4.1.1 Constructieve Brandbescherming
De constructieve eisen zijn gericht op het beperken van de verspreiding van brand door het gebruik van onbrandbare materialen en brandwerende afscheidingen.
Materialen
De romp, dekken, schotten en opbouwen moeten in principe van staal zijn gemaakt. Voor vaartuigen langer dan 45 meter moeten componenten van aluminiumlegeringen extra geïsoleerd worden om de structurele integriteit bij hoge temperaturen te waarborgen.
Isolatiemateriaal
Isolatiemateriaal moet MED type-approval hebben en onbrandbaar zijn. Veelal gebruikte isolatie is steenwol, glaswol, keramische vezels of minerale isolatieplaten. De materialen moeten zijn getest volgens de FTP code (International Code for Application of Fire Test Procedures). Voor isolatie op schotten, dekken en plafonds van machinekamers geldt bovendien dat het oppervlak bestand moet zijn tegen olie en geen olie of oliedampen mag absorberen. In machinekamers wordt veelal aluminium bekleding of gecoate steenwol toegepast. Voor de afwerking worden geperforeerde platen gebruikt.
Isolatiemateriaal moet worden aangebracht volgens de instructie van de fabrikant en de MED type-approval.
In de instructie van de fabrikant staat aangegeven:
-
type isolatiemateriaal
-
dichtheid isolatie (persing in kg/m3)
-
dikte isolatie in mm
-
aantal lagen
-
positie van de isolatie (aan de brandzijde, de niet-brandzijde of beide)
-
type bekleding
-
bevestigingswijze
-
Vooral van belang is het goed aansluiten van de naden, geen open kieren, geen ontbrekende stukken en geen beschadigingen. De overlap of meerdere lagen zijn afhankelijk van type goedkeur. Ook het patroon van pennen en de dikte ervan.
Speciale aandacht wordt besteed aan doorvoeringen van leidingen, kabels en ventilatiekanalen waar de isolatie zorgvuldig moet aansluiten.
Reparaties van de isolatie moeten met hetzelfde, gecertificeerde materiaal worden gedaan.
Brandwerende afscheidingen
Lekstroken 450 mm.
Uit isoleren van leidingen door schotten 900 mm (450 mm aan elke kant).
Kabeldoorvoeringen bijvoorbeeld Brattberg (multi cable transit system) en eventueel isoleren.
Ruimten worden geclassificeerd op basis van hun brandrisico (bijv. machinekamers, controlestations, accommodatie). Tussen deze ruimten moeten schotten en dekken van een bepaalde brandintegriteit (Klasse A, B of C) aanwezig zijn.
|
Brandklasse schotten/ dekken
Let op! De eisen gelden niet alleen voor het schot maar ook voor de deuren, doorvoeringen, ventilatiekanalen, isolatie en beglazing.
|
|
A-klasse
|
Staal of gelijkwaardig
|
Een A-klasse schot, moet de doortocht van rook en vlammen voor één uur verhinderen.
Het getal bij de A-klasse brandisolatie geeft de mate van thermische isolatie. Bij een A-60 brandisolatie mag de gemiddelde temperatuurstijging in 60 minuten, maximaal 140 °C bedragen ten opzichte van de begintemperatuur en op geen enkel meetpunt mag de temperatuurstijging meer dan 180 °C bedragen. Bij A-30 brandisolatie geldt dit voor 30 minuten, bij A-15 voor 15 minuten, enz.
A-klasse wordt veelal toegepast in machinekamers.
A-60, A-30, A-15, A-8, A-0 (integriteit zonder isolatie-eis)
|
|
B-klasse
|
Niet noodzakelijk staal
|
Een B-klasse schot, moet de doortocht van rook en vlammen voor 30 minuten verhinderen.
Het getal bij de B-klasse brandisolatie geeft de mate van thermische isolatie. Bij een B-15 brandisolatie mag de gemiddelde temperatuurstijging in 15 minuten, maximaal 140 °C bedragen ten opzichte van de begintemperatuur en op geen enkel meetpunt mag de temperatuurstijging meer dan 225 °C bedragen. Bij B-0 brandisolatie geldt dit voor 0 minuten.
B-klasse brandisolatie wordt veelal toegepast in de accommodatie.
|
|
C-klasse
|
Geen eis aan isolatie of integriteit
|
Alleen materiaalvereisten, geen nummeraanduiding. Geen brandwerende scheiding.
Wel gelden er eisen aan:
materiaalgebruik, oppervlakten en afwerking, lage vlamverspreiding en beperkte rookontwikkeling.
|
|
Categorieën brandintegriteit
|
|
|
Categorieën brandintegriteit
|
|
1
|
Controlestations
Ruimten met noodstroomvoorzieningen, het stuurhuis, de radioruimte, brandcontrolestations en controleruimten voor de voortstuwing buiten de machinekamer
|
6
|
Machinekamer van categorie A
Ruimten met verbrandingsmotoren voor de hoofdvoortstuwing, andere motoren met een totaal vermogen van minstens 375 kW, of oliegestookte ketels
|
|
2
|
Gangen
Gangen en lobby's
|
7
|
Andere machinekamers
Alle machinekamers die niet onder categorie A vallen, zoals ruimten voor koel-, ventilatie- of airconditioningapparatuur en elektrotechnische ruimten
|
|
3
|
Accommodatieruimten
Ruimten voor publiek gebruik, toiletten, hutten, kantoren, ziekenboegen, hobbyruimten en pantries zonder kooktoestellen
|
8
|
Ladingruimten
Alle ruimten die voor lading worden gebruikt, inclusief de bijbehorende luiken en trunks
|
|
4
|
Trappenhuizen
Interne trappen en volledig omsloten ontsnappingstrunks
|
9
|
Serviceruimten met een hoog risico
Kombuizen, pantries met kooktoestellen, sauna's, verfhutten, lockers en opslagruimten van 4 m² of groter, en werkplaatsen die geen deel uitmaken van de machinekamers
|
|
5
|
Serviceruimten met een laag risico
Lockers en opslagruimten kleiner dan 4 m² (zonder brandbare vloeistoffen), droogkamers en wasserijen
|
10
|
Open dekken
Open dekruimten zonder brandrisico en de luchtruimten buiten opbouwen en dekhuizen
|
|
Ruimtes onder
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
6
|
7
|
8
|
9
|
10
|
|
Controlestations
|
A-05
|
A-0
|
A-60
|
A-0
|
A-15
|
A-60
|
A-15
|
A-60
|
A-60
|
7
|
|
Gangen
|
|
C
|
B-0
|
B-0
A-03
|
B-0
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
7
|
|
Accommodatieruimten
|
|
|
C 1,2
|
B-0
A-03
|
B-0
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
7
|
|
Trappen
|
|
|
|
B-0
A-03
|
B-0
A-03
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
7
|
|
Serviceruimten met een laag risico
|
|
|
|
|
C
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
7
|
|
Machinekamer van categorie A
|
|
|
|
|
|
7
|
A-0
|
A-0
|
A-60
|
7
|
|
Andere machinekamers
|
|
|
|
|
|
|
A-04
|
A-0
|
A-0
|
7
|
|
Ladingruimten
|
|
|
|
|
|
|
|
7
|
A-0
|
7
|
|
Service ruimten met een hoog risico
|
|
|
|
|
|
|
|
|
A-04
|
7
|
|
Open dekken
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
-
|
|
Brandwerendheid van dekken die aangrenzende ruimtes scheiden
|
|
Ruimtes onder
|
Ruimtes boven
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
6
|
7
|
8
|
9
|
10
|
|
Controlestations
|
1
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
7
|
|
Gangen
|
2
|
A-0
|
7
|
7
|
A-0
|
7
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
7
|
|
Accommodatieruimten
|
3
|
A-60
|
A-0
|
7
|
A-0
|
7
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
7
|
|
Trappen
|
4
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
7
|
A-0
|
A-60
|
A-8
|
A-8
|
A-8
|
7
|
|
Serviceruimten met een laag risico
|
5
|
A-15
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
7
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
7
|
|
Machinekamer van categorie A
|
6
|
A-60
|
A-60
|
A-60
|
A-60
|
A-60
|
7
|
A-606
|
A-30
|
A-60
|
7
|
|
Andere machinekamers
|
7
|
A-15
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
7
|
A-0
|
A-0
|
7
|
|
Ladingruimten
|
8
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
7
|
A-0
|
7
|
|
Service ruimten met een hoog risico
|
9
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-04
|
7
|
|
Open dekken
|
10
|
7
|
7
|
7
|
7
|
7
|
7
|
7
|
7
|
7
|
-
|
|
Opmerkingen bij de tabellen
|
|
1
|
Er worden geen speciale eisen gesteld aan scheidingswanden bij brandbeveiligingmethoden IIC en IIIC.
|
|
2
|
In het geval van methode IIC moeten 'B'-klasse scheidingswanden van 'B-0'-klasse worden aangebracht tussen ruimten of groepen ruimten van 50 m2 en meer in oppervlakte.
|
|
3
|
3 = Schotten binnen de verblijfs- en serviceruimten;
5 = Bescherming van trappen in verblijfsruimten, serviceruimten en controlestations.
|
|
4
|
Waar ruimtes tot dezelfde numerieke categorie behoren en een verwijzing naar opmerking 4 verschijnt, is een schot of dek van de in de tabellen vermelde classificatie alleen vereist wanneer de aangrenzende ruimtes voor een ander doel zijn, bijvoorbeeld in categorie 9. Een kombuis naast een kombuis vereist geen schot, maar een kombuis naast een verfopslag vereist een "A-0" schot.
|
|
5
|
Scheidingswanden die het stuurhuis, de kaartenkamer en de radiokamer van elkaar scheiden, kunnen een 'B-0'-classificatie hebben.
|
|
6
|
Brandisolatie hoeft niet te worden aangebracht als de machinekamer in categorie 7 weinig of geen brandrisico heeft.
|
|
7
|
Waar een 7 voorkomt in de tabellen, moet de afscheiding van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn, maar het hoeft niet van standaard 'A'-klasse te zijn.
|
|
8
|
De statutaire eisen verschillen tussen vissersvaartuigen van respectievelijk <55 meter/ <60 meter, ≥55 meter/ ≥60 meter dan wel tussen 24 – 60 meter/ 45 - 60 meter, zie Annex I Normenkader statutair.
Let op! Als er een verbouwing plaatsvindt aan boord van een vissersvaartuig ≥24 meter, wordt de brandbescherming getoetst aan de eisen genoemd in het Vissersvaartuigenbesluit 2002.
|
|
Methodes van bescherming in ruimtes voor accommodatie
|
|
Onderwerp
|
Vissersvaartuigen ≥ 60 meter
|
Vissersvaartuigen ≥45 meter maar <60 meter
|
|
Beschermingsmethode
|
Moet voldoen aan Methode I F (onbrandbare schotten), II F (sprinklers) of III F (brandontdekking met beperkte oppervlaktes tot 50m2).
|
Focus ligt op constructieve beveiliging op basis van rompmateriaal (onbrandbaar vs. brandbaar).
|
|
Ventilatie en openingen
|
Ventilatiekanalen moeten van onbrandbaar materiaal zijn en zijn voorzien van brandkleppen bij doorvoeringen van klasse 'A' schotten.
|
Ventilatiesystemen die machinekamers bedienen, moeten volledig onafhankelijk zijn van systemen die andere ruimten bedienen
|
|
Romp en bovenbouw
|
Moet van staal of gelijkwaardig materiaal zijn.
|
In principe onbrandbaar, maar het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan brandbare constructies toestaan.
|
|
Brandwerendheid
|
Specifieke eisen voor klasse 'A' of 'B' schotten, ook bij gebruik van aluminium.
Er gelden strikte eisen voor de brandwerendheid van schotten en dekken (zoals klasse 'A-60', 'A-0', 'B-15'), afhankelijk van het type aangrenzende ruimten. Trappen die meer dan twee dekken bedienen, moeten zijn omsloten door schotten van ten minste klasse 'A 0'.
|
Bij een onbrandbare romp zijn schotten tussen machinekamers (categorie A) en accommodaties van klasse 'A-60' (zonder blusinstallatie) of 'A-30' (met blusinstallatie).
Bij een brandbare romp moeten deze scheidingen van klasse 'F' of 'B-15' zijn.
|
|
Gangen
|
Schotten moeten van klasse 'B' zijn (bij Methode I F zelfs klasse 'C' voor niet-A/B schotten).
|
Schotten van klasse 'B-15' (onbrandbare romp) of klasse 'F' (brandbare romp).
|
4.1.2 Nadere toelichting
Een van de volgende methodes van bescherming moet worden toegepast in ruimtes voor accommodatie, dienstruimten en controle station:
Methode IF
De constructie van alle interne scheidingswanden van niet-brandbare "B" of "C" klasse divisies, over het algemeen zonder de installatie van een automatisch sproeiersysteem, branddetectie- en brandalarmsysteem in de verblijfs- en dienstruimten; of
Methode IIF
Het aanbrengen van een automatische sprinklerinstallatie, branddetectie- en brandalarmsysteem, voor de detectie en bestrijding van brand in alle ruimtes waarin brand te verwachten is, doorgaans zonder beperking op het type interne scheidingswand; of
Methode IIIF
De installatie van een vast branddetectie- en brandmeldsysteem, in alle ruimtes waarin een brand naar verwachting kan ontstaan, over het algemeen zonder beperking op het type interne scheepswandafscheiding, behalve dat in geen geval het oppervlak van een verblijfsruimte of verblijfsruimtes begrensd door een scheiding van klasse "A" of "B" 50 m² mag overschrijden.
De vereisten voor het gebruik van niet-brandbare materialen bij de constructie en isolatie van de grensscheidingswanden van machinekamers, bedieningsstations, serviceroosters, enz., en de bescherming van trappenhuizen en gangen zullen gemeenschappelijk zijn voor alle drie de methoden.
Beperking van brandbaar materiaal
Verf, vernis en andere afwerkingen mogen geen overmatig rookrisico vormen. In gangen en trappenhuizen van grotere vaartuigen moeten de oppervlakken lage vlamverspreidingskenmerken hebben.
Ventilatiesystemen
De hoofdinlaten en -uitlaten van alle ventilatiesystemen moeten van buiten de ruimte gesloten kunnen worden bij brand. Ventilatiekanalen groter dan 0,075 m² die door Klasse A-schotten gaan, moeten voorzien zijn van brandkleppen. Buiten ruimtes voor machines moet een op afstand bedienbare inrichting zijn om de oliesystemen en ventilatie te stoppen bij brand.
Isolatie van aluminium
Indien componenten van aluminiumlegeringen worden gebruikt, moeten deze zodanig worden geïsoleerd dat de temperatuur van de kern niet meer dan 200 °C boven de omgevingstemperatuur stijgt tijdens een standaard brandtest met uitzondering van die welke naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet lastdragend zijn.
Uitzonderingen
In bepaalde gevallen, zoals bij kleine ruimten binnen een grotere ruimte of specifieke brandbeveiligingsmethoden (bijv. met sprinklers), kunnen de eisen uit de tabellen worden aangepast.
Waterdichte deuren
In tegenstelling tot de schotten waarin ze geplaatst zijn, hoeven waterdichte deuren niet te worden geïsoleerd.
Branddeuren
Branddeuren moeten dezelfde isolatiewaarde hebben als de aangrenzende schotten en zijn voorzien van een MED keur.