DEEL
I
TOEPASSINGSGEBIED EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel
1
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „havenarbeid” verstaan alle arbeid en elk deel van de arbeid met betrekking tot het laden en lossen van enig schip, alsmede alle hiermee verband houdende arbeid. De begripsomschrijving van deze arbeid dient te worden bepaald door de nationale wetgeving of het gebruik.
De betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties dienen te worden geraadpleegd of op andere wijze deel te nemen aan de vaststelling en herziening van deze begripsomschrijving.
relaties0relaties0
Artikel
2
1. Een Lid kan ontheffingen verlenen van of uitzonderingen toestaan op de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot havenarbeid op iedere plaats waar het verkeer onregelmatig is en beperkt tot kleine schepen. Dit geldt eveneens voor havenarbeid met betrekking tot vissersschepen of bepaalde categorieën daarvan, op voorwaarde dat:
a.veilige arbeidsomstandigheden worden gehandhaafd en
relaties0
b.het bevoegde gezag, na raadpleging van de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties, overtuigd is van de redelijkheid, onder alle omstandigheden, van zulke ontheffingen of uitzonderingen.
relaties0
relaties0 2. Van sommige bepalingen van deel III van dit Verdrag kan worden afgeweken, indien na raadpleging van de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties het bevoegde gezag ervan overtuigd is, dat de afwijkingen overeenkomstige voordelen bieden en dat de algehele, aldus verzekerde bescherming niet minder is dan die welke zou voortvloeien uit de volledige toepassing van de bepalingen van dit Verdrag.
relaties0
relaties0
Artikel
3
Voor de toepassing van dit Verdrag
a.wordt onder „werknemer” verstaan een ieder die zich bezighoudt met havenarbeid;
relaties0
b.wordt onder „deskundig persoon” verstaan een persoon die over de kennis en de ervaring beschikt die nodig zijn voor de uitvoering van een bepaalde taak of van bepaalde taken, en als zodanig aanvaardbaar is voor het bevoegde gezag;
relaties0
c.wordt onder „verantwoordelijk persoon” verstaan een persoon die, naar gelang van de omstandigheden, door de werkgever, de gezagvoerder van het schip of de eigenaar van het materieel is aangewezen en die verantwoordelijk is voor de uitvoering van een bepaalde taak of van bepaalde taken en over voldoende kennis en ervaring beschikt, alsmede het vereiste gezag heeft, voor de juiste uitvoering van de taak of taken;
relaties0
d.wordt onder „bevoegd persoon” verstaan een persoon die door de werkgever, de gezagvoerder van het schip of een verantwoordelijk persoon wordt gemachtigd om een bepaalde taak of bepaalde taken te verrichten, en die over de nodige technische kennis en ervaring beschikt;
relaties0
e.wordt onder „hijs- of hefinrichting” verstaan alle vast opgestelde of verplaatsbare laad- en losinrichtingen, met inbegrip van op de vaste wal verplaatsbaar gestationeerde mechanisch verstelbare klappen, gebruikt aan de wal of aan boord van een schip voor het ophangen, hijsen of heffen of neerlaten van lasten of het verplaatsen daarvan van de ene naar de andere plaats in opgehangen of ondersteunde toestand;
relaties0
f.wordt onder „los gerei” verstaan alle uitrusting waarmee een last aan een hijs- of hefinrichting kan worden bevestigd, voor zover deze geen integrerend deel uitmaakt van de hijs- of hefinrichting of de last;
relaties0
g.wordt onder „toegang” tevens uitgang verstaan;
relaties0
h.wordt onder „schip” verstaan elk soort schip, vaartuig, schuit, lichter of luchtkussenvoertuig, met uitzondering van oorlogsschepen.
relaties0
relaties0relaties0 relaties0
DEEL
III
TECHNISCHE MAATREGELEN
Artikel
8
Zodra een arbeidsplaats onveilig is geworden of er gevaar van schade voor de gezondheid optreedt, dienen doeltreffende maatregelen te worden getroffen zoals het aanbrengen van waarschuwingsborden, omheiningen of andere geschikte middelen, en zo nodig, van staking van het werk, om de werknemers te beschermen totdat de arbeidsplaats weer veilig is.
relaties0relaties0
Artikel
9
1. Elke plaats waar havenarbeid wordt verricht en alle toegangen daartoe dienen op passende en voldoende wijze te zijn verlicht.
relaties0 2. Elk obstakel dat gevaar kan opleveren voor het verplaatsen van een hijs- of hef inrichting, voertuig of persoon, dient, indien dit om praktische redenen niet kan worden verwijderd, op passende en opvallende wijze te worden gemarkeerd en, waar nodig, voldoende verlicht.
relaties0
relaties0
Artikel
10
1. Alle oppervlakken, gebruikt voor voertuigverkeer of voor het stapelen van goederen of materialen, dienen voor dat doel geschikt te zijn en naar behoren te worden onderhouden.
relaties0 2. Indien goederen of materialen worden opgeslagen of overgeslagen, gestuwd, ontstapeld of ontstuwd, dient dit te geschieden op veilige en ordelijke wijze, rekening houdend met de aard der goederen of materialen en de verpakking daarvan.
relaties0
relaties0
Artikel
11
1. Er dienen doorgangen van voldoende breedte te worden opengelaten om het veilig gebruik van voertuigen en laad- en losapparatuur mogelijk te maken.
relaties0 2. Er dienen afzonderlijke doorgangen voor voetgangersgebruik te worden ingericht waar dit noodzakelijk en uitvoerbaar is; deze doorgangen dienen voldoende breed te zijn en, voor zover doenlijk, gescheiden te zijn van door voertuigen gebruikte wegen.
relaties0
relaties0
Artikel
12
Op plaatsen waar havenarbeid wordt verricht, dienen doelmatige en voldoende middelen voor brandbestrijding ter beschikking te staan en te blijven.
relaties0relaties0
Artikel
13
1. Alle gevaarlijke delen van werktuigen dienen doeltreffend te zijn afgeschermd, tenzij deze zo zijn geplaatst of van een zodanige constructie zijn dat zij even veilig zijn als wanneer zij doeltreffend zouden zijn afgeschermd.
relaties0 2. Er dienen doeltreffende maatregelen te worden getroffen om in noodgevallen onmiddellijk de energietoevoer naar alle werktuigen waarvoor dit noodzakelijk is, te kunnen afsnijden.
relaties0 3. Indien schoonmaak-, onderhouds- of herstelwerkzaamheden aan werktuigen moeten worden verricht waardoor personen aan gevaar worden blootgesteld, dienen de werktuigen te worden stilgezet voordat met deze werkzaamheden wordt aangevangen en dienen passende maatregelen te worden genomen om te verzekeren dat de werktuigen niet opnieuw kunnen worden gestart voordat de werkzaamheden zijn voltooid, met dien verstande, dat een verantwoordelijk persoon de machine weer mag starten voor beproevings- of afsteldoeleinden die niet uitgevoerd kunnen worden wanneer de werktuigen buiten werking zijn.
relaties0 4. Slechts een bevoegd persoon dient toestemming te verkrijgen om:
a.een beschutting te verwijderen wanneer dit voor het te verrichten werk noodzakelijk is;
relaties0
b.een veiligheidsinrichting te verwijderen of buiten werking te stellen ten behoeve van reiniging, afstelling of herstelling.
relaties0
relaties0 5. Indien een beschutting wordt verwijderd, dienen voorzorgsmaatregelen te worden getroffen ter voorkoming van ongevallen, en dient de beschutting zo spoedig mogelijk weer te worden aangebracht.
relaties0 6. Indien een veiligheidsinrichting is verwijderd of buiten werking gesteld, dient deze zo spoedig mogelijk weer te worden aangebracht of weer in werking gesteld en dienen maatregelen te worden getroffen om te verzekeren dat de uitrusting in kwestie niet kan worden gebruikt of bij vergissing kan worden gestart, voordat de veiligheidsinrichting weer is aangebracht of weer in werking is gesteld.
relaties0 7. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „werktuigen” verstaan alle hijs- en hefinrichtingen, gemechaniseerde luikafdekkingen of motorisch aangedreven uitrusting.
relaties0
relaties0
Artikel
14
Alle elektrische apparatuur en installaties dienen zodanig te zijn geconstrueerd, geïnstalleerd, bediend en onderhouden, dat ze geen gevaar opleveren en zij dienen aan alle normen die door het bevoegde gezag zijn erkend te voldoen.
relaties0relaties0
Artikel
15
Wanneer een schip wordt geladen of gelost langs een kade of langszij van een ander schip, dienen passende en veilige toegangsmiddelen tot het schip, die behoorlijk geïnstalleerd en bevestigd zijn, ter beschikking te worden gesteld en gehouden.
relaties0relaties0
Artikel
16
1. Indien werknemers van of naar een schip of andere plaats over water moeten worden vervoerd, dienen passende maatregelen te worden getroffen om hun veiligheid bij het aan boord gaan, bij het transport en bij het van boord gaan te waarborgen. De voorwaarden waaraan de vaartuigen die voor dit doel worden gebruikt, moeten voldoen, dienen te worden vastgelegd.
relaties0 2. Indien werknemers van of naar een arbeidsplaats over land moeten worden vervoerd, dienen de door de werkgever ter beschikking gestelde middelen van vervoer veilig te zijn.
relaties0
relaties0
Artikel
17
1. Toegang tot het ruim van een schip of ladingdek dient te worden verzekerd:
a.door een vaste trap of, als dit niet mogelijk is, een vaste ladder of klampen of voetopeningen van geschikte afmetingen, van voldoende sterkte en van een behoorlijke constructie; of
relaties0
b.door andere, voor het bevoegde gezag aanvaardbare middelen.
relaties0
relaties0 2. Waar zulks redelijkerwijze uitvoerbaar is, dienen de in dit artikel vermelde toegangsmiddelen te zijn gescheiden van de luikopening.
relaties0 3. Het is de werknemers niet toegestaan, noch mogen zij worden verplicht gebruik te maken van andere toegangsmiddelen tot een scheepsruim of ladingdek dan die welke in dit artikel zijn omschreven.
relaties0
relaties0
Artikel
18
1. Luiken of luikbalken mogen slechts worden gebruikt, indien deze van stevige constructie zijn, voldoende sterk zijn voor het gebruik dat ervan moet worden gemaakt, en in goede staat van onderhoud verkeren.
relaties0 2. Luiken die met behulp van hijs- of hefinrichtingen worden geplaatst of verwijderd, dienen te zijn uitgerust met goed toegankelijke en geschikte bevestigingen voor het vastmaken van lengen of ander hijsmateriaal.
relaties0 3. Indien luiken en scheerbalken niet onderling verwisselbaar zijn, dienen zij duidelijk te zijn gemerkt om aan te geven tot welke ruimopening alsmede op welke plaats zij behoren.
relaties0 4. Slechts een bevoegd persoon (indien mogelijk een lid van de bemanning) is het toegestaan motorisch bediende luiken te plaatsen of te verwijderen. De luiken mogen niet worden geplaatst of verwijderd indien enige persoon bij deze handelingen gevaar loopt gewond te worden.
relaties0 5. De bepalingen van lid 4 van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op motorisch aangedreven scheepsuitrusting, zoals een deur in de romp van een schip, een oprit, een ophijsbaar autodek of dergelijke uitrusting.
relaties0
relaties0
Artikel
19
1. Er dienen passende maatregelen te worden getroffen ter beveiliging van alle openingen in of op een dek waar werknemers arbeid moeten verrichten, en door welke openingen werknemers of voertuigen zouden kunnen vallen.
relaties0 2. Iedere luikopening die niet is uitgerust met een luikhoofd van voldoende hoogte en sterkte, dient te worden gesloten of de beveiliging ervan dient weer te worden aangebracht, indien de luikopening open is en er niet meer wordt gewerkt (behalve tijdens korte werkonderbrekingen), en een verantwoordelijk persoon dient te worden belast met de uitvoering van deze maatregelen.
relaties0
relaties0
Artikel
20
1. Alle noodzakelijke maatregelen dienen te worden getroffen om de veiligheid van de werknemers te waarborgen die in het ruim of op een ladingdek van een schip moeten werken indien aldaar motorisch aangedreven voertuigen gebruikt worden of laad- of loshandelingen worden verricht door middel van motorisch aangedreven werktuigen.
relaties0 2. Luiken en scheerbalken mogen niet verwijderd of weer geplaatst worden, indien er in het ruim onder de luikopening wordt gewerkt. Voordat laden of lossen plaatsvindt, dienen alle luiken of scheerbalken die niet afdoende tegen verplaatsing zijn geborgd, te worden verwijderd.
relaties0 3. Voor een voldoende ventilatie in het ruim of op het ladingdek dient te worden zorggedragen door circulatie van verse lucht, ter vermijding van gevaren voor de gezondheid ten gevolge van uitlaatgassen, afkomstig van verbrandingsmotoren of van andere bronnen.
relaties0 4. Indien droge bulklading in een ruim of een tussendek wordt geladen of gelost, of indien een werknemer in een stortruimte of storttrechter aan boord moet werken, dienen passende voorzieningen, met inbegrip van veilige ontsnappingsmiddelen, ter beveiliging van personen ter beschikking te worden gesteld.
relaties0
relaties0
Artikel
21
Elke hijs- of hefinrichting, elk deel van het los gerei, alsmede elke strop of elk ander hijsgereedschap dat een integrerend deel van een last vormt, dient:
a.naar behoren te zijn ontworpen en geconstrueerd en van voldoende sterkte te zijn voor het doel waarvoor het is bestemd, in goede staat te worden gehouden en, ingeval het een hijs- of hefinrichting betreft, waar nodig, behoorlijk te zijn opgesteld;
relaties0
b.op een veilige en behoorlijke wijze te worden gebruikt en in het bijzonder niet te worden belast boven de maximale werkbelasting ervan, behalve voor de voorgeschreven beproevingsdoeleinden die geschieden onder toezicht van een bevoegd persoon.
relaties0
relaties0relaties0
Artikel
22
1. Elke hijs- of hefinrichting en elk deel van het los gerei dient beproefd te worden in overeenstemming met de nationale wetgeving door een bevoegd persoon, vóórdat het voor de eerste maal in gebruik wordt genomen en na iedere belangrijke wijziging of herstelling, uitgevoerd aan een onderdeel dat de veiligheid zou kunnen schaden.
relaties0 2. Hijs- of hefinrichtingen die deel uitmaken van de uitrusting van een schip dienen elke vijf jaar ten minste eenmaal opnieuw beproefd te worden.
relaties0 3. Op de wal staande hijs- of hefinrichtingen dienen opnieuw te worden beproefd op de tijdstippen als voorgeschreven door het bevoegde gezag.
relaties0 4. Na voltooiing van iedere beproeving van een hijs- of hefinrichting of deel van het los gerei, verricht in overeenstemming met dit artikel, dient de hijs- of hefinrichting of deel van het los gerei grondig te worden onderzocht door de persoon die de beproeving heeft uitgevoerd; deze dient hiervan een certificaat af te geven.
relaties0
relaties0
Artikel
23
1. Onverminderd de bepalingen van artikel 22, dient iedere hijs- of hefinrichting en ieder deel van het los gerei periodiek grondig te worden onderzocht door een bevoegd persoon. Van dit onderzoek moet deze een certificaat afgeven. Deze onderzoeken dienen ten minste eenmaal in de twaalf maanden plaats te vinden.
relaties0 2. Voor de toepassing van artikel 22, vierde lid en het eerste lid van dit artikel, wordt onder een grondig onderzoek verstaan een gedetailleerde visuele inspectie door een bevoegd persoon, voor zover nodig aangevuld door andere geschikte middelen of maatregelen ten einde tot een betrouwbare conclusie te komen met betrekking tot de veilige werking van de onderzochte inrichting of deel van het los gerei.
relaties0
relaties0
Artikel
24
1. Elk deel van het los gerei dient regelmatig voor het gebruik te worden geïnspecteerd. Voor éénmalig gebruik bestemde stroppen mogen niet opnieuw worden gebruikt. Ingeval van vóór-afgestropte ladingen, dienen de stroppen zo vaak te worden geïnspecteerd als redelijkerwijs uitvoerbaar is.
relaties0 2. Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel wordt onder inspectie verstaan, een visuele inspectie dooreen verantwoordelijk persoon, uitgevoerd met het oog op de beslissing of, voor zover zulks op deze wijze kan worden vastgesteld, het gerei of de strop veilig is om opnieuw te worden gebruikt.
relaties0
relaties0
Artikel
25
1. Naar behoren gewaarmerkte schriftelijke gegevens betreffende de veilige staat van de desbetreffende hijs- of hefinrichtingen en delen van het los gerei dienen naar gelang van de plaats waar deze inrichtingen, onderscheidenlijk deze delen zich bevinden, hetzij aan de wal hetzij aan boord te worden bewaard. Daarin dienen de bedrijfslast, onderscheidenlijk de werklast, alsmede de tijdstippen en de beproevingsresultaten van de in de artikelen 22, 23 en 24 van dit Verdrag bedoelde beproevingen, grondige onderzoekingen en inspecties te worden vermeld, met dien verstande dat, bij inspecties, als bedoeld in artikel 24, eerste lid van dit Verdrag, alleen dan een aantekening behoeft te worden opgemaakt indien deze inspectie een defect aan het licht heeft gebracht.
relaties0 2. Er dient een register van de hijs- of hefinrichtingen en delen van het los gerei te worden bijgehouden. Dit register dient te zijn ingericht overeenkomstig door het bevoegde gezag gestelde regels. Bij de vaststelling van het model dient rekening te zijn gehouden met het door het Internationaal Arbeidsbureau aanbevolen model.
relaties0 3. In het register dienen de door het bevoegde gezag verleende of erkende certificaten of gewaarmerkte afschriften van deze certificaten inzake de beproevingen, grondige onderzoekingen en inspecties inzake hijs- of hefinrichtingen en delen van het los gerei te worden opgenomen. De certificaten moeten de door het bevoegde gezag voorgeschreven vorm hebben, waarbij rekening dient te zijn gehouden met de door het Internationaal Arbeidsbureau aanbevolen modellen.
relaties0
relaties0
Artikel
26
1. Met het oog op de wederzijdse erkenning van regelingen die door Leden die dit Verdrag hebben bekrachtigd, zijn getroffen ten aanzien van beproeving, grondig onderzoek, inspectie en afgifte van certificaten met betrekking tot hijs- of hefinrichtingen en delen van het los gerei, deel uitmakend van de scheepsuitrusting, alsmede de daarop betrekking hebbende, op schrift gestelde gegevens:
a.dient het bevoegde gezag van ieder Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, door haar aangewezen of anderszins erkende bevoegde personen of nationale of internationale instellingen te belasten met het verrichten van beproevingen en/of grondige onderzoekingen en andere daarmede verband houdende werkzaamheden, onder voorwaarden die waarborgen dat de aanwijzing of de erkenning afhankelijk is van een bevredigende wijze van uitvoering van deze taken;
relaties0
b.Leden die dit Verdrag hebben bekrachtigd, dienen de personen of instellingen, aangewezen of anderszins erkend ingevolge het eerste lid onder a van dit artikel, te aanvaarden of te erkennen, of zij dienen wederkerigheidsregelingen aan te gaan met betrekking tot een zodanige aanvaarding of erkenning, in beide gevallen onder voorwaarde dat bedoelde personen of instellingen hun taken op bevredigende wijze ten uitvoer brengen.
relaties0
relaties0 2. Geen enkele hijs- of hefinrichting of deel van het los gerei of andere laad- of losapparatuur mag worden gebruikt indien:
a.het bevoegde gezag op grond van hetzij een certificaat van beproeving of onderzoek, hetzij een gewaarmerkte schriftelijke verklaring, er niet van overtuigd is dat de noodzakelijke beproeving, onderzoeking of inspectie is uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag; of
relaties0
b.naar het oordeel van het bevoegde gezag, het tuig of het gerei niet veilig te gebruiken is.
relaties0
relaties0 3. Het tweede lid van dit artikel dient niet zodanig te worden toegepast, dat dit vertraging bij het laden of lossen van een schip veroorzaakt, indien de daartoe gebruikte uitrusting door het bevoegde gezag voldoende wordt geacht.
relaties0
relaties0
Artikel
27
1. Elke andere hijs- of hefinrichting dan een mast of laadbomen van een schip met slechts één bedrijfslast, onderscheidenlijk werklast en ieder deel van het los gerei dient duidelijk te worden gemerkt met de bedrijfslast, onderscheidenlijk de werklast, door middel van een slagstempel of, ingeval dit niet uitvoerbaar is, door andere geschikte middelen.
relaties0 2. Elk andere hijs- of hefinrichting dan een mast of laadbomen van een schip met meer dan één bedrijfslast, onderscheidenlijk de werklast, dient te zijn voorzien van een doelmatige aanduiding die het de bedienende persoon mogelijk maakt de bedrijfslast, onderscheidenlijk de werklast, bij elke wijze van gebruik vast te stellen.
relaties0 3. Op iedere laadboom van een schip anders dan een mast- of een laadboomkraan dient duidelijk te zijn gemerkt de bedrijfslast, onderscheidenlijk de werklast, die van toepassing is tijdens het gebruik:
c.bij gekoppeld werk met een andere laadboom of blok.
relaties0
relaties0
relaties0
Artikel
28
Ieder schip dient tuigplannen en alle andere daarop betrekking hebbende gegevens aan boord te hebben, die noodzakelijk zijn voor het veilig tuigen van de laadbomen en het bijbehorende gerei.
relaties0relaties0
Artikel
29
Stapelborden en soortgelijke inrichtingen voor het bevatten of dragen van lading dienen stevig te zijn geconstrueerd, van voldoende sterkte te zijn en geen zichtbare gebreken te vertonen die het veilig gebruik ervan zouden kunnen beïnvloeden.
relaties0relaties0
Artikel
30
Lasten mogen niet worden opgelicht of neergelaten, tenzij zij op veilige wijze aan de hijs- of hefinrichting zijn aangeslagen of anderszins bevestigd.
relaties0relaties0
Artikel
31
1. Elke op- en overslagplaats van containers dient zodanig te zijn ingericht en de werkwijze daarin dient zodanig te zijn georganiseerd, dat de veiligheid van de werknemers wordt verzekerd, voor zover dit redelijkerwijs kan worden gevergd.
relaties0 2. Schepen die containers vervoeren, dienen te zijn voorzien van middelen die de veiligheid van de werknemers bij het aanbrengen of verwijderen van de sjorringen van de containers verzekeren.
relaties0
relaties0
Artikel
32
1. Alle gevaarlijke lading dient te worden verpakt, gemerkt en geëtiketteerd, alsmede op- of overgeslagen en gestuwd in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van internationale voorschriften die van toepassing zijn op het vervoer van gevaarlijke goederen te water onderscheidenlijk op de wal, en in het bijzonder op die betreffende de op- en overslag van gevaarlijke goederen in havens.
relaties0 2. Gevaarlijke stoffen mogen niet worden op- of overgeslagen of gestuwd, tenzij zij verpakt en gemerkt of geëtiketteerd zijn in overeenstemming met internationale bepalingen voor het vervoer van dergelijke stoffen.
relaties0 3. Indien verpakkingen of containers die gevaarlijke stoffen bevatten, gebroken of beschadigd zijn en daardoor gevaar opleveren, dient alle havenarbeid in het desbetreffende gebied te worden stilgelegd, met uitzondering van die werkzaamheden welke noodzakelijk zijn om het gevaar op te heffen terwijl de werknemers naar een veilige plaats dienen te worden gebracht, in afwachting van het tijdstip waarop het gevaar is geweken.
relaties0 4. Er dienen maatregelen te worden getroffen om te voorkomen dat werknemers worden blootgesteld aan gevaarlijke gassen, dampen, nevels of giftige stoffen, dan wel dat werknemers zich kunnen bevinden op plaatsen waar zuurstofgebrek of explosiegevaar heerst.
relaties0 5. Indien werknemers een gesloten ruimte moeten bestreden, waarin zich giftige of schadelijke stoffen kunnen bevinden of waarin een tekort aan zuurstof kan heersen, dienen passende maatregelen te worden getroffen ter vermijding van ongevallen of gevaar voor de gezondheid.
relaties0
relaties0
Artikel
33
Er dienen passende voorzorgsmaatregelen te worden getroffen om werknemers te beschermen tegen schadelijke gevolgen van lawaaioverlast op de arbeidsplaats.
relaties0relaties0
Artikel
34
1. In geval afdoende bescherming tegen gevaar voor ongevallen of gevaar voor de gezondheid niet door andere middelen kan worden verzekerd, dienen de werknemers te worden voorzien van de voor de veilige verrichting van hun werkzaamheden noodzakelijke persoonlijke beschuttingsmiddelen en beschermende kleding en zijn zij gehouden deze op de juiste wijze te gebruiken.
relaties0 2. Werknemers dienen zorg te dragen voor deze persoonlijke beschuttingsmiddelen en beschermende kleding.
relaties0 3. De persoonlijke beschuttingsmiddelen en beschermende kleding dienen door de werkgever goed te worden onderhouden.
relaties0
relaties0
Artikel
35
Bij ongevallen dienen voldoende middelen, alsook geoefend personeel, onmiddellijk beschikbaar te zijn voor het redden van in gevaar verkerende personen, voor het verlenen van eerste hulp en voor het afvoeren van gewonden, voor zover dit praktisch uitvoerbaar is en zonder hen verder in gevaar te brengen.
relaties0relaties0
Artikel
36
1. Elk Lid dient door middel van nationale wetgeving of andere passende methoden die in overeenstemming zijn met nationale gebruiken en omstandigheden, en na overleg met de betrokken organisaties van werkgevers en werknemers vast te stellen:
a.voor welke, aan het werk inherente gevaren een voorafgaand medisch onderzoek of een periodiek medisch onderzoek, of beide, nodig is;
relaties0
b.rekening houdend met de aard en mate van de gevaren en de bijzondere omstandigheden, het maximale tijdsverloop tussen elk periodiek medisch onderzoek;
relaties0
c.in gevallen waarin werknemers als gevolg van hun beroep aan bijzondere gevaren ten aanzien van de gezondheid worden blootgesteld, de omvang van noodzakelijk geachte speciale onderzoekingen;
relaties0
d.passende maatregelen voor de instelling van bedrijfsgezondheidsdiensten voor werknemers.
relaties0
relaties0 2. Alle medische en overige speciale onderzoekingen verricht, ingevolge het eerste lid van dit artikel, zullen voor de werknemer geen kosten met zich medebrengen.
relaties0 3. De uit de medische en overige speciale onderzoekingen verkregen gegevens dienen vertrouwelijk te worden behandeld.
relaties0
relaties0
Artikel
37
1. Veiligheids- en gezondheidscommissies, waarin ook vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers zijn opgenomen dienen te worden ingesteld in iedere haven waar een aanzienlijk aantal werknemers werkzaam is. Deze commissies dienen tevens, waar nodig, te worden ingesteld, in andere havens.
relaties0 2. De instelling, samenstelling en taken van dergelijke commissies moeten worden bepaald door de nationale wetgeving of andere passende methoden die in overeenstemming zijn met nationale gebruiken en omstandigheden, na overleg met de betrokken organisaties van werkgevers en werknemers en rekening houdend met plaatselijke omstandigheden.
relaties0
relaties0
Artikel
38
1. Een werknemer mag slechts havenarbeid verrichten indien hij in voldoende mate is onderricht of een opleiding heeft ontvangen met betrekking tot de potentiële gevaren die aan zijn werkzaamheden zijn verbonden, en met betrekking tot de voornaamste voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen.
relaties0 2. Een hijs- of hefinrichting of andere laad- en losinrichting mag slechts worden bediend door een persoon die ten minste 18 jaar is en de nodige bekwaamheden en ervaring bezit, of door een persoon die in opleiding is en onder behoorlijk toezicht staat.
relaties0
relaties0
Artikel
39
Ten einde bij te dragen tot het voorkomen van bedrijfsongevallen en beroepsziekten, dienen maatregelen te worden getroffen om te verzekeren dat deze aan het bevoegde gezag worden gemeld en, waar nodig, worden onderzocht.
relaties0relaties0
Artikel
40
In overeenstemming met de nationale wetgeving of nationale gebruiken, dient op elk haventerrein een voldoend aantal toereikende en geschikte sanitaire voorzieningen en wasvoorzieningen te worden verschaft en naar behoren onderhouden, waar mogelijk binnen een redelijke afstand van de arbeidsplaats.
relaties0relaties0 relaties0
DEEL
V
SLOTBEPALINGEN
Artikel
43
Dit Verdrag herziet het Verdrag betreffende bescherming tegen ongevallen van arbeiders, werkzaam bij het laden en lossen van schepen, 1929, en het Verdrag betreffende bescherming tegen ongevallen havenarbeiders (herzien), 1932.
relaties0relaties0
Artikel
44
De officiële bekrachtigingen van dit Verdrag worden medegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem geregistreerd.
relaties0relaties0
Artikel
45
1. Dit Verdrag is slechts verbindend voor de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie die hun bekrachtigingen door de Directeur-Generaal hebben doen registreren.
relaties0 2. Het treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop de bekrachtigingen van twee Leden door de Directeur-Generaal zijn geregistreerd.
relaties0 3. Vervolgens treedt dit Verdrag voor ieder Lid in werking twaalf maanden na de datum waarop zijn bekrachtiging is geregistreerd.
relaties0
relaties0
Artikel
46
1. Ieder Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, kan het opzeggen, na afloop van een termijn van tien jaar na de datum waarop het Verdrag in werking is getreden, door middel van een aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau gerichte en door deze geregistreerde verklaring. De opzegging wordt eerst van kracht een jaar na de datum waarop zij is geregistreerd.
relaties0 2. Ieder Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd en binnen een jaar na afloop van de termijn van tien jaar als bedoeld in het vorige lid geen gebruik maakt van de bevoegdheid tot opzegging bedoeld in dit artikel, is voor een nieuwe termijn van tien jaar gebonden en kan daarna dit Verdrag opzeggen na afloop van elke termijn van tien jaar op de voorwaarden, voorzien in dit artikel.
relaties0
relaties0
Artikel
47
1. De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau stelt alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie in kennis van de registratie van alle bekrachtigingen en opzeggingen die hem door de Leden van de Organisatie zijn medegedeeld.
relaties0 2. Bij de kennisgeving aan de Leden van de Organisatie van de registratie van de tweede hem medegedeelde bekrachtiging, vestigt de Directeur-Generaal de aandacht van de Leden van de Organisatie op de datum waarop dit Verdrag in werking treedt.
relaties0
relaties0
Artikel
48
De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau doet aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties mededeling, ter registratie in overeenstemming met artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties, van de volledige bijzonderheden omtrent alle bekrachtigingen en opzeggingen die hij overeenkomstig de bepalingen van de voorgaande artikelen heeft geregistreerd.
relaties0relaties0
Artikel
49
De Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau brengt, telkens wanneer deze dit noodzakelijk acht, aan de Algemene Conferentie verslag uit over de toepassing van dit Verdrag en onderzoekt of het wenselijk is een gehele of gedeeltelijke herziening van dit Verdrag op de agenda van de Conferentie te plaatsen.
relaties0relaties0
Artikel
50
1. Indien de Conferentie een nieuw Verdrag aanneemt, houdende gehele of gedeeltelijke herziening van dit Verdrag, zal, tenzij het nieuwe Verdrag anders bepaalt:
a.bekrachtiging door een Lid van het nieuwe Verdrag, houdende herziening, ipso jure onmiddellijke opzegging van dit Verdrag ten gevolge hebben, niettegenstaande het bepaalde in artikel 46, onder voorbehoud evenwel dat het nieuwe Verdrag, houdende herziening, in werking is getreden;
relaties0
b.met ingang van de datum waarop het nieuwe Verdrag, houdende herziening, in werking is getreden, dit Verdrag niet langer door de Leden kunnen worden bekrachtigd.
relaties0
relaties0 2. Dit Verdrag blijft echter naar vorm en inhoud van kracht voor de Leden die het hebben bekrachtigd en die het nieuwe Verdrag, houdende herziening, niet bekrachtigen.
relaties0
relaties0
Artikel
51
De Engelse en de Franse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk gezaghebbend.
relaties0relaties0 relaties0