Paragraaf
3.1
Algemene bepalingen
Artikel
3.1.1
Afgifte vaarbevoegdheidsbewijs
1. Een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie als bedoeld in
artikel 23, eerste en tweede lid, van de wet wordt door Onze Minister afgegeven indien de aanvrager met de daarvoor benodigde kennisbewijzen, bekwaamheidsbewijzen, beroepseisen of diensttijd aantoont ten minste te voldoen aan de minimumeisen voor de betreffende functie:
a.genoemd in
paragraaf 3.2 voor zover het functies betreft aan boord van een zeeschip, niet zijnde een zeilschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT of een vissersvaartuig;
relaties0
relaties0 2. Een kennisbewijs als bedoeld in het eerste lid of bekwaamheidsbewijs voor de zeilvaart mag ten hoogste 4 jaar voor de afgifte van het aangevraagde vaarbevoegdheidsbewijs zijn afgegeven.
relaties0 3. Een kennisbewijs of bekwaamheidsbewijs voor de zeilvaart dat meer dan 4 jaar geleden is afgegeven geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs nadat de aanvrager met goed gevolg een bij ministeriële regeling vast te stellen test als bedoeld in sectie A-1/11, onderdeel 3, van de STCW-code heeft afgerond.
relaties0
relaties0
Artikel
3.1.2
Geldigheid vaarbevoegdheidsbewijs
1. Een vaarbevoegdheidsbewijs, met uitzondering van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een gezel, is geldig tot ten hoogste vijf jaar na de datum van afgifte.
relaties0 2. Een vaarbevoegdheidsbewijs voor een gezel is onbeperkt geldig.
relaties0 3. Een vaarbevoegdheidsbewijs waarvoor de aanvraag tot vernieuwing uiterlijk 3 maanden voor de vervaldatum van het betreffende vaarbevoegdheidsbewijs wordt ingediend, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar na de vervaldatum.
relaties0
relaties0
Artikel
3.1.3
Vernieuwen vaarbevoegdheidsbewijs
1. Een vaarbevoegdheidsbewijs wordt vernieuwd indien de houder diensttijd heeft opgedaan in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie waarvoor een vaarbevoegdheidsbewijs is vereist en die door de houder op grond van de aan hem toegekende bevoegdheden mocht worden vervuld, gedurende ten minste:
a.12 maanden in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing; of
relaties0
b.3 maanden in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing.
relaties0
relaties0 2. Bij ministeriële regeling wordt voor een vaarbevoegdheidsbewijs aangegeven in welke functie of functies de vereiste diensttijd moet zijn opgedaan om in aanmerking te komen voor vernieuwing, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende criteria:
a.aan boord van welke categorieën zeeschepen de diensttijd moet zijn opgedaan;
relaties0
b.aan boord van welke grootte, klasse of het voortstuwingsvermogen van zeeschepen de diensttijd moet zijn opgedaan, en
relaties0
c.welke diensttijd, niet opgedaan aan boord van zeeschepen, in aanmerking wordt genomen.
relaties0
relaties0 3. In afwijking van het eerste lid kan de diensttijd in een andere, bij ministeriële regeling vastgestelde, daarmee vergelijkbare functie worden vervuld.
relaties0 4. De bevoegdheden op een te vernieuwen vaarbevoegdheidsbewijs worden op verzoek van de aanvrager gewijzigd indien de aanvrager aantoont ten minste te beschikken over de daarvoor benodigde kennisbewijzen, beroepseisen of diensttijd.
relaties0
relaties0
Artikel
3.1.4
Vernieuwen vaarbevoegdheidsbewijs bij onvoldoende diensttijd
1. Een vaarbevoegdheidsbewijs of een aanvulling daarop die niet op grond van
artikel 3.1.3 door Onze Minister kan worden vernieuwd, wordt op verzoek vernieuwd indien de houder voorafgaand aan de aanvraag:
a.gedurende ten minste 3 maanden aaneengesloten diensttijd heeft opgedaan voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie boven de sterkte voor zover de geldigheid van het te vernieuwen vaarbewijs niet langer dan 5 jaar is verstreken als bedoeld in sectie A-1/11, onderdeel 5, eerste zinsnede, van de STCW-code;
relaties0
b.gedurende ten minste 3 maanden aaneengesloten diensttijd heeft opgedaan voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van Onze Minister relevante maar lagere functie dan waarvoor zijn ongeldig geworden vaarbevoegdheidsbewijs gold voor zover de geldigheid van het te vernieuwen vaarbewijs niet langer dan 5 jaar is verstreken en in de 30 maanden direct voor het verstrijken van het vaarbevoegdheidsbewijs ten minste 6 maanden diensttijd is opgedaan als bedoeld in sectie A-1/11, onderdeel 5, tweede zinsnede, van de STCW-code;
relaties0
relaties0 2. Onze Minister geeft op verzoek een tijdelijk vaarbevoegdheidsbewijs af ten behoeve van het opdoen van de diensttijd, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
relaties0
relaties0
Artikel
3.1.5
Verloren gegaan vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs
1. Een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs dat verloren is gegaan kan door Onze Minister tegen betaling worden vervangen door een duplicaat, waarvan de einddatum overeenkomt met de einddatum op het originele document.
relaties0 2. Indien de aanvrager van een duplicaat aanspraak kan maken op vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs, wordt hem desgevraagd met inachtneming van
artikel 3.1.1 het vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs afgegeven.
relaties0
relaties0
Artikel
3.1.6
Vaarbevoegdheidsbewijs als geautomatiseerd bestand
1. Een vaarbevoegdheidsbewijs kan op verzoek met gebruikmaking van een bij ministeriële regeling vast te stellen format voor een geautomatiseerd bestand worden afgegeven.
relaties0 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de in
artikel 3.1.1 genoemde bescheiden als geautomatiseerde bestanden.
relaties0
relaties0
Artikel
3.1.7
Beperkingen of aanvullingen vaarbevoegdheidsbewijs
1. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke beperkingen of aanvullingen mogen worden aangebracht op een vaarbevoegdheidsbewijs in verband met de aard van de lading, het soort zeeschip, het brutotonnage, het voortstuwingsvermogen, het type voortstuwing, de scheepslengte of het vaargebied.
relaties0 2. Onverminderd het eerste lid kunnen op een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de handelsvaart of zeilvaart dan wel in de zeevisvaart in elk geval de aanvullingen en beperkingen worden opgenomen die bij die functie zijn vermeld in de
paragrafen 3.2 tot en met 3.4.
relaties0 3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald op welke wijze de in het eerste en tweede lid, genoemde aanvullingen dan wel beperkingen op vaarbevoegdheidsbewijzen worden aangebracht.
relaties0
relaties0
Artikel
3.1.9
Erkenning vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs
1. Onze Minister erkent een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in
artikel 27, eerste lid, van de wet dat op grond van het STCW-verdrag is afgegeven door of namens een bevoegde autoriteit van een Lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en met deze Lidstaat of andere staat een officiële verklaring is opgesteld als bedoeld in artikel 6, tweede lid van richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 2. Onze Minister erkent een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in
artikel 27, eerste lid, van de wet dat op grond van het STCW-verdrag is afgegeven door een bevoegde autoriteit van een staat, niet zijnde een Lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, indien ten aanzien van dat vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs is voldaan aan de criteria, bedoeld in artikel 20, tweede tot en met zesde lid, van richtlijn (EU) 2022/993en met deze andere staat een officiële verklaring is opgesteld als bedoeld in voorschrift I/10 van de bijlage bij het STCW-verdrag.
relaties0 3. Onze Minister erkent een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in
artikel 27, eerste lid, van de wet dat is afgegeven door een bevoegde autoriteit van een staat die partij is bij het STCW F-verdrag, indien wordt voldaan aan de vereisten van bekwaamheid, afgifte en erkenning, bedoeld in voorschrift 7 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
relaties0 4. Onze Minister is bevoegd aan de tot het verstrekken en ontvangen van informatie bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, het STCW-verdrag of het STCW F-verdrag, informatie te verstrekken en van deze te ontvangen omtrent de erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs op grond van het STCW-verdrag of het STCW F-verdrag.
relaties0 5. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke bescheiden worden overlegd bij een aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs.
relaties0
relaties0
Artikel
3.1.10
Vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein of schipper
2. Zeevarenden in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie van eerste stuurman, plaatsvervangend schipper, hoofdwerktuigkundige, tweede werktuigkundige of eerste maritiem officier dat erkend is op grond van
artikel 27, eerste lid, van de wet, nemen voor aanvang van hun dienst aan boord kennis van de voor het in het eerste lid genoemde bekwaamheidsbewijs van belang zijnde maritieme regelgeving. Van deze kennisneming wordt schriftelijk bewijs vastgelegd.
relaties0 3. Bij ministeriële regeling worden de beroepseisen vastgesteld voor de verkrijging van het in het eerste lid genoemde bekwaamheidsbewijs.
relaties0
relaties0
Artikel
3.1.11
Aanvaarding buitenlands vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs
Onze Minister aanvaardt:
a.een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie van gezel dat is afgeven door een staat die als verdragspartij is bij het STCW-verdrag;
relaties0
b.een bekwaamheidsbewijs, niet zijnde een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in
artikel 27, eerste lid, van de wet, dat is afgegeven door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Ruimte of Zwitserland of door een andere staat die verdragspartij is bij het STCW-verdrag.
relaties0
relaties0relaties0 relaties0
Paragraaf
3.2
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening zeeschepen
Artikel
3.2.1
Reikwijdte
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de minimumeisen voor een functie aan boord van een zeilschip van minder dan 500 GT.
relaties0
relaties0
Artikel
3.2.2
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een wachtstuurman van een zeeschip
Een wachtstuurman van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/1, tweede lid, en voorschrift II/3, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.3
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een kapitein of eerste stuurman van een zeeschip
Een kapitein of eerste stuurman van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/2, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.4
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een kapitein of eerste stuurman van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 3.000 GT
Een kapitein of eerste stuurman van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 3.000 GT is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/2, vierde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.5
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een wachtstuurman van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT
Een wachtstuurman van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.6
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een kapitein van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT
Een kapitein van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.7
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een wachtstuurman van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust
1. Een wachtstuurman van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3, vierde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 2. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden verleend van onderdelen van sectie-II/3 van de STCW-code overeenkomstig voorschrift II/3, zevende lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0
relaties0
Artikel
3.2.8
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een kapitein van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust
1. Een kapitein van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 GT dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3, zesde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 2. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden verleend van onderdelen van sectie-II/3 van de STCW-code overeenkomstig voorschrift II/3, zevende lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0
relaties0
Artikel
3.2.9
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een wachtlopend gezel dek die deel uitmaakt van de brugwacht van een zeeschip
Een wachtlopend gezel dek die deel uitmaakt van de brugwacht van een zeeschip met een brutotonnage van 500 GT of meer, is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/4, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.10
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een gekwalificeerd gezel dek van een zeeschip
Een gekwalificeerd gezel dek die deel uitmaakt van de dekdienst van een zeeschip met een brutotonnage van 500 GT of meer, is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/5, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.11
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een wachtwerktuigkundige belast met de machinekamerwacht in een bemande machinekamer, of de aangewezen werktuigkundigen, belast met de wacht in een tijdelijk onbemande machinekamer van een zeeschip
Een wachtwerktuigkundige van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/1, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.12
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een hoofdwerktuigkundige of tweede werktuigkundige van een zeeschip
Een hoofdwerktuigkundige of tweede werktuigkundige van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/2, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.13
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een hoofdwerktuigkundige of tweede werktuigkundige van een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie tot 3.000 kW voortstuwingsvermogen
Een hoofdwerktuigkundige of tweede werktuigkundige van een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie tot 3.000 kW voortstuwingsvermogen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/3, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.14
Beroepseisen door een stoomvoortstuwingsinstallatie aangedreven zeeschip
Een hoofdwerktuigkundige, tweede werktuigkundige of eerste maritiem officier aan boord van een zeeschip voorzien van een stoomvoortstuwingsinstallatie is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs stoomvoortstuwing dat ten minste voldoet aan tabel A-III/1, onderdeel 2, van de STCW-code.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.15
Beroepseisen door een gasturbinevoortstuwingsinstallatie aangedreven zeeschip
Een hoofdwerktuigkundige, tweede werktuigkundige of eerste maritiem officier van een zeeschip voorzien van een gasturbinevoortstuwingsinstallatie is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs gasturbinevoortstuwing dat ten minste voldoet aan tabel A-III/1, onderdeel 3, van de STCW-code.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.16
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een wachtlopend gezel machinekamer die deel uitmaakt van de machinekamerwacht in een bemande machinekamer, of die aangewezen is om dienst te doen belast met de wacht in een tijdelijk onbemande machinekamer van een zeeschip
Een wachtlopend gezel machinekamer die deel uitmaakt van de machinekamerwacht of is aangewezen om dienst te doen in een tijdelijk onbemande machinekamer van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/4, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.17
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een gekwalificeerd gezel machinekamer in een bemande machinekamer of in een tijdelijk onbemande machinekamer van een zeeschip
Een gekwalificeerd gezel machinekamer in een bemande machinekamer of in een tijdelijk onbemande machinekamer van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/5, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.18
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een officier elektrotechniek van een zeeschip
Een officier elektrotechniek van een zeeschip is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/6, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.19
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een gezel elektrotechniek van een zeeschip
Een gezel elektrotechniek van een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 750 kW voortstuwingsvermogen of meer is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift III/7, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.20
Minimumeisen alternatief vaarbevoegdheidsbewijs maritiem officier of eerste maritiem officier van een zeeschip
Een vaarbevoegdheidsbewijs maritiem officier of eerste maritiem officier dat is afgegeven op grond van voorschrift VII/1 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 is gelijkwaardig aan een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie van wachtstuurman, eerste stuurman, kapitein, wachtwerktuigkundige, tweede werktuigkundige of hoofdwerktuigkundige, voor zover dat vaarbevoegdheidsbewijs voldoet aan de eisen voor de desbetreffende, functie, bedoeld in bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.21
Minimumeisen alternatief vaarbevoegdheidsbewijs wachtlopend gezel dek en machinekamer van een zeeschip
Een vaarbevoegdheidsbewijs wachtlopend gezel dek en machinekamer dat is afgegeven op grond van voorschrift VII/1 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 is gelijkwaardig aan een vaarbevoegdheidsbewijs voor een wachtlopend gezel dek of een wachtlopend gezel machinekamer, voor zover dat vaarbevoegdheidsbewijs voldoet aan de eisen voor de desbetreffende, functie, bedoeld in bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.22
Minimumeisen alternatief vaarbevoegdheidsbewijs gekwalificeerd gezel dek en machinekamer van een zeeschip
Een vaarbevoegdheidsbewijs gekwalificeerd gezel dek en machinekamer dat is afgegeven op grond van voorschrift VII/1 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 is gelijkwaardig aan een vaarbevoegdheidsbewijs voor een gekwalificeerd gezel dek of een gekwalificeerd gezel machinekamer, voor zover dat vaarbevoegdheidsbewijs voldoet aan de eisen voor de desbetreffende, functie, bedoeld in bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0relaties0
Artikel
3.2.23
Uitwerking eisen per vaarbevoegdheidsbewijs
Bij ministeriële regeling worden voor elk vaarbevoegdheidsbewijs, genoemd in deze paragraaf, kennisbewijzen, bekwaamheidsbewijzen, diensttijdvereisten en bijzondere of aanvullende beroepseisen vastgesteld waarmee voldaan wordt aan de voor die functie gestelde minimumeisen en die recht geven op een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs voor de betreffende functie.
relaties0relaties0 relaties0
Paragraaf
3.3
Bijzondere beroepseisen bepaalde scheepstypen
Artikel
3.3.1
Bijzondere beroepseisen olie- of chemicaliëntankschip
1. Een zeevarende aan wie speciale taken en verantwoordelijkheden zijn opgedragen met betrekking tot de lading en de daarbij behorende uitrusting van een olie- of chemicaliëntankschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen dat ten minste voldoet aan voorschrift V/1-1, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 2. Een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige, eerste maritiem officier of zeevarende die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het laden, lossen, de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis, de behandeling van de lading, het reinigen van tanks of andere werkzaamheden met betrekking tot de lading van een olietankschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling olietankschepen voor gevorderden dat ten minste voldoet aan voorschrift V/1-1, vierde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 3. Een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige, eerste maritiem officier of zeevarende die rechtstreeks verantwoordelijk is voor het laden, lossen, de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis, de behandeling van de lading, het reinigen van tanks of andere werkzaamheden met betrekking tot de lading van een chemicaliëntankschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling chemicaliëntankschepen voor gevorderden dat ten minste voldoet aan voorschrift V/1-1, zesde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 4. Een in het eerste tot en met derde lid bedoeld bekwaamheidsbewijs van een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige, of eerste maritiem officier wordt op verzoek vernieuwd indien de houder:
a.in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing ten minste 3 maanden heeft dienstgedaan op een bij ministeriële regeling voorgeschreven type tankschip; of
relaties0
b.in bezit is van een bekwaamheidsbewijs ten bewijze van het gevolgd hebben van een passende herhalingstraining die ten minste voldoet aan voorschrift V/1-1 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0
relaties0
relaties0
Artikel
3.3.2
Bijzondere beroepseisen vloeibaargastankschip
1. Een zeevarende aan wie speciale taken en verantwoordelijkheden zijn opgedragen met betrekking tot de lading en de daarbij behorende uitrusting van een vloeibaargastankschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling gastankschepen dat ten minste voldoet aan voorschrift V/1-2, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 2. Een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige, eerste maritiem officier of zeevarende die rechtstreeks verantwoordelijkheid is voor het laden, lossen, de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis, de behandeling van de lading, het reinigen van tanks of andere werkzaamheden met betrekking tot de lading van een vloeibaargastankschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling gastankschepen voor gevorderden dat ten minste voldoet aan voorschrift V/1-2, vierde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 3. Een in het eerste en tweede lid bedoeld bekwaamheidsbewijs van een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige of eerste maritiem officier wordt op verzoek vernieuwd indien de houder:
a.in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing ten minste 3 maanden heeft dienstgedaan op een bij ministeriële regeling voorgeschreven type tankschip; of
relaties0
b.in bezit is van een bekwaamheidsbewijs ten bewijze van het gevolgd hebben van een passende herhalingstraining die ten minste voldoet aan voorschrift V/1-2 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0
relaties0
relaties0
Artikel
3.3.3
Bijzondere beroepseisen passagiersschip
1. Een zeevarende van een passagiersschip die in overeenstemming met zijn functie of werkzaamheden en verantwoordelijkheden vertrouwd is met noodsituaties aan boord van dat passagiersschip, is in het bezit van een schriftelijk bewijs dat hij geoefend is in familiarisatie voor noodsituaties aan boord van passagiersschepen als bedoeld in voorschrift V/2, vijfde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 2. Een zeevarende die in de passagiersruimten van een passagiersschip direct bij de dienstverlening aan passagiers in passagiersruimten is betrokken, is in het bezit van een schriftelijk bewijs dat hij geoefend is in dienstverlening aan passagiers aan boord van dat zeeschip dat ten minste voldoet aan voorschrift V/2, zesde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 3. Een kapitein, officier of zeevarende die in de alarmrol is belast met de hulpverlening aan passagiers van een passagiersschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs dat hij geoefend is in groepsbegeleiding dat ten minste voldoet aan voorschrift V/2, zevende lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 4. Een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige, eerste maritiem officier of zeevarende die in de alarmrol is aangewezen en verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid van passagiers in noodsituaties van een passagiersschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs crisisbeheersing en menselijk gedrag dat ten minste voldoet aan voorschrift V/2, achtste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 5. Een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige, eerste maritiem officier of zeevarende die directe verantwoordelijkheid draagt voor het aan en van boord gaan van passagiers, het laden, lossen of veilig stuwen van de lading of het sluiten van openingen in de romp van een ro-ro-passagierschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs passagiersveiligheid, ladingveiligheid en waterdichtheid van de scheepsromp dat ten minste voldoet aan voorschrift V/2, negende lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 6. Een zeevarende als bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid toont door middel van schriftelijk bewijs, met tussenpozen van niet meer dan 5 jaar, aan:
a.in de voorgaande periode van 5 jaar ten minste 12 maanden dienst te hebben gedaan op een passagiersschip;
relaties0
b.in de voorgaande periode van 6 maanden ten minste 3 maanden dienst te hebben gedaan op een passagiersschip; of
relaties0
c.met goed gevolg te hebben deelgenomen aan een passende herhalingstraining die ten minste voldoet aan voorschrift V/2, vierde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0
relaties0 7. In plaats van een bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs als bedoeld in het vierde of vijfde lid kan worden volstaan met een aantekening van de door de zeevarende gevolgde training in het krachtens
artikel 5, eerste lid, van de wet bij te houden overzicht.
relaties0
relaties0
Artikel
3.3.4
Bijzondere beroepseisen IGF-schip
1. Een zeevarende van een zeeschip dat is onderworpen aan de IGF-code is op passende wijze vertrouwd gemaakt met het zeeschip en de uitrusting als bedoeld in voorschrift V/3, derde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 2. Een zeevarende die is belast met aangewezen veiligheidstaken die verband houden met de zorg voor, het gebruik van of de noodrespons ten aanzien van de brandstof van een zeeschip dat is onderworpen aan de IGF-code, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs basistraining IGF-code dat ten minste voldoet aan voorschrift V/3, vijfde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 3. Een kapitein, hoofdwerktuigkundige, tweede werktuigkundige, werktuigkundige, maritiem officier, eerste maritiem officier of zeevarende die rechtstreeks is belast met de zorg voor en het gebruik van brandstoffen en brandstofsystemen van een zeeschip dat is onderworpen aan de IGF-code, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs gevorderdentraining IGF-code dat ten minste voldoet aan voorschrift V/3, achtste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 4. Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het tweede of derde lid wordt op verzoek vernieuwd indien de houder aantoont dat hij gedurende vijf jaar voorafgaand aan de vernieuwing ten minste drie maanden relevante diensttijd heeft opgedaan of met goed gevolg heeft deelgenomen aan een passende herhalingstraining die voldoet aan voorschrift V/3, elfde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU)2022/993.
relaties0 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten van zeevarenden die varen op een met gas of brandstof met een laag vlampunt aangedreven zeeschip van minder dan 500 GT, niet zijnde een passagiersschip, bedoeld in de IGF-Code.
relaties0
relaties0
Artikel
3.3.5
Bijzondere beroepseisen zeeschip dat in poolwateren vaart
1. Een kapitein, eerste stuurman, wachtstuurman, eerste maritiem officier of maritiem officier van een tankschip of een passagiersschip dat in open polaire wateren vaart is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs basistraining Polar-code, dat ten minste voldoet aan voorschrift V/4, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 2. Een kapitein, eerste stuurman of eerste maritiem officier van een zeeschip dat in andere polaire wateren vaart is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs gevorderdentraining Polar-code, dat ten minste voldoet aan voorschrift V/4, derde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
relaties0 3. Een wachtstuurman of maritiem officier van een zeeschip dat in andere polaire wateren vaart is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs basistraining Polar-code, als bedoeld in het eerste lid.
relaties0 4. Een zeevarende van een zeeschip dat in polaire wateren vaart, is bekend met de apparatuur en de werkprocedures opgenomen in het operationeel handboek polaire wateren, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Polar-code.
relaties0 5. Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste en tweede lid is geldig tot ten hoogste 5 jaar na de datum van afgifte.
relaties0 6. Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt op verzoek vernieuwd indien de houder:
a.in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van vernieuwing ten minste 2 maanden heeft dienstgedaan in een functie waarvoor het bezit van dat bekwaamheidsbewijs;
relaties0
b.ervaring heeft opgedaan in een relevante functie waarbij de opgedane ervaring als gelijkwaardig kan worden beschouwd als bedoeld in sectie A-I/11, onderdeel 4, onderdeel 2, van de STCW-code; of
relaties0
c.met goed gevolg een training voor het bekwaamheidsbewijs heeft afgerond.
relaties0
relaties0
relaties0
Artikel
3.3.6
Icemaster
1. Een zeevarende die op grond van paragraaf 12.3.2 van de Polar-code is belast met de uitvoering van paragraaf 12.3.1 van de Polar-code is ten minste in het bezit van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs als eerste stuurman of eerste maritiem officier voor het zeeschip waarop gevaren wordt en is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs gevorderdentraining Polar-code als bedoeld in
artikel 3.3.5, tweede lid.
relaties0
relaties0
Artikel
3.3.7
Icemaster, tankschip of passagiersschip
1.
Artikel 3.3.5, eerste lid, is niet van toepassing op een kapitein, eerste stuurman, wachtstuurman, eerste maritiem officier of maritiem officier van een tankschip of een passagiersschip, dat in open polaire wateren vaart indien hij tijdens de uitoefening van zijn taken wordt geadviseerd door een zeevarende als bedoeld in
artikel 3.3.6.
relaties0 2.
Artikel 3.3.5, tweede en derde lid, is niet van toepassing op een kapitein, eerste stuurman, wachtstuurman, eerste maritiem officier of maritiem officier van een tankschip of een passagiersschip dat in bergy wateren vaart, indien hij tijdens de uitoefening van zijn taken wordt geadviseerd door een zeevarende als bedoeld in
artikel 3.3.6.
relaties0 3.
Artikel 3.3.5, tweede lid, is niet van toepassing op een kapitein, eerste stuurman of eerste maritiem officier van een tankschip of een passagiersschip dat in andere polaire wateren dan bergy wateren vaart indien hij in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs basistraining Polar-code, als bedoeld in artikel 3.3.5, eerste lid, en hij tijdens de uitoefening van zijn taken wordt geadviseerd door een zeevarende als bedoeld in
artikel 3.3.6.
relaties0
relaties0
Artikel
3.3.8
Icemaster, zeeschip, niet zijnde een tankschip of passagierschip
1.
Artikel 3.3.5, tweede en derde lid, is niet van toepassing op een kapitein, eerste stuurman, wachtstuurman, eerste maritiem officier of maritiem officier van een zeeschip, niet zijnde een tankschip of een passagiersschip dat in andere polaire wateren vaart met een ijsconcentratie van twee tiende of minder, als bedoeld in voorschrift 12.3.2, onderdelen 4 en 5, van de Polar-code indien hij tijdens de uitoefening van zijn taken wordt geadviseerd door een zeevarende als bedoeld in
artikel 3.3.6.
relaties0 2.
Artikel 3.3.5, tweede en derde lid, is niet van toepassing op een kapitein, eerste stuurman of eerste maritiem officier van een zeeschip, niet zijnde een tankschip of een passagiersschip, dat in andere polaire wateren vaart met een ijsconcentratie van meer dan twee tiende, als bedoeld in voorschrift 12.3.2, onderdeel 5, van de Polar-code indien hij tijdens de uitoefening van zijn taken wordt geadviseerd door een zeevarende als bedoeld in
artikel 3.3.6 en hij in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs basistraining Polar-code, als bedoeld in artikel 3.3.5, eerste lid.
relaties0
relaties0
Artikel
3.3.9
Bijzondere beroepseisen hogesnelheidschip
1. Een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige, wachtstuurman, wachtwerktuigkundige, eerste maritiem officier of maritiem officier van hogesnelheidsschip is in het bezit van het bekwaamheidsbewijs type rating HSC-code dat ten minste voldoet aan voorschrift 18.3 van de HSC-code voor het hogesnelheidsschip waarop hij dienstdoet.
relaties0 2. Een zeevarende als bedoeld in het eerste lid toont door middel van schriftelijk bewijs met tussenpozen van niet meer dan 2 jaar aan in de voorgaande periode van 2 jaar ten minste 6 maanden dienst te hebben gedaan aan boord van het in het bekwaamheidsbewijs genoemde hogesnelheidsschip.
relaties0
relaties0
Artikel
3.3.10
Uitwerking eisen per bijzondere beroepseis
Bij ministeriële regeling worden voor elke bijzondere beroepseis genoemd in deze paragraaf bekwaamheidsbewijzen, schriftelijke bewijzen of diensttijdvereisten vastgesteld waarmee voldaan wordt aan de voor die bijzondere beroepseis gestelde minimumeisen en die recht geven op een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs voor die bijzondere beroepseis.
relaties0relaties0 relaties0
Paragraaf
3.4
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening vissersvaartuigen
Artikel
3.4.2
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen
Een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/2 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
relaties0relaties0
Artikel
3.4.3
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen
Een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/1 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
relaties0relaties0
Artikel
3.4.4
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen
Een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/4 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
relaties0relaties0
Artikel
3.4.5
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een schipper en e meteren plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen
Een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
relaties0relaties0
Artikel
3.4.6
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen
Een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/2 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
relaties0relaties0
Artikel
3.4.7
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen
Een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/1 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
relaties0relaties0
Artikel
3.4.8
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen
Een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/4 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
relaties0relaties0
Artikel
3.4.9
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen
Een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
relaties0relaties0
Artikel
3.4.10
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een wachtlopend gezel zeevisvaart
Een wachtlopend gezel zeevisvaart die deel uitmaakt van de brugwacht van een vissersvaartuig is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/4, tweede lid, van de bijlage bij het STCW-verdrag.
relaties0relaties0
Artikel
3.4.11
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een hoofdwerktuigkundige zeevisvaart of tweede werktuigkundige zeevisvaart van een vissersvaartuig met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 3.000 kW voortstuwingsvermogen of meer
Een hoofdwerktuigkundige zeevisvaart of tweede werktuigkundige zeevisvaart van een vissersvaartuig met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 3.000 kW voortstuwingsvermogen of meer is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/5 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
relaties0relaties0
Artikel
3.4.12
Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een hoofdwerktuigkundige zeevisvaart of tweede werktuigkundige zeevisvaart van een vissersvaartuig met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van meer dan 750 kW en minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen
Een hoofdwerktuigkundige zeevisvaart of tweede werktuigkundige zeevisvaart van een vissersvaartuig met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van meer dan 750 kW en minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/5 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
relaties0relaties0
Artikel
3.4.13
Minimumeisen vaarbevoegdheidsbewijs stuurman-werktuigkundige zeevisvaart
Een stuurman-werktuigkundige zeevisvaart is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs stuurman-werktuigkundige zeevisvaart dat ten minste voldoet aan de eisen voor een functie van schipper of stuurman zeevisvaart en een functie als hoofdwerktuigkundige zeevisvaart of tweede werktuigkundige zeevisvaart.
relaties0relaties0
Artikel
3.4.14
Uitwerking eisen per vaarbevoegdheidsbewijs
Bij ministeriële regeling worden voor elke functie, genoemd in deze paragraaf, kennisbewijzen, bekwaamheidsbewijzen, diensttijdvereisten en aanvullende beroepseisen vastgesteld waarmee voldaan wordt aan de voor die functie in paragraaf 3.4 gestelde minimumeisen en die recht geven op een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs voor die functie.
relaties0relaties0 relaties0
Paragraaf
3.6
Nadere regels medische geschiktheid zeevarenden
Artikel
3.6.1
Model van de geneeskundige verklaring zeevaart
Bij ministeriële regeling wordt het model van de geneeskundige verklaring zeevaart vastgesteld.
relaties0relaties0
Artikel
3.6.2
Medisch onderzoek
1. Ten behoeve van de afgifte van een geneeskundige verklaring zeevaart als bedoeld in
artikel 31, eerste lid, van de wet wordt de zeevarende aan een medisch onderzoek onderworpen door een aangewezen of erkende keuringsarts.
relaties0 2. Indien de keuringsarts twijfels heeft omtrent de medische geschiktheid dan wel wanneer in de medische eisen, bedoeld in
artikel 3.6.3, eerste lid, een specialistisch rapport is vereist, verwijst deze arts de zeevarende voor deelonderzoek door naar een specialist.
relaties0 3. Een geneeskundige verklaring zeevaart wordt afgegeven door een keuringsarts die heeft vastgesteld dat de zeevarende voldoet aan de voor die verklaring van toepassing zijnde medische eisen, bedoeld in
artikel 3.6.3, eerste lid.
relaties0 4. Indien de gekeurde zeevarende gebruik wenst te maken van zijn recht om opnieuw te worden onderzocht, wordt hij onderzocht door een op grond van
artikel 32, eerste lid, van de wet als scheidsrechter aangewezen keuringsarts.
relaties0 5. De in dit besluit bedoelde onderzoeken worden verricht door geneeskundigen die niet de behandelend arts of specialist van de zeevarende zijn.
relaties0
relaties0
Artikel
3.6.3
Medische eisen geneeskundige verklaring zeevaart
1. Bij ministeriële regeling worden de medische eisen vastgesteld waaraan een zeevarende moet voldoen om in aanmerking te komen voor een geneeskundige verklaring zeevaart.
relaties0 2. Bij ministeriële regeling worden de procedures en andere voorschriften vastgesteld die in acht worden genomen bij elk van de onderzoeken, bedoeld in
artikel 3.6.2.
relaties0 4. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister aan een zeevarende ontheffing verlenen van één van de medische eisen indien naar zijn oordeel het niet voldoen aan die medische eis de veiligheid niet nadelig beïnvloedt.
relaties0
relaties0
Artikel
3.6.4
Geldigheidsduur geneeskundige verklaring zeevaart
1. Een geneeskundige verklaring zeevaart wordt afgegeven met een geldigheidsduur van ten hoogste twee jaar dan wel een jaar indien het een verklaring met betrekking tot een persoon onder de leeftijd van achttien jaar betreft.
relaties0 2. Op medische gronden kan de keuringsarts een geneeskundige verklaring zeevaart afgeven voor een kortere duur dan die, genoemd in het eerste lid.
relaties0 3. De keuringsarts kan voorts een geneeskundige verklaring zeevaart afgeven voor een beperkt vaargebied dan wel met andere in die verklaring te vermelden beperkingen.
relaties0
relaties0
Artikel
3.6.5
Verklaring keuringsarts
1. De keuringsarts kan de gekeurde zeevarende tijdelijk of blijvend ongeschikt voor de zeevaart verklaren.
relaties0 2. De gekeurde zeevarende is:
a.tijdelijk ongeschikt, indien op medische gronden wordt verwacht dat hij niet langer dan drie jaar voor de zeevaart ongeschikt zal zijn;
relaties0
b.blijvend ongeschikt, indien op medische gronden wordt verwacht dat hij langer dan drie jaar voor de zeevaart ongeschikt zal zijn.
relaties0
relaties0
relaties0
Artikel
3.6.7
Aanwijzing of erkenning keuringsarts
2. Indien het verzoek is ingediend door een geneeskundige die in het buitenland zijn praktijk houdt, vergewist Onze Minister zich van diens vakbekwaamheid.
relaties0 3. Onze Minister gaat niet over tot aanwijzing of erkenning van een geneeskundige indien diens onafhankelijkheid ten opzichte van werkgevers, werknemers of hun organisaties niet gewaarborgd is, of ingeval diens professionele kundigheden, praktijkervaring of beroepsuitrusting naar zijn oordeel ontoereikend zijn.
relaties0 4. Bij het besluit van Onze Minister over de aanwijzing of erkenning worden het aantal al aangewezen of erkende geneeskundigen en de spreiding over het land in relatie tot de regionale of plaatselijke behoefte in aanmerking genomen.
relaties0 5. De aanwijzing of erkenning als keurend arts wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste vijf jaar.
relaties0 6. De aangewezen of erkende keuringsarts is verplicht de door Onze Minister aangewezen nascholingscursussen te volgen. De kosten van deelname komen voor rekening van de betrokken keuringsarts.
relaties0 7. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanwijzing en de erkenning van geneeskundigen als keurend arts voor de scheepvaart.
relaties0
relaties0
Artikel
3.6.8
Intrekken aanwijzing of erkenning keuringsarts of medisch scheidsrechter
Onze Minister trekt een aanwijzing of erkenning in indien de keuringsarts of medisch scheidsrechter:
a.de algemeen geldende medische of ethische normen niet in acht neemt;
relaties0
c.valse of vervalste verklaringen heeft afgegeven;
relaties0
e.onder curatele is gesteld wegens geestelijke stoornis;
relaties0
f.anderszins niet meer gerechtigd is de geneeskunst uit te oefenen;
relaties0
g.een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend;
relaties0
h.diens onafhankelijkheid ten opzichte van werkgevers, werknemers of hun organisaties niet langer gewaarborgd is;
relaties0
i.een te gering aantal keuringen heeft verricht om door praktische ervaring zijn bekwaamheid als keuringsarts op peil te houden, of
relaties0
j.heeft verzuimd een voor hem aangewezen nascholingscursus te volgen.
relaties0
relaties0relaties0
Artikel
3.6.9
Geneeskundige verklaring zeevaart op basis ander onderzoek
1. De Medisch Adviseur Scheepvaart kan op verzoek aan een zeevarende die in het bezit is van een verklaring die gebaseerd is op een ander medisch geneeskundig onderzoek dan bedoeld in
artikel 3.6.2, eerste lid, een geneeskundige verklaring zeevaart afgeven.
relaties0 2. De geneeskundige verklaring zeevaart wordt alleen afgegeven als:
a.de zeevarende voldoet aan medische eisen die naar zijn oordeel gelijkwaardig zijn aan het geheel van de op grond van
artikel 6.3.6, eerste lid, vastgestelde medische eisen;
relaties0
b.de verklaring die gebaseerd is op een ander medisch onderzoek niet langer dan twee jaar voor het verzoek is afgegeven.
relaties0
relaties0
relaties0 relaties0