Onderwerp: Bezoek-historie

1991/613 Overdracht van schepen tussen nationale registers binnen de Gemeenschap
Geldigheid:01-01-1992 t/m 19-05-2004Status: Was geldig

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.


DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 84, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 2 ),

Gezien het advies van het Economisch en sociaal Comité ( 3 ),

Overwegende dat het voor de totstandbrenging en de werking van de interne markt noodzakelijk is dat de technische belemmeringen voor de overdracht van schepen tussen nationale registers worden weggenomen; dat maatregelen ter vergemakkelijking van de overdracht van schepen binnen de Gemeenschap tevens noodzakelijk zijn om de Europese reders niet langer te belasten met de kosten en administratieve procedures die met de verandering van register binnen de Gemeenschap verband houden, en om zo de exploitatie van het communautaire zeevervoer en de concurrentiepositie van de vloot te verbeteren;

Overwegende dat daarbij tevens, in overeenstemming met de verdragen, een hoog niveau van veiligheid van de schepen en van bescherming van het milieu moet worden gewaarborgd;

Overwegende dat wanneer is vastgesteld dat een schip dat de vlag van een Lid-Staat voert en aan de bepalingen van deze verdragen voldoet, geen enkele technische belemmering de overdracht daarvan tussen de registers van de Lid-Staten in de weg mag staan;

Overwegende dat de afgifte van de internationale certificaten inzake veiligheid en voorkoming van verontreiniging, waarin bij het verdrag van 1974 voor de beveiliging van Mensenlevens op zee (SOLAS 1974), het Verdrag van 1966 betreffende de uitwatering van schepen (LL 1966), het verdrag van 1973 ter voorkoming van verontreiniging door schepen, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1978 (MARPOL 1973/1978) en bij de door de Internationale Maritieme organisatie (IMO) aangenomen resoluties met een dwingend karakter is voorzien, onder de verantwoordelijkheid van de Staten valt; dat de afgifte van certificaten door particuliere instanties namens een LidStaat, overeenkomstig de verdragen, ook geschiedt onder de verantwoordelijkheid van de Lid-Staat, zoals bepaald in die verdragen;

Overwegende dat de verdragen enkele belangrijke punten ter uitlegging overlaten aan de verdragsluitende Staten; dat de Regeringen van de Lid-Staten, steunend op hun uitlegging van de verdragen, aan alle schepen die onder hun vlag varen en aan de bepalingen van deze verdragen onderworpen zijn, internationale certificaten verstrekken waaruit blijkt dat die schepen inderdaad aan deze bepalingen voldoen; dat de Lid-Staten nationale technische voorschriften toepassen waarvan sommige bepalingen andere voorwaarden bevatten dan die welke in de verdragen en de bijbehorende technische normen zijn vastgelegd: dat een passende procedure dient te worden ingesteld voor het oplossen van verschillen in de uitlegging van bestaande voorschriften welke zich kunnen voordoen in het geval van een verzoek om overdracht van schepen en om rekening te houden met de Invoering van nieuwe bepalingen in de verdragen;

Overwegende dat deze verordening geenszins vooruitloopt op de uitwerking en uitlegging van de verdragen van de Internationale maritieme organisatie (IMO);

Overwegende dat schepen die in aanmerking komen voor de bepalingen van deze verordening, sedert ten minste zes maanden geregistreerd moeten zijn en in actieve dienst zijn geweest onder de vlag van een Lid-Staat, ten einde deze Staat voldoende tijd te geven om de staat van de schepen te verifiëren;

Overwegende dat er een Comité dient te worden ingesteld dat tot taak heeft de Commissie bij te staan bij de toepassing en de uitlegging van deze verordening om het doel, namelijk het vergemakkelijken van de overdracht van schepen binnen de Gemeenschap te bereiken, terwijl er toch op wordt toegezien dat de normen inzake veiligheid op zee en milieubescherming worden gehandhaafd,





1 PB nr. C 153 van 22.6.1999, blz. 14.

2 PB nr. C 19 van 28.1.1991.

3 PB nr. C 50 van 8.3.1991

Artikel 01


In deze verordening wordt verstaan onder:

a ) "verdragen" , het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS 1974), het Internationaal Verdrag van 1966 betreffende de uitwatering van schepen (LL 1966), en het internationaal Verdrag van 1973 ter voorkoming van verontreiniging door schepen (MARPOL 1973/1978) en de op de datum van aanneming van deze verordening van kracht zijnde wijzigingen van deze verdragen, alsmede de in verband daarmee door de Internationale Maritieme organisatie (IMO) aangenomen resoluties net dwingend karakter.

Onverminderd de procedures tot wijziging van deze verdragen, zal tot de toepassing, in het kader van deze verordening, van latere in die verdragen aangebrachte en in werking getreden wijzigingen worden besloten overeenkomstig de procedure van artikel 7;

b ) "voorschriften" : de in de verdragen vastgelegde voorschriften inzake veiligheid en voorkoming van verontreiniging;

c ) "certificaten" : de door of namens een Lid-Staat, in overeenstemming met de verdragen, afgegeven certificaten en eveneens de in overeenstemming met de "Bulk Chemical code" (Resolutie A. 212 (VII) van de IMO), respectievelijk de "Bulk Gas Carrier Code" (Resolutie A. 328 (IX) van de IMO) voor chemicaliën -en gastankers die vóór 1 juli 1986 zijn gebouwd, afgegeven certificaten.

Artikel 02


Deze verordening is van toepassing op vrachtschepen met een bruto tonnage van 500 ton of meer die
a ) zijn gebouwd op of na 25 mei 1980 of vóór deze datum zijn gebouwd, doch waarvoor door of namens een Lid-Staat een certificaat is afgegeven waaruit blijkt dat het schip voldoet aan de reglementering - voor nieuwe schepen als vervat in het SOLAS-Verdrag van 1974, en bovendien -voor chemicaliën - en gastankers, als vervat In de in artikel 1 onder c ), vermelde Codes, voor schepen die op of na 25 mei 1980 zijn gebouwd en
b ) onder de vlag varen van en zijn geregistreerd in een Lid-Staat en reeds ten minste zes maanden onder die vlag in actieve dienst zijn, en
c ) geldige certificaten aan boord hebben.

Artikel 03



1 . De Lid-staten mogen, om technische redenen die voortvloeien uit de verdragen, niet weigeren een vrachtschip te registreren dat in een anders Lid-Staat is geregistreerd, aan de voorschriften voldoet en de geldige certificaten aan boord heeft en dat beschikt over uitrustingen voorzien van een goedkeuring of een typegoedkeuring in het land van oorsprong van het vaartuig.

Indien de Lid-Staten op de datum van inwerkingtreding van deze verordening gebonden zijn door regionale overeenkomsten inzake de bescherming van het mariene milieu, mogen zij evenwel aanvullende eisen stellen die in overeenstemming moeten zijn met de voorschriften van de facultatieve bijlagen van de verdragen.

2. Bij de overdracht van het schip geeft de Lid-Staat van ontvangst certificaten af onder dezelfde voorwaarden als voor de vorige vlag.

3. Indien de certificaten worden afgegeven door een instantie namens een Lid-Staat, moet deze Lid-Staat erop toezien dat de betreffende instantie beschikt over de kwalificaties, de technische ervaring en het personeel die haar in staat moeten stellen om ter toepassing van de verdragen certificaten af te geven welke een hoog beschermingsniveau garanderen.

De instantie moet in staat zijn regels en voorschriften op te stellen en bij te houden die de waarde van erkende technische normen hebben, en moet werken met gekwalificeerde en ervaren inspecteurs om de staat van de schepen naar behoren te kunnen vaststellen.

4. Bij overdracht mag een schip evenwel door de Lid-Staat van ontvangst aan een inspectie worden onderworpen om na te gaan of de feitelijke staat van het schip en de uitrusting ervan met zijn certificaten en met de in artikel 2, onder a ), bedoelde conformiteitscertificaten in overeenstemming zijn.

Artikel 04



Voor zover de voorschriften voor bestaande schepen ongewijzigd zijn gebleven, mogen de Lid-Staten van ontvangst bij de vernieuwing, verlenging of herziening van de krachtens artikel 3 afgegeven certificaten geen andere voorwaarden stellen dan die welke voor de eerste afgifte van niet-voorlopige certificaten waren gesteld.

Artikel 05



1 . De Lid-Staten stellen de Commissie onverwijld in kennis van elke weigering om nieuwe certificaten af te geven die gegrond is op verschillen in de uitlegging van de voorschriften en de bepalingen die uit hoofde van de verdragen aan de partijen worden overgelaten.

De Commissie neemt de nodige initiatieven om een besluit te nemen volgens de procedure van artikel 7, tenzij haar binnen een maand wordt medegedeeld dat de betrokken Lid-Staten tot een akkoord zijn gekomen.

2 . Wanneer een Lid-Staat van oordeel is dat een schip niet uit hoofde van artikel 3 kan worden geregistreerd om redenen die verband houden met het feit dat het schip een buiten het bestek van de certificaten vallend ernstig gevaar voor de veiligheid of het milieu vormt, kan de registratie voor ten hoogste drie traanden worden opgeschort en dient de Lid-Staat de Commissie daarvan met opgaaf van de redenen onverwijld in kennis te stellen. De opschorting wordt bevestigd of ingetrokken volgens de procedure van artikel 7.

Artikel 06



De commissie wordt bijgestaan door een Comité bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

Artikel 07



In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, legt de vertegenwoordiger van de Commissie het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de kwestie . Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité.

Wanneer de beoogde Maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad na verloop van een termijn van acht weken te rekenen vanaf de indiening van het voorstel bij de Raad geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.

Artikel 08



Het Comité kan bovendien door de Commissie worden geraadpleegd over elke aangelegenheid die met de toepassing en de uitlegging van deze verordening verband houdt en, met name, om te waarborgen dat de normen voor maritieme veiligheid en bescherming van het milieu niet worden verlaagd.

Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 09



Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1992. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 4 maart 1991.

Voor de Raad

De Voorzitter
Naar boven