4.1 Systeemeisen en betrouwbaarheid
Zelfbewaking (Self-monitoring)
Het branddetectiesysteem moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed zijn en continu de eigen werking en lussen bewaken. Een storing (zoals een draadbreuk of spanningsuitval) moet direct een foutmelding/alarm genereren. Bij inwerkingstelling geeft het systeem automatisch zichtbare en hoorbare alarmsignalen op alarmpanelen op de brug en op plaatsen waar de bemanning het direct opmerkt, alsmede een hoorbaar alarm op het dek waar de brand is ontdekt.
Testvoorziening
Het systeem moet zijn uitgerust met geschikte testvoorzieningen om de werking van de melders periodiek aan boord te kunnen testen.
Groepering en zonering
Detectoren worden gegroepeerd in afzonderlijke secties van maximaal 50 ruimten en maximaal 100 detectoren, ingedeeld in zones per dek zodat exact zichtbaar is op welk dek of in welke zone brand ontstaat.
Inwerkingstelling en gevoeligheid
Branddetectie moet geschikt zijn voor een maritieme omgeving.
Temperatuurdetectoren: Treden in werking bij een temperatuur tussen 54 °C en 78 °C (bij een temperatuurstijging tot 1 °C/min). In ruimten met hoge omgevingstemperaturen (zoals droogkamers) mag deze drempelwaarde worden verhoogd tot maximaal 30 °C boven de plafondtemperatuur.
Rookdetectoren: Treden in werking bij een rookdichtheid tussen 2% en 12,5% verduistering per meter.
Plaatsing en dichtheid van detectoren
Rookmelders moeten geïnstalleerd worden in alle trappen, gangen en vluchtwegen in accommodatieruimtes.
Detectoren worden hoog in de ruimte geplaatst, vrij van dekbalken of obstakels die de instroom van hete gassen of rook belemmeren, en moeten bestand zijn tegen zeelucht.
Er is ten minste één detector per ruimte vereist en minimaal één detector per 37 m² dekoppervlakte.
In grote ruimten worden de detectoren in een regelmatig patroon opgehangen, op maximaal 9 meter afstand van elkaar en maximaal 4,5 meter van een schot.
Plaatsing handmelders
In gangen mag de afstand van elk willekeurig punt naar de dichtstbijzijnde handmelder maximaal 20 meter bedragen (gemeten langs de looproute). Voor overige beschermde open ruimtes geldt dat er vanaf geen enkel punt meer dan 30 meter gelopen hoeft te worden om een handmelder te bereiken.
Detectiecriteria
De installatie moet reageren op een abnormale temperatuur, een abnormale rookconcentratie of andere factoren die op een beginnende brand wijzen.
Warmtedetectoren mogen niet in werking treden onder 57 °C en moeten aanslaan bij maximaal 74 °C (bij een gestage temperatuurstijging). In ruimten met een hoge omgevingstemperatuur (zoals droogkamers) mag deze drempel worden verhoogd tot 30 °C boven de maximale plafondtemperatuur.
Rookdetectoren moeten reageren op de vermindering van de lichtintensiteit van een lichtstraal.
Voeding en onderhoud
Er moeten ten minste twee krachtbronnen aanwezig zijn (waarvan één een noodkrachtbron is) met uitsluitend hiervoor bestemde voedingsleidingen.
Bij de alarmpanelen moeten duidelijke instructies voor beproeving aanwezig zijn, en er moet een door de inspectie vastgesteld aantal reserve-detectorelementen aan boord zijn.
4.2 Branddetectie in machinekamers
Periodiek onbemande machinekamers
Elke periodiek onbemande machinekamer moet verplicht zijn uitgerust met een goedgekeurd automatisch branddetectie- en alarmsysteem dat periodiek beproefd kan worden (bijv. door hitte en/of rook).
Vlamdetectoren kunnen toegepast indien er een watermistsysteem is aangebracht.
Type melders
Het systeem moet gebaseerd zijn op een zelfbewakend principe (self-monitoring).
Alarmering
Het brandalarm moet zowel optisch als akoestisch worden gesignaleerd op de navigatiebrug, in de machinekamer en in de accommodatieruimten van de bemanning/ machinisten. Het alarm moet duidelijk te onderscheiden zijn van overige alarmsignalen op het schip.
Noodvoeding
Bij uitval van de hoofdstroomvoorziening moet het branddetectiesysteem automatisch worden gevoed vanuit de noodstroombron of een dedicated back-up accu.
De noodkrachtbron moet de brandontdekkings- en brandalarminstallatie ononderbroken van stroom kunnen voorzien gedurende:
Ten minste 6 uur op vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer.
Ten minste 3 uur op vaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter
Oliemistdetector of temperatuurmeting lagers
Verbrandingsmotoren met een vermogen van 2250 kW of meer of met een cilinderdiameter groter dan 300 mm moeten bovendien voorzien zijn van oliemistdetectie in de krukkast of van temperatuurmeting aan de lagers of een andere gelijkwaardige voorziening.
4.3 Branddetectie in accommodatie- en serviceruimten
Methode IF
Het aanbrengen van scheidingsschotten van onbrandbare kwaliteit van klasse 'B' of 'C', in het algemeen zonder dat daarbij een brandontdekkingsinstallatie of een sprinklersysteem in de ruimten voor accommodatie en de dienstruimten is aangebracht, of;
Methode IIF
Naast een automatisch sprinkler-, branddetectie- en alarmsysteem in accommodatieruimten en serviceruimten (zoals kombuizen), moet er een vast rookdetectiesysteem aanwezig zijn in alle gangen, trappenhuizen en vluchtwegen,of;
Methode IIIF
Er moet een vast, automatisch branddetectie- en alarmsysteem zijn geïnstalleerd in vrijwel alle accommodatie- en serviceruimten (uitgezonderd ruimten zonder substantieel brandrisico zoals sanitaire ruimten), aangevuld met rookdetectie in gangen, trappenhuizen en vluchtwegen.
Bij toepassing van Methode IIIF mag de oppervlakte van accommodatieruimten die door schotten van klasse 'A' of 'B' worden begrensd, niet groter zijn dan 50 m².