Onderwerp: Bezoek-historie

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Regeling houdende nadere regels met betrekking tot de veiligheid en certificering van in Nederland geregistreerde zeeschepen, alsmede regels met betrekking tot de veiligheid van buitenlandse schepen in Nederlandse wateren (Regeling veiligheid zeeschepen)
De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 12, 22, 32, 46, 48, eerste lid, 51, 54, 58 en 65 van het Schepenbesluit 2004, de artikelen 5, eerste lid, 26e, tweede lid, en 26f van de Schepenwet en de artikelen 3, eerste lid, 7, eerste lid, en 11, tweede lid, van de Wet buitenlandse schepen, op richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113), alsmede op de in artikel 1 van deze regeling genoemde Codes, richtlijnen en verordeningen;

Besluit:

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. In deze regeling wordt verstaan onder:
    • besluit: Schepenbesluit 2004;
    • Caribisch-Nederlands schip: een schip dat op grond van de Vaartuigenwet 1930 BES is geregistreerd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
    • Caribische handelszone: de Caribische handelszone (Caribbean Trading Area) als omschreven in de CCSS-Code;
    • CCSS-Code: de in het kader van het op 9 februari 1996 te Barbados tot stand gekomen Memorandum van overeenstemming inzake toezicht op schepen door de havenstaat vastgestelde Code voor de veiligheid van vrachtschepen waarmee reizen worden ondernomen in het Caribisch gebied (Code of Safety for Caribbean Cargo Ships);
    • Code on Alerts and Indicators 2009: de bij resolutie A.1021(26) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code betreffende de alarmering en indicatoren;
    • DSC-Code: de bij resolutie A.373(X) van de Algemene Vergadering van de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (IMCO) van de Verenigde Naties aangenomen Code voor de veiligheid van dynamisch ondersteunde schepen (Dynamically Supported Craft Code);
    • EmS-Gids: de bij circulaire MSC/Circ.1025 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Noodmaatregelen en -procedures voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd (Emergency response procedures for ships carrying dangerous goods; EmS Guide);
    • FTP-Code 2010: de bij resolutie MSC.307(88) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Code inzake beproevingsprocedures voor brandwerendheid (International Code for Application of Fire Test Procedures, 2010);
    • geregelde dienst: reeks oversteken van een ro-ro-passagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig ten behoeve van het verkeer tussen dezelfde twee of meer havens, of een reeks reizen van en naar dezelfde haven zonder tussenliggende aanloophavens, welke plaatsvinden:
      • (i)volgens een gepubliceerde dienstregeling; ofrelaties0
      • (ii)met een zodanige regelmaat of frequentie dat zij een herkenbare systematische reeks vormen;relaties0
    • Hogesnelheidsoffshoredienstschip: hogesnelheidsvaartuig als omschreven in voorschrift X/1.3. van het SOLAS-verdrag voor het vervoer van meer dan 12 industrieel personeel als bedoeld in Resolutie MSC.418(97), niet zijnde een passagiersschip.
    • Houtvaartcode: de bij resolutie A.715(17) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor het veilig vervoer van deklast hout (Code of Safe Practice for Ships Carrying Timber Deck Cargoes);
    • IMDG-Code: de bij resolutie MSC.122(75) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale Maritieme Code inzake gevaarlijke stoffen (International Maritime Dangerous Goods Code);
    • IMSBC-Code: de bij resolutie MSC.268(85) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale Maritieme Code voor het vervoer van vaste lading in bulk (International Maritime Solid Bulk Cargoes Code);
    • Industrieel personeel: personen die met een schip worden getransporteerd of aan boord van het schip worden geaccommodeerd ten behoeve van het verrichten van offshore industriële activiteiten aan boord van andere schepen of offshore installaties als bedoeld in artikel 1 van de annex bij Resolutie MSC.418(97);
    • IS-Code: de bij resolutie A.749(18) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code inzake de stabiliteit in onbeschadigde toestand voor alle scheepstypen waarvoor IMO-voorschriften bestaan (Intact Stability Code);
    • IS-Code 2008: de bij resolutie MSC.267(85) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale Code betreffende de stabiliteit in onbeschadigde toestand 2008 (Intact Stability Code, 2008);
    • LY2-Code: de bij Circular letter nr. 2950 van 23 maart 2009 bij de IMO genotificeerde Grote Commerciële Jachten Code (Large Commercial Yacht Code);
    • LY3-Code: de bij GISIS Equivalent nr. XQ7989 van 13 april 2016 bij de IMO genotificeerde Grote Commerciële Jachten Code (The Large Commercial Yacht Code);
    • minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
    • MODU-Code 1979: de bij resolutie A.414(XI) van de Algemene Vergadering van de IMCO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting van verplaatsbare offshore booreenheden 1979 (Mobile Offshore Drilling Units Code, 1979);
    • MODU-Code 1989: de bij resolutie A.649(16) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting van verplaatsbare offshore booreenheden 1989 (Mobile Offshore Drilling Units Code, 1989);
    • MODU-Code 2009: de bij resolutie A.1023(26) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting van verplaatsbare offshore booreenheden 2009 (Mobile Offshore Drilling Units Code, 2009);
    • Offshoredienstschip: schip voor het vervoer of de accommodatie van meer dan 12 industrieel personeel als bedoeld in Resolutie MSC.418(97), niet zijnde een hogesnelheidsvaartuig;
    • Offshore industriële activiteiten: constructie, onderhoud of bediening van offshore installaties gerelateerd aan onder meer, maar niet beperkt tot exploratie, de energiesector, aquacultuur, mijnbouwwerkzaamheden op zee of soortgelijke activiteiten als bedoeld in artikel 3 van de annex bij Resolutie MSC.418(97);
    • resolutie A.468(XII)-maatregelen: bij resolutie A.468(XII) van de Algemene Vergadering van de IMO voorgeschreven maatregelen ter beperking van geluidhinder aan boord van schepen (Code on noise levels on board ships);
    • resolutie A.673(16): de bij resolutie A.673(16) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Richtlijnen voor het vervoer en de behandeling van beperkte hoeveelheden gevaarlijke en schadelijke vloeistoffen in bulk door offshore ondersteuningsschepen (Guidelines for the transport and handling of limited amounts of hazardous and noxious liquid substances in bulk on offshore support vessels);
    • resolutie MSC.235(82): de bij resolutie MSC.235(82) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Richtlijnen voor het ontwerp en de bouw van offshore bevoorradingsschepen (2006) (Guidelines for the design and construction of offshore supply vessels, 2006);
    • Resolutie MSC.418(97): de bij resolutie MSC.418(97) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen interim aanbevelingen voor het veilig vervoer van meer dan 12 industrieel personeel met schepen waarmee internationale reizen worden ondernomen (Interim recommendations on the safe carriage of more than 12 industrial personnel board vessels engaged on international voyages, 2016);
    • richtlijn 92/29/EEG: richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113);
    • richtlijn 98/41/EG: richtlijn nr. 98/41/EG van de Raad van 18 juni 1998 inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen (PbEG L 188);
    • richtlijn 1999/5/EG: richtlijn nr. 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (PbEG L 91);
    • richtlijn 2003/25/EG: richtlijn nr. 2003/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 april 2003 betreffende specifieke stabiliteitsvereisten voor ro-ro-passagiersschepen (PbEU L 123);
    • richtlijn 2009/45/EG: richtlijn nr. 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (PbEU L 163);
    • richtlijn 2014/90/EU: richtlijn nr. 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van richtlijn 96/98/EG van de Raad (PbEU L 257);
    • richtlijn (EU) 2017/2110: richtlijn (EU) 2017/2110 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad (PbEU L 315);
    • ruimten voor machines: ruimten als bedoeld in voorschrift II-2/3, onderdeel 30, van het SOLAS-verdrag;
    • ruimten voor machines van categorie A: ruimten als bedoeld in voorschrift II-2/3, onderdeel 31, van het SOLAS-verdrag;
    • schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen: schip dat wordt gebezigd voor het stelselmatig aan boord nemen van drenkelingen, en dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels als pleziervaartuig of vrachtschip de vlag van het Koninkrijk voert;
    • SCV-Code: de in februari 2001 onder auspiciën van de IMO opgestelde en bij circulaire SLS.14/Circ.396, als voor het Koninkrijk der Nederlanden geldende equivalente regeling, aangemelde Code voor de veiligheid van kleine commerciële schepen waarmee reizen worden ondernomen in het Caribisch gebied (Code of Safety for Small Commercial Vessels);
    • SPS-Code: de bij resolutie A.534(13) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor de veiligheid van schepen voor bijzondere doeleinden (Special Purpose Ships Code);
    • SPS-Code 2008: de bij resolutie MSC.266(84) van de Maritieme Veiligheidscommissie aangenomen Code voor de veiligheid van schepen met bijzondere doeleinden 2008 (Special Purpose Ships Code, 2008);
    • STCW-Code: de Code inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van zeevarenden, behorend bij het STCW-Verdrag (Trb. 1996, 249);
    • uitvoeringsverordening scheepsuitrusting: uitvoeringshandeling van de Europese Commissie betreffende de vereisten met betrekking tot het ontwerp, de constructie en de prestaties van en de beproevingsnormen voor de scheepsuitrusting, als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van richtlijn 2014/90/EU;
    • verjaardatum: een met de vervaldatum corresponderende dag en maand van elk jaar dat gelegen is tussen de datum van afgifte en de vervaldatum van een certificaat;
    • verordening (EG) 725/2004: verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129);
    • verordening (EG) 336/2006: verordening (EG) nr. 336/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 februari 2006 inzake de implementatie van de Internationale Veiligheidsmanagementcode in de Gemeenschap en tot intrekking van verordening (EG) nr. 3051/95 van de Raad van de Europese Unie (PbEU L 64).
    relaties0
  • 2. Voor de toepassing van deze regeling worden onder industrieel personeel begrepen personen die:
    • a.16 jaar of ouder zijn, enrelaties0
    • b.in het bezit zijn van een geldig certificaat basisveiligheid als bedoeld in artikel 8.30 van de Regeling zeevarenden of het geldig certificaat:
      • i.Basic Safety Training afgegeven volgens de industriestandaard van de Global Wind Organisation (GWO);relaties0
      • ii.Basic Offshore Safety Introduction and Emergency Training afgegeven volgens de industriestandaard van de Offshore Petroleum Industry Training Organisation (OPITO); ofrelaties0
      • iii.Offshore Safety Introduction and Emergency Response Training afgegeven volgens de industriestandaard van de Netherlands Oil and Gas Exploration and Production Association (NOGEPA);relaties0
      relaties0
    • c.een familiarisatietraining hebben gevolgd in overeenstemming met artikel 40, vijfde lid, van het Besluit zeevarenden;relaties0
    • d.bekend zijn met de relevante werkprocedures aan boord van het schip;relaties0
    • e.zijn uitgerust met op de reis afgestemde, geschikte persoonlijke veiligheidsmiddelen, enrelaties0
    • f.in het bezit zijn van een geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart in overeenstemming met artikel 40, tweede lid, van de Wet zeevarenden of een daaraan gelijkwaardige geneeskundige verklaring afgeven volgens de industriestandaarden van:
      • i.Oil and Gas UK (OGUK);relaties0
      • ii.Netherlands Oil and Gas Exploration and Production Association (NOGEPA); ofrelaties0
      • iii.Norwegian Oil and Gas Association;relaties0
      relaties0
    • g.voldoen aan de van toepassing zijnde herhalingsverplichtingen van het Besluit zeevarenden dan wel die van de industriestandaarden.relaties0
    relaties0
relaties0

Artikel 2 Bouwdatum van een schip

  • 1. Als bouwdatum van een schip wordt aangemerkt de dag waarop de kiel van het schip is gelegd, dan wel de dag waarop met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke Codes, resoluties of richtlijnen is bepaald, een met de kiellegging vergelijkbaar stadium is bereikt. Artikel 2, tweede lid, van het besluit is van overeenkomstige toepassing.relaties0
  • 2. Vanaf de bouwdatum, bedoeld in het eerste lid, wordt een termijn van zes jaren gesteld voor de oplevering van het betreffende schip.relaties0
  • 3. Bij overschrijding van de termijn, bedoeld in het tweede lid, wordt als bouwdatum van het betreffende schip aangemerkt de datum zes jaren eerder dan de dag waarop het betreffende schip is opgeleverd.relaties0
  • 4. Indien naar het oordeel van de minister sprake is van bijzondere omstandigheden kan afgeweken worden van het derde lid.relaties0
  • 5. Als datum waarop een schip is opgeleverd wordt aangemerkt de datum van eerste afgifte van:relaties0
relaties0

Artikel 3 Toepassingsbereik

Deze regeling is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing op schepen die op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren en op Caribisch-Nederlandse schepen.

relaties0relaties0
relaties0

Hoofdstuk 2 Certificaten en onderzoeken

§ 1 Benodigde certificaten

Artikel 3a Nationaal veiligheidscertificaat

  • 1. Een nationaal veiligheidscertificaat is benodigd voor de volgende categorieën schepen:
    • a.een vrachtschip van minder dan 500 GT met een lengte van 24 meter of meer, niet zijnde een schip als bedoeld in onderdeel c;relaties0
    • b.een vrachtschip met een lengte van minder dan 24 meter, niet zijnde een schip als bedoeld in onderdeel c;relaties0
    • c.een schip dat niet van middelen tot werktuiglijke voortstuwing is voorzien;relaties0
    • d.een vrachtschip van 500 GT of meer, uitsluitend bestemd en gebruikt voor nationale reizen;relaties0
    • e.een passagiersschip waarmee uitsluitend nationale reizen binnen de Caribische handelszone worden ondernomen;relaties0
    • f.een offshoredienstschip met een lengte van minder dan 24 meter met ten hoogste 36 personen aan boord;relaties0
    • g.een hogesnelheidsoffshoredienstschip met een lengte van minder dan 24 meter met ten hoogste 36 personen aan boord.relaties0
    relaties0
  • 2. Op het nationaal veiligheidscertificaat is in ieder geval opgenomen:
    • a.categorie waartoe het schip op grond van het eerste lid behoort;relaties0
    • b.datum van afgifte van het certificaat;relaties0
    • c.plaats van afgifte van het certificaat;relaties0
    • d.vervaldatum van het certificaat;relaties0
    • e.naam van het schip;relaties0
    • f.hoofdafmetingen en geïnstalleerd motorvermogen van het schip;relaties0
    • g.verklaring dat onderzoeken aan het schip overeenkomstig artikel 15 van het besluit zijn uitgevoerd en het schip aan de van toepassing zijnde eisen van het besluit en deze regeling voldoet.relaties0
    relaties0
  • 3. Het nationaal veiligheidscertificaat gaat vergezeld van een uitrustingsrapport en indien van toepassing, een uitwateringschema.relaties0
  • 4. Het eerste lid is tevens van toepassing op Caribisch-Nederlandse vrachtschepen met een lengte van minder dan 12 meter.relaties0
relaties0

Artikel 4 Certificaat voor passagiersschepen in nationale vaart (EU)

  • 1. Voor passagiersschepen waarmee nationale reizen worden ondernomen van of naar een haven in de Europese Unie, is het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, benodigd.relaties0
  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
    • a.schepen, gebouwd voor 1 juli 1998, met een lengte van minder dan 24 meter;relaties0
    • b.schepen, gebouwd op of na juli 1998 en gecertificeerd op of na 21 december 2019, met een lengte van minder dan 24 meter;relaties0
    • c.overeenkomstig de DSC-Code, de HSC-Code 1994 of de HSC-Code 2000 gecertificeerde schepen;relaties0
    • d.schepen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van richtlijn 2009/45/EG.relaties0
    relaties0
  • 3. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.relaties0
relaties0

Artikel 5 Certificaten voor verplaatsbare offshore booreenheden (IMO)

  • 1. Voor verplaatsbare offshore booreenheden als bedoeld in de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989 en de MODU-Code 2009 zijn de volgende certificaten benodigd:
    • a.voor booreenheden, gebouwd voor 1 mei 1991: het veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore booreenheden, behorend bij de MODU-Code 1979;relaties0
    • b.voor booreenheden, gebouwd op of na 1 mei 1991 maar voor 1 januari 2012: het veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore booreenheden, behorend bij de MODU-Code 1989;relaties0
    • c.voor booreenheden, gebouwd op of na 1 januari 2012: het veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore booreenheden, behorend bij de MODU-Code 2009.relaties0
    relaties0
  • 2. Voor schepen als bedoeld in artikel 6 van het besluit treden de in het eerste lid bedoelde certificaten in de plaats van het voor die schepen benodigde nationaal veiligheidscertificaat.relaties0
relaties0

Artikel 5a Certificaat voor offshore bevoorradings- en ondersteuningsschepen (IMO)

  • 1. Voor een offshore bevoorradingsschip als bedoeld in resolutie MSC.235(82) is het bij die resolutie behorende certificaat benodigd.relaties0
  • 2. Voor een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in resolutie A.673(16), niet zijnde een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in voorschrift 1.5.3 van die resolutie, is het bij die resolutie behorende certificaat benodigd.relaties0
  • 3. Het certificaat, bedoeld in het tweede lid, treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.relaties0
relaties0

Artikel 5b Certificaat van overeenstemming (LY2-Code en LY3-Code)

  • 1. Voor een schip ten aanzien waarvan op grond van artikel 12a is gekozen voor de toepassing van de LY2-Code, die als bijlage 2 bij deze regeling is gevoegd, is een certificaat van overeenstemming als bedoeld in de LY2-Code benodigd.relaties0
  • 2. Voor een schip ten aanzien waarvan op grond van artikel 12a is gekozen voor de toepassing van de LY3-Code, die als bijlage 7 bij deze regeling is gevoegd, is een certificaat van overeenstemming als bedoeld in de LY3-Code benodigd.relaties0
  • 3. Voor een schip als bedoeld in artikel 6 van het besluit treedt het certificaat van overeenstemming in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.relaties0
relaties0

Artikel 5c Certificaten op grond van CCSS-Code (CMOU)

  • 1. Voor vrachtschepen ten aanzien waarvan op grond van artikel 12b voor toepassing van de CCSS-Code is gekozen, is het bij die Code behorende veiligheidscertificaat benodigd.relaties0
  • 2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.relaties0
relaties0

Artikel 5d Certificaten voor passagiersschepen op grond van SCV-Code (IMO)

  • 1. Voor een passagiersschip waarmee internationale reizen worden ondernomen en ten aanzien waarvan op grond van artikel 12c voor toepassing van de SCV-Code is gekozen, is tezamen met een veiligheidscertificaat voor passagiersschepen een afschrift van de kennisgeving aan de IMO met betrekking tot de gelijkwaardigheid van de SCV-Code (notification of equivalency) benodigd.relaties0
  • 2. Voor een passagiersschip waarmee nationale reizen worden ondernomen, is, indien ten aanzien van dat schip op grond van artikel 12c voor toepassing van de SCV-Code is gekozen, het certificaat van inspectie, behorend bij de SCV-Code, benodigd.relaties0
  • 3. Voor een schip als bedoeld in het tweede lid treedt het certificaat van inspectie, behorend bij de SCV-Code, in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.relaties0
relaties0

Artikel 5e Certificaten voor vrachtschepen op grond van SCV-Code (IMO)

  • 1. Voor een vrachtschip van minder dan 24 meter waarmee uitsluitend reizen worden ondernomen in de Caribische handelszone, is het certificaat van inspectie, behorend bij de SCV-Code, benodigd.relaties0
  • 2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.relaties0
relaties0

Artikel 6 Certificaten op grond van DSC-Code, SPS-Code en SPS-Code 2008 (IMO)

  • 1. Voor een schip ten aanzien waarvan op grond van artikel 12 is gekozen voor toepassing van de DSC-Code, de SPS-Code of de SPS-Code 2008, is het bij de desbetreffende Code behorende certificaat benodigd. Indien is gekozen voor toepassing van de DSC-Code, is voor het schip tevens de bij die Code behorende exploitatievergunning benodigd.relaties0
  • 2. Voor schepen als bedoeld in artikel 6 van het besluit treden de in het eerste lid bedoelde certificaten in de plaats van het voor die schepen benodigde nationaal veiligheidscertificaat.relaties0
relaties0

Artikel 6a Bijzonder certificaat schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen, van minder dan 500 GT

  • 1. Voor een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen van minder dan 500 GT is een bijzonder certificaat benodigd.relaties0
  • 2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.relaties0
  • 3. Artikel 3a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.relaties0
relaties0

Artikel 6b Certificaat SPS-Code schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen van 500 GT of meer

  • 1. Voor een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen van 500 GT of meer is een certificaat benodigd overeenkomstig de SPS-Code 2008.relaties0
  • 2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.relaties0
  • 3. Artikel 3a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.relaties0
relaties0

Artikel 6c Bijzonder certificaat offshoredienstschepen van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer

  • 1. Voor een offshoredienstschip van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer is een bijzonder certificaat benodigd.relaties0
  • 2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.relaties0
  • 3. Artikel 3a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.relaties0
relaties0

Artikel 6d Bijzonder certificaat hogesnelheidsoffshoredienstschepen van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer met ten hoogste 60 personen aan boord

  • 1. Voor een hogesnelheidsoffshoredienstschip van minder dan 500 GT, met een lengte van 24 meter of meer en met ten hoogste 60 personen aan boord is een bijzonder certificaat benodigd.relaties0
  • 2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.relaties0
  • 3. Artikel 3a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.relaties0
relaties0

Artikel 6e Certificaat (hogesnelheids)offshoredienstschepen van 500 GT of meer

Voor een offshoredienstschip of een hogesnelheidsoffshoredienstschip van 500 GT of meer, is een certificaat benodigd overeenkomstig de SPS-Code, de SPS-Code 2008, de HSC-Code 1994, of de HSC-Code 2000.

relaties0relaties0

Artikel 6f Bijzonder certificaat voor passagiersschepen kleiner dan 24 meter op nationale reizen

relaties0

Artikel 7 Aanvullend certificaat voor ro-ro-passagiersschepen in Europese vaart (EU)

  • 1. Voor ro-ro-passagiersschepen als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 2003/25/EG waarmee in het kader van een geregelde dienst internationale reizen worden ondernomen van of naar een haven in de Europese Unie, is een certificaat als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 2003/25/EG benodigd, waaruit blijkt dat zij aan de specifieke stabiliteitsvereisten van die richtlijn voldoen.relaties0
  • 2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat wordt gecombineerd met het ingevolge artikel 5 van het besluit benodigde internationaal veiligheidscertificaat voor passagiersschepen.relaties0
relaties0

Artikel 7a Veiligheidsmanagementcertificaat (EU)

  • 1. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en het tweede lid, van het besluit is van overeenkomstige toepassing op passagiersschepen als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van verordening (EG) 336/2006, vrachtschepen van 500 GT of meer en verplaatsbare offshore booreenheden van 500 GT of meer voor zover deze schepen gebruikt worden voor nationale reizen.relaties0
  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de volgende schepen:
    • a.voor andere dan handelsdoeleinden gebruikte overheidsschepen;relaties0
    • b.schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voorstuwing, houten schepen met een primitieve constructie en pleziervaartuigen, tenzij zij een bemanning hebben of zullen hebben en meer dan twaalf passagiers voor handelsdoeleinden vervoeren;relaties0
    • c.andere passagiersschepen dan ro-ro-passagiersveerboten als bedoeld in artikel 2, elfde lid, van verordening (EG) 336/2006, varend in de zeegebieden van klasse C en D als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2009/45/EG.relaties0
    relaties0
relaties0

Artikel 8 Scheepsbeveiligingscertificaat passagiersschepen in nationale vaart (EU)

  • 1. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het besluit is met ingang van 1 juli 2005 van overeenkomstige toepassing op passagiersschepen, behorende tot klasse A als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2009/45/EG, waarmee nationale reizen worden ondernomen van of naar een haven in de Europese Unie.relaties0
  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing en op houten of primitief gebouwde schepen.relaties0
relaties0

Artikel 9 Bij certificaten behorende uitrustingsrapporten, aanhangsels e.d.

De in de artikelen 3a tot en met 7 bedoelde certificaten gaan vergezeld van de bij die certificaten behorende uitrustingsrapporten en aanhangsels, alsmede van de in de desbetreffende Codes, resoluties of richtlijnen voorgeschreven stabiliteitsgegevens of andere gegevens met betrekking tot schip of lading.

relaties0relaties0
relaties0

§ 2 Onderzoeken

Artikel 9a Onderzoeken van schepen waarvoor een nationaal veiligheidscertificaat benodigd is

  • 1. Een schip als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, c, e, f of g, wordt ter verkrijging van het nationaal veiligheidscertificaat en tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de volgende onderzoeken:
    • a.een eerste onderzoek;relaties0
    • b.een tussentijds of periodiek onderzoek;relaties0
    • c.een hernieuwd onderzoek in verband met vernieuwing van het certificaat;relaties0
    • d.een onderzoek van de romp aan de buitenzijde;relaties0
    • e.een onderzoek in verband met herstellingen en vernieuwingen aan het schip.relaties0
    relaties0
  • 2. De onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, omvatten het volgende:
    • a.het in onderdeel a, b of c bedoelde onderzoek is een volledig onderzoek van de constructie van de romp, de waterdichte afsluiting, de werktuigen inclusief de stuurinrichting, de elektrische installatie, de navigatie- en radio-uitrusting, de redding-, brandblus- en veiligheidsmiddelen, de lichten en overige middelen ter voorkoming van aanvaringen;relaties0
    • b.het in onderdeel e bedoelde onderzoek wordt uitgevoerd nadat een ongeval heeft plaatsgehad of een onvolkomenheid is ontdekt waardoor twijfel is ontstaan of het schip nog geschikt is voor een veilige vaart en in verband hiermee herstellingen zijn uitgevoerd.relaties0
    relaties0
relaties0

Artikel 9b Onderzoeken van offshore bevoorradings- en ondersteuningsschepen (IMO)

Een offshore bevoorradingsschip als bedoeld in resolutie MSC.235(82), onderscheidenlijk een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in resolutie A.673(16) wordt ter verkrijging van de voor die schepen benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan onderzoeken ter vaststelling dat is voldaan aan de in de resoluties opgenomen richtlijnen.

relaties0relaties0

Artikel 9c Onderzoeken van schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen

Een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen wordt ter verkrijging van het certificaat, bedoeld in artikel 6a, eerste lid, of artikel 6b, eerste lid, en gedurende de geldigheidsduur van dat certificaat onderworpen aan de in de SPS-Code 2008 voorgeschreven onderzoeken.

relaties0relaties0

Artikel 9d Onderzoeken van offshoredienstschepen van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer

Een offshoredienstschip waarvoor een bijzonder certificaat als bedoeld in artikel 6c benodigd is, wordt ter verkrijging van de voor dat schip benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in artikel 12, eerste lid, onderdelen b of c, en tweede lid, voorgeschreven onderzoeken.

relaties0relaties0

Artikel 9e onderzoeken van hogesnelheidsoffshoredienstschepen van minder dan 500 gt en met een lengte van 24 meter of meer met ten hoogste 60 personen aan boord

Een hogesnelheidsoffshoredienstschip waarvoor een bijzonder certificaat als bedoeld in artikel 6d benodigd is, wordt ter verkrijging van de voor dat schip benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in artikel 16 van het besluit voorgeschreven onderzoeken.

relaties0relaties0

Artikel 9f Onderzoeken van (hogesnelheids)offshoredienstschepen van 500 GT of meer

Een offshoredienstschip of een hogesnelheidsoffshoredienstschip waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 6e benodigd is, wordt ter verkrijging van de voor dat schip benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in:

relaties0relaties0

Artikel 9g Onderzoeken van passagiersschepen kleiner dan 24 meter op nationale reizen

Een passagiersschip kleiner dan 24 meter op nationale reizen wordt ter verkrijging van het certificaat als bedoeld in artikel 6f, eerste lid, en gedurende de geldigheidsduur van dat certificaat onderworpen aan de in bijlage 3d bij deze regeling voorgeschreven onderzoeken.

relaties0relaties0

Artikel 10 Onderzoeken van passagiersschepen in nationale vaart (EU)

Passagiersschepen waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, benodigd is, worden ter verkrijging van dat certificaat en tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in artikel 12 van richtlijn 2009/45/EG voorgeschreven onderzoeken.

relaties0relaties0

Artikel 11 Onderzoeken van verplaatsbare offshore booreenheden (IMO)

Verplaatsbare offshore booreenheden als bedoeld in de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989 of de MODU-Code 2009 worden ter verkrijging van de voor die schepen benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in de desbetreffende Code voorgeschreven onderzoeken.

relaties0relaties0

Artikel 12 Onderzoeken op grond van DSC-Code, SPS-Code en SPS-Code 2008 (IMO)

  • 1. De eigenaar van een schip, behorend tot een van de navolgende categorieën van schepen, kan er voor kiezen om dat schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van:
    • a.voor dynamisch ondersteunde schepen als bedoeld in de DSC-Code, gebouwd voor 1 januari 1996: de voorschriften van de DSC-Code;relaties0
    • b.voor schepen, bestemd voor bijzondere doeleinden als bedoeld in de SPS-Code en de SPS-Code 2008, gebouwd voor 2 juli 2009: de voorschriften van de SPS-Code of de SPS-Code 2008;relaties0
    • c.voor schepen, bestemd voor bijzondere doeleinden als bedoeld in de SPS-Code 2008, gebouwd op of na 2 juli 2009: de voorschriften van de SPS-Code 2008.relaties0
    relaties0
  • 2. Indien ten aanzien van een schip is gekozen voor toepassing van een in het eerste lid genoemde Code, treden de in de desbetreffende Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in artikel 14 of 15 van het besluit bedoelde onderzoeken.relaties0
relaties0

Artikel 12a Onderzoeken op grond van de LY2-Code en LY3-Code

  • 1. De eigenaar van een beroepsmatig gebruikt, zeegaand schip met een loodlijnlengte van 24 meter of meer, dat ontworpen en gebouwd is en gebruikt wordt voor uitsluitend het vervoer van niet meer dan 12 passagiers, kan ervoor kiezen het betreffende schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de LY3-Code, met uitzondering van de hoofdstukken 16.8, 21, 22 en 26 van deze Code.relaties0
  • 2. De eigenaar van een beroepsmatig gebruikt, zeegaand schip van minder dan 3.000 GT met een loodlijnlengte van 24 meter of meer, dat gebouwd is vóór 1 januari 2018 en dat ontworpen en gebouwd is en gebruikt wordt voor uitsluitend het vervoer van niet meer dan 12 passagiers, kan er tevens voor kiezen het betreffende schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de LY2-Code, met uitzondering van de hoofdstukken 16.2.7, 21, 22 en 26 van deze Code.relaties0
  • 3. Bij toepassing van de LY2-Code dan wel de LY3-Code strekken de in de artikelen 13 tot en met 15 van het besluit bedoelde onderzoeken er mede toe om na te gaan of aan de eisen van die Codes is voldaan.relaties0
relaties0

Artikel 12b Onderzoeken op grond van CCSS-Code (CMOU)

  • 1. De eigenaar van een vrachtschip, van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer, waarmee uitsluitend reizen worden ondernomen in de Caribische handelszone, kan er voor kiezen om dat schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de voorschriften van de CCSS-Code.relaties0
  • 2. Indien ten aanzien van een vrachtschip is gekozen voor toepassing van de CCSS-Code, treden de in die Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in artikel 15, eerste lid, van het besluit voorgeschreven onderzoeken.relaties0
relaties0

Artikel 12c Onderzoeken van passagiersschepen op grond van SCV-Code (IMO)

  • 1. De eigenaar van een passagiersschip met een lengte van minder dan 24 meter, waarmee uitsluitend reizen in de Caribische handelszone worden ondernomen, kan er voor kiezen om dat schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de voorschriften van de SCV-Code.relaties0
  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op schepen, gebruikt voor het vervoer van meer dan 150 passagiers, en schepen met nachtaccommodatie voor meer dan 50 passagiers.relaties0
  • 3. Indien ten aanzien van een passagiersschip is gekozen voor toepassing van de SCV-Code, treden de in die Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in artikel 14, eerste lid, of 15, eerste lid, van het besluit bedoelde onderzoeken.relaties0
relaties0

Artikel 12d Onderzoeken van vrachtschepen tot 24 m op grond van SCV-Code (IMO)

Een vrachtschip waarvoor het certificaat van inspectie, behorend bij de SCV-Code, benodigd is, wordt ter verkrijging van dat certificaat en tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in die Code voorgeschreven onderzoeken.

relaties0relaties0

Artikel 13 Onderzoeken van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersschepen (EU)

  • 1. Ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen als bedoeld in artikel 2 van richtlijn (EU) 2017/2110, waarmee een geregelde dienst wordt onderhouden tussen een haven van een lidstaat waarvan zij de vlag voeren en een haven in een derde land, worden onderworpen aan de in de artikelen 3, 4 en 5 van richtlijn (EU) 2017/2110 voorgeschreven inspecties en onderzoeken.relaties0
  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersschepen waarmee in het kader van een geregelde dienst nationale reizen in zeegebieden van klasse A als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2009/45/EG worden ondernomen.relaties0
  • 3. Voor schepen waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 2003/25/EG benodigd is, strekken de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken er tevens toe om vast te stellen of aan de specifieke stabiliteitsvereisten van richtlijn 2003/25/EG is voldaan.relaties0
  • 4. Toepassing van richtlijn (EU) 2017/2110 geschiedt met inachtneming van de artikelen 6, 7, 8, 9, 10 en 11 van die richtlijn.relaties0
relaties0

Artikel 14 Tijdstippen van onderzoek

  • 1. De in artikel 9a bedoelde onderzoeken vinden plaats op de volgende tijdstippen:
    • a.een eerste onderzoek voordat een schip in dienst wordt gesteld;relaties0
    • b.een tussentijds of periodiek onderzoek in de periode van drie maanden voor tot drie maanden na ofwel de tweede ofwel de derde verjaardatum;relaties0
    • c.een hernieuwd onderzoek waaraan een schip in verband met de vernieuwing van het certificaat wordt onderworpen in de laatste drie maanden van de geldigheidsduur van het desbetreffende certificaat;relaties0
    • d.een onderzoek van de romp aan de buitenzijde twee maal in een periode van vijf jaar, mits de periode tussen twee romponderzoeken niet meer bedraagt dan 36 maanden;relaties0
    • e.een onderzoek nadat herstellingen en vernieuwingen aan een schip hebben plaatsgevonden.relaties0
    relaties0
  • 2. Voor Caribisch-Nederlandse schepen als bedoeld in artikel 41b, eerste lid, vindt het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, plaats tussen de tweede en derde verjaardatum.relaties0
  • 3. De in de artikelen 9b tot en met 13 bedoelde onderzoeken vinden plaats op de in de desbetreffende Codes, resoluties en richtlijnen voorgeschreven tijdstippen, mits het hernieuwde onderzoek waaraan een schip in verband met de vernieuwing van een certificaat wordt onderworpen, steeds plaatsvindt in de laatste drie maanden van de geldigheidsduur van het desbetreffende certificaat.relaties0
relaties0

Artikel 15 Uitvoering onderzoeken door erkende organisaties

relaties0

Artikel 16 Aantekening van onderzoeken

Van de onderzoeken waaraan een schip ingevolge de artikelen 9a tot en met 12d en 13, derde lid, tijdens de geldigheidsduur van een certificaat wordt onderworpen, wordt door degene die het onderzoek heeft verricht, aantekening geplaatst op het certificaat.

relaties0relaties0
relaties0

§ 3 Afgifte en geldigheid van certificaten

Artikel 17 Certificaten voor passagiersschepen in nationale vaart (EU)

  • 1. Het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, heeft een geldigheidsduur van een jaar. Het certificaat mag, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in artikel 13 van de richtlijn is bepaald, met ten hoogste een maand worden verlengd.relaties0
  • 2. De artikelen 29, tweede lid, en 30, aanhef en onderdeel a, van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing op certificaten als bedoeld in het eerste lid.relaties0
relaties0

Artikel 17a Certificaten op grond van bijzondere Codes en resoluties (IMO, CMOU, MCA)

  • 1. De in de artikelen 5, 5a tot en met 5e en 6 tot en met 6e bedoelde certificaten hebben, indien zij zijn afgegeven voor een passagiersschip, een geldigheidsduur van een jaar. Indien zij zijn afgegeven voor een vrachtschip, hebben zij een geldigheidsduur van vijf jaren.relaties0
  • 2. De geldigheidsduur van een certificaat als bedoeld in artikel 7 is gelijk aan de geldigheidsduur van het internationale veiligheidscertificaat voor passagiersschepen waarmee het wordt gecombineerd.relaties0
  • 3. De artikelen 29, tweede lid, 30 en 31 van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing op certificaten als bedoeld in het eerste lid.relaties0
relaties0

Artikel 17b Geldigheidsduur certificaat schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen

relaties0

Artikel 17c Geldigheidsduur bijzonder certificaat passagierschip kleiner dan 24 meter op nationale reizen

relaties0
relaties0
relaties0

Hoofdstuk 3 Eisen aan schip en bedrijfsvoering

§ 1 Eisen aan schepen

Artikel 18a Eisen aan schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b en c

  • 1. De eisen, bedoeld in paragraaf 1 onderscheidenlijk 2 van bijlage 3, zijn van toepassing op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b en c,
    • a.waarvoor het bouwcontract is afgesloten voor 1 januari 2018; ofrelaties0
    • b.waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de bouwdatum als bedoeld in artikel 2, voor 1 juli 2018 ligt, ofrelaties0
    • c.waarvan de opleverdatum voor 1 januari 2021 ligt.relaties0
    relaties0
  • 2. De eisen, bedoeld in paragraaf 1 onderscheidenlijk 2 van bijlage 3a, zijn van toepassing op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b en c:
    • a.waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2018, ofrelaties0
    • b.waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de bouwdatum als bedoeld in artikel 2, op of na 1 juli 2018 ligt; ofrelaties0
    • c.waarvan de opleverdatum op of na 1 januari 2021 ligt.relaties0
    relaties0
relaties0

Artikel 18b Eisen aan offshoredienstschepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel f

De eisen, bedoeld in paragraaf 1 van bijlage 3c, zijn van toepassing op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel f:

  • a.waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 15 december 2019;relaties0
  • b.waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de bouwdatum als bedoeld in artikel 2, op of na 15 december 2019 ligt; ofrelaties0
  • c.waarvan de opleverdatum op of na 15 december 2019 ligt.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 18c Eisen aan hogesnelheidsoffshoredienstschepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel g

De eisen, bedoeld in paragraaf 2 van bijlage 3c, zijn van toepassing op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel g:

  • a.waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of 15 december 2019;relaties0
  • b.waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de bouwdatum als bedoeld in artikel 2, op of na 15 december 2019 ligt; ofrelaties0
  • c.waarvan de opleverdatum op of na 15 december 2019 ligt.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 19 Eisen aan passagiersschepen in nationale vaart (EU)

  • 1. Een passagiersschip waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, benodigd is, voldoet aan de ingevolge de artikelen 6, eerste tot en met derde lid, en vijfde tot en met zevende lid, en 7 van die richtlijn op dat schip toepasselijke eisen.relaties0
  • 2. Als zeegebieden van de klassen A, B, C en D als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van richtlijn 2009/45/EG worden aangewezen de in bijlage 4 bij deze regeling aangegeven zeegebieden. De binnengrens van het zeegebied dat het dichtst bij de kustlijn ligt wordt aangewezen volgens de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee.relaties0
  • 3. Aan boord van schepen als bedoeld in het eerste lid, gebouwd op of na 1 oktober 2004, worden met inachtneming van de in bijlage III van richtlijn 2009/45/EG opgenomen richtsnoeren passende maatregelen getroffen voor de veiligheid van en de toegankelijkheid voor personen met verminderde mobiliteit.relaties0
  • 4. Het derde lid is, voorzover dat in economisch opzicht redelijk en uitvoerbaar is, van overeenkomstige toepassing op schepen, gebouwd voor 1 oktober 2004, die na die datum een verbouwing ondergaan.relaties0
relaties0

Artikel 20 Eisen op grond van bijzondere Codes (IMO, CMOU, MCA)

  • 1. Een schip waarvoor op grond van de artikelen 5 of 5e het certificaat, behorende bij de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989, de MODU-Code 2009 of de SCV-Code benodigd is, of ten aanzien waarvan op grond van de artikelen 5b, 5c, 5d of 6 voor toepassing van de LY2-Code, de LY3-Code, de CCSS-Code, de SCV-Code, de DSC-Code, de SPS-Code of de SPS-Code 2008 is gekozen, voldoet aan de eisen van de desbetreffende Code.relaties0
  • 2. Indien in een Code als bedoeld in het eerste lid wordt verwezen naar het Uitwateringsverdrag of het SOLAS-verdrag, wordt dat verdrag toegepast met inachtneming van alle op grond van artikel 71 van het besluit toepasselijke wijzigingen van dat verdrag.relaties0
  • 3. In afwijking van het eerste lid zijn op een Caribisch-Nederlands schip, gebouwd voor 1 juli 2014, de eisen van de CCSS-Code en de SCV-Code, voor zover het schip daaraan niet reeds voldoet, slechts van toepassing voorzover dat praktisch uitvoerbaar en redelijk is.relaties0
  • 4. Voor Caribisch-Nederlandse schepen is artikel 37 van het besluit slechts van toepassing voorzover dat praktisch uitvoerbaar en redelijk is.relaties0
relaties0

Artikel 20a Eisen aan schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen

  • 1. Een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen met een lengte van minder dan 24 meter voldoet aan de eisen opgenomen in bijlage 3b en aan de eisen opgenomen in de ISM-Code.relaties0
  • 2. Een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen met een lengte van 24 meter of meer voldoet aan de eisen opgenomen in de SPS-Code 2008 en aan de eisen opgenomen in de ISM-code.relaties0
relaties0

Artikel 20b Eisen aan passagiersschip kleiner dan 24 meter op nationale reizen

Een passagiersschip kleiner dan 24 meter op nationale reizen voldoet aan de eisen opgenomen in bijlage 3d.

relaties0relaties0

Artikel 21 Bijzondere eisen voor offshore bevoorradings- en ondersteuningsschepen (IMO)

  • 1. Een offshore bevoorradingsschip voldoet aan de eisen van resolutie MSC.235(82).relaties0
  • 2. Een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in resolutie A.673(16), niet zijnde een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in voorschrift 1.5.3 van die resolutie, voldoet aan de eisen van voornoemde resolutie.relaties0
relaties0

Artikel 21a Bijzondere eisen voor offshoredienstschepen van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer

Een offshoredienstschip van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer voldoet aan de eisen van de SPS-Code of de SPS-Code 2008.

relaties0relaties0

Artikel 21b Bijzondere eisen voor hogesnelheidsoffshoredienstschepen van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer met ten hoogste 60 personen aan boord

Een hogesnelheidsoffshoredienstschip van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer ten hoogste 60 personen aan boord, voldoet aan de eisen, bedoeld in paragraaf 3 van bijlage 3c.

relaties0relaties0

Artikel 21c Bijzondere eisen voor (hogesnelheids)offshoredienstschepen van 500 GT of meer

Een offshoredienstschip of een hogesnelheidsoffshoredienstschip van 500 GT of meer voldoet aan de eisen van de SPS-Code, de SPS-Code 2008, de HSC-Code 1994, of de HSC-Code 2000.

relaties0relaties0

Artikel 22 Nadere regels betreffende de stabiliteit van schepen (IMO, EU)

  • 1. Op een schip, gebouwd voor 1 juli 2010, zijn de op dat schip toepasselijke stabiliteitseisen in onbeschadigde toestand van de IS-Code van overeenkomstige toepassing.relaties0
  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op passagiersschepen waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, benodigd is, en op vrachtschepen met een lengte van minder dan 12 meter waarvoor geen certificaat benodigd is.relaties0
  • 3. Ro-ro-passagiersschepen waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 2003/25/EG benodigd is, voldoen tevens aan de ingevolge de artikelen 6 en 7 van die richtlijn toepasselijke stabiliteitseisen voor schepen in beschadigde toestand.relaties0
  • 4. Op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b en c, gebouwd op of na 1 juli 2010, zijn de op die schepen toepasselijke stabiliteitseisen voor schepen in onbeschadigde toestand van de IS-Code 2008 van overeenkomstige toepassing.relaties0
  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op schepen die overeenkomstig de SCV-Code of de CCSS-Code zijn gecertificeerd.relaties0
relaties0

Artikel 23 Nadere regels betreffende werktuiglijke en elektrische installaties

  • 1. De elektrische installaties aan boord van een schip voldoen aan de normen in Publicatie 92 (Elektrische installaties aan boord van schepen) van de Internationale Elektrotechnische Commissie of daaraan gelijkwaardige normen van een krachtens artikel 36 van het besluit aangewezen klassenbureau.relaties0
  • 2. De bouw en inrichting en het onderhoud van elektrische personenliften voldoen aan:relaties0
  • 3. In aanvulling op voorschrift II-1/42.2, onderscheidenlijk II-1/43.2, van het SOLAS-verdrag is de aan boord van een schip aanwezige elektrische noodkrachtbron tevens in staat om gedurende ten minste 36 uur, indien het een passagiersschip betreft, en ten minste 18 uur, indien het een vrachtschip betreft, stroom te leveren ten behoeve van de noodverlichting in kombuizen, eetzalen en andere ruimten voor algemeen gebruik.relaties0
  • 4. Op een schip als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, is voorschrift II-1/43.2 van het SOLAS-verdrag van overeenkomstige toepassing en is de aan boord aanwezige elektrische noodkrachtbron in staat om gedurende ten minste 6 uur stroom te leveren ten behoeve van de noodverlichting in kombuizen, eetzalen en andere ruimten voor algemeen gebruik.relaties0
  • 5. De resolutie A.468(XII)-maatregelen zijn aanwezig aan boord van:
    • a.schepen gebouwd voor 1 juli 2014;relaties0
    • b.schepen van minder dan 1600 GT en gebouwd op of na 1 juli 2014 enrelaties0
    • c.
      • baggermaterieel met voortstuwing, en
      • hogesnelheidsschepen, van 1600 GT en meer, gebouwd op of na 1 juli 2014.
      relaties0
    relaties0
  • 6. Indien een acetyleen las- en snij-installatie, bestaande uit acetyleen- en zuurstofflessen met inbegrip van de ruimte voor opslag, distributieleidingen, slangen en appandages aan boord van een schip is, is deze installatie periodiek gekeurd, goed onderhouden, zodanig opgesteld en ingericht dat het risico van brand of explosie bij zowel een in gebruik zijnde als buiten gebruik zijnde installatie tot een minimum is teruggebracht.relaties0
  • 7. Indien een elektrisch lastoestel met bijbehorende apparatuur aan boord van een schip is, is dit toestel periodiek gekeurd, goed onderhouden en zodanig ingericht dat deze geen gevaar voor personen of voor de omgeving kan opleveren met inachtneming van de bijzondere omstandigheden aan boord.relaties0
  • 8. Aan boord van een schip worden de werkzaamheden met acetyleen las- en snij-installaties en elektrische lastoestellen zodanig uitgevoerd dat deze geen gevaar voor personen of voor de omgeving kunnen opleveren met inachtneming van de bijzondere omstandigheden aan boord.relaties0
  • 9. Het eerste, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op schepen die overeenkomstig de CCSS-Code of de SCV-Code zijn gecertificeerd.relaties0
relaties0

Artikel 24 Nadere regels betreffende de veiligheid van navigatie

  • 1. Voorschrift V/19.2.5.4 van het SOLAS-verdrag is van overeenkomstige toepassing op schepen van minder dan 500 GT, met uitzondering van passagiersschepen waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, benodigd is.relaties0
  • 2. Indien een vrachtschip met een lengte van 24 meter of meer of een passagiersschip op of na 1 juli 2009 maar voor 1 juli 2011 is uitgerust met een wachtalarminstallatie op de brug, voldoet deze aan de eisen van resolutie MSC.128(75) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO, inhoudende uitvoeringsnormen betreffende de wachtalarminstallatie op de brug (Performance standards for a bridge navigational watch alarm system (BNWAS)).relaties0
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op schepen die overeenkomstig de CCSS-Code of de SCV-Code zijn gecertificeerd.relaties0
relaties0

Artikel 25 Medische uitrusting (EU, IMO)

  • 1. Aan boord van een schip is de in bijlage 5 bij deze regeling voorgeschreven medische uitrusting met de daarbij behorende handleidingen en controlelijsten aanwezig. De eigenaar van een schip draagt voor eigen rekening zorg voor de levering en de vernieuwing van de medische uitrusting.relaties0
  • 2. Aan boord van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, is een Nederlandstalige uitgave van de bij circulaire MSC/Circ.857 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Medische Eerste Hulp Gids bij ongevallen met gevaarlijke stoffen (Medical First Aid Guide for use in accidents involving dangerous goods; MFAG) aanwezig.relaties0
  • 3. Aan boord van schepen waarop de in voorschrift V/14.3 van het SOLAS-verdrag bedoelde werktaal niet het Nederlands is, is in plaats van een Nederlandstalige uitgave een Engelstalige uitgave van de in het tweede lid bedoelde Gids aanwezig.relaties0
  • 4. Het eerste lid is eveneens van toepassing op vissersvaartuigen.relaties0
  • 5. In afwijking van het eerste lid is aan boord van schepen als bedoeld in de artikelen 5d, eerste en tweede lid, of 5e, eerste lid, waarmee wordt gevaren in kustwateren of beschutte wateren (coastal of protected waters), als bedoeld in voorschrift I/2.7 onderscheidenlijk I.2.42 van de SCV-Code, de in bijlage 8 bij die Code voorgeschreven medische uitrusting met de daarbij behorende handleiding aanwezig.relaties0
relaties0

Artikel 26 Nadere regels in relatie tot benodigde certificaten

relaties0

Artikel 27 Gelijkwaardige voorzieningen

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke Europese richtlijnen, Codes, resoluties en circulaires is bepaald, afwijking toestaan van de in de artikelen 18a tot en met 24 bedoelde eisen, indien aan boord van het schip een voorziening wordt getroffen die naar zijn oordeel ten minste gelijkwaardig is aan de in het voorschrift waarvan wordt afgeweken, geëiste voorziening.

relaties0relaties0

Artikel 28 Wederzijdse erkenning

  • 1. Dit artikel is van toepassing op schepen die vanuit een scheepsregister in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, zijn overgeschreven naar een register in het Europese deel van Nederland.relaties0
  • 2. Met de in de artikelen 20, 21, 22, eerste lid, 23 en 24 bedoelde technische normen of technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische normen of technische eisen, vastgesteld door of vanwege een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.relaties0
relaties0
relaties0

§ 2 Eisen aan de bedrijfsvoering over schepen

Artikel 29 Veiligheidscommissie (ILO)

  • 1. De veiligheidscommissie aan boord van een schip met een bemanning van meer dan vijftien personen bestaat uit ten minste twee bevaren schepelingen. In de commissie zijn zowel de scheepsofficieren als de scheepsgezellen vertegenwoordigd.relaties0
  • 2. Aan boord van een schip met een bemanning van ten hoogste vijftien personen wordt ten minste één veiligheidscommissaris benoemd.relaties0
  • 3. De verplichting, bedoeld in artikel 26e, eerste lid, van de Schepenwet, geldt niet voor vissersvaartuigen en schepen met een bemanning van minder dan vijf personen.relaties0
relaties0

Artikel 30 Registratie van opvarenden aan boord van passagiersschepen (EU)

  • 1. De eigenaar van een passagiersschip voorziet in een systeem voor de registratie van passagiersgegevens, dat voldoet aan richtlijn 98/41/EG.relaties0
  • 2. Voorts draagt de eigenaar zorg voor de aanstelling van een passagiersregistratiebeambte als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 98/41/EG, die is belast met de in artikel 8 van die richtlijn genoemde taken.relaties0
  • 3. De eigenaar draagt er zorg voor dat de passagiersgegevens te allen tijde onmiddellijk beschikbaar zijn om aan de aangewezen instantie te worden doorgegeven voor opsporings- en reddingsoperaties in een noodgeval of na een ongeluk.relaties0
  • 4. De eigenaar draagt er tevens zorg voor dat nadere gegevens over personen die hebben verklaard in noodsituaties speciale zorg of bijstand nodig te hebben, naar behoren worden geregistreerd en aan de kapitein worden doorgegeven voordat het passagiersschip vertrekt.relaties0
  • 5. Persoonsgegevens van passagiers worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is in verband met opsporings- en reddingsactiviteiten.relaties0
  • 6. Dit artikel is niet van toepassing op schepen die overeenkomstig de SCV-Code zijn gecertificeerd.relaties0
relaties0

Artikel 31 Nadere regels betreffende de beveiliging van schepen (SOLAS, EU)

  • 1. De nationale instantie waartoe de in voorschrift XI-2/6.2.1 van het SOLAS-verdrag bedoelde, door het Ship Security Alert System gegenereerde alarmmeldingen kunnen worden gericht, is, voor zover het het Europese deel van Nederland betreft, het Kustwachtcentrum bedoeld in artikel 3 van de Regeling organisatie Kustwacht Nederland, en voor zover het het Caribische deel van Nederland betreft, de Kustwacht voor het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch Gebied.relaties0
  • 2. Toepassing van de ISPS-Code geschiedt met inachtneming van de ingevolge artikel 3, vijfde lid, van verordening (EG) 725/2004 verplichte bepalingen van deel B van die Code.relaties0
  • 3. Beveiligingsverklaringen als bedoeld in voorschrift XI-2/1.15 van het SOLAS-verdrag worden minimaal 3 maanden bewaard, of zoveel langer als nodig is om aan voorschrift XI-2/9.2.3 van dat verdrag te voldoen. De minimumtermijn voor het bewaren van de in voorschrift A/10.1 van de ISPS-Code bedoelde documentatie bedraagt drie jaren.relaties0
  • 4. Het tweede lid is niet van toepassing op schepen die overeenkomstig de CCSS-Code of de SCV-Code zijn gecertificeerd.relaties0
relaties0
relaties0

§ 3 Toelatingseisen voor scheepsuitrusting

Artikel 32 Toepassingsbereik

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op scheepsuitrusting waarvoor bij plaatsing aan boord van een schip, gelet op de op dat schip toepasselijke eisen, een typegoedkeuring is vereist.relaties0
  • 2. Onder uitrusting waarvoor een typegoedkeuring is vereist, wordt mede verstaan scheepsuitrusting als bedoeld in voorschrift V/18.7 van het SOLAS-verdrag.relaties0
  • 3. Deze paragraaf is met uitzondering van artikel 34a niet van toepassing op Caribisch-Nederlandse schepen.relaties0
relaties0

Artikel 33

  • 1. Scheepsuitrusting als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016 mag slechts aan boord worden geplaatst, indien de scheepsuitrusting:relaties0
  • 2. Gebruik van scheepsuitrusting waarvoor een certificaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, is afgegeven, is slechts toegestaan met inachtneming van de aan het desbetreffende certificaat verbonden voorschriften of beperkingen. In het geval van beproeving blijft de oorspronkelijke stuurwielgemarkeerde scheepsuitrusting aan boord en zal die uitrusting te allen tijde gereed zijn voor onmiddellijk gebruik.relaties0
  • 3. Indien een schip zich in een haven buiten de Europese Unie bevindt en het vanuit het oogpunt van termijnen en kosten redelijkerwijs niet uitvoerbaar is om uitrusting aan boord te plaatsen waarvoor overeenkomstig richtlijn 2014/90/EU een EG-typegoedkeuring is verleend, kan in afwijking van het eerste lid, in uitzonderlijke omstandigheden vervangende scheepsuitrusting aan boord worden geplaatst die niet overeenkomstig richtlijn 2014/90/EU is goedgekeurd, mits daarbij wordt voldaan aan de in artikel 32, eerste tot en met vierde lid, van die richtlijn genoemde voorwaarden.relaties0
  • 4. Indien is aangetoond dat scheepsuitrusting waarop een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016 is aangebracht niet in de handel verkrijgbaar is, kan in afwijking van het eerste lid, de minister toestemming verlenen om vervangende scheepsuitrusting aan boord te plaatsen, mits daarbij wordt voldaan aan de in artikel 32, vijfde tot en met achtste lid, van de richtlijn 2014/90/EU genoemde voorwaarden.relaties0
relaties0

Artikel 34 Nationale typegoedkeuringen voor scheepsuitrusting

  • 1. Scheepsuitrusting, niet zijnde uitrusting als bedoeld in artikel 3 van de Wet scheepsuitrusting 2016, is van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type.relaties0
  • 2. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan in afwijking van artikel 33 toestaan dat aan boord van bepaalde categorieën schepen, niet zijnde schepen waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 5 van het besluit benodigd is, scheepsuitrusting wordt geplaatst die niet aan de vereisten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016 voldoet, en voor die uitrusting een typegoedkeuring verlenen, mits zulks zonder gevaar voor die schepen en hun opvarenden mogelijk is.relaties0
  • 3. Aan een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste of tweede lid kunnen beperkingen met betrekking tot het gebruik van de desbetreffende uitrusting worden verbonden.relaties0
relaties0

Artikel 34a Typegoedkeuringen voor scheepsuitrusting op Caribisch-Nederlandse schepen

  • 1. Uitrusting waarvoor bij plaatsing aan boord van een Caribisch-Nederlands schip, gelet op de op dat schip toepasselijk eisen, een typegoedkeuring vereist is, is van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type.relaties0
  • 2. Onder uitrusting waarvoor een typegoedkeuring vereist is, wordt mede verstaan uitrusting als bedoeld in voorschrift V/18.7 van het SOLAS-verdrag.relaties0
  • 3. Met uitrusting van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type wordt gelijkgesteld uitrusting:
    • a.die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016;relaties0
    • b.met betrekking waartoe een daaraan gelijkwaardige typegoedkeuring is verleend door de bevoegde autoriteit van de Verenigde Staten of van Canada, met inachtneming van de voor die goedkeuring opgestelde richtlijnen en standaarden van de IMO.relaties0
    relaties0
  • 4. Aan een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid kunnen beperkingen met betrekking tot het gebruik van de desbetreffende uitrusting worden verbonden.relaties0
relaties0

Artikel 35 Europese typegoedkeuringen voor R&TTE-apparatuur

In afwijking van de artikelen 33 en 34, eerste lid, mag aan boord van vrachtschepen van minder dan 150 GT waarmee internationale reizen worden ondernomen, en vrachtschepen van minder dan 300 GT waarmee nationale reizen worden ondernomen, tevens apparatuur worden geplaatst die is voorzien van het in bijlage VII van richtlijn 1999/5/EG bedoelde CE-overeenstemmingsmerkteken voor radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur, mits die apparatuur zodanig is ontworpen dat haar correcte werking in een maritieme omgeving is gegarandeerd.

relaties0relaties0

Artikel 36 Wederzijdse erkenning

Met een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie verleende typegoedkeuring wordt gelijkgesteld een daaraan gelijkwaardige typegoedkeuring, verleend door of vanwege een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

relaties0relaties0

Artikel 37

Indien ten aanzien van scheepsuitrusting die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016, toepassing is gegeven aan artikel 19, eerste lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016, neemt het Hoofd van de Scheepvaartinspectie passende voorlopige maatregelen om te voorkomen dat die uitrusting aan boord van schepen wordt geplaatst of gebruikt. Indien nodig verbiedt hij de plaatsing of het gebruik aan boord van schepen.

relaties0relaties0
relaties0

§ 4 Vrijstellingen

Artikel 37a Vrijstelling voor bepaalde schepen ten aanzien van het standaard en reserve magnetisch kompas en kompaspeiltoestel

  • 1. Op schepen van minder dan 150 GT die nationale of internationale reizen maken en schepen van minder dan 500 GT die nationale reizen maken, zijn het standaard magnetisch kompas en het kompaspeiltoestel of hun alternatieve voorziening vrijgesteld van de eis onafhankelijk te zijn van elke elektrische krachtbron opgenomen in voorschrift 19.2.1.1, onderscheidenlijk 19.2.1.2 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag, mits deze voorzieningen ten minste onafhankelijk zijn van de elektrische hoofdkrachtbron.relaties0
  • 2. Schepen van 150 GT of meer, doch minder dan 500 GT, die nationale reizen maken, zijn vrijgesteld van de eis voorzien te zijn van een reserve magnetisch kompas opgenomen in voorschrift 19.2.2.1 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag, mits een tweede kompas vast is opgesteld.relaties0
relaties0

Artikel 37b Vrijstellingen voor schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel a

Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel a, zijn vrijgesteld van de eisen van de volgende voorschriften van het SOLAS-verdrag:

  • a.met betrekking tot Hoofdstuk II-1:
    • 1°.voorschrift 3-2;relaties0
    • 2°.het hebben van de machinekamertelegraaf opgenomen in voorschrift 37; relaties0
    • 3°.de tijdsduur van 18 uur als bedoeld in de voorschriften 43.2.2, 43.2.3 en 43.2.4, mits gedurende ten minste 6 uur genoemde ruimten en voorzieningen van energie kunnen worden voorzien;relaties0
    • 4°.voorschrift 43.2.5, 43.2.6.1 en 43.2.6.2;relaties0
    • 5°.voorschrift 43.3.1.2 en 43.3.1.3;relaties0
    • 6°.voorschrift 43.3.3, 43.3.4 en 43.4;relaties0
    relaties0
  • b.met betrekking tot Hoofdstuk II-2:
    • 1°.voorschrift 10.2.2.3.3;relaties0
    • 2°.voorschrift 10.2.3.3.3, mits is voorzien in een straalpijp waarmee de in voorschrift 10.2.1.6 genoemde druk kan worden gehandhaafd en een straal water, waarbij slechts gebruik wordt gemaakt van één slanglengte;relaties0
    • 3°.voorschrift 10.10, mits ten minste één brandweerbijl aanwezig is;relaties0
    • 4°.voorschrift 13.3.4 en voorschrift 13.4.3;relaties0
    relaties0
  • c.met betrekking tot Hoofdstuk III:
    • 1°.voorschrift 31.2 met betrekking tot het hebben van een hulpverleningsboot, mits alternatieve voorzieningen zijn getroffen om een drenkeling binnen 15 minuten horizontaal binnenboord te brengen;relaties0
    • 2°.voorschrift 32.1.1 met betrekking tot de verplichte hoeveelheid reddingboeien aan boord, mits er niet minder dan 3 reddingboeien aan boord zijn waarvan ten minste 1 met lijn en 1 met licht.relaties0
    relaties0
relaties0relaties0

Artikel 38 Verminderd vrijboord voor baggermaterieel

  • 1. Dit artikel is van toepassing op baggermaterieel als bedoeld in:
    • a.IMO-Circulaire nr. 2285: Richtlijnen voor de bouw en het gebruik van baggermaterieel met verminderd vrijboord, DR-67, indien het schip is gebouwd voor 1 januari 2010, dan welrelaties0
    • b.IMO-Circulaire nr. 236: Richtlijnen voor de bouw en het gebruik van baggermaterieel met verminderd vrijboord, DR-68, zoals laatstelijk gewijzigd, indien het schip is gebouwd na 1 januari 2010.relaties0
    relaties0
  • 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan op verzoek van de eigenaar van een schip gebouwd voor 1 januari 2010 IMO-Circulaire nr. 236 worden toegepast.relaties0
  • 3. Aan baggermaterieel van 500 GT of meer, gebouwd op of na 5 augustus 2000, dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde richtlijnen, kan door de vaststelling van een baggerlastlijn een verminderd vrijboord worden toegekend voor het laden, lossen en vervoeren van bagger.relaties0
  • 4. Aan de toekenning van het verminderde vrijboord kunnen beperkingen met betrekking tot vaargebieden en vaarcondities worden verbonden. Deze beperkingen worden vermeld op het internationaal certificaat van vrijstelling betreffende de uitwatering of, indien voor het schip een nationaal veiligheidscertificaat benodigd is, in een aanhangsel bij dat certificaat.relaties0
relaties0

Artikel 39 Vrijstellingen op grond van bijzondere Codes (IMO, CMOU, MCA)

Schepen waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, van het besluit benodigd is, zijn vrijgesteld van:

  • a.indien zij voldoen aan de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989, de MODU-Code 2009 of de DSC-Code: de in de hoofdstukken II-1, II-2, III en IV van het SOLAS-verdrag opgenomen eisen;relaties0
  • b.indien zij voldoen aan de SPS-Code of de SPS-Code 2008: de in de SPS-Code onderscheidenlijk de SPS-Code 2008 aangegeven eisen van het SOLAS-verdrag;relaties0
  • c.indien zij voldoen aan de LY2-Code of de SCV-Code: de in het SOLAS-verdrag opgenomen eisen.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 39a Vrijstellingen op grond van LY2-Code [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 40 Sportvissersvaartuigen

  • 1. Schepen die bedrijfsmatig worden gebruikt voor recreatieve visserij met meer dan 12 passagiers, zijn, indien zij op 17 augustus 2000 waren voorzien van een op grond van het Schepenbesluit 1965 afgegeven geldig certificaat van deugdelijkheid, bij het ondernemen van nationale reizen vrijgesteld van:
    • a.de stabiliteitseisen voor schepen in beschadigde toestand, opgenomen in hoofdstuk II-1, deel B, van de bijlage bij richtlijn 2009/45/EG, mits ten minste wordt voldaan aan de stabiliteitseisen voor schepen in onbeschadigde toestand, opgenomen in de IS-Code;relaties0
    • b.de eisen inzake constructieve brandbescherming, opgenomen in hoofdstuk II-2 van de bijlage bij richtlijn 2009/45/EG, mits is voldaan aan de voorwaarde dat in elk geval de verblijven voor passagiers voldoen aan de eisen inzake constructieve brandbescherming voor vrachtschepen uit bijlage IV van het Schepenbesluit 1965, zoals die luidden op 31 december 2004, of aan de voorwaarde dat de vluchtwegen uit die verblijven naar het open dek voldoende breed zijn en korter dan vijf meter.relaties0
    relaties0
  • 2. Aan de in het eerste lid bedoelde vrijstelling zijn de navolgende beperkingen verbonden:
    • a.de vrijstelling geldt uitsluitend voor reizen in een vaargebied van maximaal 35 mijl uit de Nederlandse kust;relaties0
    • b.met het schip mogen slechts reizen worden ondernomen bij daglicht, bij een windkracht van ten hoogste 6 Beaufort en een significante golfhoogte van ten hoogste 2 meter.relaties0
    relaties0
  • 3. De vrijstelling geldt niet voor schepen met nachtaccommodatie voor passagiers.relaties0
relaties0

Artikel 41 Vrijstellingen schepen zonder middelen tot werktuiglijke voortstuwing

Schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing zijn vrijgesteld van:

relaties0relaties0

Artikel 41a Vrijstellingen betreffende de veiligheid van navigatie

Wachtalarminstallaties op de brug, die voor 1 juli 2009 zijn geplaatst, zijn vrijgesteld van de eisen van resolutie MSC.128(75) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO, inhoudende uitvoeringsnormen betreffende de wachtalarminstallatie op de brug (Performance standards for a bridge navigational watch alarm system (BNWAS)) of daaraan gelijkwaardige uitvoeringsnormen.

relaties0relaties0

Artikel 41b Vaart rond de eilanden van Caribisch-Nederland

  • 1. Caribisch-Nederlandse schepen die niet buiten de gebiedsbegrenzingen, bedoeld in het tweede lid, worden gebracht zijn vrijgesteld van de bepalingen van de hoofdstukken 3 tot en met 5 van het besluit en hoofdstuk 3 van deze regeling, mits voldaan wordt aan de eisen, bedoeld in bijlage 6.relaties0
  • 2. De gebiedsbegrenzingen, bedoeld in het eerste lid zijn:
    • a.voor Bonaire: het gebied, begrensd door de lijnen gaande van de meest oostelijke punt van Bonaire (68-12'W) in de richting zuid tot de parallel van 12-00' noorderbreedte, vandaar in de richting west tot de meridiaan van 68-17' westerlengte, vandaar in de richting 327 naar een punt op 12-15' noorderbreedte en 68-27' westerlengte, vandaar in de richting 022 naar een punt op 12-20' noorderbreedte en 68-25' westerlengte en vandaar in de richting van de vuurtoren Seroe Ventana.relaties0
    • b.voor Sint Eustatius: het gebied, begrensd door de parallellen 17-27' en 17-33' noorderbreedte en de meridianen van 62-55' en 63-02' westerlengte;relaties0
    • c.voor Saba: het gebied, begrensd door de parallellen van 17-35' en 17-41' noorderbreedte en de meridiaan van 63-11' en 63-17' westerlengte.relaties0
    relaties0
relaties0
relaties0
relaties0

Hoofdstuk 4 Vervoer van lading

Artikel 42 Vervoer van deklast hout (IMO)

  • 1. Het vervoer van deklast hout aan boord van schepen met een lengte van 24 meter of meer geschiedt met inachtneming van de in de Houtvaartcode, met uitzondering van de bijlagen bij die Code, opgenomen voorschriften.relaties0
  • 2. Het vervoer van pakketten gebundeld hout op de luiken is uitsluitend toegestaan, indien:
    • a.voorzieningen zijn aangebracht om het zijdelings verschuiven van de onderste laag van de deklast te voorkomen;relaties0
    • b.de wijze van beladen van de sjorinrichting en de overige onderdelen van de uitrusting voor de deklast door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn goedgekeurd.relaties0
    relaties0
  • 3. De maximale hoogte van pakketten gebundeld hout die op de luiken worden vervoerd, wordt in afwijking van voorschrift 3.2.1 van de Houtvaartcode gemeten vanaf de bovenzijde van het luikhoofd.relaties0
  • 4. De beproeving, markering en certificering van kettingen, gebruikt bij het sjorren van deklast hout, bedoeld in voorschrift 4.5.1 van de Houtvaartcode, geschiedt overeenkomstig de door het Nederlands Normalisatie-Instituut te Delft uitgegeven norm NEN-EN 818-2.relaties0
relaties0

Artikel 43 Bevoegde autoriteiten IMSBC-Code (IMO)

De bevoegde autoriteiten, bedoeld in de op grond van de hoofdstukken VI, deel Aen VII, deel A-1, van het SOLAS-verdrag toepasselijke IMSBC-code, zijn:

  • a.met betrekking tot het vervoer van radioactieve stoffen in vaste vorm in bulk, behorende tot klasse 7 van de IMSBC-Code: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;relaties0
  • b.met betrekking tot het vervoer van overige stoffen als bedoeld in de IMSBC-Code: de minister.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 44 Nadere regels betreffende het vastzetten van lading (IMO)

  • 1. De Handleiding vastzetten lading, bedoeld in de voorschriften VI/5.6 en VII/5 van het SOLAS-verdrag, voldoet aan de bij circulaire MSC.1/Circ. 1353/Rev.1 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Herziene richtlijnen voor het opstellen van de Handleiding vastzetten lading (Revised guidelines for the preparation of the Cargo Securing Manual).relaties0
  • 2. Op schepen die zijn ingericht voor het vervoer van standaardlading, mag worden volstaan met een verkorte versie van de Handleiding vastzetten lading.relaties0
relaties0

Artikel 44a Methode berekening geverifieerde brutomassa van een beladen container ingevolge voorschrift 2, vierde lid, onder 2, deel A, hoofdstuk VI, van het SOLAS-verdrag

  • 1. De bepaling van de geverifieerde brutomassa van een beladen container door berekening, bedoeld in voorschrift 2, vierde lid, onder 2, deel A, hoofdstuk VI, van het SOLAS-verdrag, geschiedt door de som te nemen van de massa’s bepaald volgens de leden twee tot en met vijf.relaties0
  • 2. De massa van de lading van de container wordt bepaald door de som te nemen van de massa van de afzonderlijke daarin geladen producten of door derden daarover geleverde informatie of bescheiden. Voor bulkproducten is het toegestaan de massa van de lading te bepalen aan de hand van meetmomenten gedurende het productieproces van die bulkproducten zoals debietbepaling door gekalibreerde vulinstallaties of door te wegen.relaties0
  • 3. De massa van de verpakking van in de container geladen producten wordt bepaald door de som te nemen van de massa’s van de productverpakkingen zoals vastgesteld door de verscheper of verstrekt door de leverancier van die verpakkingen of door derden daarover geleverde informatie of bescheiden.relaties0
  • 4. De massa van pallets of van stuwmateriaal in de container wordt bepaald door de som te nemen van de massa van de pallets of van het stuwmateriaal in de container zoals vastgesteld door de verscheper of verstrekt door de leverancier van de pallets of van het stuwmateriaal of door derden daarover geleverde informatie of bescheiden.relaties0
  • 5. De massa van de ongeladen container, zoals verstrekt door degene die de container aan de verscheper ter beschikking stelt.relaties0
  • 6. Bij de bepaling van de massa van een beladen container door berekening worden de bij circulaire MSC/Circ.1475 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde ‘Guidelines regarding the verified gross mass of a container carrying cargo’ in acht genomen.relaties0
relaties0

Artikel 44b Toegestane afwijkingsmarge geverifieerde massa van een beladen container

De geverifieerde brutomassa van een beladen container bedoeld in voorschrift 2, vierde lid, deel A, hoofdstuk VI, van het SOLAS-verdrag wijkt niet meer af van de werkelijke massa dan:

  • a.ten hoogste 500 kilogram indien de werkelijke massa van de geverifieerde beladen container minder dan 10 ton bedraagt;relaties0
  • b.ten hoogste 5 massaprocent indien de werkelijke massa van de geverifieerde beladen container 10 ton of meer bedraagt.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 45 Bevoegde autoriteiten IMDG-Code (IMO)

De bevoegde autoriteiten, bedoeld in de op grond van hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag toepasselijke IMDG-Code, zijn:

  • a.voor radioactieve stoffen in verpakte vorm, behorende tot klasse 7 van de IMDG-Code: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;relaties0
  • b.voor overige stoffen als bedoeld in de IMDG-Code: de minister.relaties0
relaties0relaties0

Artikel 46 EmS-Gids (IMO)

  • 1. Aan boord van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, is een Nederlandstalige uitgave van de EmS-Gids aanwezig.relaties0
  • 2. Aan boord van schepen waarop de in voorschrift V/14.3 van het SOLAS-verdrag bedoelde werktaal niet het Nederlands is, is in afwijking van het eerste lid een Engelstalige uitgave van de EmS-Gids aanwezig.relaties0
relaties0
relaties0

Hoofdstuk 5 Verplichtingen van de kapitein

§ 1 Algemene bepalingen

Artikel 47 Voorschriften voor passagiersschepen in nationale vaart (EU)

De kapitein van een passagiersschip waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen behorend bij richtlijn 2009/45/EG benodigd is, draagt er zorg voor dat aan boord van het schip de in richtlijn 2009/45/EG opgenomen voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.

relaties0relaties0

Artikel 48 Voorschriften voor bijzondere scheepstypen (IMO, CMOU, MCA)

De kapitein van een schip waarvoor op grond van de artikelen 5e, 6, 6c, 6d of 6e het certificaat, behorende bij de SCV-Code, de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989, of de MODU-Code 2009 benodigd is, of ten aanzien waarvan op grond van artikel 12, 12a, 12b of 12c gekozen is voor toepassing van de DSC-Code, de SPS-Code, de SPS-Code 2008, de LY2-Code, de LY3-Code, de CCSS-Code of de SCV-Code, draagt ervoor zorg dat aan boord van het schip de in de desbetreffende Code opgenomen voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.

relaties0relaties0

Artikel 48a Voorschriften voor schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen

De kapitein van een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen, draagt ervoor zorg dat aan boord van het schip de in artikel 20a genoemde voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.

relaties0relaties0

Artikel 49 Beheer medische uitrusting (EU)

  • 1. De kapitein draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige medische uitrusting in goede staat verkeert en zo spoedig mogelijk wordt aangevuld of vernieuwd, in ieder geval met voorrang tijdens de normale bevoorradingsprocedures.relaties0
  • 2. Indien er sprake is van een medisch spoedgeval waarvoor de noodzakelijke geneesmiddelen, verplegingsartikelen of antidota niet aan boord zijn, is de kapitein verplicht zorg te dragen dat deze zo spoedig mogelijk ter beschikking worden gesteld.relaties0
  • 3. De kapitein inspecteert jaarlijks, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in bijlage 5 bij deze regeling is bepaald, de aan boord van het schip aanwezige medische uitrusting.relaties0
  • 4. Dit artikel is eveneens van toepassing op vissersvaartuigen, met dien verstande dat de in het eerste tot en met derde lid bedoelde verplichtingen in dat geval op de schipper van het vaartuig rusten.relaties0
relaties0

Artikel 50 Aantal en persoonsgegevens opvarenden (EU)

  • 1. De kapitein van een passagiersschip draagt er zorg voor dat het aantal opvarenden van het schip voor het vertrek uit de haven wordt geteld, en dat dit aantal zowel aan hem als aan de in artikel 30 bedoelde passagiersregistratiebeambte of het in dat artikel bedoelde passagiersregistratiesysteem wordt medegedeeld.relaties0
  • 2. De kapitein van een passagiersschip waarmee een reis van meer dan 20 zeemijlen vanaf de plaats van vertrek wordt ondernomen, draagt er tevens zorg voor dat voor het vertrek de navolgende gegevens van de opvarenden worden verzameld en uiterlijk 15 minuten na het vertrek aan de passagiersregistratiebeambte of aan het passagiersregistratiesysteem worden doorgegeven:
    • a.familienamen;relaties0
    • b.voornamen;relaties0
    • c.geslacht;relaties0
    • d.nationaliteit;relaties0
    • e.geboortedatum;relaties0
    • f.door passagiers op eigen initiatief verstrekte informatie in verband met speciale zorg of bijstand die in een noodsituatie noodzakelijk kan zijn.relaties0
    relaties0
  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op schepen die overeenkomstig de SCV-Code zijn gecertificeerd.relaties0
relaties0

Artikel 51 Incidenten met gevaarlijke stoffen (IMO)

  • 1. De kapitein van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, draagt er bij een incident met die stoffen zorg voor dat de in de EmS-Gids opgenomen procedures worden gevolgd.relaties0
  • 2. Meldingen van incidenten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in voorschrift VII/6 of VII/7-4 van het SOLAS-verdrag voldoen aan de bij resolutie A.851(20) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Richtlijnen voor het rapporteren van incidenten met gevaarlijke, schadelijke of milieuverontreinigende stoffen (Guidelines for reporting incidents involving dangerous goods, harmful substances and/or marine pollutants).relaties0
relaties0

Artikel 52 Bijhouden dagboeken

De kapitein draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige dagboeken worden bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke Codes en richtlijnen is bepaald.

relaties0relaties0
relaties0

§ 2 Vrijstellingen

Artikel 53 Uitwatering van baggermaterieel met verminderd vrijboord

  • 1. Baggerschepen waaraan krachtens artikel 38 een verminderd vrijboord is toegekend, zijn tijdens het laden, lossen en vervoeren van bagger vrijgesteld van de in het Uitwateringsverdrag opgenomen verplichting om bij de uitwatering de toepasselijke seizoenslastlijnen in acht te nemen, met dien verstande dat het schip geen geringer vrijboord mag hebben dan volgens de voor dat schip vastgestelde baggerlastlijn is toegestaan.relaties0
  • 2. De kapitein van een schip als bedoeld in het eerste lid draagt er zorg voor dat de in IMO-circulaire nr. 2285, bedoeld in artikel 38, opgenomen voorschriften en de in voorkomend geval aan de toekenning van het verminderde vrijboord verbonden beperkingen worden nageleefd.relaties0
relaties0

Artikel 54 Beproeven van stuurinrichting op korte reizen (SOLAS)

Schepen waarmee geregeld korte reizen als bedoeld in voorschrift III/3.22 van het SOLAS-verdrag worden ondernomen, zijn vrijgesteld van de in voorschrift V/26 van dat verdrag opgenomen verplichting om voorafgaand aan elke reis de stuurinrichting te beproeven, met dien verstande dat de stuurinrichting ten minste eenmaal per week wordt beproefd.

relaties0relaties0

Artikel 55 Niet-werktuiglijk voortbewogen schepen

  • 1. Schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing, zijn vrijgesteld van de voorschriften V/26 tot en met V/28 van het SOLAS-verdrag.relaties0
  • 2. De artikelen 64 van het besluit en 52 van deze regeling zijn niet van toepassing op schepen als bedoeld in het eerste lid.relaties0
relaties0
relaties0
relaties0

Hoofdstuk 6 Buitenlandse schepen in Nederlandse wateren

Artikel 56 Toepassingsbereik

relaties0

Artikel 57 Voorschriften met betrekking tot buitenlandse schepen

relaties0

Artikel 58 Handhaving

Een op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet buitenlandse schepen aangewezen toezichthouder is bevoegd een buitenlands schip aan te houden, indien:

relaties0relaties0

Artikel 59 Strafbare feiten

Overtreding van de voorschriften, bedoeld in artikel 57, is een strafbaar feit.

relaties0relaties0
relaties0

Hoofdstuk 6a Schepen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 59a [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 59b [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 59c [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 59d [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 59e [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 59f [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 59g [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0

Artikel 59h [Vervallen per 01-07-2014]

[Red: Vervallen]

relaties0relaties0
relaties0

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 60 Bekendmaking van Codes e.d.

Van de wijze van bekendmaking van de op grond van deze regeling toepasselijke Codes, resoluties en circulaires wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

relaties0relaties0

Artikel 61 Wijzigingen van Codes e.d.

relaties0

Artikel 62 Wijzigingen van richtlijnen

  • 1. Een wijziging van een op grond van deze regeling toepasselijke richtlijn gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.relaties0
  • 2. Uitrusting van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type, waarop als gevolg van de inwerkingtreding van een uitvoeringsverordening scheepsuitrusting de voorschriften van richtlijn 2014/90/EU van toepassing zijn geworden, mag in afwijking van artikel 33 nog gedurende een termijn van drie jaar, gerekend vanaf die dag van inwerkingtreding aan boord van schepen worden geplaatst, mits zij voor die dag werd vervaardigd en ook de typegoedkeuring voor die dag werd verleend.relaties0
relaties0

Artikel 62a Overgangsrecht voor Caribisch-Nederlandse schepen

  • 1. In afwijking van artikel 3a worden op een Caribisch-Nederlands schip waarvoor op grond van hoofdstuk 6a een certificaat van deugdelijkheid is afgegeven, de bepalingen van hoofdstuk 6a, zoals dat luidde tot 1 juli 2014, toegepast tot de geldigheidsduur van het certificaat op grond van artikel 59e afloopt.relaties0
  • 2. Een Caribisch-Nederlands schip dat niet buiten de in artikel 41b, tweede lid, bedoelde gebiedsbegrenzingen wordt gebracht, is tot 1 september 2016 vrijgesteld van de in artikel 3a bedoelde verplichting alsmede de in bijlage 6 opgenomen eisen.relaties0
relaties0

Artikel 63 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2005, met uitzondering van de artikelen 4, derde lid, 5, tweede lid, en 6, tweede lid, die in werking treden op het tijdstip waarop artikel 6 van het Schepenbesluit 2004 in werking treedt.

relaties0relaties0

Artikel 64 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling veiligheid zeeschepen.

relaties0relaties0
relaties0

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

De
Minister
van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H.
Peijs

Bijlage 1 [Vervallen per 01-01-2018]

[Red: Vervallen]

relaties0

Bijlage 2

[Red: Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.]

relaties0

Bijlage 3 behorende bij artikel 18a, eerste lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen

§ 1 Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b

Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, voldoen aan de volgende eisen:

  • a.ten aanzien van de scheepsbouwkundige, werktuigkundige en elektrotechnische aspecten, aan de eisen opgenomen in de regels, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van het besluit;relaties0
  • b.ten aanzien van de stuurinrichting:
    • 1.zij zijn voorzien van ten minste twee van elkaar onafhankelijke stuurinrichtingen;relaties0
    • 2.de stuurinrichtingen zijn zodanig ontworpen dat bij volle kracht vooruit, bij volle kracht achteruit en onder de te verwachten bedrijfsomstandigheden een goede werking is gegarandeerd;relaties0
    • 3.de stuurinrichting is, wanneer het schip op de grootst toegestane diepgang in zeewater lig, in staat om bij de maximum dienstsnelheid vooruit het roer 35 graden uitslag aan één zijde te bewegen naar 35 graden uitslag aan de andere zijde. De tijdsduur benodigd voor het bewegen van het roer van 35 graden uitslag aan één zijde tot 30 graden uitslag aan de andere zijde, mag onder dezelfde omstandigheden niet meer dan 28 seconden bedragen;relaties0
    • 4.de stuurinrichting is zodanig uitgevoerd dat bij een enkelvoudige fout in het pijpleidingsysteem of aan één van de krachtwerktuigen, het defecte gedeelte zo danig buiten bedrijf kan worden gesteld dat de goede werking van de stuurinrichting kan worden gehandhaafd of snel kan worden hersteld;relaties0
    • 5.de stuurinrichtingen kunnen vanaf de brug worden bediend;relaties0
    • 6.het uitvallen van de energie voorziening van de krachtwerktuigen en het laag niveau van de hydraulische olie zijn op de brug gealarmeerd; enrelaties0
    • 7.de stand van het roer wordt op de brug aangegeven. Het systeem van de roerstand aanwijzing werkt onafhankelijk van het afstandsbedieningsysteem;relaties0
    relaties0
  • c.ten aanzien van de bescherming tegen, de opsporing en de bestrijding van brand:
    • 1.zij zijn voorzien van ten minste één brandbluspomp;relaties0
    • 2.de brandbluscapaciteit bedraagt niet minder dan 4/3 van de capaciteit van de voorgeschreven lenspompen;relaties0
    • 3.indien meerdere brandbluspompen worden gebruikt, heeft elke brandbluspomp een capaciteit van niet minder dan 80% van de vereiste totale capaciteit gedeeld door het aantal brandbluspompen, maar in geen geval minder dan 10 m3/uur;relaties0
    • 4.de brandbluspomp kan vanaf de brug worden gestart zodat onmiddellijk watertoevoer van de brandblusleiding beschikbaar is;relaties0
    • 5.de waterdruk bij de brandkranen is tenminste 0,20 N/mm2 met één waterstraal in werking, enrelaties0
    • 6.elk deel van het schip kan met één straal worden bereikt;relaties0
    relaties0
  • d.ten aanzien van de voorzieningen in ruimtes voor machines van categorie A:
    • 1.de eis van voorschrift II-2/10.4 van het SOLAS-verdrag met betrekking tot de vast aangebrachte brandblusinstallatie is van overeenkomstige toepassing;relaties0
    • 2.schijnlichten, indien aanwezig, zijn van staal;relaties0
    • 3.in schachten van ruimten voor machines zijn geen ramen, patrijspoorten of lichtranden aangebracht;relaties0
    • 4.bedieningsmiddelen zijn aangebracht voor:
      • i.schijnlichten en ventilatieopeningen;relaties0
      • ii.sluiten van mechanisch bewogen deuren;relaties0
      • iii.stoppen van de ventilatoren;relaties0
      • iv.stoppen van brandstofoliepompen, enrelaties0
      • v.sluiten van de snelafsluiters aan de brandstoftank;relaties0
      relaties0
    • 5.de bedieningsmiddelen, genoemd in 4., zijn buiten de desbetreffende ruimte aangebracht en gegroepeerd op zo weinig mogelijk plaatsen. Een dergelijke plaats heeft een veilige toegang van open dek;relaties0
    • 6.ventilatiesystemen van ruimtes voor machines van categorie A zijn volledig gescheiden van andere ventilatiesystemen;relaties0
    relaties0
  • e.ten aanzien van reddingmiddelen en radiocommunicatie zijn de hoofdstukken III en IV van het SOLAS-verdrag van overeenkomstige toepassing met uitzondering van de eisen van de volgende voorschriften van hoofdstuk III:
    • 1.voorschrift 6.2.1.1 met betrekking tot het minimum aantal portofoons mits er in ieder geval één portofoon aan boord is;relaties0
    • 2.voorschrift 6.3 met betrekking tot het minimum aantal valschermlichten mits het schip zich beperkt tot reizen van ten hoogste 30 zeemijlen uit de kust en er nooit minder dan 6 valschermlichten aan boord zijn;relaties0
    • 3.voorschrift 6.4.2;relaties0
    • 4.voorschrift 18;relaties0
    • 5.voorschrift 31.2 met betrekking tot het hebben van een hulpverleningsboot mits alternatieve voorzieningen zijn getroffen om een drenkeling binnen 15 minuten horizontaal binnenboord te brengen, enrelaties0
    • 6.voorschrift 32.1.1 met betrekking tot de verplichte hoeveelheid reddingboeien aan boord mits er nooit minder dan 3 reddingboeien aan boord zijn waarvan ten minste 1 met lijn en 1 met licht.relaties0
    relaties0

§ 2 Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling veiligheid zeeschepen

Schepen bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, voldoen aan de volgende eisen:

  • a.ten aanzien van de scheepsbouwkundige, werktuigkundige en elektrotechnische aspecten, de eisen opgenomen in de regels, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van het besluit;
  • b.bij tewerkstelling aan boord van:
    • 1.12 bijzondere opvarenden of minder: de eisen, bedoeld in paragraaf 1, onder c, d en e, van deze bijlage;
    • 2.meer dan 12 bijzondere opvarenden als bedoeld in de SPS-Code: de eisen van de hoofdstukken 2, 3, 4, 6, 8 en 9 van de van overeenkomstige toepassing zijnde SPS-Code. Voor zover in deze eisen wordt verwezen naar het Uitwateringsverdrag of het SOLAS-verdrag worden die verdragen overeenkomstig toegepast met inachtneming van alle op grond van artikel 71 van het besluit toepasselijke wijzigingen van dat verdrag;
  • c.indien zij bemand naar hun bestemming worden gesleept:
    • 1.aanwezigheid van voldoende reddingmiddelen voor de bemanning van het schip; en
    • 2.voorzieningen aanwezig ten behoeve van radiocommunicatie met het slepende schip.
relaties0

Bijlage 3a behorende bij artikel 18a, tweede lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen

§ 1 Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b

Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, voldoen aan de volgende eisen:

  • a.ten aanzien van de scheepsbouwkundige, werktuigkundige en elektrotechnische aspecten, aan de eisen opgenomen in de regels, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van het besluit;relaties0
  • b.ten aanzien van de stuurinrichting:
    • 1.zij zijn voorzien van ten minste twee van elkaar onafhankelijke stuurinrichtingen;relaties0
    • 2.de stuurinrichtingen zijn zodanig ontworpen dat bij volle kracht vooruit, bij volle kracht achteruit en onder de te verwachten bedrijfsomstandigheden een goede werking is gegarandeerd;relaties0
    • 3.de stuurinrichting is, wanneer het schip op de grootst toegestane diepgang in zeewater lig, in staat om bij de maximum dienstsnelheid vooruit het roer 35 graden uitslag aan één zijde te bewegen naar 35 graden uitslag aan de andere zijde. De tijdsduur benodigd voor het bewegen van het roer van 35 graden uitslag aan één zijde tot 30 graden uitslag aan de andere zijde, mag onder dezelfde omstandigheden niet meer dan 28 seconden bedragen;relaties0
    • 4.de stuurinrichting is zodanig uitgevoerd dat bij een enkelvoudige fout in het pijpleidingsysteem of aan één van de krachtwerktuigen, het defecte gedeelte zo danig buiten bedrijf kan worden gesteld dat de goede werking van de stuurinrichting kan worden gehandhaafd of snel kan worden hersteld;relaties0
    • 5.de stuurinrichtingen kunnen vanaf de brug worden bediend;relaties0
    • 6.het uitvallen van de energievoorziening van de krachtwerktuigen en het laag niveau van de hydraulische olie zijn op de brug gealarmeerd, enrelaties0
    • 7.de stand van het roer wordt op de brug aangegeven. Het systeem van de roerstand aanwijzing werkt onafhankelijk van het afstandsbedieningsysteem;relaties0
    relaties0
  • c.ten aanzien van de lensinrichting: de privaatrechtelijke eisen (Rules) van de klassenbureaus voor vrachtschepen met een lengte van minder dan 24 meter en met eigen middelen tot werktuiglijke voortstuwing;relaties0
  • d.ten aanzien van de bescherming tegen, de opsporing en de bestrijding van brand:
    • 1.zij zijn voorzien van ten minste één brandbluspomp;relaties0
    • 2.capaciteit: de totale capaciteit van de (hoofd)brandbluspomp is niet kleiner dan:
      Q = (0,145(L (B+D))1/2+ 2,170)2 maar hoeft niet meer te zijn dan 25 m3/uur
      waarin:
      B = grootste breedte (van de mal) van het vaartuig in meters
      D = grootste hoogte van de holte tot het schottendek in meters
      L = Lengte van het vrijboord in meters
      Q = totale capaciteit in m3/uur;relaties0
    • 3.indien meerdere brandbluspompen worden gebruikt, heeft elke brandbluspomp een capaciteit van niet minder dan 80% van de vereiste totale capaciteit gedeeld door het aantal brandbluspompen, maar in geen geval minder dan 10 m3/uur;relaties0
    • 4.de brandbluspomp kan vanaf de brug worden gestart zodat onmiddellijk watertoevoer van de brandblusleiding beschikbaar is;relaties0
    • 5.de waterdruk bij de brandkranen is tenminste 0,20 N/mm2 met één waterstraal in werking, enrelaties0
    • 6.elk deel van het schip kan met één straal worden bereikt;relaties0
    relaties0
  • e.ten aanzien van de voorzieningen in ruimtes voor machines van categorie A:
    • 1.de eis van voorschrift II-2/10.4 van het SOLAS-verdrag met betrekking tot de vast aangebrachte brandblusinstallatie is van overeenkomstige toepassing;relaties0
    • 2.schijnlichten, indien aanwezig, zijn van staal;relaties0
    • 3.in schachten van ruimtes voor machines zijn geen ramen, patrijspoorten of lichtranden aangebracht;relaties0
    • 4.bedieningsmiddelen zijn aangebracht voor:
      • i.schijnlichten en ventilatieopeningen;relaties0
      • ii.sluiten van mechanisch bewogen deuren;relaties0
      • iii.stoppen van de ventilatoren;relaties0
      • iv.stoppen van brandstofoliepompen, enrelaties0
      • v.sluiten van de snelafsluiters aan de brandstoftank;relaties0
      relaties0
    • 5.de bedieningsmiddelen, genoemd in 4, zijn buiten de desbetreffende ruimte aangebracht en gegroepeerd op zo weinig mogelijk plaatsen. Een dergelijke plaats heeft een veilige toegang van open dek;relaties0
    • 6.ventilatiesystemen van ruimtes voor machines van categorie A zijn volledig gescheiden van andere ventilatiesystemen, enrelaties0
    • 7.er is een wachtklok aanwezig conform de uitvoeringseisen van de Code on Alerts and Indicators 2009 indien er wachtronden in de machinekamer gelopen kunnen worden;relaties0
    relaties0
  • f.ten aanzien van brandbeheersing, met als doel het insluiten van de brand binnen de ruimte waar deze is ontstaan:
    • 1.het vaartuig wordt onderverdeeld door brandschotten en -dekken;relaties0
    • 2.de thermische isolatie van begrenzingen is afgestemd op het brandgevaar van de ruimte en aangrenzende ruimtes, enrelaties0
    • 3.de brandwerendheid van de begrenzingen wordt gehandhaafd bij openingen en doorvoeringen;relaties0
    relaties0
  • g.ten aanzien van structurele brandbeveiliging:
    • 1.de minimale brandwerendheid van schotten en dekken is conform Tabel 1:
      Tabel 1
      [(1)] Ruimte voor machines van categorie A A-60 Accommodatie / controlestations / gangen / trappen / dienstruimten met hoog brandrisico
      [(2)] Ruimte voor machines van categorie A A-O Andere ruimtes dan hierboven vermeld [punt (1)]
      [(3)] Kombuis A-O Tenzij anders bepaald
      [(4)] Dienstruimte met een hoog brandrisico anders dan kombuis B-15 Tenzij bovenstaand vermeld [punt (1)]
      [(5)] gang, trappenhuis B-O Tenzij bovenstaand vermeld [punt (1)]
      [(6)] Laadruimte A-O Tenzij bovenstaand vermeld [punt (1)]
      relaties0
    • 2.begrenzingen van ruimtes die niet hierboven zijn vermeld zijn van onbrandbaar materiaal;relaties0
    • 3.de romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen zijn vervaardigd van staal of ander gelijkwaardig materiaal. Voor de toepassing van de omschrijving van staal of ander gelijkwaardig materiaal zoals die gegeven is in het SOLAS-verdrag is de toepasselijke blootstellingduur aan brand een uur. Schepen gebouwd van ander materiaal dan van staal, behoeven speciale aandacht;relaties0
    • 4.trappen zijn op ten minste een verdieping afgesloten door schotten en deuren of luiken, teneinde de vrije stroom van rook naar andere dekken van het vaartuig en de luchttoevoer naar het vuur te beperken. Deuren die een dergelijke afsluitende werking hebben, zijn zelfsluitend;relaties0
    • 5.openingen in Klasse ‘A’ schotten zijn voorzien van permanent bevestigde afsluitmiddelen die ten minste dezelfde brandwerendheid hebben als de schotten of dekken waarin deze zijn aangebracht;relaties0
    • 6.binnentrappen die ruimtes voor machines bedienen, accommodatieruimtes, dienstruimtes of controlestations zijn van staal of ander gelijkwaardig materiaal;relaties0
    • 7.deuren in begrenzingschotten van ruimtes voor machines van categorie A en kombuizen, zijn zelfsluitend behalve wanneer deze op zee gesloten blijven, enrelaties0
    • 8.waar Klasse ‘A’ schotten zijn doorboord voor het doorvoeren van elektriciteitskabels, leidingen, schachten, kokers, etc. of voor spanten, balken of andere structurele delen, zijn voorzieningen getroffen om ervoor te zorgen dat de brandwerendheid niet wordt aangetast. Voorzieningen voorkomen eveneens de overdracht van warmte aan niet-geïsoleerde grenzen aan de kruisingen en eindpunten van de schotten en doorboringen, door de horizontale en verticale grenzen of doorboringen over een afstand van 450 mm te isoleren;relaties0
    relaties0
  • h.ten aanzien van materialen:
    • 1.verven, vernissen en andere stoffen voor afwerking, gebruikt op blootgestelde inwendige oppervlakken produceren bij brand geen overmatige hoeveelheden rook, giftige gassen of dampen en hebben een laag vlamspreidend vermogen type overeenkomstig de onderdelen 2 en 5 van bijlage 1 bij de FTP Code;relaties0
    • 2.isolerende materialen zijn onbrandbaar met uitzondering van materialen gebruikt in laadruimtes of koelvrieskamers of dienstruimtes;relaties0
    • 3.waar leidingen Klasse ‘A’ of ‘B’ schotten doorboren, zijn de leidingen of de onderdelen van de doorboring vervaardigd van staal of ander equivalent materiaal, rekening houdend met de temperatuur en brandwerendheid die dergelijke schotten moeten hebben;relaties0
    • 4.leidingen waar olie of brandbare vloeistoffen door accommodatieruimtes en dienstruimtes worden vervoerd, zijn gelet op het brandgevaar vervaardigd uit staal of ander equivalent materiaal;relaties0
    • 5.materialen die gemakkelijk onbruikbaar worden door warmte, worden niet gebruikt voor spuipijpen, sanitaire en andere overboord openingen, die dicht bij de lastlijn liggen en waarvan falen, in geval van brand, gevaar voor instromen van water met zich mee zou brengen;relaties0
    • 6.de onderste laag van dekbedekkingen in accommodatieruimtes, dienstruimtes en bedieningsstations zijn van materiaal dat noch gemakkelijk kan ontbranden, noch aanleiding kan geven tot vergiftiging- of explosiegevaar bij verhoogde temperaturen, overeenkomstig de onderdelen 2 en 6 van bijlage 1 bij de FTP Code, enrelaties0
    • 7.materialen die worden gebruikt voor bijvoorbeeld het isoleren van leidingen, in ruimtes voor machines en andere ruimtes met een hoog brandrisico zijn onbrandbaar; dampwerende lagen en kleefstoffen gebruikt bij isolatie, alsmede de isolatie van pijpleidingen voor koudwatersystemen, behoeven niet onbrandbaar te zijn, doch het gebruik ervan is tot het praktisch mogelijke minimum beperkt en de blootgestelde oppervlakken hebben een laag vlamspreidend vermogen;relaties0
    relaties0
  • i.ten aanzien het oppervlak van de isolatie:
    in ruimtes waarin olieproducten aanwezig kunnen zijn, is het oppervlak van de isolatie ondoordringbaar voor olie en oliedampen. Isolatie wordt dusdanig aangebracht dat onderdompeling in olielekkage wordt voorkomen;relaties0
  • j.ten aanzien van ventilatiesystemen:
    • 1.ventilatoren voldoen aan het vereiste dat ze aan en uitgezet kunnen worden en de belangrijkste in- en uitlaten van het ventilatiesysteem gesloten kunnen worden van buiten de ruimte die ze bedienen;relaties0
    • 2.ventilatiekanalen bestemd voor ruimtes voor machines van categorie A die door accommodatieruimtes, kombuizen, dienstruimtes of bedieningsstations gaan, zijn vervaardigd van staal en ingericht om de brandwerendheid van de schotten te waarborgen;relaties0
    • 3.ventilatiesystemen voor opslagruimtes waar licht ontvlambare producten kunnen worden opgeslagen, worden intrinsiek veilig uitgevoerd;relaties0
    • 4.ventilatiekanalen bestemd voor ruimtes voor machines van categorie A en kombuisafzuigsystemen zijn onafhankelijk van ventilatiesystemen van overige ruimtes;relaties0
    • 5.er is een ventilatiesysteem aanwezig dat eventuele opeenhoping van gassen die kunnen worden uitgestoten uit batterijen voorkomt, enrelaties0
    • 6.ventilatieopeningen mogen aangebracht worden onder en in de onderste delen van gangdeuren van passagiersruimtes, bemanningsverblijven en deuren van het dagverblijf. De totale netto-oppervlakte van een dergelijke opening is niet groter dan 0,05 m2. Overdrukopeningen en -kanalen zijn niet toegestaan in brandschotten en -dekken;relaties0
    relaties0
  • k.ten aanzien van brandstofsystemen:
    • 1.aan boord van een vrachtschip waar brandstofolie wordt gebruikt, zijn de inrichtingen voor de opslag, de distributie en het gebruik van brandstofolie zodanig dat de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen is verzekerd;relaties0
    • 2.brandstoftanks gelegen binnen de begrenzingswanden van ruimtes voor machines van categorie A, bevatten geen brandstofolie met een vlampunt lager dan 60°C;relaties0
    • 3.brandstofolie, smeerolie en andere ontvlambare oliën worden niet in voorpiektanks vervoerd;relaties0
    • 4.oliebrandstofleidingen zijn ver gelegen van hete oppervlakken, elektrische installaties en andere ontstekingsbronnen en zijn afgeschermd, of anderszins doeltreffend beschermd om te voorkomen dat wegspattende of weglekkende olie terecht komt op ontstekingsbronnen. Het aantal verbindingen in deze leidingstelsels wordt tot een minimum beperkt;relaties0
    • 5.oppervlakken met temperaturen boven de 220°C waarop brandstofolie terecht kan komen zijn als gevolg van een defect aan het brandstofoliesysteem afdoende geïsoleerd. Voorzorgsmaatregelen worden genomen om te voorkomen dat olie onder druk, die uit een pomp, filter of voorverwarmers zou kunnen ontsnappen, in aanraking komt met hete oppervlakken, enrelaties0
    • 6.alle zich aan de buitenkant bevindende hogedrukbrandstoftoevoerleidingen tussen de hogedrukbrandstofpompen en -brandstofinjectoren zijn beveiligd met een systeem van dubbelwandige buizen die brandstof vanuit een defecte hogedrukleiding kunnen binnenhouden. Een geschikte afscheiding rond motoren met een vermogen van 375 kW of minder met brandstofinjectiepompen die meer dan een injector bedienen, mag gebruikt worden als alternatief voor het dubbelwandige leidingsysteem. Voor bestaande schepen die voor de eerste keer onder Nederlandse vlag worden gebracht wordt hier voor zover mogelijk invulling aan gegeven;relaties0
    relaties0
  • l.ten aanzien van gasinstallaties ten behoeve van huishoudelijk gebruik:
    waar gasinstallaties worden gebruikt voor huishoudelijk gebruik zijn deze periodiek gekeurd, goed onderhouden, zodanig opgesteld en ingericht dat het risico van brand of explosie bij zowel een in gebruik zijnde als buiten gebruik zijnde installatie tot een minimum teruggebracht;relaties0
  • m.ten aanzien van ruimteverwarming:
    ruimteverwarming, indien gebruikt, is bevestigd en zodanig geconstrueerd om brandgevaar tot een minimum te beperken. Het ontwerp en de locatie van deze apparaten is zodanig dat kleding, gordijnen of andere soortgelijke materialen niet kunnen worden geschroeid of vlam kunnen vatten door de warmte van het apparaat;relaties0
  • n.ten aanzien van voorzieningen voor ontsnapping opdat personen aan boord veilig en snel kunnen ontsnappen naar het inschepingsdek voor de reddingmiddelen:
    • 1.functionele eisen:
      • i.er is voorzien in veilige vluchtwegen;relaties0
      • ii.vluchtwegen worden gehandhaafd in een veilige toestand, vrij van obstakels,
        enrelaties0
      • iii.er is zo nodig voorzien in extra hulpmiddelen om te vluchten, om toegankelijkheid te bieden, een heldere aanduiding en een adequaat plan voor noodsituaties.relaties0
      relaties0
    • 2.overige eisen:
      • i.trappen, ladders en gangen vanuit ruimtes waarin door de bemanning onder normale omstandigheden dienst wordt gedaan, zijn zodanig aangebracht, dat een inschepingsdek voor reddingvaartuigen gemakkelijk kan worden bereikt;relaties0
      • ii.er zijn ten minste twee voorzieningen voor ontsnapping, op een zo groot mogelijke afstand van elkaar, vanuit elk deel van de accommodatieruimtes en dienstruimtes en controlestations;relaties0
      • iii.de normale uitgang van accommodatieruimtes en dienstruimtes onder het open dek leidt naar het open dek zonder door de ruimtes te gaan waarin een mogelijke brandhaard kan ontstaan (bijvoorbeeld ruimtes voor machines, opslagruimtes van brandbare vloeistoffen);relaties0
      • iv.de tweede vluchtweg mag via patrijspoorten en luiken van voldoende grootte zijn en bij voorkeur direct naar het open dek leiden;relaties0
      • v.er zijn geen doodlopende gangen met een lengte van meer dan 7 meter, enrelaties0
      • vi.ten minste twee voorzieningen voor ontsnapping zijn aangebracht in ruimtes voor machines, behalve daar waar de kleine omvang van een ruimte dit praktisch onuitvoerbaar maakt. De vluchtweg bestaat uit stalen trappen of ladders op een zo groot mogelijke onderlinge afstand;relaties0
      relaties0
    relaties0
  • o.ten aanzien van brandblusvoorzieningen om een brand binnen de ruimte waarin deze is ontstaan te blussen. Hiervoor moet aan de volgende functionele eisen worden voldaan:
    • 1.er zijn vaste brandblusinstallaties aanwezig, voor zover van toepassing, met inachtneming van het brandgroeipotentieel van de te beschermen ruimtes; enrelaties0
    • 2.brandblusmiddelen zijn voor gebruik gereed;relaties0
    relaties0
  • p.ten aanzien van draagbare brandblustoestellen:
    • 1.het aantal draagbare brandblustoestellen is volgens onderstaande Tabel 2:
      Tabel 2
      Accommodatie- en dienstruimtes: • Vaartuigen ≥ 150 GT • vaartuigen < 150 GT (zie 6) ≥ 3 ≥ 1
      Ruimtes voor machines 1 per 375 KW geïnstalleerd vermogen met een minimum van 2 en een maximum van 6
      relaties0
    • 2.blusmedium:
      • i.de gebruikte blusstof is geschikt voor het blussen van branden in de ruimtes waar de blusser is geplaatst;relaties0
      • ii.de brandblustoestellen voor gebruik in de ruimtes voor machines van vrachtschepen die gebruik maken van olie als brandstof, zijn van het type dat schuim, kooldioxide, droog poeder of ander goedgekeurde stof ontlaadt, en daarmee geschikt is om olie brand mee te blussen;relaties0
      relaties0
    • 3.capaciteit:
      • i.de inhoud van een brandblustoestel met vloeibare blusstof is niet groter dan 13,5 liter en niet kleiner dan 9 liter. Een brandblustoestel met een andere blusstof is ten minste even goed draagbaar als een toestel met een vloeibare blusstof van 13,5 liter, terwijl het blusvermogen ten minste gelijkwaardig is aan dat van een toestel met 9 liter vloeibare blusstof;relaties0
      • ii.de volgende capaciteiten kunnen overeenkomstig worden toegepast:
        • 9 liter vloeibare blusstof (water of schuim);
        • 5 kg droog poeder;
        • 5 kg kooldioxide;
        relaties0
      relaties0
    • 4.reservevullingen:
      een reservevulling is aanwezig voor elk type brandblustoestel. Als wisselen van de vulling aan boord niet eenvoudig mogelijk is, is voor iedere voorgeschreven brandblustoestel een reservebrandblustoestel aanwezig;relaties0
    • 5.locatie:
      • i.de brandblustoestellen worden opgeborgen op makkelijk toegankelijke plaatsen en worden zo ver mogelijk van elkaar geplaatst en niet gegroepeerd;relaties0
      • ii.een van de draagbare brandblustoestellen bestemd voor gebruik in welke ruimte dan ook, is dichtbij de ingang van die ruimte geplaatst, enrelaties0
      relaties0
    • 6.accommodatieruimtes, dienstruimtes en bedieningsstations zijn voorzien van een voldoende aantal draagbare brandblustoestellen om ten minste te verzekeren dat een brandblustoestel direct klaar is voor gebruik in ieder deel van de ruimtes voor de bemanning. Het aantal is in ieder geval niet minder dan drie, tenzij dit praktisch niet uitvoerbaar is in hele kleine vaartuigen, in welk geval een brandblustoestel beschikbaar is op ieder dek waar zich accommodatieruimtes of dienstruimtes of bedieningsstations bevinden;relaties0
    relaties0
  • q.ten aanzien van brandbestrijdingsapparatuur: er is een brandblusdeken aanwezig.relaties0
  • r.ten aanzien van reddingsmiddelen en radiocommunicatie zijn de hoofdstukken III en IV van het SOLAS-verdrag van overeenkomstige toepassing met uitzondering van de eisen van de volgende voorschriften van hoofdstuk III:
    • 1.voorschrift 6.2.1.1 met betrekking tot het minimum aantal portofoons mits er in ieder geval één portofoon aan boord is;relaties0
    • 2.voorschrift 6.3 met betrekking tot het minimum aantal valschermlichten mits het schip zich beperkt tot reizen van ten hoogste 30 zeemijlen uit de kust en er nooit minder dan 6 valschermlichten aan boord zijn;relaties0
    • 3.voorschrift 6.4.2;relaties0
    • 4.voorschrift 18;relaties0
    • 5.voorschrift 31.2 met betrekking tot het hebben van een hulpverleningsboot mits alternatieve voorzieningen zijn getroffen om een drenkeling binnen 15 minuten horizontaal binnenboord te brengen, enrelaties0
    • 6.voorschrift 32.1.1 met betrekking tot de verplichte hoeveelheid reddingboeien aan boord mits er nooit minder dan 3 reddingboeien aan boord zijn waarvan ten minste 1 met lijn en 1 met licht.relaties0
    relaties0

§ 2 Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling veiligheid zeeschepen

Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, voldoen aan de volgende eisen:

  • a.bij een aantal van:
    • 1.12 bijzondere opvarenden als bedoeld in de SPS-Code of minder: de eisen, bedoeld in paragraaf 1, met uitzondering van onderdeel b en g, van deze bijlage. Voor de structurele brandbescherming mogen de regels van de klassenbureaus worden toegepast. In geval er accommodatie aanwezig is zijn de eisen van onderdeel g onverkort van toepassing;relaties0
    • 2.meer dan 12 bijzondere opvarenden als bedoeld in de SPS-Code: de eisen van de hoofdstukken 2, 3, 4, 6, 8 en 9 van de van overeenkomstige toepassing zijnde SPS-Code. Voor zover in deze eisen wordt verwezen naar het Uitwateringsverdrag of het SOLAS-verdrag worden die verdragen overeenkomstig toegepast met inachtneming van alle op grond van artikel 71 van het besluit toepasselijke wijzigingen van dat verdrag;relaties0
  • b.indien zij naar de werklocatie worden gesleept met bijzondere opvarenden aan boord of op locatie werken met in de nabijheid, op VHF-afstand, het slepende respectievelijk stand-by schip ter beschikking, dat is uitgerust met een voorziening voor radiocommunicatie volgens de desbetreffende voorschriften van hoofdstuk IV van het SOLAS-verdrag, zijn zij in afwijking van het vereiste als bedoeld in onderdeel a, 1. of 2., voor zover het de radiocommunicatie betreft, uitgerust met:
    • 1.1 VHF-DSC radio-installatie die in staat is over te schakelen naar de nood- of reserve krachtbron, en
    • 2.1 GMDSS 2-wegs VHF radiotelefoonapparaat dat is voorzien van een voor dat doel bestemde batterij en verzegelde reservebatterij;
  • c.ten aanzien van de lensinrichting, voor bemande schepen:
    • 1.zij zijn voorzien van ten minste één werktuiglijk gedreven lenspomp van voldoende capaciteit die in staat is alle afdelingen van het schip die niet permanent zijn ingericht voor de opslag van vloeistoffen lens te pompen onder alle in de praktijk voorkomende omstandigheden. Bovendien moet aan boord van een schip met een geïnstalleerd vermogen van meer dan 130 kW nog een tweede werktuiglijk gedreven pomp aanwezig zijn waarvan de aandrijving niet afhankelijk mag zijn van dezelfde krachtbron. Eén van de pompen moet, buiten de lensleiding om, rechtstreeks uit de machinekamer kunnen zuigen;relaties0
    • 2.elke lenspomp moet het water in de lensleiding een snelheid van ten minste 122 meter per minuut kunnen geven;relaties0
    • 3.de inrichting van de lensleidingen moet zodanig zijn dat geen water rechtstreeks van buitenboord naar een afdeling kan stromen, of van een afdeling naar een andere;relaties0
    • 4.lensleidingen moeten zijn gemaakt van staal of een gelijkwaardig materiaal;relaties0
    • 5.de inwendige diameter van de lensleidingen wordt berekend volgens de volgende formule:
      25+1,68√(L(B+D))
      In deze formule is:
      L, B en D onderscheidenlijk de lengte, breedte en holte naar de mal als omschreven in het op 23 juni 1969 te Londen totstandgekomen Verdrag betreffende de meting van schepen (Trb. 1970, 122);relaties0
    • 6.de minimum inwendige diameter bedraagt ten minste 50 mm, enrelaties0
    • 7.de doorlaat van zuigopeningen van pompen en afsluiters moet ten minste gelijk zijn aan die van de daarop aangesloten leidingen;relaties0

    Gezien de waterdichte indeling van vaartuigen zonder voortstuwing kan worden afgeweken van bovenstaande mits een daartoe onderbouwd voorstel wordt overgelegd.
  • d.ten aanzien van de bescherming tegen, de opsporing en de bestrijding van brand, voor een bemand schip:
    • 1.zij zijn voorzien van ten minste één brandbluspomp;
    • 2.de brandbluscapaciteit bedraagt niet minder dan 4/3 van de capaciteit van de voorgeschreven lenspompen;
    • 3.indien meerdere brandbluspompen worden gebruikt, heeft elke brandbluspomp een capaciteit van niet minder dan 80% van de vereiste totale capaciteit gedeeld door het aantal brandbluspompen, maar in geen geval minder dan 10 m3/uur;
    • 4.de brandbluspomp kan vanaf de brug worden gestart zodat onmiddellijk water toevoer van de brandblusleiding beschikbaar is;
    • 5.de waterdruk bij de brandkranen is tenminste 0,20 N/mm2 met één waterstraal in werking, en
    • 6.elk deel van het schip kan met één straal worden bereikt.
relaties0

Bijlage 3b behorend bij artikel 20a, eerste lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen

Eisen aan schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen met een lengte van minder dan 24 meter

  • 1.Een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen voldoet aan bijlage 3a met de volgende aanvullingen:
    • a.ten aanzien van vrijboord en uitwateringsmerk zijn de eisen van het Uitwateringsverdrag van toepassing;relaties0
    • b.ten aanzien van de stabiliteit van het schip in onbeschadigde toestand zijn de eisen van de IS-Code 2008 van toepassing.relaties0
    relaties0
  • 2.Voor het maken van berekeningen voor lekstabiliteit worden de volgende volumepermeabiliteit toegepast:
    Bestemd voor voorraden 60 of 95 indien beperkte hoeveelheid voorraden aanwezig is
    Ingenomen door verblijven 95
    Ingenomen door machines 85
    Bestemd voor vloeistoffen 0 of 951

    1 Afhankelijk van het percentage dat de zwaarste eisen oplevert.relaties0
  • 3.Andere cijfers van volumepermeabiliteit kunnen worden gebruikt als deze zijn onderbouwd met berekeningen.relaties0
  • 4.De lekstabiliteit wordt berekend bij het volledig vervuld raken van één compartiment.relaties0
  • 5.Voor schepen met één romp en catamarans, niet zijnde schepen als bedoeld in punt 7, wordt als omvang van de beschadiging aangenomen:
    • i.langsscheeps: beschadiging tussen waterdichte dwarsschotten;relaties0
    • ii.dwarsscheeps: beschadiging van kleine omvang tot waterdichte langsschotten;relaties0
    • iii.verticaal: van de lijn van de onderkant van de spanten naar boven zonder begrenzing.relaties0

    Indien op een bepaalde plaats een beschadiging van kleinere omvang een gevaarlijkere toestand kan veroorzaken dan wordt deze beschadiging aan de berekeningen ten grondslag gelegd.relaties0
  • 6.Ten aanzien van de vereiste stabiliteit van het schip in de eindtoestand na beschadiging en nadat mogelijke vereffening door overvloeien heeft plaatsgevonden, geldt dat:
    • i.de hellingshoek waarbij statisch evenwicht optreedt niet meer dan 7° bedraagt;relaties0
    • ii.de kromme van armen van statische stabiliteit van het schip in de eindtoestand van vollopen een minimum bereik van 15° voorbij de evenwichtsstand heeft, waarbij de grootste waarde van de arm van statische stabiliteit binnen dat bereik een waarde van niet minder dan 100 mm heeft;relaties0
    • iii.het oppervlak onder de kromme van restarmen van positieve statische stabiliteit ten minste 0,015 mrad bedraagt, gemeten vanaf de evenwichtshoek;relaties0
    • iv.de waterlijn in beschadigde toestand niet minder dan 76 mm bedraagt, gemeten van het vrijboorddek.relaties0
    relaties0
  • 7.Voor schepen met een klein waterlijnoppervlak en met een groot vrijboord in onbeschadigde toestand, zoals catamarans, wordt als omvang van de beschadiging aangenomen:
    • i.langsscheeps: 10% van de lengte van het schip waarbij beschadiging is opgetreden langs de gehele scheepslengte tussen waterdichte dwarsschotten welke zijn geplaatst op een onderlinge afstand welke niet minder is dan de langsscheepse omvang van schade in de zijde. Wanneer de afstand tussen twee waterdichte dwarsschotten minder is dan de schadelengte, dan worden voor de lekstabiliteitberekeningen een of meer dwarsschotten genegeerd op een zodanige wijze dat de desbetreffende compartimentlengte gelijk is aan of groter is dan de schadelengte. De bovengenoemde schadelengte wordt niet toegepast binnen de voorpiek- en achterpiekcompartimenten;relaties0
    • ii.dwarsscheeps: een afstand tot de hartlijn van het schip binnenboord gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en steven ter hoogte van de hoogstgelegen indelingslastlijn;relaties0
    • iii.verticaal: vanaf de lijn van de onderkant van de spanten naar boven zonder begrenzing.relaties0

    Van een catamaran wordt aangenomen dat een volledige romp beschadigd is, indien de twee rompen volledig onafhankelijk zijn en er geen kruisverbindingen zijn die, indien beschadigd, het andere romp- en natte dekcompartiment zouden vervullen. Van trimarans wordt beschouwd dat zij schade hebben aan vleugel- en middencompartimenten tot aan hartschip.relaties0
  • 8.Indien op een bepaalde plaats een kleinere beschadiging dan in de gevallen, bedoeld in punt 7,onderdelen i tot en met iii, wordt verondersteld, die een gevaarlijkere toestand zou veroorzaken, dan wordt deze beschadiging aan de berekeningen ten grondslag gelegd.relaties0
  • 9.Als vorm van een beschadiging wordt een rechthoekig blok aangenomen. Waterdichte compartimenten aan de achterkant van de spiegel die niet deel uitmaken van de romplengte en zich niet uitstrekken tot onder de ontwerpwaterlijn, zoals overhangen en appendages, worden niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de beschadigde lengte.relaties0
  • 10.Elke schade aan alle voorste compartimenten van elke romp van een schip met meerderde rompen, welke valt binnen 5% van de lengte van het voorste deel van de waterdichte romp, gemeten op het midden van het schip, wordt beoordeeld op lekstabiliteit.relaties0
  • 11.Ten aanzien van de vereiste stabiliteit van het schip in de eindtoestand na beschadiging en nadat mogelijke vereffening door overvloeien heeft plaatsgevonden, geldt dat:
    • i.de slagzijhoek waarbij statisch evenwicht optreedt niet meer dan 15° bedraagt;relaties0
    • ii.voldoende stroeve dekoppervlakken en geschikte vasthoudpunten zoals leuningen langs ontsnappingswegen en toegang tot ontsnappingswegen zijn aangebracht. Daarnaast is aandacht besteed aan de middelen om toegang te krijgen tot de reddingsboten, het instappen en het te water laten;relaties0
    • iii.de kromme van armen van positieve statische stabiliteit ten minste 20° bedraagt, gemeten vanaf de hellingshoek waarbij statisch evenwicht optreedt tot de hoek waarbij verder vervuld raken van het schip optreedt;relaties0
    • iv.de maximale waarde van de arm van statische stabiliteit in bereik van positieve statische stabiliteit ten minste 200 mm bedraagt;relaties0
    • v.het oppervlak onder de kromme van restarmen van positieve statische stabiliteit ten minste 0,045 mrad bedraagt, gemeten vanaf de evenwichtshoek;relaties0
    • vi.de uiteindelijke waterlijn behorende bij het statisch evenwicht onder het laagste punt van elke opening is gelegen welke niet is afgesloten door een goedgekeurde waterdichte afsluiting. Dit omvat openingen zoals luchtpijpen, luikdeuren, deuren en eventuele andere waterdichte afsluitingen;relaties0
    • vii.deze beschadiging er niet toe mag leiden dat het schip op een waterlijn van minder dan 76 mm drijft, gemeten van het vrijboorddek;relaties0

    Van het gestelde onder vii kan worden afgeweken indien:
    • in het ondergedompelde gedeelte van het vrijboorddek geen opslagruimte voor levensreddende apparaten aanwezig zijn;
    • in het ondergedompelde gedeelte van het vrijboorddek geen onderdeel van een verzamelplaats, inschepingsplaats of onderdeel van een ontsnappingsroute is, en
    • niet meer dan 10% van de lengte van de dekrand aan de beschadigde kant onder de waterlijn is en dat negatief vrijboord beperkt is tot maximaal 300 mm, gemeten vanaf de dekrand.
    relaties0
relaties0

Bijlage 3c Eisen aan offshoredienstschepen en hogesnelheidsoffshoredienstschepen van minder dan 500 gt

§ 1 Offshoredienstschepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel f

  • 1.Een offshoredienstschip als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel f, voldoet aan bijlage 3a met de volgende aanvullingen:
    • a.ten aanzien van vrijboord en uitwateringsmerk zijn de eisen van het Uitwateringsverdragvan toepassing;relaties0
    • b.ten aanzien van de stabiliteit van het schip in onbeschadigde toestand zijn de eisen van de IS-Code 2008 van toepassing.relaties0
    relaties0
  • 2.Voor het maken van berekeningen voor lekstabiliteit wordt de volgende volumepermeabiliteit toegepast:
    Bestemd voor voorraden 60 of 95 indien beperkte hoeveelheid voorraden aanwezig is
    Ingenomen door verblijven 95
    Ingenomen door machines 85
    Bestemd voor vloeistoffen 0 of 951

    1 Afhankelijk van het percentage dat de zwaarste eisen oplevert.relaties0
  • 3.Andere cijfers over volumepermeabiliteit kunnen worden gebruikt als deze zijn onderbouwd met berekeningen.relaties0
  • 4.De lekstabiliteit wordt berekend bij het volledig vervuld raken van één compartiment.relaties0
  • 5.Voor schepen met één romp en catamarans, niet zijnde schepen als bedoeld onder 7, wordt als omvang van de beschadiging aangenomen:
    • i.langsscheeps: beschadiging tussen waterdichte dwarsschotten;relaties0
    • ii.dwarsscheeps: beschadiging van kleine omvang tot waterdichte langsschotten;relaties0
    • iii.verticaal: van de lijn van de onderkant van de spanten naar boven zonder begrenzing.relaties0

    Indien op een bepaalde plaats een beschadiging van kleinere omvang een gevaarlijkere toestand kan veroorzaken wordt deze beschadiging aan de berekeningen ten grondslag gelegd.relaties0
  • 6.Ten aanzien van de vereiste stabiliteit van het schip in de eindtoestand na beschadiging en nadat mogelijke vereffening door overvloeien heeft plaatsgevonden, geldt dat:
    • i.de hellingshoek waarbij statisch evenwicht optreedt niet meer dan 7° bedraagt;relaties0
    • ii.de kromme van armen van statische stabiliteit van het schip in de eindtoestand van vollopen een minimum bereik van 15° voorbij de evenwichtsstand heeft, waarbij de grootste waarde van de arm van statische stabiliteit binnen dat bereik een waarde van niet minder dan 100 mm heeft;relaties0
    • iii.het oppervlak onder de kromme van restarmen van positieve statische stabiliteit ten minste 0,015 mrad bedraagt, gemeten vanaf de evenwichtshoek;relaties0
    • iv.de waterlijn in beschadigde toestand niet minder dan 76 mm bedraagt, gemeten van het vrijboorddek.relaties0
    relaties0
  • 7.Voor schepen met een klein waterlijnoppervlak en met een groot vrijboord in onbeschadigde toestand, zoals catamarans, wordt als omvang van de beschadiging aangenomen:
    • i.langsscheeps: 10% van de lengte van het schip waarbij beschadiging is opgetreden langs de gehele scheepslengte tussen waterdichte dwarsschotten welke zijn geplaatst op een onderlinge afstand welke niet minder is dan de langsscheepse omvang van schade in de zijde. Wanneer de afstand tussen twee waterdichte dwarsschotten minder is dan de schadelengte, dan worden voor de lekstabiliteitberekeningen een of meer dwarsschotten genegeerd op een zodanige wijze dat de desbetreffende compartimentlengte gelijk is aan of groter is dan de schadelengte. De bovengenoemde schadelengte wordt niet toegepast binnen de voorpiek- en achterpiekcompartimenten;relaties0
    • ii.dwarsscheeps: een afstand tot de hartlijn van het schip binnenboord gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en steven ter hoogte van de hoogstgelegen indelingslastlijn;relaties0
    • iii.verticaal: vanaf de lijn van de onderkant van de spanten naar boven zonder begrenzing.relaties0

    Van een catamaran wordt aangenomen dat een volledige romp beschadigd is, indien de twee rompen volledig onafhankelijk zijn en er geen kruisverbindingen zijn die, indien beschadigd, het andere romp- en natte dekcompartiment zouden vervullen. Van trimarans wordt beschouwd dat zij schade hebben aan vleugel- en middencompartimenten tot aan hartschip.relaties0
  • 8.Indien op een bepaalde plaats een kleinere beschadiging dan in de onderdelen 7.i, 7.ii of 7.iii wordt verondersteld, die een gevaarlijkere toestand zou veroorzaken, wordt deze beschadiging aan de berekeningen ten grondslag gelegd.relaties0
  • 9.Als vorm van een beschadiging wordt een rechthoekig blok aangenomen. Waterdichte compartimenten aan de achterkant van de spiegel die niet deel uitmaken van de romplengte en zich niet uitstrekken tot onder de ontwerpwaterlijn, zoals overhangen en appendages, worden niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de beschadigde lengte.relaties0
  • 10.Elke schade aan alle voorste compartimenten van elke romp van een schip met meerdede rompen, welke valt binnen 5% van de lengte van het voorste deel van de waterdichte romp, gemeten op het midden van het schip, wordt beoordeeld op lekstabiliteit.relaties0
  • 11.Ten aanzien van de vereiste stabiliteit van het schip in de eindtoestand na beschadiging en nadat mogelijke vereffening door overvloeien heeft plaatsgevonden, geldt dat:
    • i.de slagzijhoek waarbij statisch evenwicht optreedt niet meer dan 15° bedraagt;relaties0
    • ii.voldoende stroeve dekoppervlakken en geschikte vasthoudpunten zoals leuningen langs ontsnappingswegen en toegang tot ontsnappingswegen zijn aangebracht. Daarnaast is aandacht besteed aan de middelen om toegang te krijgen tot de reddingsboten, het instappen en het te water laten;relaties0
    • iii.de kromme van armen van positieve statische stabiliteit ten minste 20° bedraagt, gemeten vanaf de hellingshoek waarbij statisch evenwicht optreedt tot de hoek waarbij verder vervuld raken van het schip optreedt;relaties0
    • iv.de maximale waarde van de arm van statische stabiliteit in bereik van positieve statische stabiliteit ten minste 200 mm bedraagt;relaties0
    • v.het oppervlak onder de kromme van restarmen van positieve statische stabiliteit ten minste 0,045 mrad bedraagt, gemeten vanaf de evenwichtshoek;relaties0
    • vi.de uiteindelijke waterlijn behorende bij het statisch evenwicht onder het laagste punt van elke opening is gelegen welke niet is afgesloten door een goedgekeurde waterdichte afsluiting. Dit omvat openingen zoals luchtpijpen, luikdeuren, deuren en eventuele andere waterdichte afsluitingen;relaties0
    • vii.deze beschadiging er niet toe mag leiden dat het schip op een waterlijn van minder dan 76 mm drijft, gemeten van het vrijboorddek;
      Van het gestelde onder vii kan worden afgeweken indien:
      • in het ondergedompelde gedeelte van het vrijboorddek geen opslagruimte voor levensreddende apparaten aanwezig zijn;
      • in het ondergedompelde gedeelte van het vrijboorddek geen onderdeel van een verzamelplaats, inschepingsplaats of onderdeel van een ontsnappingsroute is, en
      • niet meer dan 10% van de lengte van de dekrand aan de beschadigde kant onder de waterlijn is en dat negatief vrijboord beperkt is tot maximaal 300 mm, gemeten vanaf de dekrand.
      relaties0
    relaties0
  • 12.Industrieel personeel heeft recht op:
    • i.kosteloze toegang tot drinkwater in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord;relaties0
    • ii.kosteloze toegang tot voeding in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord;relaties0
    • iii.kosteloze toegang tot medische behandeling in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord;relaties0
    • iv.kosteloze toegang tot medische voorzieningen in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord;relaties0
    • v.toegang tot recreatieve voorzieningen, rekening houdend met de duur van de reis;relaties0
    • vi.een veilige en hygiënische leefomgeving.
      • c.ten aanzien van inrichting van openbare ruimten en voorzieningen voor industrieel personeel en passagiers:
        Openbare ruimten en voorzieningen voor industrieel personeel en passagiers zijn zodanig ontworpen en gebouwd dat:
        • i.overmatige of onnodige werkzaamheden, of overige omstandigheden en afleidingen die vermoeidheid zouden kunnen veroorzaken of de waakzaamheid van het brugteam en de loods zouden kunnen belemmeren, voorkomen of beperkt worden; enrelaties0
        • ii.werkstations voor aanvullende functies die niet essentieel zijn voor de veilige bedrijfsvoering van het schip, de voortstuwing en lading, of ruimten die zijn ingericht voor vergaderingen of ontspanning in het stuurhuis, niet zijn geplaatst binnen het gebied van de navigatiebrug of binnen de gezichtsvelden die nodig zijn voor verkeerswaarneming vanuit werkstations.relaties0
        relaties0
      • d.ten aanzien van de toepasbaarheid van de ISM-Code worden hogesnelheidsoffshoredienstschepen als vrachtschepen beschouwd.relaties0
      relaties0
    relaties0

§ 2 Hogesnelheidsoffshoredienstschepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel g

Hogesnelheidsoffshoredienstschepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel g, voldoen aan de eisen van paragraaf 3, onderdelen a tot en met k, met de uitzonderingen:

  • 1.In afwijking van voorschrift 7.7.5.1 is het voor een hogesnelheidsoffshoredienstschip met een lengte van minder dan 24 meter toegestaan dat een van de twee brandbestrijdingspompen, die ieder een afzonderlijke energievoorziening moeten hebben, is uitgevoerd als een direct bruikbare, zelf-aanzuigende, draagbare pomp die:
    • i.een pompcapaciteit heeft van tenminste 15 m3 per uur;relaties0
    • ii.een zuigslanglengte heeft die voorziet in alle mogelijke bewegingen van het schip;relaties0
    • iii.een energievoorziening heeft die voldoende is om 3 uur continue gebruikt te kunnen worden en beschikbaar is in het geval de machinekamer of een van de meerdere gescheiden machinekamers buiten gebruik is;relaties0
    • iv.aan de overige functionele eisen van de HSC-Code 2000 of de HSC-Code 1994 voldoet, enrelaties0
    • v.beide pompen niet in dezelfde ruimte zijn opgeslagen of geplaatst.relaties0
  • 2.In afwijking van voorschrift 7.10.1 behoeven hogesnelheidsoffshoredienstschepen met een lengte van minder dan 24 meter niet te zijn uitgerust met een brandbestrijdingsuitrusting als bedoeld in voorschrift 7.10.3 maar kan worden volstaan met een brandbijl en een elektrische veiligheidslamp die ten minste 3 uur licht geeft.
  • 3.Industrieel personeel heeft recht op:
    • i.kosteloze toegang tot drinkwater in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord;relaties0
    • ii.kosteloze toegang tot voeding in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord;relaties0
    • iii.kosteloze toegang tot medische behandeling in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord;relaties0
    • iv.kosteloze toegang tot medische voorzieningen in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord;relaties0
    • v.toegang tot recreatieve voorzieningen, rekening houdend met de duur van de reis;relaties0
    • vi.een veilige en hygiënische leefomgeving.relaties0
  • 4.Indien gevaarlijke stoffen worden vervoerd tijdens reizen waarop meer dan 12 personen vervoerd worden naast de bemanning, gelden de beperkingen van hoofdstuk 7, deel D, afdeling 7.17, van de HSC-Code 2000.

§ 3 Hogesnelheidsoffshoredienstschepen van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer met ten hoogste 60 personen aan boord

Een hogesnelheidsoffshoredienstschip van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer met ten hoogste 60 personen aan boord, voldoet aan de eisen van de HSC-Code 2000 of de HSC-Code 1994, voor schepen van categorie B, met aanvullingen en uitzonderingen:

a. Algemeen
  • 1.Een hogesnelheidsoffshoredienstschip wordt ontworpen, gebouwd en onderhouden overeenkomstig de voorschriften en eisen van een krachtens artikel 36 van het besluit aangewezen klassenbureau voor hogesnelheidsvrachtschepen onder de HSC-Code 2000 of de HSC-Code 1994.
  • 2.Tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld in deze paragraaf zijn de eisen, de definitie en de genummerde secties waaraan gerefereerd wordt, de eisen, definities en secties die gespecificeerd zijn of voorgeschreven worden in de HSC-Code 2000.1
  • 3.Industrieel personeel heeft recht op:
    • i.kosteloze toegang tot drinkwater in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord;
    • ii.kosteloze toegang tot voeding in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord;
    • iii.kosteloze toegang tot medische behandeling in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord;
    • iv.kosteloze toegang tot medische voorzieningen in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord;
    • v.toegang tot recreatieve voorzieningen, rekening houdend met de duur van de reis;
    • vi.een veilige en hygiënische leefomgeving.
b. Ten aanzien van hoofdstuk 1- Algemene opmerkingen en eisen
  • 1.Als alternatief voor de specifieke exploitatievergunning bedoeld in voorschrift 1.9 kan aan een hogesnelheidsoffshoredienstschip op basis van de vaargebieden waarin het schip zal opereren, en na goedkeuring van de ILT en acceptatie van eventueel betrokken havenstaten, een generieke exploitatievergunning worden verleend. Hiertoe stelt de scheepseigenaar een routehandboek op conform een vastgesteld model.
  • 2.Indien een hogesnelheidsoffshoredienstschip voornemens is een reis te ondernemen buiten de vaargebieden waarvoor een generieke exploitatievergunning is verleend, wordt de normale aanvraagprocedure voor een specifieke exploitatievergunning gevolgd.
  • 3.De scheepseigenaar of -beheerder controleert jaarlijks de generieke exploitatievergunning. Deze controle met betrekking tot de desbetreffende informatie zoals informatie van routes in de vaargebieden waarin het schip opereert en het bijbehorende routehandboek wordt overeenkomstig de HSC-Code 2000 uitgevoerd en actueel gehouden.
  • 4.De vorm en inhoud van een generieke exploitatievergunning voor een hogesnelheidsoffshoredienstschip komt overeen met bijlage 2 van de HSC-Code 2000. De titel van de exploitatievergunning wordt gewijzigd in ‘Exploitatievergunning voor hogesnelheidsoffshoredienstschepen’.
  • 5.De verwijzing naar het ‘maximaal toegestane aantal passagiers’ in de exploitatievergunning wordt gewijzigd in het ‘maximale aantal toegestane personen’.
  • 6.Internationale reizen worden slechts ondernomen na goedkeuring van de havensta(a)t(en) van de havens die tijdens deze reizen worden aangedaan.
  • 7.Voor de toepasbaarheid van de ISM-Code worden hogesnelheidsoffshoredienstschepen als vrachtschepen beschouwd.
c. Ten aanzien van hoofdstuk 2 – Drijfvermogen, stabiliteit en waterdichte indeling, Deel A – Algemeen
  • 1.De voorschriften van toepassing op hogesnelheidsvrachtschepen zijn van toepassing. Voor schepen met een lengte korter dan 45 meter, zijn de volgende uitzonderingen van toepassing:
    • i.voorschrift 2.6.7 – Omvang van schade in de zijde, is slechts van toepassing op het voorste één derde deel van de lengte of de lengte conform de definitie in de HSC-Code 2000 indien groter. In dit deel wordt de schadeomvang altijd toegepast, ongeacht de waterdichte indeling en locatie van de hoofddwarsschotten. In de andere delen van het schip beperkt de schadeomvang zich tussen de waterdichte hoofddwarsschotten gerekend vanaf de kiel van het schip tot aan het dek en van de zijde van het schip tot de hartlijn van het schip (vlak van kiel en steven);
    • ii.voorschrift 2.6.8.1.2 – Omvang van hekschade, wordt niet toegepast;
    • iii.voorschrift 2.6.9 – Omvang van bodemschade op plaatsen die kwetsbaar zijn voor lekstootschade (raking damage), is slechts van toepassing op het voorste derde deel van de lengte of de lengte conform de definitie in de HSC-Code 2000 indien groter. In dit deel wordt de schadeomvang waar dan ook toegepast, ongeacht de waterdichte indeling en locatie van de hoofddwarsschotten. In de andere delen van het schip is voorschrift 2.6.9 niet van toepassing;
    • iv.voorschrift 2.6.10 – Omvang van bodemschade op plaatsen die niet kwetsbaar zijn voor lekstootschade (raking damage), is slechts van toepassing op het voorste één derde deel van de lengte of de lengte conform de definitie in de HSC-Code 2000 indien groter. In dit deel dient de omvang van de beschadiging te worden berekend door middel van de formule als gegeven in voorschrift 2.6.10.2 en toegepast te worden, ongeacht de waterdichte indeling en locatie van de hoofddwarsschotten. In de andere delen van het schip behoeft voorschrift 2.6.10 niet toegepast te worden.
    • v.voorschrift 2.6.11 – Schepen met twee of meer rompen, de maximale breedte van 7 meter voor het bepalen van het aantal beschadigde rompen is slechts van toepassing op het voorste één derde deel van de lengte of de lengte conform de definitie in de HSC-Code 2000 of de HSC-Code 1994 indien groter. In de andere delen van het schip is voorschrift 2.6.11 niet van toepassing.
d. Ten aanzien van hoofdstuk 3 – Structurele eisen
  • 1.Aanvullend op de voorschriften 3.3 en 3.4 – Aanvullende structurele eisen geldt dat:
    • i.het deel van het schip dat de constructie van de offshore-installatie raakt tijdens het overstappen van industrieel personeel naar en van de offshore-installatie, is zodanig gebouwd en beschermd dat aanwezige spanningen worden opgevangen en beschadiging door contact wordt vermeden. De eisen van het klassenbureau waar het schip is geklasseerd zijn hiervoor van toepassing. Hiermee wordt invulling gegeven aan voorschrift 3.1 van de HSC-Code 2000.
    • ii.De richtlijnen van de klassenbureaus voor de certificering van offshore toegangssystemen, die worden gebruikt voor de overdracht van personen van schepen naar offshore faciliteiten of van schip naar schip, zijn van toepassing.
e. Ten aanzien van hoofdstuk 4 – Accommodatie en ontschepingwegen
  • 1.Aanvullend op de voorschriften 1.2.1.9 tot en met 1.2.1.11 – Additionele eisen aangaande de beschikbaarheid van accommodatie inclusief zitplaatsen geldt dat:
    • i.de voorschriften in hoofdstuk 4 van de HSC-Code 2000 voor de scheepsconstructie, de publieke ruimtes en de faciliteiten aan boord van toepassing zijn op industrieel personeel en passagiers.
    • ii.naast hoofdstuk 4 van de HSC-Code 2000 openbare ruimten en voorzieningen voor industrieel personeel en passagiers zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat:
      • overmatige of onnodige werkzaamheden, of overige omstandigheden en afleidingen die vermoeidheid zouden kunnen veroorzaken of de waakzaamheid van het brugteam en de loods zouden kunnen belemmeren, voorkomen of beperkt worden; en
      • werkstations voor aanvullende functies die niet essentieel zijn voor de veilige bedrijfsvoering van het schip, de voortstuwing en lading, of ruimten die zijn ingericht voor vergaderingen of ontspanning in het stuurhuis, niet zijn geplaatst binnen het gebied van de navigatiebrug of binnen de gezichtsvelden die nodig zijn voor verkeerswaarneming vanuit werkstations.
  • 2.In aanvulling op voorschrift 4.7.2 – Het ontwerp van een hogesnelheidsoffshoredienstschip, is een schip zodanig ontworpen dat er ten behoeve van een veilige evacuatie van de opvarenden voldoende ruimte is om reddingsvesten, geschikte persoonlijke reddingsmiddelen en overlevingspakken te bereiken, aan te doen en te dragen. De zitplaatsen bieden voldoende ruimte aan industrieel personeel om de persoonlijke beschermingsmiddelen te dragen die benodigd zijn voor het overstappen van het schip naar de offshore installatie.
  • 3.In aanvulling op het voorschrift 4.11- Bescherming van de zeevarenden en passagiers, wordt, indien het hogesnelheidsoffshoredienstschip wordt ingezet voor het overzetten van industrieel personeel via de boeg van het schip naar een offshore installatie, en vice versa, het voordek en de stootblokken in de boeg zodanig uitgevoerd dat het risico tijdens de overstap minimaal is. Bijzondere aandacht is gegeven aan leuningen, de overstapvoorzieningen en verzonken bevestigingsarmaturen in de gangboorden.
  • 4.Bij het overzetten van industrieel personeel op zee wordt de IMO Guidance on safety when transferring persons at sea in acht genomen.2
f. Ten aanzien van hoofdstuk 7 – Brandbescherming

Tijdens reizen waarop meer dan 12 personen worden vervoerd naast de bemanning, worden de te vervoeren hoeveelheden gevaarlijke stoffen beperkt tot de hoeveelheden zoals voorgeschreven in hoofdstuk 7, deel D, afdeling 7.17 van de HSC-Code 2000.

g. Ten aanzien van hoofdstuk 8 – Reddingsmiddelen en -voorzieningen
  • 1.Waar in hoofdstuk 8 van de HSC-Code 2000 sprake is van ‘passagiers’ wordt ‘industrieel personeel’ gelezen;
  • 2.Voor alle opvarenden zijn geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen en reddingsvesten aanwezig waarbij:
    • i.industrieel personeel dat op zee zal overstappen naar een ander schip of een offshore faciliteit, uitgerust is met persoonlijke beschermingsmiddelen, inclusief overlevingspakken, die daartoe geschikt zijn;relaties0
    • ii.voor iedere opvarende, met uitzondering van personeel genoemd onder i, een overlevingspak aan boord beschikbaar is;relaties0
    • iii.ieder reddingsvest dat in combinatie met een overlevingspak wordt gebruikt is daartoe geschikt;relaties0
  • 3.In afwijking van voorschrift 8.3.5.1 – Eisen aan reddingsvesten, er behoeven geen reddingsvesten voor kinderen aan boord beschikbaar te zijn indien er geen kinderen aan boord zijn.
  • 4.Voor hogesnelheidsoffshoredienstschip met een vrijboord tot 2,8 meter waarbij een system voor evacuatie op zee (MES) niet aanwezig is, worden vast aangebrachte ontschepingsladders geïntegreerd in de huid, als equivalent beschouwd. De sporten of traptreden zijn zodanig ontworpen dat de kans op uitglijden minimaal is en dat de diepte van de uitsparingen in de ladders voldoende is voor het gebruik van de ladder met handschoenen en laarzen.
  • 5.De veronderstelde schades bedoeld in voorschrift 2.13 van de HSC-Code 2000 die mogelijk een slagzij of trim tot gevolg hebben, mogen geen nadelige invloed hebben op deze equivalente manier van ontschepen.
  • 6.Open, omkeerbare, opblaasbare reddingsvlotten zijn niet toegestaan.
  • 7.In afwijking van voorschrift 8.10.5 – Verplichting voor de hulpverleningsboot, behoeft een hogesnelheidsoffshoredienstschip met een lengte van minder dan 30 meter en met minder dan vijf bemanningsleden niet uitgerust te zijn met een hulpverleningsboot, mits wordt voldaan aan de eisen van de voorschriften 8.10.5.1 tot en met 8.10.5.3 van de HSC-Code 2000 en:
    • i.het schip is ingericht om een overboord gevallen persoon binnen een tijdbestek van 15 minuten en in een horizontale positie uit het water te halen. De middelen daartoe worden aangetoond bij het eerste onderzoek zoals voorgeschreven in de regeling en bij het hernieuwde onderzoek;
    • ii.het schip aan weerszijden is voorzien van vast aangebrachte ontschepingsladders geïntegreerd in de huid. IMO International Life-Saving Appliances Code. De sporten of traptreden zijn zodanig ontworpen dat de kans op uitglijden minimaal is en dat de diepte van de uitsparingen in de ladders voldoende is voor het gebruik van de ladder met handschoenen en laarzen;
    • iii.de bemanning geoefend en ervaren is in ‘man overboord’-procedures;
    • iv.het uit het water halen van de overboord gevallen persoon kan worden waargenomen vanaf de navigatiebrug; enrelaties0
    • v.het schip voldoende manoeuvreerbaar is om veilig en onder de slechtste mogelijke omstandigheden de overboord gevallen persoon te benaderen en uit het water te halen.relaties0
h. Ten aanzien van hoofdstuk 12 – Elektrische installaties Deel C – voorschriften voor hogesnelheidvrachtschepen

Indien aangetoond kan worden dat een hogesnelheidsoffshoredienstschip, vol beladen en met een snelheid die 90% van de maximale vaarsnelheid tijdens de te ondernemen reizen niet verder dan 4 uur van een toevluchtsoord verwijderd is, dan mogen de eisen die in voorschrift 12.7.3 aan een ‘klasse A’ hogesnelheidspassagiersschip worden toegepast in plaats van de eisen van voorschrift 12.8.2.2. die aan een hogesnelheidsvrachtschip worden gesteld.

i. Ten aanzien van hoofdstuk 13 – Navigatiemiddelen systemen, middelen en VDR

In afwijking van voorschrift 13.14 is het op een hogesnelheidsoffshoredienstschip met een lengte van minder dan 30 meter toegestaan af te zien van een geluidsontvangstinstallatie indien er ramen aanwezig zijn aan de zijkant van de brug of indien het schip beschikt over open brugvleugels.

j. Ten aanzien van hoofdstuk 15 – Inrichting operationele ruimte
  • 1.De roerganger dient zicht te kunnen hebben op alle operaties inzake het afmeren en het overbrengen van personeel, lading, proviand en brandstof.
  • 2.Op een hogesnelheidsoffshoredienstschip met een lengte van minder dan 30 meter bedraagt de totale boog van blinde sectoren, gerekend van recht vooruit tot 22,5° achterlijker dan dwars, niet meer dan 30°. Middels de vrije bewegingsruimte van een uitkijk in de operationele ruimte is zeker gesteld dat voldaan is aan de eisen van voorschrift 15.3.2.
k. Ten aanzien van hoofdstuk 18 – Operationele eisen

Artikel 37 van het Besluit zeevarenden is van overeenkomstige toepassing op hogesnelheidsoffshoredienstschepen.

relaties0

Bijlage 3d behorende bij artikel 20b van de Regeling veiligheid zeeschepen

Eisen voor schepen bedoeld in artikel 6f

Schepen als bedoeld in de artikel 6f, voldoen aan de volgende eisen:

§ 1 Algemeen

Waar wordt verwezen naar klasse B, C of D worden de zeegebieden bedoeld, genoemd in artikel 4 van richtlijn 2009/45/EG.

§ 2 Technische eisen aan het schip

A Toepassing richtlijn 2009/45/EG
  • 1. Richtlijn 2009/45/EG is van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de invullingen en afwijkingen in deel B. van deze paragraaf.relaties0
  • 2.De eisen voor nieuwe schepen bedoeld in artikel 2, onderdeel h, van richtlijn 2009/45/EG zijn van overeenkomstige toepassing.relaties0
B Invullingen en afwijkingen richtlijn 2009/45/EG
  • 1.Schepen worden uitgerust met voorzieningen, uitrusting en bevestigingen met een voldoende draagkracht om in normale exploitatieomstandigheden van het schip veilige sleep- en meer operaties te waarborgen.
  • 2.Ten aanzien van vrijboord en uitwateringsmerk zijn de eisen van het Uitwateringsverdrag van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van het Uitwateringsverdrag wordt een passagiersschip met een lengte van minder dan 24 meter gelijkgesteld aan een passagierschip met een lengte van 24 meter.
  • 3.Ten aanzien van de stabiliteit in onbeschadigde toestand, waterdichte indeling en stabiliteit in beschadigde toestand zijn de eisen in Bijlage I, hoofdstuk II-1, deel B, onder 2, van richtlijn 2009/45/EG, overeenkomstig van toepassing op schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter met de hierna genoemde invullingen en afwijkingen:
    Openingen in waterdichte schotten:
    • a.Schepen van de klassen B, C, en D met een lengte van minder dan 24 meter zijn uitgezonderd van de overeenkomstige toepassing van de volgende eisen van Bijlage I van richtlijn 2009/45/EG:
      • 1°.voorschriften 13.5.1, tweede lid, 13.5.4, 13.5.5;relaties0
      • 2°.voorschrift 13.6.2;relaties0
      • 3°.voorschriften 13.7.1 tot en met 13.7.8;relaties0
      • 4°.voorschriften 13.8.1 tot en met 13.8.3.relaties0
      relaties0
    • b.Schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter voldoen overeenkomstig aan de volgende eisen van Bijlage I van richtlijn 2009/45/EG:
      • 1°.voorschriften 13.5.2, onderdeel 1, en 13.5.6;relaties0
      • 2°.voorschrift 13.6.1.relaties0
      relaties0
    relaties0
  • 4.Ten aanzien van elektrische installaties:
    • a.elektrische hoofdkrachtbronnen en verlichtingsinstallaties:
      In schepen van de klassen C en D met een lengte van minder van 24 meter, mag een van de generatoraggregaten worden aangedreven door de voortstuwingsmotor, mits dit aggregaat een dusdanig vermogen heeft dat bovenvermelde hulpdiensten kunnen functioneren terwijl één generatoraggregaat buiten bedrijf is;relaties0
    • b.elektrische noodkrachtbron:
      Voorschrift 3.2 van hoofdstuk D van Bijlage I van richtlijn 2009/45/EG is niet van overeenkomstige toepassing op schepen van de klassen C en D met een lengte van minder dan 24 meter waarop een goedgeplaatste onafhankelijke batterij-opstelling aanwezig is waarmee de desbetreffende inrichting gedurende de volgens deze voorschriften vereiste tijd in bedrijf kan worden gehouden.relaties0
    relaties0
  • 5.Ten aanzien van onbemande machinekamers:
    Op schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter is voorschrift 5 van hoofdstuk E, Bijlage I van richtlijn 2009/45/EG voor wat betreft de spreekverbindingen, niet overeenkomstig van toepassing.relaties0
  • 6.Ten aanzien van de bescherming tegen, de opsporing en de bestrijding van brand:
    • a.Brandbluspompen, hoofdbrandblusleidingen, brandkranen, brandslangen, straalpijpen en directe beschikbaarheid van water:
      • 1°.Schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter zijn uitgezonderd van de overeenkomstige toepassing van hoofdstuk II-2, voorschriften 3.2 tot en met 3.6, 4, 5, 6, 7 en 8 van Bijlage I van richtlijn 2009/45/EG.relaties0
      • 2°.Schepen van de klasse C en D met een lengte van minder dan 24 meter voldoen aan de volgende eisen:
        • i.Er is één onafhankelijk aangedreven brandbluspomp aanwezig welke vanuit iedere brandkraan voor brandblusdoeleinden ten minste één waterstraal kan leveren bij een druk als hieronder aangegeven. De aldus geleverde waterhoeveelheid mag niet minder zijn dan twee-derde van de hoeveelheid die door de lenspompen, indien als zodanig in gebruik, moet kunnen worden verwerkt. Dergelijke brandbluspompen zijn, bij gebruik van spuitopeningen met een diameter van 12, 16 of 19 millimeter, in staat om bij iedere brandkraan ten minste een druk in stand te houden zoals vereist bij schepen van klasse B;relaties0
        • ii.Elk schip dat meer dan 250 passagiers mag vervoeren, is van een tweede brandbluspomp voorzien die te allen tijde is aangesloten op de hoofdbrandblusleiding. Deze pomp is elektrisch aangedreven. Pomp noch krachtbron mogen zich in dezelfde ruimte bevinden als de in onderdeel 1°. voorgeschreven pomp, en de pomp is voorzien van een blijvende zeewaterinlaat die zich buiten de ruimten voor machines bevindt. De pomp is in staat om vanuit iedere willekeurige brandkraan op het schip ten minste één waterstraal te leveren, waarbij een druk van ten minste 0,3 N/mm 2 gehandhaafd wordt;relaties0
        • iii.Sanitaire, ballast-, lens- of algemene dienstpompen mogen worden gebruikt als brandbluspomp;relaties0
        • iv.Elk schip is voorzien van een hoofdbrandblusleiding met een diameter die voldoende is voor de doelmatige verwerking van de maximaal voorgeschreven wateropbrengst die hierboven is vermeld. Het aantal en de plaatsing van de brandkranen is zodanig dat elk deel van het schip ten minste door één waterstraal bereikt kan worden, waarbij voor iedere waterstraal één enkele slang wordt gebruikt met een maximumlengte van niet meer dan 15 meter op het dek en in de bovenbouw, en tot 10 meter in machinekamers;relaties0
        • v.Op elk schip is per brandkraan ten minste één brandslang aanwezig;relaties0
        • vi.In schepen met een tijdelijk onbemande ruimte voor machines of waar slechts één persoon de wacht houdt, wordt onmiddellijk vanaf de hoofdbrandblusleiding water onder voldoende druk geleverd, hetzij door het aanzetten van één van de hoofdbrandbluspompen met afstandsbediening vanaf de brug en het brandcontrolestation, indien aanwezig, hetzij door de hoofdbrandblusleiding permanent onder druk te houden met één van de hoofdbrandbluspompen;relaties0
        • vii.Op de persafsluiter van elke brandbluspomp is een terugslagklep aangebracht.relaties0
        relaties0
      relaties0
    • b.Brandblusvoorzieningen in ruimten voor machines
      • 1°.Schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter zijn uitgezonderd van de overeenkomstige toepassing van voorschriften 6.1 tot en met 6.3 en 6.8.1 tot en met 6.8.3 van hoofdstuk II-2, deel A van Bijlage I van richtlijn 2009/45/EG;relaties0
      • 2°.Schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter voldoen overeenkomstig aan voorschriften 6.4 en 6.5 van hoofdstuk II-2, deel A, van Bijlage I van richtlijn 2009/45/EG.relaties0
      relaties0
    • c.Brandweeruitrusting en ademhalingstoestellen
      • 1°.Schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter zijn uitgezonderd van de overeenkomstige toepassing van voorschrift 11.1.3 van hoofdstuk II-2, deel A van Bijlage I van richtlijn 2009/45/EG;relaties0
      • 2°.Aan boord van schepen behoeft geen brandweeruitrusting en geen ademhalingstoestel aanwezig te zijn.relaties0
      relaties0
    • d.Brandbeveiligingsplannen
      Schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter zijn uitgezonderd van de overeenkomstige toepassing van voorschrift 13.2 van hoofdstuk II-2, deel A van Bijlage I van richtlijn 2009/45/EG.relaties0
    relaties0
  • 7.Ten aanzien van brandveiligheid:
    • a.Voorzieningen voor ontsnapping
      • 1°.Schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter zijn uitgezonderd van de overeenkomstige toepassing van voorschriften 6.1.5 en 6.3.2 van hoofdstuk II-2, deel B van Bijlage I van richtlijn 2009/45/EG;relaties0
      • 2°.In ruimten voor machines is slechts één voorziening voor ontsnapping aangebracht, indien de afmetingen en de algemene inrichting van het bovenste gedeelte van de ruimte daartoe aanleiding geven.relaties0
      relaties0
    • b.Vast aangebrachte brandontdekkings-en brandalarminstallaties. Automatische sprinkler-, brandontdekkings- en brandalarminstallatiesrelaties0

    Schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter zijn uitgezonderd van voorschrift 13.2.relaties0
relaties0

Bijlage 4 behorende bij artikel 19, tweede lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen (Zeegebieden A tot en met D, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Richtlijn nr. 2009/45/EG)

relaties0

Bijlage 5 Medische uitrusting (bijlage als bedoeld in de artikelen 25 en 49 van de Regeling veiligheid zeeschepen)

Artikel 1. Toepassing op vissersvaartuigen

1. Deze bijlage is tevens van toepassing op vissersvaartuigen.

2. Voor de toepassing van deze bijlage wordt met de kapitein van een schip gelijkgesteld de schipper van een vissersvaartuig.

Artikel 2. Benodigde medische uitrusting

1. Aan boord van een schip zijn de in de tabellen 1 en 2 voorgeschreven geneesmiddelen, verpleeg- en verbandmiddelen, handboeken en overige benodigdheden aanwezig. Voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag worden vervoerd en veerboten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van richtlijn 92/29/EEG, kunnen afwijkende hoeveelheden gelden. Deze afwijkende hoeveelheden staan tussen haakjes vermeld.

2. De in de kolommen A tot en met E genoemde hoeveelheden gelden voor schepen met een gemonsterde bemanning tot en met 15 personen. Bij een bemanningssterkte van meer dan 15 personen, worden deze hoeveelheden voor elke volgende groep van ten hoogste 15 personen steeds met honderd procent vermeerderd, met dien verstande dat daarbij de in de tabellen vermelde maximumhoeveelheden niet behoeven, en voor de receptplichtige middelen ook niet mogen, worden overschreden.

3. In afwijking van het tweede lid behoeven bij een bemanningssterkte 15 tot en met 24 personen de in de tabellen 1 en 2 genoemde hoeveelheden slechts met vijftig procent te worden vermeerderd. Indien de in de tabellen genoemde hoeveelheid van een middel één bedraagt, behoeft deze hoeveelheid bij een bemanningssterkte 15 tot en met 24 personen niet te worden vermeerderd.

Artikel 3. Inhoud medicijnkisten aan boord van reddingsboten e.d.

1. De tot de uitrusting van reddingsboten, reddingsvlotten en hulpverleningsboten behorende medicijnkisten bevatten de in kolom R van de tabellen 1 en 2 voorgeschreven middelen.

2. De in kolom R genoemde hoeveelheden gelden per 50 personen, met uitzondering van het middel tegen zeeziekte, waarvoor de per persoon benodigde hoeveelheden zijn vermeld.

Artikel 4. Bewaren van de medische uitrusting

1. De in artikel 2 bedoelde medische uitrusting wordt in daarvoor geschikte kisten of in daarvoor ingerichte kasten of ruimten bewaard.

2. Onder de Opiumwet vallende preparaten die deel uitmaken van de medische uitrusting, worden bewaard in een kluis, waarvan de sleutel berust bij de kapitein of bij de schepeling aan wie de kapitein het gebruik en beheer van de medische uitrusting heeft overgedragen.

Artikel 5. Levering en verpakking van geneesmiddelen en antidota

1. De geneesmiddelen en antidota worden afgenomen bij een apotheker, hetgeen moet blijken uit een merk op de verpakking.

2. Op de verpakking van de bestanddelen van de medische uitrusting is voor zover mogelijk, het nummer aangebracht dat is vermeld in deze bijlage. Tevens is een afschrift van de controlelijsten bevestigd in artikel 1 van deze bijlage bedoelde kisten, kasten of ruimten.

3. Op de etiketten, aanwezig op de verpakking der middelen zijn zo veel mogelijk naast de Nederlandse, de Latijnse benamingen vermeld, overeenkomstig de nomenclatuur van de Wereld Gezondheids Organisatie.

Artikel 6. Jaarlijkse inspectie medische uitrusting

1. De jaarlijkse inspectie van de medische uitrusting vindt plaats voorafgaand aan de onderzoeken waaraan het schip wordt onderworpen in verband met de voor dat schip benodigde certificaten. De inspectie heeft geen betrekking op de in artikel 3 bedoelde medische uitrusting voor reddingsvlotten.

2. De kapitein stelt bij de inspectie een controlelijst op met daarop de benamingen en codes van alle geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota die ingevolge deze bijlage aan boord van het schip zijn vereist, en vermeldt daarbij zowel de voorgeschreven hoeveelheden als de daadwerkelijk aan boord aanwezige hoeveelheden. In voorkomend geval wordt tevens de houdbaarheidsdatum van die middelen vermeld. De controlelijst vermeldt voorts de naam, de vlag en de thuishaven van het schip.

3. Indien de inspectie uitwijst dat de medische uitrusting van het schip in overeenstemming is met deze bijlage, ondertekent de kapitein de controlelijst en biedt hij deze aan de Scheepvaartinspectie of, indien het onderzoek door een krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen rechtspersoon wordt verricht, aan die rechtspersoon ter visering aan.

Betekenis van de kolommen in tabellen 1 en 2
Kolom A: vrachtschepen, zeilschepen en vissersvaartuigen met een onbeperkt vaargebied;
Kolom B: vrachtschepen, zeilschepen en vissersvaartuigen met een vaargebied dat zich niet verder uitstrekt dan GMDSS-zeegebied A2 als bedoeld in voorschrift IV/2 van het SOLAS-verdrag en vrachtschepen gecertificeerd overeenkomstig de CCSS-Code;
Kolom C: vrachtschepen, zeilschepen en vissersvaartuigen met een vaargebied dat zich niet verder uitstrekt dan GMDSS-zeegebied A1 als bedoeld in voorschrift IV/2 van het SOLAS-verdrag tot 30 mijl uit de kust van een Europees land en vrachtschepen gecertificeerd overeenkomstig de SCV-Code waarmee reizen worden ondernomen in onbeschutte wateren (exposed waters) als bedoeld in voorschrift I/2.15 van die Code;
Kolom D: passagiersschepen, niet zijnde schepen waarmee korte internationale of nationale reizen als bedoeld in voorschrift III/3 van het SOLAS-verdrag worden gemaakt;
Kolom E: passagiersschepen waarmee korte internationale of nationale reizen als bedoeld in voorschrift III/3 van het SOLAS-verdrag worden gemaakt en passagiersschepen gecertificeerd overeenkomstig de SCV-Code waarmee reizen worden ondernomen in onbeschutte wateren (exposed waters) als bedoeld in voorschrift I/2.15 van die Code;
Max.: Maximumhoeveelheden;
Kolom R: reddingsboten, reddingsvlotten en hulpverleningsboten per 50 personen.
Betekenis van de aanvullende codes
RMA Het middel dient in beginsel slechts op advies van de Radio Medische Dienst of van een arts te worden toegediend of toegepast.
f Slechts voorgeschreven bij één of meer bemanningsleden van het vrouwelijk geslacht.
.t Slechts voorgeschreven op reizen in tropische wateren.
z Slechts voorgeschreven voor zeilschepen.
[ ] Slechts voorgeschreven voor schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren en veerboten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van richtlijn 92/29/EEG, indien hiervoor een afwijkende hoeveelheid is voorgeschreven.
Tabel 1. Geneesmiddelen, limitatieve lijst
Middelen tegen hart- en vaatziekten
1.1.02   RMA Adrenaline amp 1 mg/1 ml (voor im, iv en sc inj) 6 3 6 6 12
1.2.02   RMA Isosorbide-dinitraat tabl 5 mg 20 10 10 20 20 60 10
1.3.03   RMA Furosemide amp 40 mg/4 ml (voor im en iv inj) 3 [10] 2 [10] 3 2 [10] 6 [20]
1.4.02   RMA Fytomenadion amp 10 mg/1 ml (voor im inj) 2z [10] 2z [5] 2z 2 2 [5] 4 [15] 2
1.4.03   RMA Oxytocine amp 5U/1 ml (voor im en iv inj) 6f 3f 3f 6 3 12 3
1.5.02   RMA Metoprolol tabl 50 mg 30 10 30 10 60
1.6.02   RMA Carbasalaatcalcium 100 mg of Acetylsalicylzuur tabl 80 mg 20 10 20 10 40
                     
Geneesmiddelen voor het maagdarmkanaal
2.1.04     Algeldraat+magnesiumhydroxide susp, flac 300 ml 2 1 4 2 8
2.1.05   RMA Omeprazol tabl/caps 20 mg 60 30 60 30 150
2.2.02   RMA Ondansetron smelttabl 4 mg 18 6 3 18 18 36 3
2.2.03   RMA Metoclopramide amp 10 mg/2 ml (voor im inj) 5 [30] – [10] 5 – [10] 10 [60]
2.3.01     Lactulose sir, flac 300 ml 2 1 2 1 4
2.3.02   RMA Nalaurylsulfoactaat /Sorbitol/Na-citraat microklysma 12 4 12 12 24
2.4.01     Loperamide caps 2 mg 80 40 40 80 40 200 40
2.6.01     Vaseline/lidocaïne crème 3%, tube 30 g 2 1 2 1 5
                     
Pijnstillende en krampwerende middelen
3.1.02     Ibuprofen drag 400 mg 40 20 40 20 100
3.1.03     Paracetamol tabl 500 mg 80 [200] 40 [100] 20 80 80 [100] 200 [300] 80
3.2.03   RMA Morfine HCl amp 10 mg/1 ml (voor im en sc inj) (IN KLUIS BEWAREN) 10 [40] 5 [10 ] 10 10 [20] 30 [40]
3.2.04R   (RMA) Tramadol caps 50 mg 30
3.3.02   RMA Diclofenac supp 100 mg 10 5 5 10 5 20 5
3.4.01   RMA Naloxon amp 0,4 mg/1 ml (voor im en iv inj) 3 [6] 3 [6] 6 6 [12] 15 [24]
                     
Geneesmiddelen voor het zenuwstelsel
4.1.02   RMA Diazepam mikroclysma 10 mg/2,5 ml 10 [10] 2 [5] 10 5 [20] 20 [20]
4.1.03   RMA Oxazepam tabl 10 mg 20 10 20 10 50
4.2.01   RMA Haloperidol tabl 1 mg 20 10 20 10 50
4.2.02   RMA Haloperidol amp 5 mg/1 ml (voor im en iv inj) 10 2 10 5 20
4.3.02     Cyclizine supp 100 mg 20 10 20 20 100
4.3.03     Cinnarizine tabl 25 mg 50 20 10 50 50 200 6 pp
4.4.02   RMA Carbamazepine tabl 200 mg 20 10 20 20 50
4.5.01   RMA Temazepam tabl/caps 10 mg 20 10 20 20 50
                     
Anti-allergische en anti-anafylactische middelen
5.1.03   RMA Clemastine tabl 1 mg 20 10 20 20 50
5.1.04   RMA Clemastine amp 2 mg/2 ml (voor im en iv inj) 3 2 3 2 6
5.2.02   RMA Dexamethason amp 5 mg/1 ml (voor im en iv inj) 5 2 5 2 5
                     
Geneesmiddelen voor het ademhalingsstelsel
6.1.02   RMA Salbutamol 0,1 mg[ds, inhalator 200 ds 2 [5] 1 [5] 2 1 [5] 4 [5]
6.1.03   RMA Beclomethasone 0,05 mg/ds, inhalator 200 ds – [5] – [5] – [5] – [5]
6.1.04     Voorzetkamer voor 6.1.02 en 6.1.03 1 [2] 1 [2] 1 1 [2] 1 [2]
6.2.01     Dextromethorfan sir, flac 200 ml 3 1 3 1 6
6.3.01     Xylometazoline neusdruppels 0,1%, druppelflac 10 ml 5 3 5 3 10
                     
Infectiewerende middelen
7.1.01   RMA Amoxicilline met clavulaanzuur tabl 500/125 60 20 60 20 120
7.1.07   RMA Doxycycline tabl 100 mg 20 5 20 5 50
7.1.08   RMA Cefuroxim amp 750 mg + 5 ml opl (voor im inj) 15 6 15 6 30
7.2.02   RMA Co-trimoxazol tabl 800+160 mg 30 10 30 10 60
7.4.02   RMA Metronidazol tabl 500 mg 20 10 20 10 50
7.4.03   RMA Metronidazol supp of ovule 500 mg1 – [10] – [25]
7.5.01   RMA Ciprofloxacine tabl 500 mg 40 20 40 20 100
7.6.01   RMA Tetanusvaccin amp 0,5 ml (voor im inj) (KOEL BEWAREN) 5 2 5 2 5
7.6.02   RMA Anti-tetanus immunoglobuline amp 250 E/2 ml (voor im inj) (KOEL BEWAREN) 3 1 3 1 5
7.7.01 .t RMA Atovaquon/proguanil tabl 250/100 mg 252 124 252 124 756
7.7.02 .t RMA Artemether/Lumefantrine tabl 20/120 mg 120 48 120 120 312
7.7.03 .t RMA Artemether 80 mg/ml, 1 ml amp 10 5 10 5 20
                     
Preparaten bestemd voor rehydratie en toevoer van calorieën en plasmavervangmiddelen
8.1.01     ORS met samenstelling vlgs WHO standaard, zakje voor de bereiding van1 liter rehydratie-vloeistof 18 6 18 6 36
8.1.02   RMA NaCl 0,9% infuusvloeistof, flac 500 ml 2 [10] 1 [6] 4 2 [6] 4 [10]
      Infuussysteem zie II.5.05f              
8.3.01   RMA Plasmavervangmiddel naar keuze, flac 500 ml 5 3 5 3 10
      Infuussysteem zie II.5.05f            
                     
Geneesmiddelen voor dermatologisch gebruik
9.1.03     Chloorhexidine 0,5%, flac 30 ml 4 2 1 4 2 8 1
9.1.04     Chloorhexidine/Cetrimide opl, flac 250 ml 3 1 3 3 5
9.1.05     Handalcohol 70% 2 1 2 1 4
9.1.08     Betadine zalf, tube 30 g 3 2 1 3 2 6 2
9.1.09     Capsicum compositum crème, tube 30 g 3 1 3 1 6
9.1.10     Miconazolnitraat crème 2%, tube 30 g 4 2 4 2 8
9.1.13   RMA Zilversulfadiazine crème 1%, tube 50 g (KOEL BEWAREN) 5 3 1 5 5 8
9.1.13R     Lang houdbare antispetische crème geschikt voor behandeling van brandwonden 1
9.1.14R     Antizonnebrand waterbestendige crème, tube 25 g, factor 20 (EU) of 22 (USA) 2
9.1.15     Alumnis compositum poeder,strooiflac 100 g 4 1 4 2 8
9.1.18     Lanette/menthol crème 2%, tube 10 g 2 2 1 5
9.1.20     Permetrine lotion 10 mg/g, flac 59 ml 3 1 3 1 5
9.1.21   RMA Triamcinolon 0.1%, tube 30 g 2 1 2 1 4
9.1.22     Aciclovir tabl 200 mg 60 30 60 120 120
                     
Middelen voor oogheelkundig gebruik
9.2.03   RMA Tetracaïne oogdruppels 0,5%, unitdose (KOEL BEWAREN) 20 10 20 10 40
9.2.04   RMA Pilocarpine oogdruppels 2%, druppelflac 10 ml (KOEL BEWAREN) 1 1 1 1 2
9.2.05     Fluoresceïne strips 1%, verpakking van 10 stuks 1 1 1 1 2
9.2.06     Tetracycline oogzalf 1%, tube 4g (KOEL BEWAREN) 2 [5] 1 [3] 1 2 1 [3] 4 [10] 1
9.2.07     Fusidinezuur ooggel1%, unitdose 0,2 g (KOEL BEWAREN) 24 12 24 12 48
                     
Middelen voor oorheelkundig gebruik
9.3.03     Polymyxine-B bevattende oordruppels 2 1 2 1 4
                     
Middelen tegen mond- en keelaandoeningen
9.4.01     Chloorhexidine gorgeldrank 2%, flac 200 ml 2 1 2 1 4
                     
Lokaal-anesthetica
9.5.02     Lidocaïne 2%, flac 20 ml zonder adrenaline (voor im en sc inj) 2 1 2 1 4
9.5.03     Carophylli aetheroleum (kruidnagelolie), druppelflac 10 ml 1 1 1 1 1
                     
Aanvullende antidota voor gevaarlijke stoffen
10.1.01   RMA Calciumgluconaat gel 2%, tube 25 g – [5] – [5] – [10] – [40]
10.2.05   RMA Atropinesulfaat amp 1 mg/1 ml (voor im en iv inj) – [15] – [15] – [30] – [100]
10.2.06   RMA Calciumgluconaat bruistabl 1 g – [20] – [20] – [40] – [100]
10.2.09   RMA Geactiveerde kool, poeder, flac 50 g – [2] – [2] – [2] – [2]
10.2.10   RMA Aethylacohol opl 95%, flac 500 ml – [3] – [1] – [1] – [3]
                     
Diversen
12.1.01   RMA Glucagon amp 1 mg + 1 ml opl (voor im en iv inj) (KOEL BEWAREN) 2z 2z 2z 4 2 4

1 De bereiding en aflevering van Metronidazol zetpillen kan op praktische bezwaren stuiten. Volgens informatie van de fabrikant is het mogelijk om vaginale ovules ook rectaal te gebruiken. Ovules (Flagyl) zijn daarom een gelijkwaardig alternatief.

Tabel 2. Verpleeg- en verbandmiddelen
Reanimatiebenodigdheden
II.1.01 Beademingsballon reserve met masker, bij voorkeur op te bergen bij II.1.02.a – [1] – [1] – [1] – [1]
II.1.02.a Zuurstofkoffer draagbaar, compleet met gebruiksaanwijzingen, inclusief 1 zuurstoffles 2 l/200 bar, reduceerventiel met flowmeter en beademingsballon met masker 1 1 1 1 1
II.1.02.b Zuurstoffles reserve 2 l/200 bar bij voorkeur op te bergen bij II.1.02.a – [1] – [1] – [3] – [3]
II.1.02.c Zuurstoffles met zuurstof voor medische toepassing 40 l/200 bar5 of verdeeld over maximaal 4 flessen die allen dezelfde kleurcodering, vuldruk en aansluiting hebben, klaar voor direct gebruik in het ziekenverblijf van het schip, met 2 flowmeters voor het toedienen van zuurstof aan 2 personen tegelijk1 – [1] – [1] – [1] – [1]
II.1.03 Afzuigeenheid mechanisch om de luchtwegen vrij te maken, bij voorkeur als onderdeel van II.1.02.a 1 1 1 1 1
II.1.04 Brook Airway of Lifeway of equivalent 1 [2] 1 [2] 1 2 2 4 1
II.1.05.a Guedel (Mayo-tube) no 2 – [2] – [2] – [2] – [4]
II.1.05.b Guedel (Mayo-tube) no 3 – [2] – [2] – [2] – [4]
II.1.05.c Guedel (Mayo-tube) no 4 – [2] – [2] – [2] – [4]
II.1.06 Zuurstofmaskers disposable (tot 60% zuurstof) met bijbehorende flexibele aansluitslangen, bij voorkeur als onderdeel van II.1.02.a 2 [10] 2 [10] 2 2 [10] 6 [20]
                 
Verbandmiddelen en hechtingsmateriaal
II.2.01 Hechtingsset met naalden: zie II.2.13 en II.3.01 t/m II.3.06.              
II.2.02 Zelfklevend elastisch verband 4 m/6 cm 1 1 1 2 1 2 1
II.2.03.c Hydrolast windsel 4 m/6 cm 30 15 8 60 60 120
II.2.04 Tunnelverband voor vingers m applicator, rol 5 m 4 1 1 4 4 12
II.2.05.a Hydrofiel gaas 5x5 cm steriel, verpakking van 16 st 10 5 1 20 20 40
II.2.05.b Hydrofiel gaas 10x10 cm steriel, verpakking van 25 st 3 2 1 3 3 10 1
II.2.05.c Vaseline gaas steriel 10x10 cm 20 10 10 20 20 40 10
II.2.06 Hydrofiel watten, 100 g 4 2 1 4 4 10
II.2.07.a Metalline laken steriel 73x250 cm 1 1 2 2 2
II.2.08 Driekante doeken (katoen) 4 4 4 4 4 4 4
II.2.09.a Handschoenen niet steriel, per paar 12 6 3 12 12 24 3
II.2.09.b Handschoenen steriel M, per paar 3 2 6 12 12
II.2.09.c Handschoenen steriel L, per paar 3 2 6 12 12
II.2.10.b Pleisterverband waterbest 1 m/6 cm 3 2 1 3 2 6 1
II.2.11.a Snelverband steriel nr 1 klein 4 4 1 10 10 20 2
II.2.11.b Snelverband steriel nr 2 middel 10 4 2 20 20 40 4
II.2.11.c Snelverband steriel nr 3 groot 4 4 1 10 10 10 1
II.2.12.a Hechtpleister waterbest 5 m/1¼ cm 2 1 1 2 2 5 1
II.2.12.c Zwaluwstaart pleisters steriel 20 10 5 20 20 40 5
II.2.13.c Hechtingen atraumatisch vicryl 4-0 10 5 10 10 20
II.2.13.d Hechtingen atraumatisch ethilon 3-0 10 5 10 10 20
II.2.13.e Hechtingen atraumatisch ethilon 5-0 10 5 10 10 20
II.2.14 Synthetische watten 3 m/10 cm 2 1 2 2 4
II.2.15.a Oogklepje 2 1 3 3 3
II.2.15.b Oogcompressen, 5 stuks 2 1 3 3 3
II.2.16 Veiligheidsspelden (RVS), 12 st 2 1 1 3 3 3 1
                 
Instrumenten
II.3.01 Scalpel steriel disposable 3 3 3 3 6
II.3.02 Instrumentendoos (RVS) voor chirurgische instrumenten 1 1 1 1 2
II.3.03.a Schaar chirurgisch (RVS) 1 1 1 1 2
II.3.03.b Verbandschaar Lister 18 cm (RVS), niet op te bergen in II.3.02 1 1 1 1 1 3 1
II.3.04.a Pincet anatomisch (RVS) 1 1 1 1 2
II.3.04.b Pincet chirurgisch (RVS) 1 1 1 1 2
II.3.05 Arterieklem vlgs Kocher (RVS) 1 1 1 1 2
II.3.06 Naaldvoerder Mathieu 17 cm (RVS) 1 1 1 1 2
II.3.07 Scheerapparaat disposable 5 2 5 5 10
II.3.08 Splinterpincet (RVS) 1 1 1 1 2
II.3.09 Ringzaagtang (RVS) 1 1 1 1 1
II.3.10 Nylon lisje oogheelkundig 1 1 1 1 2
                 
Materiaal voor onderzoek en medische controle
II.4.01 Tongspatels disposable 50 10 50 50 100
II.4.02 Teststrips voor urineanalyse: bloed/glucose/eiwit/nitriet/leucocyten, 50 strips 1 1 1 1 2
II.4.03 Bladen voor registratie lichaamstemp en pols 20 5 20 20 40
II.4.04 Medische kaart voor informatie bij evacuatie 4 2 4 4 10
II.4.05 Stethoscoop 1 1 1 1 1
II.4.06 Anaeroïde bloeddrukmeter, bij voorkeur automatisch 1 1 1 1 1
II.4.07 Thermometer voor koorts 3 2 3 3 6
II.4.08 Thermometer voor hypothermie 1 1 1 1 1
II.4.09 Penlight ooglampje + blauw kapje 2 1 2 2 2
                 
Materiaal voor injecties, perfusie, puncties en catherisatie
II.5.01 Set v draineren vd blaas: zie II.5.04/.06/.07              
II.5.02.a Druppelclysma rectaal met druppelteller, inclusief 1 catheter 1 1 1 2
II.5.02.b Catheter 26 Fr voor druppelclysma rectaal [6] [12]
II.5.04 Urinezak met aansluiting op condoom 2 2 1 2
II.5.05.a Injectiespuiten steriel 2 ml disposable 50 [100] 25 [50] 5 50 40 [50] 100 [200] 5
II.5.05.b Injectiespuiten steriel 5 ml disposable 10 5 [10] 10 10 20 [20]
II.5.05.c Injectienaalden steriel sc 16x½ mm, passend op II.5.05.a/.b 25 10 25 10 50
II.5.05.d Injectienaalden steriel im 40x0,8 mm, passend op II.5.05.a/.b 50 [100] 25 [50] 5 50 25 [50] 100 [200] 5
II.5.05.e Infuusnaalden steriel 1,2 te gebruiken bij inbrengen infuus 4 [10] 2 [10] 8 4 [10] 8 [20]
II.5.05.f Infuus systeem steriel voor 8.1.02 en 8.3.01 4 [10] 2 [10] 8 4 [10] 8 [20]
II.5.05.g Stuwband te gebruiken bij inbrengen infuus 1 [2] 1 [2] 2 1 [2] 4 [4]
II.5.06 Urinecatheter steriel Thieman zonder ballon nr 16 en 12, van ieder 1 1 1 2
II.5.07 Catheterglijmiddel lidocaïne 2%/chloorhexidine 0,05%, spuit 2 2 2 4
II.5.08 Nierbekken (RVS) 2 1 1 1 4
                 
Verplegingsartikelen
II.6.01 Ondersteek (RVS) 1 2 2 3
II.6.02 Warmwaterzak 1 1 2 1 3
II.6.03 Urinaal (glas) 1 2 2 3
II.6.04 ColdHotpack Maxi 20x30 cm (IN VRIEZER BEWAREN) 1 1 1 1 1 2
II.6.06 Reddingdeken aluminiumfolie 1 1 1 2 2 4 1
                 
Immobilisatiemateriaal
II.7.01 Vervormbare spalk voor vingers/tenen 2 1 2 2 4
II.7.02 Vervormbare spalk voor onderarm en hand, set van 6 stuks 1 1 1 1 2
II.7.03 Vacuum spalken (halve/hele arm, half/heel been) met handpomp of equivalent 1 1 1 2 2 3
II.7.04 Dijbeenspalk 1 1 1 1 2
II.7.05 Nekkraag Stifneck Select of equivalent: instelbaar 2 2 2 2 4
II.7.06 Vacuumschelpmatras met voetpomp 1 1 1 1
II.07.07 Waar de voorgeschreven bemanning uit meer dan 3 personen bestaat: brancard1 1 1 1 2 2 2
                 
Desinfectie, insectenverdeliging, bescherming
II.8.01 Drinkwater desinfectiemiddel, geschikt voor menselijke consumptie, hoeveelheid voor 1 keer de totale drinkwatervoorraad aan boord 2 1 2 2 5
II.8.04 Diëthyltoluamide (DEET) 50% insect repellent, flac 30 ml 30 15 30 30 60
II.8.05 Spuitbaar bestrijdingsmiddel tegen vliegend en kruipend ongedierte naar keuze, spuitflacon 2 1 2 1 10
                 
Diverse benodigdheden
II.9.01.b Bodybag 1 [2] 2 1 [2]
II.9.03 Condooms 50 20 50 50 100
II.9.04 Pedaalemmer (RVS) met binnenemmer 1 1 1 1
  Plastic binnenzakken voor pedaalemmer, 20 st 2 2 2 4
II.9.05 Voorwerpglaasjes, 12 st 1 1 1 1
II.9.06 Wattendragers (hout) 50 20 50 50 100
II.9.07 Buigrietjes 20 10 20 20 40
II.9.10 Geneeskundig Handboek voor de Scheepvaart, laatste editie incl. aanvullingen 1 1 1 1 1
II.9.11 MFAG, laatste editie incl. aanvullingen als bedoeld in artikel 25 van de Regeling veiligheid zeeschepen [1] [1] [1] [1]
II.9.12 EHBO-boekje Oranje Kruis, laatste editie 1 1
II.9.13 Hersluitbare waterdichte medicijnkist, bestemd voor alle artikelen uit kolom R met inhoudsopgave en behandelingsvoorschrift gedrukt op waterbestendig materiaal. 1

1 In verband met het explosiegevaar dat zuurstof onder druk kan opleveren, geschiedt de berging van de zuurstoffles(sen) op een wijze die passend is, bij voorkeur in de buitenlucht of in een geventileerde ruimte.

1 De brancard heeft een raamwerk met onbuigzame ondersteunende bodem en is zodanig geconstrueerd, dat het gehele lichaam van de patiënt bescherming wordt geboden en kan worden gefixeerd, waarbij rekening is gehouden met de uiteenlopende omstandigheden waaronder de brancard moet kunnen worden gebruikt. De brancard is vervaardigd van brandvertragend materiaal en voorzien van hijsogen en banden ten behoeve van horizontaal en verticaal transport, onder andere door mangaten en vluchtluiken. Op zeilschepen met een lengte van minder dan 24 meter behoeft geen brancard aan boord te zijn.

relaties0

Bijlage 6 Eisen met betrekking tot de vaart rond de eilanden van Caribisch-Nederland

Bijlage behorend bij artikel 41b, eerste lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen

Een Caribisch-Nederlands schip, als bedoeld in artikel 41b, eerste lid, voldoet aan de volgende eisen:

  • 1.De eigenaar van het schip draagt er zorg voor dat het schip en de inrichting in deugdelijke staat is en dat het geschikt is voor de reizen die met dat schip worden ondernomen. Dit houdt in dat luiken, patrijspoorten en andere openingen waterdicht, dan wel in geval van openingen naar de machinekamer luchtdicht kunnen worden afgesloten; dat er een goed bevestigde reling aanwezig is; dat de aanwezige brandblus- en lenspompen operationeel zijn; dat er geen beschadigingen zijn die de veiligheid kunnen beïnvloeden; dat de voortstuwingsinstallatie bedrijfsvaardig is en voorzien van voldoende brandstof en dat het schip niet meer personen vervoert dan is toegestaan volgens de voorschriften van de fabrikant. De eigenaar van het schip draagt zorg dat onveilige situaties worden voorkomen en dat passende maatregelen worden genomen om risico’s te beheersen. Hij draagt er tevens zorg voor dat alle opvarenden voor vertrek bekend zijn met de veiligheidsprocedures bij noodsituaties.relaties0
  • 2.De eigenaar kan aantonen dat de constructie, uitwatering en stabiliteit van het schip voldoen aan de eisen die door de bouwer, het klassenbureau, richtlijn 94/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten met betrekking tot pleziervaartuigen (PbEG 1994, L 164) of het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn gesteld. Het maximum toegestaan aantal opvarenden is vast op de buitenkant van het schip aangegeven.relaties0
  • 3.De eigenaar van het schip draagt er zorg voor dat de voortstuwingsinstallatie en de aanwezige uitrusting in goede staat verkeert en wordt onderhouden of gekeurd conform de instructies van de fabrikant. Motoren en voortstuwingsinstallaties ondergaan jaarlijks een servicebeurt door een deskundige waarbij bijzondere aandacht aan de brandveiligheid wordt besteed.relaties0
  • 4.Op het schip is de volgende uitrusting aanwezig:
    • ten minste één goedgekeurde poederblusser van 5 kg en één goedgekeurde CO2-brandblusser van 6 liter nabij de toegang tot de machinekamer of een schuimblusser ingeval van een buitenboordmotor;
    • tenminste één brandslang met spuitstuk of indien geen brandbluspomp aanwezig is één puts met lijn;
    • indien sprake is van een kombuis, tenminste een branddeken;
    • goedgekeurde reddingvesten voor alle opvarenden; in geval er kinderen aan boord zijn worden deze voor alle kinderen aangevuld met reddingvesten geschikt voor gebruik door kinderen;
    • ten minste één goedgekeurde reddingboei, voorzien van de naam van het schip en de thuishaven; de boei is uitgerust met een drijvende lijn van 30 meter voorzien van een werpring en, indien in het donker gevaren wordt, van een licht;
    • een trapje waarmee drenkelingen terug aan boord kunnen worden genomen;
    • een zaklantaarn waarmee seinen kunnen worden gegeven en een seinspiegel;
    • een set goedgekeurde noodsignalen bestaande uit tenminste twee handstakellichten en twee valschermsignalen of lichtkogels;
    • een radarreflector inclusief voorzieningen om deze op een hoogte van tenminste een meter boven de romp te bevestigen;
    • een voor het vaartuig geschikt anker met ankerkettingvoorloop en ankerlijn van voldoende lengte;
    • een doelmatige lensmogelijkheid, bestaande uit tenminste één mechanische of handpomp per compartiment; voor eenvoudige vaartuigen kan worden volstaan met een hoosvat of emmer;
    • een goedgekeurde vast opgestelde VHF radio installatie voorzien van een elektrische krachtbron om gedurende tenminste drie uur stroom te leveren;
    • voldoende drinkwater voor de duur van de reis voor alle opvarenden;
    • een lijst met reddingseinen en noodprocedures;
    • navigatieverlichting, middelen voor het geven van geluidssignalen en dagmerken in overeenstemming met het Aanvaringsverdrag;
    • een deugdelijk kompas, geschikt voor maritiem gebruik;
    • tenminste twee meerlijnen van voldoende sterkte en lengte; en
    • een EHBO kist met de in bijlage 8 bij de SCV-Code voorgeschreven medische uitrusting en de daarbij behorende handleiding.
    relaties0
  • 5.Benzine als brandstof is alleen toegestaan voor niet vast aangebrachte buitenboordmotoren. Deze motoren moeten zijn voorzien van een deugdelijke en veilige aansluiting met de benzinetank.relaties0
  • 6.Indien het schip is uitgerust met één enkel ingebouwd voortstuwingswerktuig is het schip tevens voorzien van peddels of roeiriemen en een drijfanker met lijn. Indien het schip is voorzien van één buitenboordmotor als voortstuwingswerktuig is er tevens een reserve buitenboordmotor aanwezig.relaties0
  • 7.Opslag van benzine aan boord van een schip, dat gebruik maakt van een buitenboordmotor, geschiedt in goedgekeurde opslagtanks aan dek.relaties0
relaties0

Bijlage 7 behorende bij artikel 5b. van de Regeling veiligheid zeeschepen

LY3 The Large Commercial Yacht Code

Applicable to yachts which are 24 metres and over in load line length, are in commercial use for sport or pleasure, do not carry cargo and do not carry more than 12 passengers.

TABLE OF CONTENTS
1 FOREWORD 12
2 DEFINITIONS 14
3 APPLICATION AND INTERPRETATION 20
4 CONSTRUCTION AND STRENGTH 21
5 WEATHERTIGHT INTEGRITY 23
6 WATER FREEING ARRANGEMENTS 27
7A MACHINERY – VESSELS OF LESS THAN 500GT 28
7B MACHINERY – VESSELS OF 500GT AND OVER 29
8A ELECTRICAL INSTALLATIONS – VESSELS OF LESS THAN 500GT 29
8B ELECTRICAL INSTALLATIONS – VESSELS OF 500GT AND OVER 30
9A STEERING GEAR – VESSELS OF LESS THAN 500GT 30
9B STEERING GEAR – VESSELS OF 500GT AND OVER 30
10A BILGE PUMPING – VESSELS OF LESS THAN 500GT 30
10B BILGE PUMPING – VESSELS OF 500GT AND OVER 31
11 STABILITY 31
12 FREEBOARD 37
13 LIFE SAVING APPLIANCES 38
14 FIRE SAFETY 42
14A STRUCTURAL FIRE PROTECTION – VESSELS OF LESS THAN 500GT 44
14B STRUCTURAL FIRE PROTECTION – VESSELS OF 500GT AND OVER 47
15A FIRE APPLIANCES – VESSELS OF LESS THAN 500GT 59
15B FIRE APPLIANCES – VESSELS OF 500GT AND OVER 61
16 RADIO 61
17 NAVIGATION LIGHTS, SHAPES AND SOUND SIGNALS 63
18 NAVIGATIONAL EQUIPMENT AND VISIBILITY FROM WHEELHOUSE 63
19 MISCELLANEOUS EQUIPMENT 65
20 ANCHORS AND CABLES 65
21 ACCOMMODATION 66
21A ACCOMMODATION AND RECREATIONAL FACILITIES – VESSELS OF LESS THAN 200GT CONSTRUCTED ON OR AFTER THE DATE OF ENTRY INTO FORCE OF MLC 2006 68
21B ACCOMMODATION – VESSELS ≥200GT CONSTRUCTED ON OR AFTER THE DATE OF ENTRY INTO FORCE OF MLC 2006 71
22 PROTECTION OF PERSONNEL 79
23 MEDICAL STORES 80
24 SHORE-SHIP TRANSFER OF PERSONNEL 80
25 CLEAN SEAS 82
26 MANNING AND PERSONNEL CERTIFICATION 82
27 PASSENGERS 86
28 SURVEY, CERTIFICATION, INSPECTION AND MAINTENANCE 87
29 CREW AGREEMENTS 88
30 SAFETY MANAGEMENT 88
31 INTERNATIONAL SHIP AND PORT FACILITY SECURITY CODE 89
ANNEX 1 MEMBER’S OF THE STEERING COMMITTEE AND WORKING GROUP RESPONSIBLE FOR THE CODE 89
ANNEX 2 SAFETY MANAGEMENT SYSTEM FOR VESSELS UNDER 500GT 89
ANNEX 3 OPEN FLAME GAS INSTALLATIONS 91
ANNEX 4 LIST OF CERTIFICATES TO BE ISSUED 93
ANNEX 5 UNITED KINGDOM NATIONAL ANNEX 94
ANNEX 6 TECHNICAL STANDARDS FOR HELICOPTER LANDING AREAS 98
ANNEX 7 AMENDMENTS TO THE TEXT OF MSN 1792 LY2 EDITION 2 98

1 FOREWORD

This Code of Practice has been developed jointly by the United Kingdom, its relevant overseas territories and crown dependencies3, and international industry representatives.

  • 1.1 Where ‘Administration’ is used in the Code, it means the Government of the State whose flag the ship is entitled to fly.relaties0
  • 1.2Vessels are required to comply with the various merchant shipping regulations of the Administration which are relevant to the class of vessel to which they belong. Vessels in commercial use for sport or pleasure, such as Large Yachts, do not fall naturally into a single class and, in any case, prescribed merchant ship safety standards may be incompatible with the safety needs particular to such vessels. Since its original publication, the Large Yacht Code has made a significant impression on a maritime sector which previously found great difficulty in embracing conventional regulation. As a result the Code enjoys both national support and international recognition as a standard, breaking new ground both in its inception and methodology.relaties0
  • 1.3 The Code applies to vessels in commercial use for sport or pleasure (being pleasure vessels ‘engaged in trade’ for the purpose of Article 5 Exceptions – of the International Convention on Load Lines, 1966 (ICLL)) which are 24 metres in load line length and over or, if built before 21 July 1968, 150 gross tons and over according to the tonnage measurement regulations applying at that date and which do not carry cargo and do not carry more than 12 passengers. Sail training ships are included in this application.relaties0
  • 1.4 The United Kingdom has notified the International Maritime Organization of the Code and its application to pleasure vessels engaged in trade as an equivalent arrangement under the provisions of Article 8 of the International Convention on Load Lines, 1966, Regulation I-5 of the International Convention on Safety of Life at Sea, and Article 9 of the International Convention on Standards of Training Certification and Watchkeeping for Seafarers 1978 as amended. Reference can be made to IMO Circular Letter No. 2937, dated 13 January 2009.relaties0
  • 1.5The Code sets required standards of safety and pollution prevention which are appropriate to the size of the vessel. The standards applied are either set by the relevant international conventions or equivalent standards where it is not reasonable or practicable to comply. Provision is made within the Code to add any specific national requirements within a National Annex.
    An Administration may consider a specific alternative equivalent standard to any standard required by the Code. Applications which justify either an alternative or exemption from a specific requirement of the Code can be made to the Administration.relaties0
  • 1.6The Code has been developed by an industry wide group with the express intention of setting pollution prevention and safety standards which identify with the specific needs of vessels in commercial use for sport and pleasure. The Code was reviewed and revised in 2012 to bring it up to date and reflect the needs of the industry. The standards adopted are judged to be at least equivalent in their effect to those required by the international conventions which apply to a particular vesse.
    The membership of the industry wide groups that developed and revised the Code are listed in Annex 1.relaties0
  • 1.7 Compliance with the standards required by the Code will entitle a vessel to be issued with the certification required by the international conventions applicable to the vessel, upon satisfactory completion of the corresponding surveys and inspections.
    The certificates demanded by the international conventions which apply to the vessels covered by the Code are summarised in Section 28.relaties0
  • 1.8When equipment manufactured in accordance with a recognised British, European or International standard is required by the Code, the Administration may accept existing equipment which can be shown to be of an equivalent standard and which does not increase the risk to the ship or its crew and passengers. When such equipment is replaced, the replacement should conform to the standard required by the Code.relaties0
  • 1.9For vessels entitled to fly the flag of a Member State of the European Union, the Commission of the European Communities' general mutual recognition clause should be accepted. The clause states:
    Any requirement for goods or materials to comply with a specified standard should be satisfied by compliance with:
    • .1 a relevant standard or code of practice of a national standards body or equivalent body of a Member State of the European Community; orrelaties0
    • .2 any relevant international standard recognised for use in any Member State of the European Community; orrelaties0
    • .3a relevant specification acknowledged for use as a standard by a public authority of any Member State of the European Community; orrelaties0
    • .4 traditional procedures of manufacture of a Member State of the European Community, and Turkey, where these are the subject of a written technical description sufficiently detailed to permit assessment of the goods or materials for the use specified; orrelaties0
    • .5a specification sufficiently detailed to permit assessment for goods or materials of an innovative nature (or subject to innovative processes of manufacture such that they cannot comply with a recognised standard or specification) and which fulfil the purpose provided by the specified standard;relaties0

    provided that the proposed standard, code of practice, specification or technical description provides, in use, equivalent levels of safety, suitability and fitness for purpose. Due attention should be paid to the requirements of the Marine Equipment Directive.relaties0
  • 1.10It is recognised that the Code may be required to be revised in the light of experience gained in its application. Section 3.5 makes provision for this.relaties0
  • 1.11It is recommended that pleasure vessels comply with the standards of the Code.relaties0

2 DEFINITIONS

(Note – where a definition is not contained within this Code, guidance should be taken from meanings given within the International Conventions)

‘Administration’ with regard to this Code means the Government of the State whose flag the ship is entitled to fly.

‘Aiming Circle’ (Touchdown/positioning marking) The aiming point for a normal landing, so designed that the pilot’s seat can be placed directly above it in any direction with assured main and tail rotor clearances.

‘Approved’ in respect to materials or equipment means approved by the Administration or approved by an Administration or organisation which is formally recognised by the Administration.

‘Authorised surveyor’ means a surveyor who by reason of professional qualifications, practical experience and expertise is authorised by the Administration to carry out the survey required for the vessel.

‘Aviation Inspection Body’ Body delegated the responsibility of inspecting helicopter landing areas by the Administration. The verification process will include inspection, certification and, where necessary, the application of appropriate operational limitations.

‘Buoyant lifeline’ means a line complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code.

‘Cargo’ means an item(s) of value that is carried from one place and discharged at another place and for which either a charge or no charge is made and is not for use exclusively onboard the vessel.

‘Commercial vessel’ means a vessel which is not a pleasure vessel.

‘Control stations’ are those spaces in which the ship's radio or main navigating equipment or the emergency source of power are located or where the fire recording or fire control equipment is centralised.

‘Design Waterline’ Deepest loaded draught.

‘D-Value’ The largest overall dimension of the helicopter when rotors are turning. This dimension will normally be measured from the most forward position of the main rotor tip path plane to the most rearward position of the tail rotor tip path plane (or the most rearward extension of the fuselage in the case of Fenestron or Notar tails).

‘D-Circle’ A circle, usually imaginary unless the helicopter landing area itself is circular, the diameter of which is the D-Value of the largest helicopter the landing area is intended to serve. This will not be the case for landing areas of less than 1D width. For landing areas of less than 1D width, the edges of the imaginary D circle, may extend beyond the edge of the load bearing area by up to 0.085D on either side at the mid point.

‘Efficient’ in relation to a fitting, piece of equipment or material means that all reasonable and practicable measures have been taken to ensure that it is suitable for the purpose for which it is intended to be used.

‘Embarkation ladder’ means a ladder complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code.

‘Emergency source of electrical power’ is a source of electrical power, intended to supply the emergency switchboard in the event of failure of the supply from the main source of electrical power.

‘Emergency switchboard’ is a switchboard which in the event of failure of the main electrical power supply system is directly supplied by the emergency source of electrical power or the transitional source of emergency power and is intended to distribute electrical energy to the emergency services.

‘EPIRB’ means a satellite emergency position-indicating radio beacon, being an earth station in the mobile-satellite service, the emissions of which are intended to facilitate search and rescue operations, complying with performance standards adopted by the IMO contained in either Resolution A.810(19) or Resolution A.812(19) and Resolution A.662(16), or any Resolution amending or replacing these from time to time and which is considered by the Administration to be relevant, and is capable of:

  • (a)floating free and automatically activating if the ship sinks;relaties0
  • (b)being manually activated; andrelaties0
  • (c)being carried by one person.relaties0

‘Existing vessel’ means any vessel, the keel of which was laid or was at a similar stage of construction prior to the 1st October 2013 or the date of entry into force of the Maritime Labour Convention 2006 if that be sooner.

‘Float-free launching’ means that method of launching a liferaft whereby the liferaft is automatically released from a sinking ship and is ready for use, complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code.

‘FOD’ Foreign Object Debris.

‘Freeboard’ has the meaning given in annex I of ICLL. The freeboard assigned is the distance measured vertically downwards amidships from the upper edge of the deck line to the upper edge of the related load line.

‘Freeboard deck’ has the meaning given in annex I of ICLL. The freeboard deck is normally the uppermost complete deck exposed to the weather and sea, which has permanent means of closing all openings in the weather part thereof, and below which all openings in the sides of the ship are fitted with permanent means of watertight closing.

In a ship having a discontinuous freeboard deck, the lowest line of the exposed deck and the continuation of that line parallel to the upper part of the deck is taken as the freeboard deck.

At the option of the owner and subject to the approval of the Administration, a lower deck may be designated as the freeboard deck provided it is a complete and permanent deck continuous in a fore and aft direction at least between the machinery space and peak bulkheads and continuous athwart ships.

When a lower deck is designated as the freeboard deck, that part of the hull which extends above the freeboard deck is treated as a superstructure so far as concerns the application of the conditions of assignment and the calculation of freeboard. It is from this deck that the freeboard is calculated.

‘Garbage’ means all kinds of victual, domestic and operational waste excluding fresh fish and parts thereof, generated during the normal operation of the vessel and liable to be disposed of continuously or periodically, except sewage originating from vessels.

‘Hazardous space’ means a space or compartment in which combustible or explosive gases or vapours are liable to accumulate in dangerous concentrations.

‘ICAO’ International Civil Aviation Organization.

‘ICLL’ means the International Convention on Load Lines, 1966, as amended.

‘IMO’ means the International Maritime Organization, a specialised agency of the United Nations devoted to maritime affairs.

‘Inflatable lifejacket’ means a lifejacket complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code.

‘Jet A1 Fuel’ also known as kerosene. It is used as a fuel for modern jet and turboprop engines. It consists primarily of hydrocarbon compounds, but other additives are present to increase safety. International regulations stipulate uniform standards for the quality and composition of kerosene.

‘Landing Area’ A generic term referring to any area primarily intended for the landing or take-off of aircraft.

‘Instructions for on-board maintenance’ means the instructions complying with the requirements of SOLAS III/Part B – Life Saving Appliances and Arrangements, Regulation 36.

‘Launching appliance’ means a provision complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code for safely transferring a lifeboat, rescue boat, or liferaft respectively, from its stowed position to the water and recovery where applicable.

‘Length’ means 96% of the total length on a waterline of a ship at 85% of the least moulded depth measured from the top of the keel, or the length from the fore-side of the stem to the axis of the rudder stock on that waterline, if that be greater. In ships designed with a rake of keel the waterline on which this is measured should be parallel to the designed waterline.4

‘Lifeboat’ means a lifeboat complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code.

‘Lifebuoy’ means a lifebuoy complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code.

‘Lifejacket’ means a lifejacket complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Cod.

‘Liferaft’ means a liferaft complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code.

‘Line throwing appliance’ means an appliance complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code.

‘LOS’ Limited Obstacle Sector. The 150° sector within which obstacles may be permitted, provided the height of the obstacles is limited.

‘Low flame spread’ means that the surface thus described will adequately restrict the spread of flame, this being determined to the satisfaction of the Administration by an established procedure.

‘Machinery spaces’ are all machinery spaces of category A and all other spaces containing propelling machinery, boilers, oil fuel units, steam and internal combustion engines, generators and major electrical machinery, oil filling stations, refrigerating, stabilizing, ventilation and air conditioning machinery, and similar spaces, and trunks to such spaces.

‘Machinery spaces of category A’ are those spaces and trunks to such spaces which contain:

  • (a)internal combustion machinery used for main propulsion; or
  • (b)internal combustion machinery used for purposes other than main propulsion where such machinery has in the aggregate a total power output of not less then 375Kw; or
  • (c)any oil-fired boiler or oil fuel unit.

‘Main source of electrical power’ is a source intended to supply electrical power to the main switchboard for distribution to all services necessary for maintaining the ship in normal operation and habitable condition.

‘Main switchboard’ is a switchboard which is directly supplied by the main source of electrical power and is intended to distribute electrical energy to the ship's services.

‘Main vertical zone’ means those sections into which the hull, superstructure and deckhouses are divided by A class divisions, the mean length of which on any deck does not normally exceed 40 metres.

‘MARPOL’ means the International Convention for the Prevention of Pollution from Ships, 1973, as amended.

‘Major conversion’ means a conversion of a vessel:

  • (a)that substantially alters the dimensions of a vessel;
  • (b)which changes the type of the vessel;
  • (c)the intent of which in the opinion of the Administration is substantially to prolong its life;
  • (d)which otherwise so alters the ship that, if it were a new vessel, it would become subject to relevant provisions of the present code not applicable to it as an existing vessel.relaties0

‘Maritime & Coastguard Agency’ (MCA) means the Maritime & Coastguard Agency, an executive agency of the United Kingdom Department for Transport.

‘Merchant Shipping Notice’ (MSN) means a Notice described as such and issued by the MCA and reference to a specific Merchant Shipping Notice includes reference to any Merchant Shipping Notice amending or replacing that Notice which is considered by the Secretary of State to be relevant from time to time and is specified in a Merchant Shipping Notice.

‘Mile’ means a nautical mile of 1852 metres.

‘Motor vessel’ means a vessel which is described in the register and on the certificate of registry as such, and which has a sole means of propulsion either one or more power units.

‘Multihull vessel’ means any vessel which in any normally achievable operating trim or heel angle, has a rigid hull structure which penetrates the surface of the sea over more than one separate or discrete area.

‘New vessel’ means a vessel to which this Code applies, the keel of which was laid or was at a similar stage of construction on or after the 1st October 2013 or the date of entry into force of the Maritime Labour Convention 2006 if that be sooner.

‘Not readily ignitable’ means that the surface thus described will not continue to burn for more than 20 seconds after removal of a suitable impinging test flame.

‘Officer’ means

  • (a)any seafarer who is required to be qualified under the International Convention on Standards of Training, Certification and Watchkeeping for Seafarers, 1978, as amended (STCW Convention); or
  • (b)any other seafarer considered by the owner/managing agent to be an officer.

‘OFS’ Obstacle-Free Sector. The 210° sector, extending outwards to a distance that will allow for an unobstructed departure path appropriate to the helicopter that the landing area is intended to serve, within which no obstacles above helideck level are permitted.

‘Owner(s)/managing agent(s)’ means the registered owner(s) or the owner(s) or the managing agent(s) of the registered owner(s) or the owner(s) or owner(s) ipso facto, as the case may be.

‘Passenger’ means any person carried in a ship except:

  • (a)a person employed or engaged in any capacity on board the ship on the business of the ship;
  • (b)a person on board the ship either in pursuance of the obligation laid upon the master to carry shipwrecked, distressed or other persons, or by reason of any circumstances that neither the master nor the owner nor the charterer (if any) could have prevented; and
  • (c)a child under one year of age.

‘Passenger ship’ means a ship carrying more than 12 passengers. ‘Person’ means a person over the age of one year.

‘Pleasure vessel’ means a vessel so defined by the Administration (see National Annex).

‘Position 1’ means upon exposed freeboard and raised quarter decks, and upon exposed superstructure decks situated forward of a point located a quarter of the ship's length from the forward perpendicular.

‘Position 2’ means upon exposed superstructure decks situated abaft a quarter of the ship’s length from the forward perpendicular.

‘Radar transponder’ means a radar transponder for use in survival craft to facilitate location of survival craft in search and rescue operations.

‘Recess’ means an indentation or depression in a deck and which is surrounded by the deck and has no boundary common with the shell of the vessel.

‘Rescue boat’ means a boat complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code and designed to rescue persons in distress and for marshalling liferafts.

‘Retro-reflective material’ means a material which reflects in the opposite direction a beam of light directed on it.

‘Rocket parachute flare’ means a pyrotechnic signal complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code.

‘Safe haven’ means a harbour or shelter of any kind which affords entry, subject to prudence in the weather conditions prevailing, and protection from the force of the weather.

‘Sailing vessel’ means a vessel designed to carry sail, whether as a sole means of propulsion or as a supplementary means.

‘Sail training vessel’ means a sailing vessel which, at the time, is being used either:

  • a)to provide instruction in the principles of responsibility, resourcefulness, loyalty and team endeavour and to advance education in the art of seamanship; or
  • b)to provide instruction in navigation and seamanship for yachtsmen;

‘Seafarer’ means any person who is employed or engaged or works in any capacity on board a ship. (See National Annex for interpretation)

‘Self-activating smoke signal’ means a signal complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code.

‘Self-igniting light’ means a light complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code.

‘Short Range Yacht’ means a vessel under 500GT the keel of which was laid or was at a similar stage of construction prior to the 1st August 2005 or a new vessel constructed on or after that date under 300GT:

  • restricted to operating in forecast or actual wind of a maximum Beaufort Force 4, for a motor yacht, and Beaufort Force 6 for a sailing yacht;
  • within 60 nautical miles of a safe haven. (The Administration may permit operation on specified routes up to 90 nautical miles from a safe haven as appropriate).

‘Similar stage of construction’ means at a stage which:

  • (a)construction identifiable with a specific vessel begins; and
  • (b)assembly of that vessel, comprising at least 1% of the estimated mass of all structural material has commenced.

In the case of vessels constructed of FRP or GRP this will be considered as the date when more than 5% of the hull resin and reinforcement has been laid.

‘SLA’ Safe Landing Area. The area bounded by the perimeter line and perimeter lighting. The construction of the OFS and LOS segments (see below) should ensure that the main rotor will not risk conflict with obstacles when the nose of the helicopter is butted-up to, but not projecting over, the perimeter line. Thus the pilot, when landing in unusual circumstances, has confidence that he can touch down provided that all wheels are within the SLA and the nose of the helicopter is not projecting over the nearest perimeter line ahead. However, only correct positioning over the aiming circle (see ‘Aiming Circle’ above) will ensure proper clearance with respect to physical obstacles, provision of ground effect, and provision of adequate passenger access/egress.

‘SOLAS’ means the International Convention of Safety of Life at Sea, 1974, as amended.

‘SOLAS A pack’ means a liferaft emergency pack complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code.

‘SOLAS B pack’ means a liferaft emergency pack complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code.

‘Standard fire test’ means a test in which specimens of the relevant bulkheads, decks or other constructions are exposed in a test furnace by a specified test method in accordance with the IMO Fire Test Procedures Code.

‘Submersible Craft’ means any description of manned mobile submersible apparatus which is designed to maintain some or all of its occupants at or near atmospheric pressure including free, self-propelled, tethered, towed or bottom contact propelled apparatus and atmospheric diving suits. A diving bell is not a submersible craft for the purposes of these Regulations; and ‘diving bell’ means any compression chamber which is capable of being manned and is used or designed for use under the surface of water in supporting human life being a chamber in which any occupant is or may be subjected to a pressure of more than 300 millibars above atmospheric pressure during normal operation;

‘Superstructure’ has the meaning given in annex I to ICLL.

‘Survival craft’ means a craft capable of sustaining the lives of persons in distress from the time of abandoning the ship.

‘Trainee’

A trainee SHOULD:

  • 1.Be engaged for the sole purpose of:
    • (a)obtaining instruction in the principles of responsibility, resourcefulness, loyalty and team endeavour; and/orrelaties0
    • (b)instruction in navigation and seamanship, marine engineering or other shipboard related skills.relaties0
    relaties0
  • 2.Be considered to form part of a ‘trainee voyage crew'; andrelaties0
  • 3.Participate in the operation of the vessel to the best of his or her ability. A trainee SHOULD NOT:
    • 1.be part of the crew for the purpose of safe manning or have any safety critical duties;relaties0
    • 2.have any employment contract or any employment relationship with the owner or operator of the vessel;relaties0
    • 3.receive any remuneration for his/her activities on board;relaties0
    • 4.be considered to be a seaman or seafarer; andrelaties0
    • 5.be considered as a passenger*.relaties0
    relaties0

*Note - the fact that a trainee(s) may contribute towards the cost of their welfare whilst on board should not imply that they are passengers.

The Minimum age of trainees should be an issue for the National Marine Administration and requirements should be as indicated in the National Annex.

Training organisations wishing to operate training vessels carrying more than 12 trainees should comply with the requirements of the National Marine Administration as indicated in the National Annex.

‘Training manual’ with regard to life-saving appliances means a manual complying with the requirements of SOLAS III/Part B – Life Saving Appliances and Arrangements, Regulation 35.

‘Training Vessel’ Training Vessel which may be either a sailing or motor vessel, means a vessel which is operated to provide:

  • a)instruction in the principles of responsibility, resourcefulness, loyalty and team endeavour; and/or
  • b)instruction in navigation and seamanship, marine engineering or other shipboard related skills.

The vessel must be properly and safely manned at all times, both at sea and if necessary in port, by a sufficient number of experienced and competent personnel to ensure that trainees are adequately supervised giving particular consideration to the number, age and sex of the trainees.

All training should be properly organised with clearly detailed objectives and outcomes.

‘Two-way VHF radiotelephone set’ means a portable or a fixed VHF installation for survival craft complying with the performance standards adopted by the IMO contained in A.762(18) or any Resolution amending or replacing it which is considered by the Administration to be relevant from time to time.

‘Voyage’ includes an excursion.

‘Watertight’ means capable of preventing the passage of water in any direction.

‘Weather deck’ means the uppermost complete weather tight deck fitted as an integral part of the vessel's structure and which is exposed to the sea and weather.

‘Weathertight’ has the meaning given in annex I of ICLL. Weathertight means that in any sea conditions water will not penetrate into the ship.

‘Wheelhouse’ means the control position occupied by the officer of the watch who is responsible for the safe navigation of the vessel.

‘Window’ means a ship's window, being any window, regardless of shape, suitable for installation aboard ships.

3 APPLICATION AND INTERPRETATION

3.1 Application
  • 3.1.1The Code applies to a motor or sailing vessel of 24 metres in load line length and over or, if built before 21 July 1968, which is of 150 tons5 gross tonnage and over and which, at the time, is in commercial use for sport or pleasure and carries no cargo and no more than 12 passengers. Sail training vessels are included in this application.relaties0
  • 3.1.2The Administration may establish alternative standards for yachts operating under International Sailing Federation (ISAF) or Union Internationale Motonautique (UIM) racing rules.relaties0
  • 3.1.3Any provision of the Code expressed in the conditional (i.e. ‘should’) shall be a requirement.relaties0
3.2 Area of Operation
  • 3.2.1In general, requirements given within the Code are based on unrestricted geographical operation outside Polar Regions, however, where considered appropriate, standards for vessels operating as Short Range Yachts have been included.relaties0
  • 3.2.2Yachts which intend to operate in Polar Regions must meet requirements of one of the recognised Classification Societies listed in the National Annex appropriate to the intended area of operation. Stability conditions should include those for icing. Reference to be made to the IMO Guidelines for Polar Regions, Resolution A.1024(26) as amended or replaced by IMO for yachts intended to operate inside polar regions.relaties0
3.3 Equivalent Standards, Exemptions and Existing Vessels
3.3.1 Equivalent standards

Proposals for the application of alternative standards considered to be at least equivalent to the requirements of the Code should be submitted to the Administration for approval. Equivalence may be achieved by incorporating increased requirements to balance deficiencies and thereby achieve the overall safety standard.

3.3.2 Exemptions

Exemptions should be granted only by the Administration.

Applications for exemption should be made to the Administration and be supported by justification for the exemption.

The granting of exemptions will be limited by the extent to which international conventions allow and should be regarded as exceptiona

3.3.3 New and Existing vessels
  • 3.3.3.1In the case of an existing vessel which does not comply fully with the Code safety standards but for which the Code standards are reasonable and practicable, the Administration should give consideration to a proposal from the owner(s)/managing agent(s) to phase in requirements within an agreed time scale not exceeding 18 months.relaties0
  • 3.3.3.2When an existing vessel does not meet the Code safety standard for a particular feature and it can be demonstrated that compliance is neither reasonable nor practicable, proposals for alternative arrangements should be submitted to the Administration for approval. In considering individual cases, the Administration should take into account the vessel's service history and any other factors which are judged to be relevant to the safety standard which can be achieved.relaties0
  • 3.3.3.3Generally, repairs, alterations and refurbishments should comply with the standards applicable to a new vessel.relaties0
  • 3.3.3.4Vessels the keels of which were laid or were at a similar stage of construction before the 1st October 2013 or the date of entry into force of the Maritime Labour Convention 2006 if that be sooner and which have and have been or are currently under survey to LY1 or LY2 may continue to be considered under the standards in force at the time of initial survey with the exception of the following which must comply with this version of the code:
    • (a)Section 13.2.4 Lifejackets;relaties0
    • (b)Section 16.3.1 (Radio equipment);relaties0
    • (c)Section 18.1.8 Vessels of 300GT and over have LRIT fitted;relaties0
    • (d)Section 18.1.9 Vessels of 150GT and over have BNWAS fitted;relaties0
    • (e)Section 26 Manning and Personnel Certification;relaties0
    • (f)Section 29 Crew Agreements;relaties0
    • (g)Section 30.2 Vessels under 500GT, Safety Management;relaties0
    • (h)Existing sailing yachts may take advantage of the definition of a ‘Short range yacht’ in this version of the Code.relaties0
    relaties0
  • 3.3.3.5All other vessels should be surveyed under this version of the Code.relaties0
3.4 Interpretation

Where a question of interpretation of any part of this Code arises which cannot be resolved by a delegated authority and the owner(s)/managing agent(s) for a vessel, a decision on the interpretation may be obtained on written application to the Administration.

3.5 Updating the Code

The requirements of the Code will be reviewed and, if necessary revised, by the Administration in consultation with the working group.

4 CONSTRUCTION AND STRENG

Objective: The purpose of this section is to ensure that all vessels are constructed to a consistent standard in respect of strength and watertight integrity. New Vessels are to be built to the requirements of one of the recognised Classification Societies listed in the National Annex and issued with a commercial Certificate of Classification. Existing Vessels which do not have a Certificate of Classification issued by a Classification Society listed in the National Annex should obtain such a certificate. For vessels under 500GT alternative arrangements for Short Range operation may be agreed by the Administration. The extent of the watertight bulkheads defined in Section 4.3 is to ensure that sufficient buoyancy is maintained by the vessel to meet the damaged stability requirements of Section 11.
4.1 General Requirements
  • 4.1.1All vessels should have a freeboard deck.relaties0
  • 4.1.2All vessels should be fitted with a weather deck throughout the length of the vessel and be of adequate strength to withstand the sea and weather conditions likely to be encountered in the declared area(s) of operation.relaties0
  • 4.1.3The declared area(s) of operation and any other conditions which restrict the use of the vessel at sea should be recorded on the load line certificate issued to the vessel.relaties0
  • 4.1.4The choice of hull construction material affects fire protection requirements, for which reference should be made to section 14A and 14B.relaties0
  • 4.1.5Where a considerable risk of lightning strike is identified vessels should have lightning strike protection.relaties0
4.2 Structural Strength
  • 4.2.1All vessels must be constructed in accordance with the requirements of a recognised Classification Society listed in the National Annex.relaties0
  • 4.2.2Attention should be paid to local or global hull strength requirements for the provision of ballast.relaties0
4.3 Watertight Bulkheads

Section 11 of the Code deals with subdivision and damage stability requirements which will determine the number and positioning of watertight bulkheads defined below.

  • 4.3.1Watertight bulkheads should be fitted in accordance with the following requirement:
    • .1The strength of watertight bulkheads and their penetrations, and watertight integrity of the division should be in accordance with the requirements of one of the Classification Societies referred to in the National Annex.relaties0
    • .2Generally, openings in watertight bulkheads should comply with the standards required for passenger vessels, as defined in SOLAS Chapter II-1. Hand operation from above the bulkhead deck and a hydraulic accumulator may be omitted if each door has it’s own individual power- pack electrically driven via the emergency switchboard, and control voltage from emergency battery, and each door can be operated manually at the door. Edge strips which stop the door closing on contact are not permitted.relaties0
    • .3Approved hinged doors may be provided for infrequently used openings in watertight compartments, where a crew member will be in immediate attendance when the door is open at sea. Audible and visual alarms should be provided in the wheelhouse.relaties0
    • .4Unless otherwise required by section 4.4, watertight doors in yachts under 500GT may be approved hinged doors provided that there is an audible and visual alarm on the Bridge indicating when the door is open. The doors are to be kept closed at sea and marked accordingly. A time delay for the alarm is acceptable.relaties0
    • .5Procedures for the operation of watertight doors should be agreed with the Administration and posted in suitable locations. Watertight doors should be normally closed, with the exception of sliding watertight doors providing the normal access to frequently used living and working spaces. Additionally when an access is unlikely to be used for lengthy periods, the door should also be closed. All watertight doors should be operationally tested before a ship sails and once a week.relaties0
    relaties0
4.4 Enclosed Compartments within the Hull and below the Freeboard Deck provided with Access through Openings in the Hull
  • 4.4.1Compartment(s) below the freeboard deck, provided for recreational purposes, oil fuelling/fresh water reception or other purposes to do with the business of the vessel and having access openings in the hull, should be bounded by watertight divisions without any opening (i.e. doors, manholes, ventilation ducts or any other opening) separating the compartment(s) from any other compartment below the freeboard deck, unless provided with sliding watertight doors complying with 4.3.1, or for vessels under 500GT, hinged doors complying with 4.4.2.relaties0
  • 4.4.2For vessels under 500GT, openings from any other compartment below the freeboard deck may be fitted with hinged watertight doors provided:
    • .1after flooding through the shell opening of the space containing the shell opening, the resultant waterline is below the sills of the internal openings in that space; orrelaties0
    • .2
      • (a)bilge alarms are fitted in the compartment containing the shell opening, with a visual and audible warning on the bridge; andrelaties0
      • (b)any hinged door opens into the compartment containing the shell opening; andrelaties0
      • (c)‘open’ door alarms, both visual and audible fitted on the bridge; andrelaties0
      • (d)the door is to be fitted with a single closing mechanism; andrelaties0
      • (e)sill height of the internal door should be higher above the deepest loaded waterline than the sill height of the shell opening.relaties0
      relaties0
    relaties0
  • 4.4.3Openings in the hull should comply with SOLAS regulation II-1/15-1 – External openings in cargo ships. Provision should be made to ensure that doors may be manually closed and locked in the event of power or hydraulic failure. Openings are generally to be fitted with a sill not less than 600mm above the Design Waterline.relaties0
  • 4.4.3.1Openings in the hull with a sill height below, or less than 600mm above the Design Waterline may be specially considered by the Administration. This consideration may include but is not limited to:
    • .1doors from the space providing internal access are to have a sill height at least 600mm above the Design Waterline;relaties0
    • .2the effect of flooding on stability is considered;relaties0
    • .3operational controls and limitations on when and where opening may be use.relaties0
    relaties0
4.5 Rigging on Sailing Vessels
4.5.1 General
  • 4.5.1.1The condition of the rig should be monitored in accordance with a Maintenance Manual and a planned maintenance schedule. The schedule should include, in particular, regular monitoring of all the gear associated with safe work aloft and on the bowsprit (see 22.3).relaties0
4.5.2 Masts and Spars and tanding Rigging
  • 4.5.2.1Dimensions and construction materials of masts and spars and dimensions of standing rigging including connection to chain plates should be in accordance with the requirements or recommendations of one of the Classification Societies referred to in 4.3.1.1 or a recognised national or international standard.relaties0
  • 4.5.2.2The associated structure for masts and spars (including chainplates, fittings, decks and floors) should be constructed to effectively carry and transmit the forces involved.relaties0
  • 4.5.2.3Compliance with 4.5.2.1 and 4.5.2.2 should be confirmed by a design review and approval by one of the Classification Societies (e.g. Rig Design Certificate) which is assigned with the review of the rig.relaties0
  • 4.5.2.4The Maintenance Manual provided by the mast manufacturer should be reviewed and approved by the Classification Society which is assigned to review the rig design.relaties0
  • 4.5.2.5A physical survey on the rig stepping procedure and the rig behaviour during sea trials is to be carried out by or on behalf of the Classification Society that is involved with the classification of the vessel’s hull.relaties0
  • 4.5.2.1Annual surveys on the vessel should include reviewing records and history of rig maintenance measures against the specifications provided by the maintenance manual.
4.5.3 Rigging Fittings

The strength of all blocks, shackles, rigging screws, cleats and associated fittings and attachment points should exceed the breaking strain of the associated running or standing rigging.

4.5.4 Sails
  • 4.5.4.1Adequate means of reefing or shortening sail should be provided.relaties0
  • 4.5.4.2Sailing vessels operating as Short Range Yachts need not carry storm canvas.relaties0
  • 4.5.4.3All other vessels should either be provided with separate storm sails or have specific sails designated and constructed to act as storm canvas.relaties0

5 WEATHERTIGHT INTEGRI

Objective: This section is intended to outline standards to be achieved for weathertight integrity. As far as is practicable, the standards of the 1966 ICLL are to be adhered to. However, due consideration may be given to arrangements that provide an equivalent level of safety in respect of the risks of down flooding and green sea loading.
Virtual Freeboard Deck

For the purposes of this section only, where actual freeboard to the weather deck exceeds that required by ICLL 66 by at least one standard superstructure height, openings on that deck, abaft of the forward quarter, may be assumed to be in position 2. This is to be taken, unless otherwise stated, as defined in ICLL 66.

For vessels up to 75m load line length, a standard superstructure height is to be taken as 1.8m. For vessels over 125m load line length, this is to be taken as 2.3m. Superstructure heights for vessels of intermediate lengths should be obtained by interpolation.

5.1 Hatchways and Skylight Hatches
5.1.1 General Requirements
  • 5.1.1.1All openings leading to spaces below the weather deck not capable of being closed weathertight, must be enclosed within either an enclosed superstructure or a weathertight deckhouse of adequate strength meeting with the requirements of the Load Line Assigning Authority.relaties0
  • 5.1.1.2All exposed hatchways which give access from position 1 and position 2 are to be of substantial weathertight construction and provided with efficient means of closure. Weathertight hatch covers should be permanently attached to the vessel and provided with adequate arrangements for securing the hatch closed.relaties0
  • 5.1.1.3Hatches which are designated for escape purposes should be provided with covers which are to be openable from either side and in the direction of escape they are to be openable without a key. All handles on the inside are to be non removable. An escape hatch should be readily identified and easy and safe to use, having due regard to its position.relaties0
5.1.2 Hatchways Which are Open at Sea

In general, hatches should be kept closed at sea. However, hatchways which may be kept open for access at sea are to be as small as practicable (a maximum of 1 square metre in clear area), and fitted with coamings of at least 300mm in height in positions 1 and 2 Hatchways should be as near to the centreline as practicable, especially on sailing vessels. Covers of hatchways are to be permanently attached to the hatch coamings and, where hinged, the hinges are to be located on the forward side.

5.2 Doorways and Companionways
5.2.1 Doorways Located Above the Weather Deck
  • 5.2.1.1External doors in deckhouses and superstructures that give access to spaces below the weather deck are to be weathertight and door openings should have coaming heights of at least:
    A 600mm 300mm
    B 300mm 150mm
    C 150mm 75mm

    Location A The door is in the forward quarter length of the vessel and is used when the vessel is at sea.
    Location B The door is in an exposed forward facing location aft of the forward quarter length.
    Location C The door is in a protected location aft of the forward quarter length, or an unprotected door on the first tier deck above the weather deck.relaties0
  • 5.2.1.2Weathertight doors should be arranged to open outwards and when located in a houseside, be hinged at the forward edge. Alternative closing arrangements will be considered providing it can be demonstrated that the efficiency of the closing arrangements and their ability to prevent the ingress of water will not impair the safety of the vessel.relaties0
  • 5.2.1.3An access door leading directly to the engine room from the weather deck should be fitted with a coaming of height of at least:
    Position 1 600mm 450mm
    Position 2 380mm 200mm
    relaties0
  • 5.2.1.4Coaming height, construction and securing standards for weathertight doors which are provided for use only when the vessel is in port or at anchor in calm sheltered waters and are locked closed when the vessel is at sea, may be considered individually.relaties0
5.2.2 Companion Hatch Openings
  • 5.2.2.1Companionway hatch openings which give access to spaces below the weather deck should be fitted with a coaming, the top of which is at least 300mm above the deck, or 150mm in the case of Short Range Yachts.relaties0
  • 5.2.2.2Washboards may be used to close the vertical opening. When washboards are used, they should be so arranged and fitted that they will not be dislodged readily. Whilst stowed, provisions are to be made to ensure that they are retained in a secure location.relaties0
  • 5.2.2.3The maximum breadth of an opening in a companion hatch should not exceed 1 metre.relaties0
5.3 Skylights
  • 5.3.1All skylights should be of efficient weathertight construction and should be located on or as near to the centreline of the vessel as practicable.relaties0
  • 5.3.2If they are of the opening type they should be provided with efficient means whereby they can be secured in the closed position.relaties0
  • 5.3.3Skylights which are designated for escape purposes should be openable from either side, and in the direction of escape they are to be openable without a key. All handles on the inside are to be non-removable. An escape skylight should be readily identified and easy and safe to use, having due regard to its position.relaties0
  • 5.3.4The skylight glazing material and its method of securing within the frame should meet an appropriate national or international standard. Recognised Classification Society rules for ‘ships’ are considered to meet these requirements. Where a recognised Classification Society produces alternative rules for ‘pleasure vessels’ or ‘yachts’, these are considered appropriate for Short Range Yachts.
    A minimum of one portable cover for each size of glazed opening should be provided which can be accessed rapidly and efficiently secured in the event of a breakage of the skylight.relaties0
5.4 Portlights
  • 5.4.1Portlights should be of strength appropriate to location in the vessel and meet an appropriate national or international standard. Recognised Classification Society rules for ‘ships’ are considered to meet these requirements. Where a recognised Classification Society produces alternative rules for ‘pleasure vessels’ or ‘yachts’, these are considered appropriate for Short Range Yachts. With regard to structural fire protection, the requirements for the construction of certain portlights should meet the requirements of Section 14A and 14B.relaties0
  • 5.4.2In general, all portlights fitted in locations protecting openings to spaces below the weather deck or fitted in the hull of the vessel should be provided with a permanently attached deadlight which is to be capable of securing the opening watertight in the event of a breakage of the portlight glazing. Proposals to fit portable deadlights will be subject to special consideration and approval by the Administration, having regard for the location of the portlights and the ready availability of deadlights. Consideration should be given to the provision of operational instructions to the Master as to when deadlights must be applied to portlights.relaties0
  • 5.4.3Portlights fitted in the hull of the vessel below the level of the freeboard deck should be either non-opening or of a non-readily openable type and be in accordance with a standard recognised by the Administration. The lower edge of the portlights should be at least 500mm or 2.5% of the breadth of the vessel, whichever is the greater, above the all-seasons load line assigned to the vessel. Portlights of the non-readily opening type must be secured closed when the vessel is in navigation and indication provided on the bridge that they are closed.relaties0
  • 5.4.4Proposals to fit large portlights (i.e. greater than 0.16 M2) in the main hull below the level of the freeboard deck will be subject to special consideration and approval by the Administration, having regard for their location and strength and their supporting structure and, the availability of strong protective covers for them. One item of the special consideration should be operational instructions to the Master as to when the strong protective covers must be fitted.relaties0
  • 5.3.4Portlights should not be fitted in the hull in the way of the machinery space.
5.5 Windows
  • 5.5.1Windows should be of strength appropriate to their location in the vessel and meet the requirements of BSMA 25 or equivalent international standard. Recognised Classification Society rules for ‘ships’ are considered to meet these requirements.
    Where a recognised Classification Society produces alternative rules for ‘pleasure vessels’ or ‘yachts’, these are considered appropriate for Short Range Yachts. With regard to structural fire protection, the requirements for the construction of certain windows should meet the requirements of 14A and 14B.relaties0
  • 5.5.2For all vessels where the glazing material, glazing thickness, or fixing of the windows does not meet the requirements of a recognised standard, windows may be tested, to the satisfaction of the Administration, at a minimum of 4 times the required design pressure derived from an appropriate national or international standard. Additionally, as a minimum, calculated thicknesses should meet Classification Society requirements for pleasure vessels or yachts. For Short Range Yachts, test pressures may be reduced to 2.5 times the derived design pressure.relaties0
  • 5.5.3When using BSMA 25 or equivalent, the following minimum design heads may be assumed when determining design head pressure:
    First tier unprotected fronts 4.5 + L/100metres
    Second tier unprotected fronts 3.5 metres
    Elsewhere 1.5 metresrelaties0
  • 5.5.4In general, windows fitted in superstructures or weathertight deckhouses are to be substantially framed and efficiently secured to the structure. The glass is to be of the toughened safety glass type.relaties0
  • 5.5.5Where chemically toughened safety glass is used, windows are to be of the laminated type, the minimum depth of chemical toughening to be 30 microns on exposed faces. Regular inspections of the windows, with particular reference to the surface condition, should form part of the operational procedures and annual survey by a Classification Society.relaties0
  • 5.5.6Windows should not be fitted in the main hull below the level of the freeboard deck.relaties0
  • 5.5.7For all vessels, other than Short Range Yachts, storm shutters (strong protective covers with fittings) are required for all windows in the front and sides of first tier and front windows of the second tier of superstructures or weathertight deckhouses above the freeboard deck.relaties0
  • 5.5.7.1Where windows are of laminated construction and their equivalent toughened safety glass thickness exceeds the requirements of the applied standard specified in 5.5.1 by a minimum of 30%, storm shutters need not be carried, but a blanking plate(s) is to be provided (a plate capable of being fixed over a broken window) so that any window opening may be sealed in the event of glass failure. For windows subject to test in accordance with 5.5.2 only blanking plates are required.
    When storm shutters are interchangeable port and starboard, a minimum of 50% of each size should be provided.relaties0
  • 5.5.8Side and front windows to the navigating position should not be constructed of polarised or tinted glass. (See Section 18.2.3)relaties0
5.6 Ventilators and Exhausts
  • 5.6.1Adequate ventilation is to be provided throughout the vessel. The accommodation is to be protected from the entry of gas and/or vapour fumes from machinery, exhaust and fuel systems, where machinery exhaust systems pass though accommodation they should be fitted in a gas tight trunk or each space should be fitted with a carbon monoxide detector, having an alarm provided locally and at a continuously manned station.relaties0
  • 5.6.2Ventilators are to be of efficient construction and provided with permanently attached means of weathertight closure. Generally, ventilators serving any space below the freeboard deck or an enclosed superstructure should have a coaming of minimum height of:
    Forward quarter length 900mm 450mm
    Elsewhere 760mm 380mm
    relaties0
  • 5.6.3Ventilators should be kept as far inboard as practicable and the height above the deck of the ventilator opening should be sufficient to prevent the ingress of water when the vessel heels.relaties0
  • 5.6.4The ventilation of spaces such as the machinery space, which must remain open, requires special attention with regard to the location and height of the ventilation openings above the deck, taking into account the effect of down flooding angle on stability standard. (See section 11).
    The means of closure of ventilators serving the machinery space should be selected with regard to the fire protection and extinguishing arrangements provided in the machinery space.relaties0
  • 5.6.5Engine exhaust outlets which penetrate the hull below the freeboard deck should be provided with means to prevent back flooding into the hull through a damaged exhaust system. For vessels operating on unrestricted service a positive means of closure should be provided. The system should be of equivalent construction to the hull on the outboard side of the closure. For Short Range Yachts, where the fitting of a positive closure is not practicable, the exhaust should be looped up above the waterline on the outboard side of the system, to a minimum height of 1000mm, and be of equivalent construction to the hull.relaties0
5.7 Air Pipes
  • 5.7.1Air pipes serving fuel and other tanks should be of efficient construction and provided with permanently attached means of weathertight closure. Means of closure may be omitted if it can be shown that the open end of an air pipe is afforded adequate protection by other structure(s) which will prevent the ingress of water.relaties0
  • 5.7.2Where located on the weather deck, air pipes should be kept as far inboard as practicable and be fitted with a coaming of sufficient height to prevent inadvertent flooding. Generally, air pipes to tanks should have a minimum coaming height of:
    On weather deck 760mm 380mm
    Elsewhere 450mm 225mm
    relaties0
  • 5.7.3Air pipes to fuel tanks should terminate at a height of not less than 760mm above either, the top of the filler pipe for a gravity filling tank or, the top of the overflow tank for a pressure filling tank.relaties0
5.8 Scuppers, Sea Inlets and Discharges and Other Hull Penetrations
  • 5.8.1The standards of ICLL should be applied to every discharge led through the shell of the vessel as far as it is reasonable and practicable to do so, and in any case, all sea inlet and overboard discharges should be provided with efficient shut-off valves arranged in positions where they are readily accessible at all times.relaties0
  • 5.8.2Underwater lights and associated penetrations fitted in the hull should be approved by the Classification Society.relaties0
5.9 Materials for Valves and Associated Piping
  • 5.9.1Valves which are fitted below the waterline should be of steel, bronze or other material having a similar resistance to impact, fire and corrosion. Non metallic valves will not normally be considered equivalent.relaties0
  • 5.9.2The associated piping should, in areas as indicated above, be of steel, bronze, copper or other equivalent material. Non metallic piping will not normally be considered equivalent.relaties0
  • 5.9.3Where the use of plastic piping is proposed, it will be considered and full details of the type of piping, its intended location, and use, should be submitted for approval; with regard to watertight integrity, any plastic piping should be above the waterline. Due regard should be paid to the IMO Fire Test Procedures Code, and 14A.2.3.4 or 14B.2.11.6.