Onderwerp: Bezoek-historie

2j Leidraad lassen
Geldigheid:19-01-2026 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Begrippen en meest gebruikte normen voor lassen en lassers

NEN-EN-ISO 9606 series

Quality testing of welders – Fusion welding

Part 1: Steels

Part 2: Aluminum and aluminum alloys

Part 3: Copper and copper alloys

Part 4: Nickel and nickel alloys

Part 5: Titanium and titanium alloys, zirconium and zirconium alloys

NEN-EN-ISO 15614 series

Specification and qualification of welding procedures for metallic materials – Welding procedures test

Part 1: Arc and gas welding of steels and arc welding of nickel and nickel alloys

Part 2: Arc welding of aluminum and its alloys

Part 3: Fusion welding of non-alloyed and low-alloyed cast irons

Part 4: Finishing welding of aluminum castings

Part 5: Arc welding of titanium, zirconium and their alloys

Part 6: Arc welding of copper and its alloys

Part 7: Overlay welding

Part 8: Welding of tubes to tube-plate joints

Part 9: Underwater hyperbaric wet welding

Part 10: Hyperbaric dry welding

Part 11: Electron and laser beam welding

Part 12: Spot, seam and projection welding

Part 13: withdrawn

Part 14: Laser-arc hybrid welding of steels, nickel and nickel alloys

NEN-EN-ISO 5817:2023

Welding

Fusion-welded joints in steel, nickel, titanium and their alloys (beam welding excluded) - Quality levels for imperfections

NEN-EN-ISO 2553:2019

Welding and allied processes

Symbolic representation on drawings - Welded joints

NEN-EN-ISO 17635:2025

Non-destructive testing of welds

General rules for metallic materials

ACCP

ASNT Central Certification Program

(ASNT 9712 Level II Certification: Foundational Credential)

ASME

American Society of Mechanical Engineers

(The American Society of Mechanical Engineers - ASME)

ASNT

American Society for Nondestructive Testing

(ASNT: Advancing Nondestructive Testing for a Safer World)

AWS

American Welding Society

(American Welding Society | Welding Certifications, Courses & Resources for Welding Professionals)

CSA

Canadian Standards Association

(Welding Industry - CSA Group)

Lasprocesnummers

Lasprocesnummers, ook wel bekend als lasaanduidingen, spelen een essentiële rol in de wereld van lassen. Ze worden gebruikt om specifieke informatie over een lasproces te communiceren, zodat lasprofessionals begrijpen welke technieken, materialen en procedures moeten worden toegepast. De norm NEN-EN-ISO 4063:2023 regelt het toekennen van unieke procesnummers bestaande uit twee of drie cijfers om internationaal de basisprocessen voor lassen, snijden en solderen te identificeren.

Bijvoorbeeld:

Lasproces 13: Gasbooglassen met smeltende elektrode

Lasproces 131: Gasbooglassen met massieve draad en inert gasbescherming (MIG-lassen)

Lasproces 132: Gasbooglassen met gevulde draad en inert gasbescherming (MIG-lassen)

Lasproces 133: Gasbooglassen met metaalgevulde draad en inert gasbescherming (MIG-lassen)

Lasproces 135: Gasbooglassen met massieve draad en actieve gasbescherming (MAG-lassen)

Lasproces 136: Gasbooglassen met gevulde draad en actieve gasbescherming (MAG-lassen)

Lasproces 138: Gasbooglassen met metaalgevulde draad en actief gasbescherming (MAG-lassen)

VDEh

Association of German Steel Manufacturers 

(Stahlinstitut VDEh - Forschungsvereinigung Stahlanwendung)

B1.10M/B1.10:2016 GUIDE FOR THE NONDESTRUCTIVE EXAMINATION OF WELDS

1. Toepassingsgebied

Alle vissersvaartuigen. Vissersvaartuigen <75 meter vallen onder de regels van ILT waar deze leidraad qua materiaal en lasvoorschriften onderdeel van is of er kan gekozen worden voor de regels van een erkend klassenbureau. Vissersvaartuigen ≥75 meter vallen onder de regels van een erkend klassenbureau.

Bij nieuwbouw / verbouw / reparatie van:

Romp, uitrusting en aangehangen systemen

Anker

Ankerlier en kettingstoppers

Openingen en afdichtingen

Waterdichte deuren en luiken

Ramen, zijluiken en dakramen

Hijs- en hefwerktuigen

Kranen (veiligheid gerelateerde constructieonderdelen zoals kraanarmen, kraanhuizen, kraankolommen,

funderingen, hydraulische cilinders voor hefwerktuigen en beweegbare inrichtingen, evenals voor telescopische kraangieken, lagers, schroeven voor draaikransen, dragende onderdelen van losse uitrusting, assen, liertrommels, lierframes, enz.)

Kranen (veilige bediening gerelateerde componenten zoals hydraulische cilinders voor zwenkmechanismen, fittingen, laterale windverstevigingen, kabelschijven, hijsogen)

Accessoires zoals haken, blokken, sluitingen, wartels, ringen, kettingen, klauwen, klemmen etc.

Tewaterlatingsmiddelen

Accommodatie ladders en gangway

Roterende uitrusting

Motoren, fundatie, druklager

Cilinderblok, cilinderkop, uitlaatklep, krukas contragewicht

Turbocompressor en turbines

Aandrijfassen inclusief as voor elektrische aandrijfmotor

Tandwielen en andere kracht overbrengende onderdelen

Leidingsysteem

Stuurmachine

Helmstok

Gelaste onderdelen van roeractuatoren, kleppen voor stroomleidingen, flenzen en fittingen en alle componenten van de stuurinrichting die mechanische krachten overbrengen op de roerkoning

2. Materialen en types (voor de specifieke eisen zie Annex I. Normenkader statutair)

De te gebruiken lasmethode hangt af van:

- de te verbinden legering;

- de vorm van de componenten (plaat, pijp, profiel, etc.); 

- de kwaliteits- en sterkte-eisen; 

- de beschikbaarheid van apparatuur en gecertificeerd personeel; 

- de mate van mechanisatie;

- de omgevingscondities (temperatuur, luchtvochtigheid, luchtstroming).

Voor elektrisch lassen is een stroombron nodig die een lage spanning bij een hoge stroomsterkte kan leveren. Om een hoge stroom te krijgen, zet de lasmachine hoogspanning met middelhoge stroom om in laagspanning met hoge stroom.

Welk lasproces je gebruikt is afhankelijk van verschillende factoren, zoals plaatdikte, materiaal en werkomstandigheden bijvoorbeeld. Waar bij lasprocessen als TIG-lassen en elektrode lassen gebruik wordt gemaakt van een constante stroomsterkte, wordt er bij MIG/MAG lassen gebruik gemaakt van een constante spanning en van een gelijkstroom. Ook wordt er bij het MIG/MAG lassen gebruik gemaakt van een continue draadaanvoer. Deze draad functioneert zowel als elektrode en als afsmeltend toevoegmateriaal.

Lasmaterialen worden onderverdeeld in groepen, afhankelijk van de sterkte van het toevoegmateriaal, overeenkomend met de sterkte van de te lassen staalsoort.

De toepasselijke groepen zijn:

— staalsoorten met normale sterkte

— staalsoorten met hoge sterkte

— staalsoorten met extra hoge sterkte

— staalsoorten voor ketels en drukvaten

— staalsoorten voor lage temperaturen

— roestvast staal

— aluminiumlegeringen

MAG (Metal Active Gas – hetzelfde als CO2 lassen) – hierbij wordt gebruik gemaakt van een actief gas wat dient als beschermgas en bestaat vaak uit koolstofdioxide en zuurstof die effect hebben op het smeltbad. Er wordt gebruik gemaakt van een constante spanning.

MIG (Metal Inert Gas)– hierbij wordt gebruik gemaakt van inerte gassen zoals argon, helium of een mengsel hiervan. Bij MIG lassen wordt gebruik gemaakt van een constante draadaanvoer die aangevoerd wordt via de lastoorts. De lasdraad functioneert hierbij als elektrode. Er wordt gebruik gemaakt van een constante spanning.

Een belangrijk nadeel van MIG/MAG lassen is dat het vrijwel onmogelijk is om in de buitenlucht te lassen. Dit komt, omdat het beschermgas door wind of tocht nog onvoldoende bescherming geeft. Verder komt er bij het MIG/MAG lassen veel lasrook vrij. Tegelijkertijd is dit het meest toegepaste lasproces voor de scheepsbouw en de scheepsreparatie. Omgaan met tocht/wind wordt gedaan door afscherming (kleedje, steiger e.d.) en het debiet van het beschermgas te verhogen. Als lasapparatuur periodiek wordt gekeurd vindt er ook controle plaats van het debiet van het beschermgas. De gasinstellingen staan ook vermeld in de WPS.

TIG (Tungsten Inert Gas) – hierbij wordt gebruik gemaakt van wolfraam (Engels: tungsten) en inert gas, meestal argon maar soms ook helium. Hierbij is de elektrode niet afsmeltend en wordt het toevoegmateriaal handmatig toegevoegd. De lassnelheid is vrij laag en er komt weinig lasrook vrij.

Autogeen lassen – wordt niet meer zo vaak toegepast als vroeger. Het wordt nog veel toegepast in de verwarmingsindustrie voor het lassen van leidingen. Ook aan boord van schepen, afhankelijk van het materiaal en de uitvoering (bijv. geen flenzen). Net zoals bij het TIG lasproces gebruikt de lasser twee handen. Nu alleen niet voor de TIG toorts maar voor de brander.

OP-lassen = Onderpoederlassen (Submerged Arc Welding) – wordt altijd toegepast om platen onderling te verbinden. Dan rijdt een karretje over de naad en wordt onder hoge stroom en spanning gelast, waarbij het poeder de slak vormt. Het overtollige poeder wordt afgezogen en de slak komt los, vergelijkbaar met een elektrode.

BMBE (Booglassen Met Beklede Elektrode = SMAW Shielded Metal Arc Welding)hierbij wordt gebruik gemaakt van een afsmeltende elektrode; er komt geen beschermgas bij, want dat zit in de bekleding van de elektrode. Er wordt gebruik gemaakt van een constante stroom. Deze methode wordt het veel gebruikt onder allerlei omstandigheden inclusief bij onderwater lassen. Er zijn drie typen elektroden: basisch, rutiel en cellulose.

De mogelijke booglasprocessen zijn kortsluitbooglassen (short arc welding), sproeibooglassen (spray arc welding) en pulsbooglassen (pulsed arc welding).

Bij het kortsluitbooglassen wordt er vaak gebruik gemaakt van lasdraad met een diameter van 0,8mm tot 1,2mm in combinatie met een lage voltage en een lage lasstroom. De lasdraad moet contact maken met het werkstuk en kan daarbij 20 tot 200 keer per seconde 'kortsluiting' maken. Op deze manier ontstaat er een klein smeltbad, wat zich goed leent voor het lassen van dunne platen en het lassen in lastige posities. Door het verhogen van het voltage en de lasstroom verandert het boogtype en zal er bij hoge stromen een sproeiboog ontstaan. Hierbij kan er gebruik gemaakt worden van een iets dikkere draad, maar ontstaat er ook een groter smeltbad. Om deze reden kan er met deze techniek niet boven het hoofd gelast worden.

2.1 Lasprocedure

De lasprocedure maakt ook onderscheid tussen Full Penetration (FP) lassen en 'normale' lassen. Hoog belaste elementen en huid moet bijvoorbeeld FP worden gelast. Hierbij moet bijvoorbeeld terug gegutst worden tot de grondlaag en dan weer opgebouwd worden om volledige doorlassing te krijgen.

2.2 Definities

Dubbel doorlopende las

Double continuous weld

Een doorlopende las die aan beide zijden van een verbinding wordt aangebracht. Het gaat dus om twee continu uitgevoerde lassen langs dezelfde naad: één aan de bovenkant en één aan de onderkant (of aan beide flanken bij een hoekverbinding).

  • De las is ononderbroken over de volledige lengte van de verbinding.

  • De las wordt tweezijdig uitgevoerd.

  • Het doel is een symmetrische, sterkere en stijvere verbinding.

  • Deze configuratie vermindert vervorming en verdeelt spanningen gelijkmatiger.

Continue hoeklas

Continuous fillet welding

Bij een continue hoeklas loopt de las ononderbroken over de volledige lengte van de verbinding.
Deze methode geeft een gelijkmatige sterkte en wordt toegepast wanneer de constructie continu belast wordt of wanneer afdichting vereist is.

Hoeklas

Fillet weld

Verbindt twee delen die onder een hoek ten opzichte van elkaar staan, meestal haaks. De las heeft een driehoekige doorsnede en wordt aangebracht in de binnenhoek van de delen.

Intermitterende hoeklas

Intermittent fillet welding

Bij een intermitterende hoeklas bestaat de las uit afzonderlijke lasstukken met tussenruimten.
Dit wordt toegepast om materiaal, lastijd en warmte-inbreng te beperken, wanneer een continue las niet noodzakelijk is voor de sterkte.

Ketting lassen (of kettingvormend intermitterend lassen)

Chain welding

Een vorm van intermitterend lassen waarbij de lasstukken aan beide zijden van een verbinding recht tegenover elkaar liggen.
Deze methode zorgt voor een symmetrische belasting van de constructie.

Schulpvormig lassen (of schulpvormend intermitterende hoeklas)

Scallop welding

Lassen met lasuitsparingen (lasholletjes).

Drie gebruikelijke redenen zijn:

  • het garanderen van een goede laskwaliteit tussen het lijf en de flens

  • het verminderen van de laslengte en plaatvervorming

  • het creëren van afvoer- of ontluchtingsgaten

Slotlas

Slot weld

Een las die wordt aangebracht in een sleuf of langwerpig gat in een plaat, waarbij de plaat wordt vastgelast aan een onderliggend deel.

Slotlassen worden gebruikt om schuifkrachten op te nemen of als alternatief voor boutverbindingen, met name bij overlappende platen. Ook wordt dit gebruikt om een afgesloten constructie deel welke van binnen hol is (bijvoorbeeld een roer) af te sluiten.

Stuiklas

Butt weld

Een lasverbinding waarbij twee delen in hetzelfde vlak tegen elkaar aan liggen. De las wordt aangebracht in de voeg tussen de delen.
Stuiklassen worden toegepast wanneer een doorgaande, sterke verbinding nodig is, bijvoorbeeld bij platen of profielen die één geheel moeten vormen. Vaak is een lasvoorbewerking nodig, zoals een V- of X-naad, om voldoende doorlassing te krijgen. Wanneer twee platen van verschillende dikte aan elkaar worden verbonden, kan er een verloop worden vereist, zodat de platen ter plekke van de las, even dik zijn.

Verspringend lassen

Staggered welding

De lasstukken liggen aan weerszijden van de verbinding niet tegenover elkaar, maar ze zijn ze versprongen.
Dit vermindert vervorming door warmte en verdeelt de spanningen gelijkmatiger.

V-las (een stuiklas met een v-vormige voorbewerking – ook wel v-naad of stuiklas met v-naad)

V-groove weld

De randen van de te verbinden delen zijn onder een hoek afgeschuind, zodat een V-vormige voeg ontstaat. Deze voeg wordt volledig opgevuld met lasmetaal.

Een V-las wordt toegepast wanneer de plaatdikte te groot is om zonder voorbewerking voldoende doorlassing te bereiken. De V-vorm maakt het mogelijk om de las in meerdere lagen aan te brengen en zorgt voor een sterke, doorgaande verbinding.

Volledige doorlassing

Full penetration weld

Een las waarbij het materiaal volledig door de hele dikte van de verbinding is doordrongen door de las. Dat betekent dat er geen ongefuseerde zones overblijven tussen de twee delen die aan elkaar worden gelast.

In praktijk houdt dit in:

  • De las gaat door het volledige materiaal heen.

  • De verbinding heeft een hoge sterkte en is geschikt voor constructies waar veiligheid en belasting kritisch zijn.

  • De las wordt vaak gecontroleerd met niet-destructieve testen, zoals röntgenonderzoek of ultrasoon onderzoek, om te bevestigen dat de volledige penetratie is bereikt.

Dit type las wordt veel gebruikt in scheepsbouw, drukvaten, pijpleidingen en andere toepassingen waar een maximale betrouwbaarheid nodig is.

Leg length

De lengte van elk been van een hoeklas, gemeten vanaf de hoek tot het uiteinde van de las. De leg length bepaalt hoe groot het contactoppervlak is en hoeveel kracht de las kan opnemen. De leg length moet meestal voldoen aan de specificaties in de lasnorm of het constructieontwerp (bijvoorbeeld ISO 2553 of EN 1993).

Te kort → onvoldoende sterkte.

Te lang → kan overmatig materiaalgebruik en spanningsconcentraties geven.

Throat thickness

De kortste afstand van de lasoppervlakte naar de binnenhoek van de las. Dit is de effectieve dikte van het lasmateriaal dat de belasting draagt. Dit bepaalt de effectieve sterkte van de las onder trek- of schuifbelastingen.

Vaak wordt de throat thickness berekend als:

a = 0,7 × leg length

voor een ideale hoeklas van 45°.

De norm kan een minimumwaarde voorschrijven afhankelijk van het materiaal, de belasting en de laspositie.

2.3 Lasposities, lassymbolen en lasverbindingen

De laspositie is bepalend voor het draad en de certificering:

PA: Hoeklas onder de hand (ook wel vlaklassen genoemd).

PB: Hoeklas uit de zij.

PC: V-las horizontaal uit de zij.

PD: Hoeklas boven het hoofd.

PE: V-las boven het hoofd.

PF: Hoeklas of V-las verticaal opgaand.

PG: Hoeklas of V-las verticaal aflopend.

H-L045: Buis onder 45 graden, las van beneden naar boven.

J-L045: Buis onder 45 graden, las van boven naar beneden.

De afkortingen geven de richting van de lasnaad aan ten opzichte van de zwaartekracht. Bijvoorbeeld, PA betekent dat de lasnaad horizontaal is en van bovenaf wordt gelast, terwijl PF betekent dat de lasnaad verticaal is en van beneden naar boven wordt gelast. 

Deze codes worden gebruikt in lastekeningen en specificaties om duidelijk aan te geven in welke positie een las moet worden uitgevoerd. Dit is cruciaal voor het waarborgen van de kwaliteit en veiligheid van de lasverbinding. 

3. Onderhoud door externen en certificering

- Als er een lasfout is dient de las veelal hersteld te worden. Hier zijn procedures voor. In de basis zou het lasonderzoek uitgebreid moeten worden naar weerszijde van de fouten zeker als deze uit de foto 'loopt' (het kan voorkomen dat er fouten in zitten die wel zijn toegestaan – zie classificatie lasfouten). Anders reparatie van een groter stuk. Vervolgens opnieuw laten onderzoeken. Ook kijken naar de basis van de fout en hoe die is ontstaan; aanhechting, gas nesten, high/low, scheur.

- Als de bestaande las door mechanische schade is gesleten tot op de dikte van het moeder materiaal (pitting/ galvanische werking) dient de las uitgeslepen/uitgegutst en opnieuw opgelast te worden.

- De lasapparatuur moet minstens 1x per jaar gekeurd worden.

- Werf of reparatieplaats waar reparatie en/of nieuwbouw plaatsvindt moet gecertificeerde lassers hebben, gekeurd materiaal, WPS en gekeurde WPQR.

- Voorschrift van IACS is dat lasprocedures beschikbaar zijn op locatie.

3.1 Lasdiploma / Lasserskwalificatie (LK)

Beginnende lasser (MBO 1)

Basislasser (MBO 2)

Allround lasser (MBO 3)

Technicus service en onderhoud werktuigbouw (MBO 4)

Lasdiploma's kunnen behaald worden in TIG, MIG, MAG, BMBE of Autogeen lassen.

Het lasdiploma is een leven lang geldig, maar de lasser moet wel elke 2 jaar zijn lasserskwalificatie verlengen (punt 9.3 volgens EN-ISO 9606-1) door het leggen van twee lassen die vervolgens worden beproefd met radiografisch of ultrasoon onderzoek of destructief onderzoek. Bij een klassenbureau is dit een voorwaarde om aan een schip te mogen lassen. Werven gebruiken het lasonderzoek aan de schepen meteen voor het verlengen van de lasserscertificaten, door bij te houden wie wat gelast heeft.

3.2 Opleidingen

Alle lasdiploma's worden afgegeven door en de opleidingsinstituten staan onder toezicht van het Nederlands Instituut voor Lastechniek (NIL - Home - Nederlands Instituut voor Lastechniek).

Volgens de EN-ISO 3834/EN 1090 normering moeten lassers een geldige LK - lasserskwalificatie (= Welder Performance Qualification - WPQ) hebben.

LMB – Lasmethodebeschrijving (WPS – Welder Procedure Specification – de WPS vertelt hoe er gelast moet worden)

Op dit WPS- of LMB document staan de verschillende eigenschappen van de laswerkzaamheden. Het gaat hierbij onder meer om het materiaal dat wordt gebruikt, de gehanteerde laspositie, de instellingen van de machine (zoals ampèrage, voltage, draadsnelheid), of er enkel- of meerlaags gelast wordt en wat voor type lasverbinding het betreft. WPS zegt ook iets over de bouw van de lagen, aantal, root base etc. Ook dient de WPS te worden voorzien van een technische tekening, die aangeeft hoe de las eruit moet komen te zien. Meestal stelt de lastechnicus of lascoördinator dit document op, maar het kan ook een externe partij zijn.

LMK – Lasmethodekwalificatie (WPQR – Welding Procedure Qualification Record – de WPQR is de verslaglegging van het lassen en de beproeving van de uitgevoerde lassen (aan de hand van een proefstuk) door het laboratorium)

WPS wordt gebaseerd op de LMK, LMK is het overkoepelende certificaat.

3.3 Certificeren onder ISO en ASME

Wanneer je je als bedrijf of lasser wil laten certificeren voor bepaalde processen of werkzaamheden, betreft het in de regel kwalificaties onder de Europese normering.

Bij levering in Europa: gecertificeerd conform de NEN-EN-ISO normen.

Bij levering buiten Europa: conform ASME

De beoordeling van de lasfoto's is ook op basis van de gekozen norm ISO of ASME. Dit moet van tevoren worden vastgesteld.

4. Eisen klasse

Berekenen sterkte las volgens de regels van een erkend klassenbureau (Artikel 1 Besluit erkende organisaties Schepenwet).

De constructeur stelt de lastabel op. Een lastabel is een tabel waarin staat welke maximale belasting (last) een onderdeel, constructie of hulpmiddel veilig kan dragen.

De ILT keurt de lastabel.

4.1 Continue hoeklassen

- externe en natte structuren

- waterdichte, oliedichte en weerbestendige verbindingen

- grenzen van weerbestendige dekken en opstellingen, inclusief luikhoofden, accommodatie en andere openingen

- grenzen van tanks en waterdichte compartimenten

- alle structuren in tanks en laadruimten, behalve bij brandstoftanks (dan zijn onderbroken lassen voldoende)

- verstijvers en primaire ondersteunende elementen bij tanks

- alle structuren in de achterpiektank en verstijvingen en primaire ondersteunende elementen van het achterpiekschot

- alle structuren in de voorpiek

- alle overlappingslassen in de romp

- eindverbindingen van pijlers

- alle verbindingen in het roer

- funderingen en ondersteunende constructies voor machines

4.2 Onderbroken lassen van verstijvers en spanten (welding code III)

- Droge ruimtes

- Tanks voor brandstof

4.3 Dubbel continue lassen (welding code I)

- Knieën

- Spanten ter plaatse van knieën

- Stijlen zonder knie

- Stutten

- Laswerk buiten

- Landen

- Stuiken

- Stringers

- Dekbalken

- Wrangen

4.4 Kettinglassen

- Bodemwrangen

- Bodemspanten

- Spanten met de huid

- Dekbalk met dek

- Langsdrager met dek

- Schotstijlen

5. Tekeningenkeur

- Beoordeling lasbaarheid materiaal

- Lastabel

- Certificaten van materieel (lasmachine, elektrodes)

- Afmetingen, gewicht, type product, naam schip waarvoor het product bedoeld is (indien bekend)

- Productiemethode, type staal en chemische samenstelling aangetoond met een certificaat van de staalfabrikant (zie EN 10204)

- Warmtebehandeling of andere behandelingen van het staal (hoe, wanneer en door wie uitgevoerd)

- Lasonderzoek/lasfoto's (niet-destructief; NDO) inclusief bewijs van testmethode en kwaliteitscontrole door erkend bedrijf

- Geldige certificaten van de lassers geschikt voor de gebruikte lastechniek en laspositie

6. Voorbereiding inspectie en de inspectie aan boord

6.1 RI&E

De gevaren en de voorschriften voor het lassen moeten zijn beschreven in de RI&E van het schip als er door de bemanning wordt gelast.

Gevaren van lassen / veiligheidsrisico's en gezondheidsrisico's

- Brand

- Explosie

- Verstikking door zuurstoftekort of gaslekkage van de apparatuur

- Spatgevaar van metalen

- Vuurvonken

- Schade aan de ogen (lasogen door het hoge percentage ultraviolette straling van het felle licht veroorzaakt door de lasboog en infrarood licht dat staar kan veroorzaken)

- Elektrische schokken

- Brandwonden

- Inademen van schadelijke gassen (lasrook – mengsel van zwevende gassen, dampen en fijne deeltjes1 – dit kan leiden tot oog- en huidirritatie, metaaldampkoorts, keelpijn, misselijkheid of hoofdpijn – de grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling is vastgesteld op 1 mg/m3 lucht)

- Gehoorschade (als het geluidsniveau boven de 80 dB komt moet er gehoorbescherming zijn)

6.2 Benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen

Zie NEN-EN-ISO 11611:20152

- Helm3

- Lasmasker, lasschild of lashelm

- Vlamvertragende hoofdbescherming

- Vlamvertragende laskleding

- Lasschort en beenkappen

- Lashandschoenen

- Adembescherming

- Werkschoenen

- Gehoorbescherming

6.3 Andere mogelijke maatregelen ter voorkoming of beperking veiligheids- en gezondheidsrisico's

6.3.1 Werkplek

- Lasafzuiging

- Ventilatie

- Lasgordijnen en/of lasschermen

- Lasparasols bij buitenwerk

- Lasdekens ter voorkoming van brandgevaar

- Brandblusser met geschikt blusmiddel

- Controle op beschadiging aansluitkabels

- Op juiste wijze verlengen van laskabels

- Goed ventileren van de ruimte alvorens en tijdens er gelast wordt

- Gasflessen stevig vastgezet op een karretje dat gemakkelijk verplaatst kan worden. Op een werf of een reparatieplaats wordt dit vaak opgelost met een ringleiding voor het gas, waardoor er alleen een slang aan de lasbron gekoppeld is, die buiten de sectie blijft staan of aan dek. Vervolgens wordt de lasbundel meegenomen de sectie in.

- Opgeruimd en goede hygiëne

- Veiligheidsinstructie

6.3.2 Lasser

- Lashelm met verse lucht systeem; of

- Onafhankelijk ademluchtapparaat; of

- Toortsafzuiging bestaat ook, wordt niet heel vaak toegepast vanwege de wat onhandige toorts.

Tijdens het lassen moet er iemand in de buurt van de lasser zijn om te assisteren bij een noodgeval en als brandwacht.

6.4 Lasonderzoek: Niet-destructief Onderzoek (NDT) en Destructief Onderzoek (DT)

Deze technieken kunnen defecten identificeren en beoordelen en de eigenschappen van allerlei soorten materialen en structuren onderzoeken zonder schade aan te richten.

- Niet-destructieve onderzoeken worden uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de bouwer/fabrikant.

- De NDO-dienstverlener die een professionele dienst levert, heeft schriftelijke procedures geïmplementeerd voor training, ervaring, opleiding, examen, certificering, uitvoering, toepassing, controle, verificatie en rapportage van NDO (NDT procedure). De klassensurveyor dient op verzoek bewijs hiervan te ontvangen. Lasonderzoeker moet over het juiste niveau beschikken en heeft een kwaliteit handboek waarbij geverifieerd moet worden dat een en ander onderzocht wordt volgens de laatste procedure voor het betreffende onderzoek.

- De testoperators moeten gecertificeerd zijn volgens ISO 9712:2022, ASNT ACCP of gelijkwaardig, en voldoende gekwalificeerd zijn voor deze taak. De klassensurveyor wordt indien gevraagd voorzien van bewijs hiervan.

- Indien vereist, wordt de klassensurveyor de mogelijkheid geboden om bij niet-destructieve testen aanwezig te zijn.

- NDO-rapporten moeten worden ondertekend door de NDO-operator die de test uitvoert. Productiepersoneel mag hun eigen werk niet inspecteren.

NDO lasonderzoeksrapport romp altijd door erkend bedrijf aangewezen door een erkend klassenbureau volgens door het klassenbureau vastgestelde procedures.  

Lasonderzoek 'Tanks and Bounderies' afname in samenspraak met en door klassensurveyor ILT.

6.4.1 Niet-Destructief Onderzoek (NDO)

Testen is vaak een combinatie als UT/MT. MT voor eventuele oppervlakte scheuren en UT voor in de las. Voordeel van UT is dat je het altijd kan uitvoeren omdat er geen straling is waar men aan wordt blootgesteld.

Een ander voordeel van UT is dat er sneller een groot deel van de las kan worden onderzocht ten opzichte van bijvoorbeeld RT.

Voor het beoordelen van de kwaliteit van lassen worden de ondergenoemde methodes gebruikt:

6.4.2 Uitwendig oppervlakte onderzoek

Visuele inspectie (VT) – VT wordt uitgevoerd vóórdat er een andere NDO wordt uitgevoerd

Magnetisch onderzoek (MT) - Ook wel magnetisch scheuronderzoek, maakt gebruik van een magnetisch veld om oppervlaktefouten en ondiepe subsurface-fouten in ferromagnetische materialen zichtbaar te maken. Waar mogelijk moeten beide zijden van de lassen worden getest.

Wervelstroom testen (ECT - Eddy Current Testing) - Maakt gebruik van elektromagnetische inductie om fouten en materiaaleigenschappen te beoordelen. Een spoel met wisselstroom wekt een magnetisch veld op. Dit veld veroorzaakt wervelstromen in het materiaal. Verstoringen in deze wervelstromen – door scheuren, corrosie, slijtage of materiaaleigenschappen – veranderen het signaal dat de meetapparatuur registreert. ECT werkt alleen op elektrisch geleidende materialen (zoals staal, aluminium, koper en nikkel). Het materiaal hoeft niet ferromagnetisch te zijn.

Penetrant onderzoek (PT) -Oppervlakteonderzoek dat open scheuren en poriën zichtbaar maakt met behulp van een vloeibare kleur- of fluorescerende stof. De methode werkt op vrijwel alle materialen, zolang de fout aan het oppervlak open is.Waar mogelijk moeten beide zijden van de lassen worden getest.

Tanks and boundaries

- Tank persen of

- Vacuümbox testen als alternatief voor tank persen tests. De test wordt uitgevoerd door een vacuümbox met een rubberen afdichting en een kijkvenster over een ingesmeerde las (meestal met zeepsop) te plaatsen en een vacuüm te trekken. Als er belletjes ontstaan, wijst dit op een lek. 

6.4.3 Inwendige conditie

Ultrasone techniek (UT) - mag niet worden uitgevoerd op lassen met een dikte < 8 mm. De ultrasone moet worden gebruikt voor lashoeken kleiner dan 15°. Als alternatief kunnen geavanceerde ultrasone testtechnieken, zoals TOFD (Time of Flight Differential) of PAUT (Phased Array Ultrasonic Testing), worden toegepast.

Radiografisch onderzoek (RT) - Voor radiografisch onderzoek wordt een röntgenbron gebruikt. Radiografisch onderzoek (RT) kan worden vervangen door ultrasoon onderzoek en vice versa. TOFD wordt ook toegepast, dat combineert RT met US en kan direct worden afgelezen. Ook hoeft niet een deel van een schip te worden ontruimd, zoals bij X-ray.

Lektesten (LT)

Voor de voorwaarden zie NEN-EN-ISO 3059 (penetrant en magnetisch), NEN-EN-ISO 9934 series (magnetisch), NEN-EN-ISO 23278 (magnetisch), NEN-EN-ISO 13018:2016 (visueel), NEN-EN 10160:1999 (ultrasoon), ISO 16810:2024 (ultrasoon), NEN-EN-ISO 20769 (radiografisch).

Voor hoeklassen zijn de volgende onderzoeksmethoden geschikt: MT, PT, LT

Voor stuiklassen zijn de volgende onderzoeksmethoden geschikt: oppervlakte MT, PT

inwendige RT, UT

Zie tevens NEN-EN-ISO 17635:2025

6.4.4 Destructief Onderzoek (DO)

Bij DO wordt vastgesteld door bepaalde krachten uit te oefenen op de lasverbinding getest of deze kwalitatief deugt. Hierbij kun je denken aan trekproeven, breekproeven, of spanningsproeven.

7. Afkeurwaarden

Zie NEN-EN 10163 series

Visuele gebreken (zichtbare fouten)

Insluitingen

Restanten van slak, poriën, gas- of luchtinsluitingen tussen laslagen

Incorrecte lasrichting of laspositie

Volgens de specificatie

Onder- of oververhoging

Te dunne of te dikke las. Niet binnen tolerantie

Onjuist lasprofiel

Te hoog, te laag, onvoldoende overlappend.

Onvoldoende doorlassing

Geen volledige verbinding bij een doorlassing

Overmatige vervorming

Van het werkstuk door het lassen

Scheuren

Elke vorm van scheurvorming: warm, koud, krimpscheuren

Spatten of lasneerslag (zijn geen lasfouten, wel zaken die moeten worden verwijderd na het lassen, voor het conserveren.)

Overmatig lasspatten buiten het lasgebied

Verbrandingen inbrandfouten

Slechte of geen versmelting met de grondlaag of vorige laag

Verontreinigingen

Op het oppervlak voor het lassen, zoals roest, vet of verf

Na chippen of slijpen van het staal, moet er tenminste 80% van de originele staaldikte over blijven. Hierna kan er weer opgelast worden.

Annex I. Normenkader statutair

Internationaal

International Maritime Organization

Resolution MEPC.147(54)

24 March 2006

Guidelines on the assessment of residual fillet weld between deck plating and longitudinals

Resolution MEPC.210(63)

2 March 2012

2012 Guidelines for safe and environmentally sound ship recycling

MSC.1/Circ. 1175/Rev.1

9 December 2020

Revised Guidance on Shipboard towing and mooring equipment

International Association of Classification Societies (IACS)

Rec 47 Rev10 CLN

No. 20 Non-destructive testing of ship hull steel welds

W28 Welding procedure qualification tests of steels for hull construction and marine structures

No. 104 Qualification scheme for welders of steels

EU Richtlijnen

(EU) 2022/2110

11 oktober 2022

tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies, voor de ferrometaalverwerkende industrie 

Verordening (EU) 2016/425

9 maart 2016

betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen

ISO normen lassen

Voor de belangrijkste normen zie onder 'Begrippen en meest gebruikte normen voor lassen en lassers'

Nationaal

Vissersvaartuigenbesluit (vissersvaartuigen <24 meter)

Hoofdstuk 2. Constructie, waterdichte indeling en uitrusting

Vissersvaartuigenbesluit 2002 (vissersvaartuigen ≥ 24 meter)

Hoofdstuk 2. Constructie, waterdichte indeling en uitrusting

Arbeidsomstandighedenbesluit

Artikel 3.4. Elektrische installaties

Artikel 3.5. Elektrotechnische, bedienings- en andere werkzaamheden aan of nabij een elektrische installatie

Artikel 3.5g. Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie

Artikel 3.15. Markering gevaarlijke plaatsen

Artikel 3.17. Voorkomen gevaar door voorwerpen, producten, vloeistoffen of gassen

Artikel 3.29. Elektrische installaties en leidingen

Artikel 3.34. Gevaar voor explosie

Artikel 4.2. Nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie, beoordelen

Artikel 4.4. Arbeidshygiënische strategie

Artikel 4.5. Ventilatie

Artikel 7.1. Arbeidsmiddelen buiten gebruik

Artikel 7.2. Arbeidsmiddelen met een CE-markering

Artikel 7.2a. Definitie keuring

Artikel 7.3. Geschiktheid arbeidsmiddelen

Artikel 7.4. Deugdelijkheid arbeidsmiddelen en ongewilde gebeurtenissen

Artikel 7.4a. Keuringen

Artikel 7.5. Montage, demontage, onderhoud, reparatie en reiniging van arbeidsmiddelen

Artikel 7.6. Deskundigheid werknemers

Artikel 7.7. Veiligheidsvoorzieningen in verband met bewegende delen van arbeidsmiddelen

Artikel 7.8. Verlichting

Artikel 7.9. Hoge en lage temperatuur

Artikel 7.10. Alarmsignalen

Artikel 7.11. Loskoppelen arbeidsmiddel

Artikel 7.11a. Voorlichting

Artikel 8.3. Beschikbaarheid en gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen

Artikel 8.4. Algemene vereisten veiligheids- en gezondheidssignalering

Temperatuur, luchtverversing, verlichting, lawaai, trillingen, straling

Regeling vissersvaartuigen

§ 3. Voorschriften voor elektrisch lassen

Artikel 3.1, Artikel 3.2, Artikel 3.3

Wat zegt de wet over werken met lasrook? | Lasrook | Arboportaal

Bekendmaking aan de Zeevisvaart

BadS 328/2001 Voorschriften betreffende elektrisch lassen - Netherlands Regulatory Framework (NeRF) – Maritime

Naar boven