Onderwerp: Bezoek-historie

Leidraad 6g - Machine installaties en uitrusting - Koel- en vriesinstallaties
Geldigheid:07-09-2026 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Koel- en vriesinstallaties

Koel- en vriesinstallaties aan boord van vissersvaartuigen zijn essentieel voor het behoud van de kwaliteit en versheid van de vangst. Ze worden gebruikt om vis, schaaldieren en andere zee-producten direct na de vangst te koelen of in te vriezen, waardoor de groei van bacteriën wordt vertraagd en bederf wordt voorkomen.

De vangst wordt:

- op scherfijs gelegd; en/of

- gekoeld met een koelinstallatie; of

- gekoeld met Refrigerated Sea Water (RSW) om deze te koelen tot net boven het vriespunt; en

- bevroren met een vriesinstallatie

Ook wordt er voor de koeling van visruimen soms indirecte koeling toegepast. Het koudemiddel is dan veelal een glycolmengsel welke door middel van een warmtewisselaar gekoeld wordt. Het glycolmengsel gaat op zijn beurt door de verdampers in het visruim om het visruim te koelen. Het voordeel van dit systeem is dat de koudemiddelinhoud een stuk lager is.

Tot slot zijn er koel- en vriesinstallaties in de accommodatie voor het opslaan van etenswaren voor de vissers aan boord. Dit zijn vaak commercieel verkrijgbare apparaten.

Voor airconditioning verwijzen naar andere Leidraad!

1 Toepassingsgebied

Alle vissersvaartuigen tot 75 meter lengte1

2 Materialen en types

2.1 Kenmerken koelmiddel

Een goed koelmiddel voor scheepskoelsystemen moet een aantal kritische kenmerken bezitten:

Milieuvriendelijkheid

Het koelmiddel mag geen ozonafbrekend potentieel (ODP) en een laag aardopwarmingsvermogen (indexcijfer Global Warming Potential – GWP – uitgedrukt in CO2) hebben, idealiter minder dan 150 (verplicht voor nieuwe stationaire koelinstallaties vanaf 2030). Dit minimaliseert de impact op het milieu, waardoor het koelmiddel duurzamer wordt.

Toxiciteit

Het mag niet giftig zijn om de veiligheid van de bemanning te garanderen. Er moet rekening worden gehouden met zowel acute als chronische toxiciteit.

Ontvlambaarheid

Het koelmiddel moet idealiter niet-ontvlambaar zijn en geen verbranding bevorderen wanneer het wordt gemengd met omgevingslucht, zodat het geen brandgevaar oplevert.

Compatibiliteit met smeerolie

Het koelmiddel moet goed mengbaar en oplosbaar zijn met de smeeroliën die in het systeem worden gebruikt. Deze compatibiliteit is cruciaal voor het behoud van de integriteit en levensduur van de koelcomponenten.

Toegankelijkheid

Het koelmiddel moet redelijk geprijsd en gemakkelijk toegankelijk zijn, zodat praktische implementatie en onderhoud mogelijk zijn.

Kritiek punt van het koelmiddel

Boven het kritieke punt kan het koelmiddel niet meer vloeibaar worden, hoe hoog de druk ook is. Voor CO2 is dat bijvoorbeeld 31,1°C. Als zeewater te warm is, kan de CO2 niet meer condenseren en werkt het systeem niet (goed).

2.2 Kenmerken koel- en vriesinstallatie

Een goede koel- en vriesinstallatie aan boord van vissersvaartuigen moet aan de volgende kenmerken voldoen o.a. vanwege de uitdagingen op zee:

Beweging — slingeren en stampen beïnvloeden koelmiddelverdeling – slingertanks en buffervaten zijn nodig

Trillingen — door de trillingen van het schip die doorwerken in het systeem moet het leidingwerk voldoende bestendig zijn

Zout/vochtige omgeving — corrosie is een groot probleem – roestvaststaal of speciale legeringen zijn nodig (zoals bijvoorbeeld bij condensors die gekoeld worden met zeewater waardoor speciale materiaal als bijv. Cunifer (legering van ijzer, koper en nikkel) wordt gebruikt om corrosie tegen te gaan)

Beperkte ruimte — compacte installaties vereist

Veiligheid — ammoniak is giftig, bemanning werkt dichtbij de installatie, zie voor veiligheden de eisen onder 4.

Variabele belasting — afhankelijk van vangst en buitentemperatuur

Energiezuinig — dus ook presteren bij deellast

Betrouwbaar systeem – redundantie (reservecompressor) is gebruikelijk

RSW: Hierbij wordt continu gekoeld zeewater door de opslagtanks gepompt. Dit wordt uitsluitend gebruikt voor pelagische visserij. Zeewater wordt door pompen door de tanks en het koelsysteem gecirculeerd. Voordat het de tanks binnengaat, wordt het zeewater gekoeld door de koelapparatuur (die bestaat uit een compressor, condensor en een verdamper). Het zeewater wordt gelijkmatig over de volledige bodemdoorsnede van de tanks verdeeld via een set geperforeerde platen of vergelijkbare verdeelvoorzieningen. Het gekoelde zeewater stroomt omhoog door de tank en de lagen vis, waardoor de vis half zwevend blijft en tegelijkertijd wordt gekoeld. Het water keert terug via zuigschermen aan de bovenkant van de tanks naar de koelunit van het systeem en vervolgens wordt het circulatieproces herhaald).

RSW-systemen kunnen worden bediend met verschillende soorten koudemiddelen.

Aan boord van kotters wordt er veelal gebruikt gemaakt van een scherfijs- of schilferijs (flake ice) machine die direct ijs produceert uit zeewater of uit zoetwater in combinatie met een koelsysteem met koelmiddel:

- Compacte koelmachine drijft een scherfijsmachine aan of een slurry-ijsmachine. Slurry ijs vormt een beschermende laag om de vis heen, waardoor de koude overdracht maximaal is.

2.3 Indirecte koeling met glycol

Bij een indirect systeem blijft het koudemiddel geconcentreerd in de machinekamer. Het koudemiddel koelt een mengsel van water + glycol (meestal propyleenglycol of ethyleenglycol), of brijn. Dit leidt tot minder koudemiddel, omdat het koudemiddel alleen aanwezig is in de compressor, de condensor, het drukvat, de warmtewisselaar en in korte leidingen in de machinekamer. Vaak kan hiermee onder de grens van 5 ton CO2 equivalent gebleven worden en is er geen lekdichtheidscontrole vereist volgens de F-gassenverordening (zie 2.5). Een nader voordeel van indirecte koeling is dat zeer nauwkeurig op temperatuur geregeld kan worden.

2.4 Ammoniak/CO2 cascade systeem

Een cascade systeem werkt goed, maar is complex en duur en is niet rendabel onder de 500 kW koelvermogen. Daarnaast moeten de vissers getraind zijn in de behandeling van ammoniak en zijn er speciale veiligheidsvoorzieningen vereist, zoals een aparte machinekamer voor NH3.

Het systeem bestaat uit twee afzonderlijke kringlopen die warmte uitwisselen via een cascadewarmtewisselaar:

2.4.1 Bovenste kringloop (High Stage) — Ammoniak (NH₃)

- Ammoniak absorbeert de warmte van de CO₂-kringloop

- Condenseert bij relatief lage druk

- Werkt typisch tussen −10°C en +40°C

2.4.2 Onderste kringloop (Low Stage) — CO₂ (R744)

- CO₂ koelt de te koelen ruimte of het proces

- Verdampt bij zeer lage temperaturen (tot −50°C of lager)

- De warmte wordt afgegeven aan de ammoniakkringloop

2.4.3 Voordelen van het systeem

- Volledig natuurlijke koelmiddelen (geen F-gassen, voldoet dus aan de EU F-gassenverordening)

- Hoge energie-efficiëntie over een breed temperatuurbereik

- Ammoniak blijft beperkt tot de machinekamer — CO₂ circuleert in de rest van het vissersvaartuig, wat relatief veiliger is.

2.5 Europese F-gassen verordening

De Europese F-gassenverordening moet gefluoreerde broeikasgassen (F-gassen) verminderen. F-gassen, waaronder vele soorten koudemiddelen, zijn bijzonder krachtige broeikasgassen die een groot effect hebben op de opwarming van de aarde. Deze verordening bevat een schema voor de uitfasering van HFK's (hydrofluorkoolwaterstoffen), een groep gassen met een hoog GWP.

Definitie:  „gefluoreerde broeikasgassen': fluorkoolwaterstoffen, perfluorkoolstoffen, zwavelhexafluoride en andere broeikasgassen die fluor bevatten, als opgenomen in de lijst van bijlage I, en mengsels die een van deze stoffen bevatten;

Scheepvaart valt buiten het toepassingsgebied van de Europese F-gassen verordening.

Echter, de ILT beschouwt:

- apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat en die op een schip is geïnstalleerd, als 'mobiele' apparatuur, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 21, van Verordening (EU) 2024/573.

- de eigenaar van een schip waarop apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat is geïnstalleerd, als de 'exploitant', zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 5, van Verordening (EU) 2024/573.

- een bemanningslid van een schip dat in het bezit is van een geldig certificaat van bekwaamheid als werktuigkundige op operationeel of managementniveau, als een 'geschikt gekwalificeerde natuurlijke persoon', zoals bedoeld in artikel 4.5, 4.7 en 8.10 van Verordening (EU) 2024/573.

- de artikelen 4 en 8.10 van Verordening (EU) 2024/573 van toepassing op een schip waarop apparatuur met gefluoreerde broeikasgassen is geïnstalleerd.

- de artikelen 5, 6, 7, 8.2 en 10.1, lid (a) tot en met (c), van Verordening (EU) 2024/573 niet van toepassing op een schip en vereist daarom niet:

dat apparatuur met gefluoreerde broeikasgassen die op een schip is geïnstalleerd: wordt gecontroleerd op lekkages;

en is voorzien van een lekdetectiesysteem2.

dat er voor elk apparaat met gefluoreerde broeikasgassen dat op een schip is geïnstalleerd, een logboek wordt bijgehouden.

acht het aan de scheepseigenaar te hebben om de training van zijn bemanningsleden zodanig te regelen dat deze voldoet aan artikel 8.10.

Sinds 2020 is het volgens de F-gassen verordening verboden om nieuwe/virgin R-404A, R-507 en R-422D bij te vullen in bestaande koelsystemen omdat de GWP hoger is dan 2.500. Dit zijn precies de koelmiddelen die traditioneel veel gebruikt werden aan boord van kotters.

2.6 Toegestane koelmiddelen

Om snel uit te rekenen hoeveel ton CO2 equivalent een installatie heeft3, gebruik dan de volgende berekening:

Inhoud installatie (kg) x GWP koudemiddel / 1000

Categorie 1 koudemiddelen: Onbrandbaar en zonder significant gezondheidsrisico

Deze middelen worden beschouwd als veilig voor algemeen gebruik, hoewel het gevaar van verstikking in besloten ruimten altijd in acht moet worden genomen

Categorie 2 koudemiddelen: Toxisch, bijtend of met een explosiegrens

Dit zijn middelen die giftig of bijtend zijn, of die bij menging met lucht een onderste explosiegrens hebben van minstens 3,5 vol%

Categorie 3 koudemiddelen: Middelen met een explosiegrens lager dan 3,5 vol% (zoals ethaan of ethyleen) worden door deze regels niet goedgekeurd voor gebruik

Als er onderhoud wordt gepleegd door walpersoneel aan de koel- en vriesinstallaties moet de monteur beschikken over de juiste training en een geldig certificaat. Met het F-gassen categorie 1 certificaat mag de monteur handelingen verrichten aan alle installaties die werken op synthetische koudemiddelen. Met een F-gassen categorie 2 certificaat mag de monteur werkzaamheden verrichten aan installaties met een synthetische koudemiddelinhoud tot 3 kg en maximaal 5 ton CO2 equivalenten.

Dit geldt niet voor de vissers aan boord met een werktuigkundige vaarbevoegdheid. Zie tevens onder 3. Certificering en opleiding vissers

Koelmiddel

GWP

Toepassing aan boord

Aandachtspunt

Natuurlijke koelmiddelen – volledig toekomstvast

CO2

1

RSW, vriezers, ijsmachine, airconditioning

Hoge werkdruk

NH3

0

Grote koelinstallaties, cascade

Giftig, aparte machinekamer vereist

Propaan (R290)

3

Kleine koelers, ijsmachines

Brandbaar

Isobutaan (R600a)

3

Zeer kleine systemen

Brandbaar

HFO koelmiddelen – toekomstvast niet onder HFC quota

R-1234yf

4

Airco accommodatie, retrofit R-134a

Licht brandbaar

R-1234ze

7

Middelgrote koelinstallatie

Licht brandbaar

HFC koelmiddelen – nog toegestaan, maar tijdelijk

R-32

675

Tot 2031 toegestaan

Onder de 750-grens, langere levensduur

R-513A

573

Tot 2031 toegestaan

-

R-452A

2140

Bijvullen toegestaan

Verboden vanaf 2032

R-449A

1282

Bijvullen toegestaan

Verboden vanaf 2032

R-407C

1774

Bijvullen toegestaan

Verboden vanaf 2032

R-407F

1824

Bijvullen toegestaan

Verboden vanaf 2032

R-134a

1430

Bijvullen toegestaan

Verboden vanaf 2032

R-410A

2088

Bijvullen toegestaan

Verboden vanaf 2032

Koelmiddel

GWP

Toepassing aan boord

R-404A

3922

Verboden sinds 2020 voor virgin gas, zo snel mogelijk omzetten naar R-449A of CO2

R-507

3985

Verboden sinds 2020 voor virgin gas

R-422D

2729

Verboden sinds 2020 voor virgin gas

R-23

14800

Verboden sinds 2025 voor virgin gas

Er is één uitzondering: voor systemen die kunnen koelen tot -50°C blijven alle koelmiddelen toegestaan. Dit is relevant voor ultradiepvries toepassingen.

3 Onderhoud en certificering

3.1 Koel- en vriesinstallatie

Het onderhoud door de bemanning is hoofdzakelijk beperkt tot het monitoren en eventueel het bijvullen van het systeem, groot onderhoud aan de koelsystemen wordt veelal uitbesteed aan bedrijven op de wal.

Indien reservevoorraad koelmiddel aan boord is dient dit ook gewogen geworden en in het logboek te worden genoteerd. In het logboek staan alle onderhouds- en inspectiewerkzaamheden aan een koel- en vriesinstallatie, airconditioning en/of warmtepomp geregistreerd.

Door werktuigkundige aan boord

Door extern walpersoneel

- Temperaturen en drukken aflezen en noteren in logboek

- Compressor smeren en overhalen

- Controleren of de compressor draait en geen abnormale geluiden maakt

Inspecteren van veiligheden/ veiligheden testen (compressor trip/ safety relieve valves) lekdetectie) /lagers smeren/ olie sample/ olie verversen/ isolatieweerstand testen.

Alle veiligheidsvoorzieningen moeten jaarlijks worden gecontroleerd op goede werking. In de koelruimen moeten respectievelijk de luchtkoelers, de pekelfilters (indien een brijninstallatie) en de directe expansieverdampers en tevens de circulatieventilatoren worden geïnspecteerd wanneer ze in bedrijf zijn.

- Oliepeil compressor controleren (via kijkglas, zonder circuit te openen)

- Condensator schoonmaken (zeewaterfilters, roosters)

- Algemene visuele inspectie op ijsvorming, beschadigingen. Als er ijsvorming optreedt moet de oververhittingsgraad gemeten worden, mogelijk werkt het expansieventiel niet goed of moet bijgesteld worden.

Alle compressors, pompen, ventilatoren, enz. moeten gelijktijdig worden bediend en gedemonstreerd in alle verwachte bereiken. Er moet worden aangetoond dat er geen onaanvaardbare trillingen optreden.

- Aan/uit schakelen van de installatie

- Thermostaatinstellingen aanpassen

- Filtermatten reinigen van de luchtgekoelde condensor.

- De schipper draagt zorg voor het periodiek doen uitvoeren van de noodzakelijke controles en onderhoudswerkzaamheden.

- De schipper ziet er op toe dat het verlies van koudemiddel zo veel mogelijk wordt voorkomen.

- Een installatie waaruit door lekkage of ander defect koudemiddel is ontsnapt wordt pas bijgevuld met koudemiddel als de lekkage of het defect is verholpen. Lekkage van koudemiddelen en andere defecten dienen zo spoedig mogelijk te worden verholpen.

4 Eisen klasse

4.1 Koelsystemen

Koelsystemen moeten adequaat worden beschermd tegen trillingen, schokken, uitzetten, krimpen, enz. en moeten worden voorzien van een automatisch veiligheidscontroleapparaat om een ​​gevaarlijke stijging van temperatuur en druk te voorkomen.

Koelsystemen waarin giftige of brandbare koelmiddelen worden gebruikt, moeten zijn voorzien van afvoervoorzieningen die naar een plaats leiden waar het koelmiddel geen gevaar oplevert voor het schip of voor de personen aan boord.

Scheiding

Ruimten met machines die toxische koelmiddelen gebruiken, moeten gasdicht gescheiden zijn van andere ruimten.

Ventilatie

Deze ruimten moeten beschikken over een onafhankelijk mechanisch ventilatiesysteem.

Toegang

Deuren moeten naar buiten toe openen en zelfsluitend zijn. Ze mogen niet direct uitkomen op verblijfsruimten.

Temperatuurbewaking

Elk gekoeld ruim moet voorzien zijn van thermometers. Het aantal sensoren is afhankelijk van het volume (bijv. minimaal 2 thermometers voor ruimten tot 300 m³).

Insluiting

Gekoelde ruimten moeten een uitgang hebben die ofwel aan twee zijden geopend kan worden ofwel alleen aan de buitenzijde geopend kan worden in combinatie met een "lock-in" alarm om te voorkomen dat personeel ingesloten raakt. Dit geldt voor ruimtes > 10 m3 (< 0°C)

Reserveonderdelen en reservekoelmiddel

Het is aanbevolen om een specifieke lijst met reserveonderdelen aan boord hebben voor de koelinstallatie, waaronder zuigers, ringen, kleppen, sensoren en lekdetectoren. Aan boord van het schip mogen reservevoorraden koelmiddelen alleen worden opgeslagen in stalen flessen die zijn goedgekeurd voor dit doel.

4.2 Elektrische Installatie

Voeding en Bediening

Verschillende hoofdcircuits en hun controlecircuits die bij één systeem horen, mogen in een gemeenschappelijke kabel worden gecombineerd, mits alle aders centraal kunnen worden losgekoppeld van de voeding. De hele installatie voor de stroomvoorziening, inclusief het gedeelte van de elektrische installatie dat nodig is voor de bediening van de koelinstallatie, moet uitwendig worden geïnspecteerd. Bij de elektrische installatie moeten metingen worden uitgevoerd van de isolatieweerstand.

Veiligheid

De installatie moet worden voorzien van een automatische veiligheidsvoorziening om een gevaarlijke stijging van temperatuur en druk te voorkomen.

4.3 Ventilatie van Specifieke Ruimten

Koelmachinekamers

Deze ruimten moeten een onafhankelijk mechanisch ventilatiesysteem hebben.

Visruimen

Ventilatoren van visruimen mogen geen verbinding hebben met andere ruimten.

4.4 NH3

Omdat NH3 een gevaarlijk gas is zijn er aanvullende regels opgesteld:

- Apparatuur opgesteld in een aparte ruimte met twee toegangsdeuren

- Waterschermen, douches en oogdouches

- Onafhankelijke, vonkvrije ventilatie minimaal 30 luchtwisselingen per uur vereist (of berekend via de formule V=60⋅G2/3) + reserveventilator

- Noodstoppen buiten de ruimte (emergency shut down (ESD) en proccess shut down (PSD))

- Overdruk beveiliging

- Luchtinlaat zo laag mogelijk bij de grond, luchtuitlaat zo hoog mogelijk in de ruimte

- Ammoniak verwijdering of vernietiging (ventilatie met een gasabsorptie unit)

- Onafhankelijk lens systeem (veelal uitgevoerd met een ejecteur)

- Vluchtmaskers en chemicaliënpakken bij ingang van de ruimte

- Explosievrije elektrische apparatuur of uitschakelen bij alarm

- Gasdetectie (explosieveilig) met alarm binnen en buiten de ruimte

- Regels voor opslag ammoniak vaten

- Waarschuwing op de deur naar de ruimte

- Brandblusser bij de ingang van de ruimte

4.5 CO2

CO2 is een gevaarlijk gas, zijn er aanvullende regels opgesteld:

- Actuele noodprocedures en een opleiding van de bemanning.

- Lock-out/tag-out bij onderhoud.

- CO2 is kleurloos, vrijwel geurloos en niet zichtbaar. CO2 kan het zuurstof verdringen – een CO2 gasdetectie met alarm is vereist.

- CO2 is zwaarder dan lucht (dichtheid is ongeveer 1,5 keer zoveel als lucht) waardoor het gevaar bestaat dat het zich verzamelt in bilges, putten, dubbele bodems, visruimen etc. – machinekamer moet daarom goed geventileerd worden.

- De werkdruk van CO2 in het koelsysteem is extreem hoog (90–130 bar) waardoor de leidingen onder hoge druk staan, grotere belasting op afsluiters en krachtige gasuitstroming bij een leidingbreuk – daarom moeten er drukontlastkleppen in het systeem zitten.

- Door de lage temperaturen kan er koudebrand op de huid ontstaan (frostbite), de huid of de ogen kunnen beschadigen – persoonlijke beschermingsmiddelen zijn belangrijk bij werkzaamheden.

- Bij lekkage kan vloeibare CO2 overgaan in een gas en/of droogijs waardoor de afsluiters blokkeren, veiligheidskleppen niet functioneren of leidingen kunnen verstoppen – voorkom snelle drukontlasting, gebruik de juiste afblaas- en ontluchtingsprocedures. Bevroren afsluiters door droogijs moeten niet met open vuur opgewarmd worden, want er kan nog druk op het systeem staan.

5 Tekeningenkeur

5.1 Koelinstallaties

Zie Overzicht gegevens, tekeningen en documenten in te dienen door de aanvrager - Netherlands Regulatory Framework (NeRF) – Maritime 6.7

- Gegevens en tekeningen van de inrichting en uitvoering van de koelinstallaties en het gebruikte koelmiddel.

- Afhankelijk van de hoeveelheid en het type koelmiddel worden er aanvullende schema's gevraagd.

6 Voorbereiding inspectie en inspectie aan boord

Eenvoudig systeem (alleen koelen)

  • Visuele controles en controle op lekverlies

  • Algemene staat installatie

  • Logboek

Systeem koelen en vriezen

Jaarlijks:

  • Detectie, alarmniveaus gekoppeld aan verlichting (alles in de ruimte explosieveilig), alarmen (meten sensoren, draagbare meters gekalibreerd), ventilatie juiste werking

  • Veiligheidsvoorzieningen (inclusief lenzen, douches, EEBD (Emergency Escape Breathing Device = vluchtmasker), stops, ruimte nog gasdicht, visuele controle installatie, gaspakken, ruimte gasdicht inclusief de deuren)

Vijfjaarlijks:

De onderdelen zoals omschreven bij Jaarlijks aangevuld met:

  • Testen veiligheden (openen op de juiste druk) en de algehele staat

  • Diktemeting leidingen op de (kritieke) plekken in overleg met de werktuigkundigen en het bedrijf dat het systeem in onderhoud heeft

  • Isolatie

7 Afkeurwaarden

Zie de punten onder 6 Voorbereiding inspectie en inspectie aan boord

Annex I. Normenkader statutair

Normenkader internationaal

IMO

MARPOL Annex VI

16 Ozone depleting substances means controlled substances defined in paragraph (4) of article 1 of the Montreal Protocol on Substances that Deplete the Ozone Layer, 1987, listed in Annexes A, B, C or E to the said Protocol in force at the time of application or interpretation of this Annex.

Ozone depleting substances that may be found on board ship include, but are not limited to:

Halon 1211 Bromochlorodifluoromethane

Halon 1301 Bromotrifluoromethane

Halon 2402 1, 2-Dibromo -1, 1, 2, 2-tetraflouroethane (also known as Halon 114B2)

CFC-11 Trichlorofluoromethane

CFC-12 Dichlorodifluoromethane

CFC-113 1, 1, 2 - Trichloro - 1, 2, 2 - trifluoroethane

CFC-114 1, 2 - Dichloro -1, 1, 2, 2 - tetrafluoroethane

CFC-115 Chloropentafluoroethane

EU

Verordening (EU) 2024/573

7 februari 2024

betreffende gefluoreerde broeikasgassen

Verordening - EU - 2024/573 - EN - EUR-Lex

Normenkader nationaal

Vissersvaartuigenbesluit
(bestaande vissersvaartuigen <24 meter)

64°.ruimten voor machines: alle ruimten voor machines van categorie A en alle andere ruimten waarin voortstuwingswerktuigen, ketels, oliestookinrichtingen, stoommachines en verbrandingsmotoren, gasturbines, generatoren en belangrijke elektrische werktuigen, olielaadstations, koelmachine-installaties, stabilisatie-inrichtingen, luchtverversings- en luchtbehandelingsinstallaties zijn ondergebracht, en soortgelijke ruimten, zomede de bijbehorende schachten;

Koel- en vriesinstallatie

Artikel 84. Lensinrichting

Artikel 84 Vissersvaartuigenbesluit

Artikel 96. Koelinstallaties, koel- en vriesruimten

Artikel 96 Vissersvaartuigenbesluit

Artikel 129. Soort en aanleg van elektrische leidingen

Artikel 129 Vissersvaartuigenbesluit

Vissersvaartuigenbesluit 2002 (vissersvaartuigen >24 meter)

15. ruimten voor machines: alle ruimten voor machines van categorie A en alle andere ruimten waarin voortstuwingswerktuigen, ketels, oliestookinrichtingen, stoommachines, verbrandingsmotoren en gasturbines, generatoren, stuurinrichtingen, belangrijke elektrische werktuigen, olielaadstations, koelmachine-installaties, stabilisatie-inrichtingen, luchtverversings- en luchtbehandelinginstallaties zijn ondergebracht en soortgelijke ruimten, alsmede de bijbehorende schachten.

Koel- en vriesinstallatie

Artikel 2.4. Tegen weer en wind dichte deuren

Artikel 2.4 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 2.18. Vistanks met gekoeld (RSW) of diepgekoeld (CSW) zeewater

Artikel 2.18 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 4.3. Algemeen

Artikel 4.3 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 4.15. Koelinstallaties, koel- en vriesruimten

Artikel 4.15 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Artikel 4.18. Voorzorgsmaatregelen tegen schok, brand en andere gevaren van elektrische oorsprong

Artikel 4.18 Vissersvaartuigenbesluit 2002

Naar boven