Onderwerp: Bezoek-historie

Leidraad 5b - Branddetectie, brandbescherming en brandbestrijding - Branddetectie
Geldigheid:22-09-2026 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Branddetectie aan boord van een zeegaand vissersvaartuig heeft als doel een brand in een zo vroeg mogelijk stadium te signaleren, zodat de bemanning snel kan ingrijpen en de veiligheid van opvarenden en het vaartuig wordt gewaarborgd. Afhankelijk van de grootte, het bouwjaar en de wettelijke voorschriften is een vissersvaartuig uitgerust met een automatische branddetectie- en brandmeldinstallatie en/of losse rook- en hittemelders in specifieke ruimten.

Branddetectie is vooral van belang in ruimten met een verhoogd brandrisico, zoals de machinekamer, accommodatie, kombuis en technische ruimten. In deze Leidraad wordt ingegaan op de verschillende typen melders, de plaatsing, de werking van het systeem en de wettelijke eisen die gelden voor zeegaande vissersvaartuigen.

1 Toepassingsgebied

Alle vissersvaartuigen <75 meter lengte1.

2 Materialen en types

Zie tevens:

5a Leidraad brandbescherming, vluchtwegen

5c Leidraad brandbestrijding

Een brandmeldinstallatie op een zeegaand vissersvaartuig bestaat uit automatische melders die een beginnende brand detecteren en handmatig bedienbare brandmelders waarmee de bemanning zelf alarm kan slaan. De verschillende typen melders reageren ieder op een ander verschijnsel van brand, zoals rook, temperatuur of een vlam.

Type brandmelder

Werking

Typische locatie aan boord

Optische rookmelder – rook

Lichtverstrooiing door rookdeeltjes in de gemeten ruimte

Verblijven, gangen, controlekamers

Thermische melder – hitte

Reageert op vaste temperatuur of snelle stijging temperatuur

Kombuis, wasserij, machinekamer, droogruimtes

Vlammenmelder – open vuur

Detecteert de specifieke straling (infrarood/ ultraviolet) van open vuur

Machinekamer, verfopslag

Combimelder – rook en hitte

Combineert optische en rookmeting en temperatuurmeting in één melder

Machinekamers, werkplaatsen, separatorenruimtes

Handmelders

Rood gekleurde kastjes in gangen, messrooms, navigatiebrug en nabij nooduitgangen van de accommodatie.

HandmelderVlammenmelder

3 Onderhoud en certificering

Voordat brandmelders schoongemaakt of gedemonteerd worden, moet de betreffende zone op het brandmeldpaneel altijd in 'isolated' (buiten bedrijf) worden gezet. Dit voorkomt dat het reinigen per ongeluk een algemeen alarm (General Alarm) triggert of dat er automatisch CO2-/schuimblussystemen worden geactiveerd.

Schoonmaken

Brandmelders aan boord van schepen vervuilen snel door stof, ladingresten, zoute lucht en oliedampen.

Optische rookmelders: De meetkamer (lichtsluis) moet voorzichtig worden uitgeblazen met droge, olievrije perslucht of een spuitbus met perslucht om stof en pluisjes te verwijderen.

Thermische melders (hittemelders): De buitenkant van de sensor moet worden schoongemaakt met een droge of licht vochtige pluisvrije doek om vet- of roetlagen te verwijderen die de warmteoverdracht kunnen vertragen.

Vlammenmelders: Het venster (de lens) van infrarood- (IR) of ultraviolet- (UV) melders moet regelmatig worden gereinigd met een door de fabrikant goedgekeurd reinigingsmiddel om te zorgen dat de sensor vrij zicht heeft.

Controleren omgeving en montage

Visuele controle: Controleren of de melder niet is overgeschilderd tijdens onderhoudswerkzaamheden aan het schip. Overschilderde melders moeten direct worden vervangen.

Melder moeten goed vast zitten en voorzien zijn van de juiste adressering dat gekoppeld is aan het brandmeldpaneel zodat de locatie overeen komt.

Montage en corrosie: De melderkop en de sokkel (base) controleren op corrosie, veroorzaakt door het maritieme klimaat. Corrosie op de contactpunten kan zorgen voor storingen (faults) of valse alarmen.

Vrije ruimte: Controleren of de melder niet wordt geblokkeerd door nieuwe structuren, opgeslagen lading, gordijnen of machines. Er moet meestal minimaal 0,5 meter vrije ruimte rondom de melder zijn.

Vervangen

Volgens de fabrieksvoorschriften en keuringsinstanties hebben brandmelders een beperkte levensduur (vaak 5 tot 10 jaar) omdat de interne sensoren degraderen. Het testen van de brandmelders moet uitwijzen of ze al dan niet vervangen moeten worden.

Marine Equipment Directive (MED)

Alle branddetectie moet voldoen aan de MED en voorzien van een stuurwiel markering.

4 Eisen klasse

4.1 Systeemeisen en betrouwbaarheid

Zelfbewaking (Self-monitoring)

Het branddetectiesysteem moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed zijn en continu de eigen werking en lussen bewaken. Een storing (zoals een draadbreuk of spanningsuitval) moet direct een foutmelding/alarm genereren. Bij inwerkingstelling geeft het systeem automatisch zichtbare en hoorbare alarmsignalen op alarmpanelen op de brug en op plaatsen waar de bemanning het direct opmerkt, alsmede een hoorbaar alarm op het dek waar de brand is ontdekt.

Testvoorziening

Het systeem moet zijn uitgerust met geschikte testvoorzieningen om de werking van de melders periodiek aan boord te kunnen testen.

Groepering en zonering

Detectoren worden gegroepeerd in afzonderlijke secties van maximaal 50 ruimten en maximaal 100 detectoren, ingedeeld in zones per dek zodat exact zichtbaar is op welk dek of in welke zone brand ontstaat.

Inwerkingstelling en gevoeligheid

Branddetectie moet geschikt zijn voor een maritieme omgeving.

Temperatuurdetectoren: Treden in werking bij een temperatuur tussen 54 °C en 78 °C (bij een temperatuurstijging tot 1 °C/min). In ruimten met hoge omgevingstemperaturen (zoals droogkamers) mag deze drempelwaarde worden verhoogd tot maximaal 30 °C boven de plafondtemperatuur.

Rookdetectoren: Treden in werking bij een rookdichtheid tussen 2% en 12,5% verduistering per meter.

Plaatsing en dichtheid van detectoren

Rookmelders moeten geïnstalleerd worden in alle trappen, gangen en vluchtwegen in accommodatieruimtes.

Detectoren worden hoog in de ruimte geplaatst, vrij van dekbalken of obstakels die de instroom van hete gassen of rook belemmeren, en moeten bestand zijn tegen zeelucht.

Er is ten minste één detector per ruimte vereist en minimaal één detector per 37 m² dekoppervlakte.

In grote ruimten worden de detectoren in een regelmatig patroon opgehangen, op maximaal 9 meter afstand van elkaar en maximaal 4,5 meter van een schot.

Plaatsing handmelders

In gangen mag de afstand van elk willekeurig punt naar de dichtstbijzijnde handmelder maximaal 20 meter bedragen (gemeten langs de looproute). Voor overige beschermde open ruimtes geldt dat er vanaf geen enkel punt meer dan 30 meter gelopen hoeft te worden om een handmelder te bereiken.

Detectiecriteria

De installatie moet reageren op een abnormale temperatuur, een abnormale rookconcentratie of andere factoren die op een beginnende brand wijzen.

Warmtedetectoren mogen niet in werking treden onder 57 °C en moeten aanslaan bij maximaal 74 °C (bij een gestage temperatuurstijging). In ruimten met een hoge omgevingstemperatuur (zoals droogkamers) mag deze drempel worden verhoogd tot 30 °C boven de maximale plafondtemperatuur.

Rookdetectoren moeten reageren op de vermindering van de lichtintensiteit van een lichtstraal.

Voeding en onderhoud

Er moeten ten minste twee krachtbronnen aanwezig zijn (waarvan één een noodkrachtbron is) met uitsluitend hiervoor bestemde voedingsleidingen.

Bij de alarmpanelen moeten duidelijke instructies voor beproeving aanwezig zijn, en er moet een door de inspectie vastgesteld aantal reserve-detectorelementen aan boord zijn.

4.2 Branddetectie in machinekamers

Periodiek onbemande machinekamers

Elke periodiek onbemande machinekamer moet verplicht zijn uitgerust met een goedgekeurd automatisch branddetectie- en alarmsysteem dat periodiek beproefd kan worden (bijv. door hitte en/of rook).

Vlamdetectoren kunnen toegepast indien er een watermistsysteem is aangebracht.

Type melders

Het systeem moet gebaseerd zijn op een zelfbewakend principe (self-monitoring).

Alarmering

Het brandalarm moet zowel optisch als akoestisch worden gesignaleerd op de navigatiebrug, in de machinekamer en in de accommodatieruimten van de bemanning/ machinisten. Het alarm moet duidelijk te onderscheiden zijn van overige alarmsignalen op het schip.

Noodvoeding

Bij uitval van de hoofdstroomvoorziening moet het branddetectiesysteem automatisch worden gevoed vanuit de noodstroombron of een dedicated back-up accu.

De noodkrachtbron moet de brandontdekkings- en brandalarminstallatie ononderbroken van stroom kunnen voorzien gedurende:

Ten minste 6 uur op vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer.

Ten minste 3 uur op vaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter

Oliemistdetector of temperatuurmeting lagers

Verbrandingsmotoren met een vermogen van 2250 kW of meer of met een cilinderdiameter groter dan 300 mm moeten bovendien voorzien zijn van oliemistdetectie in de krukkast of van temperatuurmeting aan de lagers of een andere gelijkwaardige voorziening.

4.3 Branddetectie in accommodatie- en serviceruimten

Methode IF

Het aanbrengen van scheidingsschotten van onbrandbare kwaliteit van klasse 'B' of 'C', in het algemeen zonder dat daarbij een brandontdekkingsinstallatie of een sprinklersysteem in de ruimten voor accommodatie en de dienstruimten is aangebracht, of;

Methode IIF

Naast een automatisch sprinkler-, branddetectie- en alarmsysteem in accommodatieruimten en serviceruimten (zoals kombuizen), moet er een vast rookdetectiesysteem aanwezig zijn in alle gangen, trappenhuizen en vluchtwegen,of;

Methode IIIF

Er moet een vast, automatisch branddetectie- en alarmsysteem zijn geïnstalleerd in vrijwel alle accommodatie- en serviceruimten (uitgezonderd ruimten zonder substantieel brandrisico zoals sanitaire ruimten), aangevuld met rookdetectie in gangen, trappenhuizen en vluchtwegen.

Bij toepassing van Methode IIIF mag de oppervlakte van accommodatieruimten die door schotten van klasse 'A' of 'B' worden begrensd, niet groter zijn dan 50 m².

6 Voorbereiding inspectie en inspectie aan boord

Zie onder 3 Onderhoud en certificering en 4 Eisen klasse

- Testen van de brandmelders met een goedgekeurde methode (dus geen deodorant, aanstekers etc.); bij voorkeur uitgevoerd door een brandblusfirma.

- Akoestische en optische alarmeringen.

- (Nood)voedingsuitval.

- Montage in orde.

- Melders voorzien van MED keur.

7 Afkeurwaarden

Zie onder 4. Eisen klasse

Annex I. Normenkader statutair

Internationaal

Nationaal

Vissersvaartuigenbesluit (vissersvaartuigen <24 meter)

Artikel 133. Brandbeveiliging

Artikel 133 Vissersvaartuigenbesluit

§ 2. Brandbescherming voor vaartuigen, waarvan de lengte minder dan 55 m bedraagt

§ 2 Vissersvaartuigenbesluit

Artikel 326. Voorzorgsmaatregelen tegen brand

Artikel 326 Vissersvaartuigenbesluit

Vissersvaartuigenbesluit 2002 (vissersvaartuigen ≥24 meter)

Artikel 4.19. Brandbeveiliging

Artikel 4.19 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 5.1. Algemeen

Artikel 5.1 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 5.14. Automatische sprinkler-, brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties (Methode IIF)

Artikel 5.14 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 5.15. Automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties (Methode IIIF)

Artikel 5.15 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 5.34. Automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties

Artikel 5.34 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 11.7. Voorzorgsmaatregelen tegen brand

Artikel 11.7 Vissersvaartuigenbesluit 2002

NEN-EN-IEC normen

NEN-EN-IEC 60529:1992/C2:2016

IP ratings (ingress protection)

IP56: Stofbeschermd en Plenswaterdicht – voor machinekamer

IP67: Stofdicht en Dompeldicht – open dek

NEN-IEC 60092-504:2026 en

Electrical installations in ships - Part 504: Automation, control and instrumentation

Naar boven