

Alle draagbare brandblussers moeten zijn voorzien van een MED keur.

Brandblussers die PFAS of PFOS houdend brandblusmedium hebben zijn niet meer toegestaan (per 23-10-2026 geen dergelijke nieuwe brandblussers meer verkocht worden; tot 31-12-2030 mogen dergelijke brandblussers nog gebruikt worden).

Accommodatie en serviceruimten: Er moeten voldoende draagbare blussers aanwezig zijn. Voor schepen ≥ 55m zijn dit er minimaal vijf, voor kleinere schepen minimaal vier.

Vulling: poeder- en gasblussers moeten een inhoud van minstens 5 kg hebben; schuim- en waterblussers minstens 9 liter.

De blusstof moet geschikt zijn voor de te verwachten branden in die ruimte. In de nabijheid van elektrische installaties mogen geen geleidende blusstoffen (zoals water) worden geplaatst.

Radiohut: specifieke eisen gelden voor een niet-geleidende blusser nabij de radiohut.

Vast brandblussysteem in machinekamer

Een vast brandblussysteem is verplicht in de machinekamer (Categorie A) en bij een motorvermogen van 375 kW en meer vanwege het risico op oliebranden. Deze installaties moeten van buiten de te beschermen ruimte bediend kunnen worden.

De systemen die veelal aan boord van vissersvaartuigen gebruikt worden zijn:

NOVEC, CO2, Aerosols, Watermist

Internationale walaansluiting

Vaartuigen van 60 meter of langer moeten ten minste één internationale walaansluiting hebben om hulp van de wal te kunnen ontvangen.

Kombuizen

Afzuigkanalen van kombuizen moeten voorzien zijn van een vetvanger, een brandklep en, indien ze door de accommodatie lopen, een vast blussysteem. Het blussysteem moet voorzien zijn van een MED keur.

Verfopslag

Ruimten voor de opslag van brandbare vloeistoffen moeten worden beschermd door een vast blussysteem.

6 Voorbereiding inspectie en inspectie aan boord

Zie 4 Eisen klasse

Voor de jaarlijkse, 5-jaarlijkse en 10-jaarlijkse keuringen worden de voorschriften uit de FSS code en de MSC circulaires gevolgd alsmede de NEN norm. Zie Annex I. Normenkader statutair.

7 Afkeurwaarden

Zie de voorschriften uit de FSS code en de MSC circulaires alsmede de NEN norm. Zie Annex I. Normenkader statutair

Annex I. Normenkader statutair

Internationaal

International Maritime Organization

FSS Code

International Code for Application of Fire Test Procedures

CO2

MSC.1/Circ.1318/Rev.1 - Revised Guidelines For The Maintenance And Inspections Of Fixed Carbon Dioxide Fire-Extinguishing Systems - Netherlands Regulatory Framework (NeRF) – Maritime

Aerosols

MSC/Circ.1270 - Revised guidelines for the approval of fixed aerosol fire-extinguishing systems equivalent to fixed gas fire-extinguishing systems, as referred to in SOLAS 74, for machinery spaces , as corrected - Netherlands Regulatory Framework (NeRF) – Maritime

Watermist

MSC./Circ.1165 - Revised guidelines for the approval of equivalent water-based fire-extinguishing systems for machinery spaces and cargo pump-rooms (as Amended by MSC.1/Circ.1237 and MSC.1/Circ.1269) - Netherlands Regulatory Framework (NeRF) – Maritime

Sprinkler

800(19) Revised guidelines for approval of sprinkler systems equivalent to that referred to in SOLAS regulation II-2/12 - Netherlands Regulatory Framework (NeRF) – Maritime

MSC.1/Circ.1556 - UNIFIED INTERPRETATION OF CHAPTER 8 OF THE FSS CODE AND THE REVISED GUIDELINES FOR APPROVAL OF SPRINKLER SYSTEMS EQUIVALENT TO THAT REFERRED TO IN SOLAS REGULATION II-2/12 (RESOLUTION A.800(19)), AS AMENDED BY RESOLUTION MSC.265(84) - Netherlands Regulatory Framework (NeRF) – Maritime

Onderhoud en inspectie

MSC.1/Circ.1432 Maintenance and inspection of fire protection systems and appliances - Netherlands Regulatory Framework (NeRF) – Maritime

EU Richtlijnen

Marine Equipment Directive 2014/90/EU

Nationaal

Vissersvaartuigenbesluit <24 meter

Art. 108

Artikel 173. Diversen

Artikel 173 Vissersvaartuigenbesluit

Artikel 177. Brandbluspompen

Artikel 177 Vissersvaartuigenbesluit

Artikel 178. Hoofdbrandblusleiding

Artikel 178 Vissersvaartuigenbesluit

Artikel 179. Brandkranen, brandslangen en straalpijpen

Artikel 179 Vissersvaartuigenbesluit

Artikel 180. Brandblustoestellen

Artikel 180 Vissersvaartuigenbesluit

Artikel 181. Draagbare brandblustoestellen in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten

Artikel 181 Vissersvaartuigenbesluit

Artikel 182. Brandblusvoorzieningen in ruimten voor machines

Artikel 182 Vissersvaartuigenbesluit

Artikel 183. Brandweeruitrusting

Artikel 183 Vissersvaartuigenbesluit

Artikel 185. Onmiddellijke beschikbaarheid van brandbestrijdingsmiddelen

Artikel 185 Vissersvaartuigenbesluit

Artikel 186. Toelating van vervangende middelen

Artikel 186 Vissersvaartuigenbesluit

Artikel 187. Niet voorgeschreven vast aangebrachte brandblusinstallaties

Artikel 187 Vissersvaartuigenbesluit

Vissersvaartuigenbesluit 2002 ≥24 meter

§ 2. Brandbeveiligingsmaatregelen op vaartuigen waarvan de lengte 60 m of meer bedraagt

Artikel 5.17. Brandbluspompen

Artikel 5.17 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 5.18. Hoofdbrandblusleidingen

Artikel 5.18 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 5.19. Brandkranen, brandslangen en straalpijpen

Artikel 5.19 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 5.20. Brandblustoestellen

Artikel 5.20 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 5.21. Draagbare brandblustoestellen in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten

Artikel 5.21 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 5.22. Brandblusvoorzieningen in ruimten voor machines

Artikel 5.22 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 5.23. Internationale walaansluiting

Artikel 5.23 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 5.24. Brandweeruitrustingen

Artikel 5.24 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 5.26. Onmiddellijke beschikbaarheid van brandbestrijdingsmiddelen

Artikel 5.26 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 5.27. Toelating van vervangende middelen

Artikel 5.27 Vissersvaartuigenbesluit 2002

§ 3. Brandbeveiligingsmaatregelen op vaartuigen waarvan de lengte 45 m onderscheidenlijk 24 m of meer bedraagt, maar minder dan 60 m

Artikel 5.35. Brandbluspompen

Artikel 5.35 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 5.36. Hoofdbrandblusleiding

Artikel 5.36 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Besluit bemanning zeeschepen

Artikel 3.5.2. Minimumeisen betreffende basistraining in en instructie over veiligheid voor vissers

Artikel 3.5.2 Besluit bemanning zeeschepen

Artikel 3.5.4. Minimumeisen betreffende gevorderde brandbestrijdingstechnieken

Artikel 3.5.4 Besluit bemanning zeeschepen

NEN norm

NEN 2559

Onderhoud van draagbare blustoestellen

Naar boven