Onderwerp: Bezoek-historie

2009/45 Veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen
Geldigheid:06-05-2009 t/m Versie:vergelijk
Vergelijk versie 2 met:
Vergelijk met versie: 1: 06-05-2009 t/m   X

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

RICHTLIJN 2009/45/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 mei 2009

Veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepeninzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen

dd-mm-yyyy = Entry into force
DocumentRichtlijn 2009/45/EU06-05-2009
VervangtRichtlijn 1998/18/EU01-07-1998 - einde inwerking treding 05-05-2009
Gewijzigd doorRichtlijn 2010/36/EU29-06-2010

(Herschikking)
(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 80, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité1,

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag2,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Richtlijn 98/18/EG van de Raad van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen3 is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd4. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

  2. In het kader van het gemeenschappelijk vervoerbeleid moeten er maatregelen worden genomen om de veiligheid van het zeevervoer te verhogen.

  3. De Gemeenschap is ernstig bezorgd over ongevallen met passagiersschepen, waarbij veel mensen het leven verloren. Personen die in de Gemeenschap van passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen gebruikmaken, mogen met recht verwachten en erop vertrouwen dat er aan boord een passend veiligheidsniveau is.

  4. De werkuitrusting en de persoonlijke beschermingsmiddelen van werknemers worden niet door deze richtlijn bestreken, aangezien de bepalingen van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk5 en de desbetreffende bepalingen van de toepasselijke bijzondere richtlijnen daarvan van toepassing zijn op het gebruik van dergelijke uitrusting op passagiersschepen die voor binnenlandse reizen worden gebruikt.

  5. Het passagiersvervoer over zee tussen de lidstaten is reeds geliberaliseerd bij Verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen6. De toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer), is geregeld in Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad 7.

  6. Om te komen tot een hoog veiligheidsniveau en teneinde handelsbelemmeringen op te heffen, is het nodig geharmoniseerde veiligheidsnormen op een passend niveau vast te stellen voor passagiersschepen en -vaartuigen die voor binnenlandse reizen worden gebruikt. Voor schepen die voor internationale reizen worden gebruikt, worden in het kader van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) normen uitgewerkt. Er moeten procedures beschikbaar zijn om bij de IMO te bewerkstelligen dat de normen voor internationale reizen worden afgestemd op de normen van deze richtlijn.

  7. Met name gezien de interne-marktdimensie van het passagiersvervoer over zee, is een optreden op het niveau van de Gemeenschap de enige manier om een gemeenschappelijk veiligheidsniveau voor schepen in de gehele Gemeenschap vast te stellen.

  8. Gelet op het evenredigheidsbeginsel, is een richtlijn het passende rechtsinstrument, aangezien deze een kader biedt voor de eenvormige en verplichte toepassing van veiligheidsnormen door de lidstaten, waarbij het aan elke lidstaat wordt overgelaten te besluiten welke toepassingsbepalingen het beste in zijn binnenlandse systeem passen.

  9. Om de veiligheid te verbeteren en concurrentievervalsingen te vermijden moeten de gemeenschappelijke veiligheidseisen van toepassing zijn op de passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die in de Gemeenschap voor binnenlandse reizen worden gebruikt, ongeacht onder welke vlag zij varen. Het is evenwel noodzakelijk sommige categorieën schepen waarvoor de regels van deze richtlijn technisch ongeschikt of economisch niet haalbaar zijn, uit te sluiten.

  10. Passagiersschepen moeten in verschillende klassen worden ingedeeld, afhankelijk van de omstandigheden in de zeegebieden waarin zij varen. Hogesnelheidspassagiersvaartuigen moeten worden ingedeeld overeenkomstig de door de IMO vastgestelde High Speed Craft Code.

  11. Het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (het SOLAS-Verdrag van 1974), als gewijzigd, dat onder meer internationaal overeengekomen normen bevat voor passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die voor internationale reizen worden gebruikt, alsmede de toepasselijke resoluties van de IMO en andere maatregelen ter aanvulling en uitlegging van dit Verdrag moet het voornaamste referentiekader voor de veiligheidsnormen vormen.

  12. Om voor de verschillende klassen nieuwe en bestaande passagiersschepen veiligheidseisen te kunnen vaststellen die een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen, gelet op de specifieke behoeften en beperkingen van de verschillende klassen, is een verschillende aanpak nodig. Het is dienstig wat betreft de na te leven veiligheidseisen een onderscheid te maken tussen nieuwe en bestaande schepen, aangezien oplegging van de voor nieuwe schepen geldende regels aan bestaande schepen dermate ingrijpende wijzigingen in de constructie noodzakelijk zou maken dat zulks economisch niet haalbaar is.

  13. De financiële en technische gevolgen van de opwaardering van bestaande schepen tot de normen van deze richtlijn rechtvaardigen bepaalde overgangsperioden.

  14. Gezien de grote verschillen die er qua ontwerp, bouw en gebruik zijn tussen hogesnelheidspassagiersvaartuigen en de traditionele passagiersschepen, moeten voor die vaartuigen speciale regels gelden.

  15. Wanneer scheepsuitrusting die voldoet aan de bepalingen van Richtlijn 96/98/EG van de Raad van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen8, aan boord van een passagiersschip wordt geplaatst, dient deze niet aan bijkomende tests te worden onderworpen aangezien dergelijke uitrusting reeds voldoet aan de normen en procedures van die richtlijn.

  16. Bij Richtlijn 2003/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2003 inzake specifieke stabiliteitseisen voor ro-ro-passagiersschepen9 zijn strengere stabiliteitseisen ingevoerd voor ro-ro-passagiersschepen die worden gebruikt voor internationale diensten naar en vanuit havens in de Gemeenschap. Deze verscherpte maatregel moet ook gelden voor bepaalde categorieën schepen die onder dezelfde zeecondities binnenlandse diensten verzorgen. Wanneer niet aan deze stabiliteitseisen wordt voldaan, moet dit een reden zijn om ro-ropassagiersschepen na een bepaald aantal dienstjaren uit de vaart te nemen. Omdat de constructie van sommige ro-ro-passagiersschepen zal moeten worden aangepast om aan de specifieke stabiliteitsvereisten te kunnen voldoen, dient de invoering van die vereisten over een aantal jaren te worden gespreid om de betrokken tak van industrie voldoende tijd te geven; daarom moet voor bestaande schepen in een tijdschema voor de geleidelijke invoering worden voorzien. Dit tijdschema mag geen afbreuk doen aan de handhaving van de specifieke stabiliteitsvereisten in de zeegebieden die zijn opgenomen in de bijlagen bij het Verdrag van Stockholm van 28 februari 1996.

  17. Er moeten passende maatregelen genomen worden om personen met verminderde mobiliteit een veilige toegang te bieden tot passagiersschepen of hogesnelheidspassagiersvaartuigen tijdens binnenlandse diensten in de lidstaten.

  18. Onder voorbehoud van toetsing volgens de comitéprocedure, mogen de lidstaten aanvullende veiligheidseisen vaststellen indien dat gerechtvaardigd wordt door plaatselijke omstandigheden, het gebruik van gelijkwaardige eisen toestaan, of vrijstellingen van de bepalingen van deze richtlijn onder bepaalde operationele omstandigheden vaststellen, of in uitzonderlijke gevaarlijke omstandigheden vrijwaringsmaatregelen treffen.
  19. Bij Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de oprichting van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS)10, werden de taken van de krachtens de desbetreffende communautaire wetgeving op het gebied van maritieme veiligheid, voorkoming van verontreiniging door schepen en bescherming van de leef- en werkomstandigheden aan boord opgerichte comités gecentraliseerd.

  20. De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden11.

  21. In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven, sommige bepalingen van deze richtlijn, alsmede de bijlagen daarbij, aan te passen om rekening te houden met de ontwikkelingen op internationaal niveau, en meer bepaald wijzigingen in de internationale verdragen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

  22. Om na te gaan of de richtlijn daadwerkelijk wordt toegepast en nageleefd, moeten onderzoeken worden uitgevoerd op nieuwe en bestaande passagiersschepen en -vaartuigen. De naleving van deze richtlijn moet door of namens de administratie van de vlaggenstaat worden gecertificeerd.

  23. Om ervoor te zorgen dat deze richtlijn onverkort wordt toegepast, moeten de lidstaten een systeem van sancties invoeren op overtredingen van de nationale bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld, en moeten zij op de naleving van de bepalingen van deze richtlijn toezien krachtens de bepalingen van Richtlijn 95/21/EG van de Raad van 19 juni 1995 betreffende havenstaatcontrole12.

  24. Daar de in deze richtlijn opgenomen nieuwe onderdelen alleen de comitéprocedure betreffen, is omzetting ervan door de lidstaten niet nodig.

  25. Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



1 PB C 151 van 17.6.2008, blz. 35.
2 Advies van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 (nog niet in het PB bekendgemaakt) en besluit van de Raad van 23 april 2009.
3 PB L 144 van 15.5.1998, blz. 1.
4 Zie bijlage IV, deel A.
5 PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.
6 PB L 378 van 31.12.1986, blz. 1.
7 PB L 364 van 12.12.1992, blz. 7.
8 PB L 46 van 17.2.1997, blz. 25.
9 PB L 123 van 17.5.2003, blz. 22.
10 PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1.
11PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
12PB L 157 van 7.7.1995, blz. 1.

20092010/4536/EU Veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen

RICHTLIJN 2009/45/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 mei 2009

inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen

(Herschikking)
(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 80, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité1,

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag2,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Richtlijn 98/18/EG van de Raad van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen3 is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd4. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

  2. In het kader van het gemeenschappelijk vervoerbeleid moeten er maatregelen worden genomen om de veiligheid van het zeevervoer te verhogen.

  3. De Gemeenschap is ernstig bezorgd over ongevallen met passagiersschepen, waarbij veel mensen het leven verloren. Personen die in de Gemeenschap van passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen gebruikmaken, mogen met recht verwachten en erop vertrouwen dat er aan boord een passend veiligheidsniveau is.

  4. De werkuitrusting en de persoonlijke beschermingsmiddelen van werknemers worden niet door deze richtlijn bestreken, aangezien de bepalingen van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk5 en de desbetreffende bepalingen van de toepasselijke bijzondere richtlijnen daarvan van toepassing zijn op het gebruik van dergelijke uitrusting op passagiersschepen die voor binnenlandse reizen worden gebruikt.

  5. Het passagiersvervoer over zee tussen de lidstaten is reeds geliberaliseerd bij Verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen6. De toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer), is geregeld in Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad 7.

  6. Om te komen tot een hoog veiligheidsniveau en teneinde handelsbelemmeringen op te heffen, is het nodig geharmoniseerde veiligheidsnormen op een passend niveau vast te stellen voor passagiersschepen en -vaartuigen die voor binnenlandse reizen worden gebruikt. Voor schepen die voor internationale reizen worden gebruikt, worden in het kader van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) normen uitgewerkt. Er moeten procedures beschikbaar zijn om bij de IMO te bewerkstelligen dat de normen voor internationale reizen worden afgestemd op de normen van deze richtlijn.

  7. Met name gezien de interne-marktdimensie van het passagiersvervoer over zee, is een optreden op het niveau van de Gemeenschap de enige manier om een gemeenschappelijk veiligheidsniveau voor schepen in de gehele Gemeenschap vast te stellen.

  8. Gelet op het evenredigheidsbeginsel, is een richtlijn het passende rechtsinstrument, aangezien deze een kader biedt voor de eenvormige en verplichte toepassing van veiligheidsnormen door de lidstaten, waarbij het aan elke lidstaat wordt overgelaten te besluiten welke toepassingsbepalingen het beste in zijn binnenlandse systeem passen.

  9. Om de veiligheid te verbeteren en concurrentievervalsingen te vermijden moeten de gemeenschappelijke veiligheidseisen van toepassing zijn op de passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die in de Gemeenschap voor binnenlandse reizen worden gebruikt, ongeacht onder welke vlag zij varen. Het is evenwel noodzakelijk sommige categorieën schepen waarvoor de regels van deze richtlijn technisch ongeschikt of economisch niet haalbaar zijn, uit te sluiten.

  10. Passagiersschepen moeten in verschillende klassen worden ingedeeld, afhankelijk van de omstandigheden in de zeegebieden waarin zij varen. Hogesnelheidspassagiersvaartuigen moeten worden ingedeeld overeenkomstig de door de IMO vastgestelde High Speed Craft Code.

  11. Het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (het SOLAS-Verdrag van 1974), als gewijzigd, dat onder meer internationaal overeengekomen normen bevat voor passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die voor internationale reizen worden gebruikt, alsmede de toepasselijke resoluties van de IMO en andere maatregelen ter aanvulling en uitlegging van dit Verdrag moet het voornaamste referentiekader voor de veiligheidsnormen vormen.

  12. Om voor de verschillende klassen nieuwe en bestaande passagiersschepen veiligheidseisen te kunnen vaststellen die een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen, gelet op de specifieke behoeften en beperkingen van de verschillende klassen, is een verschillende aanpak nodig. Het is dienstig wat betreft de na te leven veiligheidseisen een onderscheid te maken tussen nieuwe en bestaande schepen, aangezien oplegging van de voor nieuwe schepen geldende regels aan bestaande schepen dermate ingrijpende wijzigingen in de constructie noodzakelijk zou maken dat zulks economisch niet haalbaar is.

  13. De financiële en technische gevolgen van de opwaardering van bestaande schepen tot de normen van deze richtlijn rechtvaardigen bepaalde overgangsperioden.

  14. Gezien de grote verschillen die er qua ontwerp, bouw en gebruik zijn tussen hogesnelheidspassagiersvaartuigen en de traditionele passagiersschepen, moeten voor die vaartuigen speciale regels gelden.

  15. Wanneer scheepsuitrusting die voldoet aan de bepalingen van Richtlijn 96/98/EG van de Raad van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen8, aan boord van een passagiersschip wordt geplaatst, dient deze niet aan bijkomende tests te worden onderworpen aangezien dergelijke uitrusting reeds voldoet aan de normen en procedures van die richtlijn.

  16. Bij Richtlijn 2003/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2003 inzake specifieke stabiliteitseisen voor ro-ro-passagiersschepen9 zijn strengere stabiliteitseisen ingevoerd voor ro-ro-passagiersschepen die worden gebruikt voor internationale diensten naar en vanuit havens in de Gemeenschap. Deze verscherpte maatregel moet ook gelden voor bepaalde categorieën schepen die onder dezelfde zeecondities binnenlandse diensten verzorgen. Wanneer niet aan deze stabiliteitseisen wordt voldaan, moet dit een reden zijn om ro-ropassagiersschepen na een bepaald aantal dienstjaren uit de vaart te nemen. Omdat de constructie van sommige ro-ro-passagiersschepen zal moeten worden aangepast om aan de specifieke stabiliteitsvereisten te kunnen voldoen, dient de invoering van die vereisten over een aantal jaren te worden gespreid om de betrokken tak van industrie voldoende tijd te geven; daarom moet voor bestaande schepen in een tijdschema voor de geleidelijke invoering worden voorzien. Dit tijdschema mag geen afbreuk doen aan de handhaving van de specifieke stabiliteitsvereisten in de zeegebieden die zijn opgenomen in de bijlagen bij het Verdrag van Stockholm van 28 februari 1996.

  17. Er moeten passende maatregelen genomen worden om personen met verminderde mobiliteit een veilige toegang te bieden tot passagiersschepen of hogesnelheidspassagiersvaartuigen tijdens binnenlandse diensten in de lidstaten.

  18. Onder voorbehoud van toetsing volgens de comitéprocedure, mogen de lidstaten aanvullende veiligheidseisen vaststellen indien dat gerechtvaardigd wordt door plaatselijke omstandigheden, het gebruik van gelijkwaardige eisen toestaan, of vrijstellingen van de bepalingen van deze richtlijn onder bepaalde operationele omstandigheden vaststellen, of in uitzonderlijke gevaarlijke omstandigheden vrijwaringsmaatregelen treffen.
  19. Bij Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de oprichting van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS)10, werden de taken van de krachtens de desbetreffende communautaire wetgeving op het gebied van maritieme veiligheid, voorkoming van verontreiniging door schepen en bescherming van de leef- en werkomstandigheden aan boord opgerichte comités gecentraliseerd.

  20. De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden11.

  21. In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven, sommige bepalingen van deze richtlijn, alsmede de bijlagen daarbij, aan te passen om rekening te houden met de ontwikkelingen op internationaal niveau, en meer bepaald wijzigingen in de internationale verdragen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld.

  22. Om na te gaan of de richtlijn daadwerkelijk wordt toegepast en nageleefd, moeten onderzoeken worden uitgevoerd op nieuwe en bestaande passagiersschepen en -vaartuigen. De naleving van deze richtlijn moet door of namens de administratie van de vlaggenstaat worden gecertificeerd.

  23. Om ervoor te zorgen dat deze richtlijn onverkort wordt toegepast, moeten de lidstaten een systeem van sancties invoeren op overtredingen van de nationale bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld, en moeten zij op de naleving van de bepalingen van deze richtlijn toezien krachtens de bepalingen van Richtlijn 95/21/EG van de Raad van 19 juni 1995 betreffende havenstaatcontrole12.

  24. Daar de in deze richtlijn opgenomen nieuwe onderdelen alleen de comitéprocedure betreffen, is omzetting ervan door de lidstaten niet nodig.

  25. Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



1 PB C 151 van 17.6.2008, blz. 35.
2 Advies van het Europees Parlement van 21 oktober 2008 (nog niet in het PB bekendgemaakt) en besluit van de Raad van 23 april 2009.
3 PB L 144 van 15.5.1998, blz. 1.
4 Zie bijlage IV, deel A.
5 PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.
6 PB L 378 van 31.12.1986, blz. 1.
7 PB L 364 van 12.12.1992, blz. 7.
8 PB L 46 van 17.2.1997, blz. 25.
9 PB L 123 van 17.5.2003, blz. 22.
10 PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1.
11PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
12PB L 157 van 7.7.1995, blz. 1.

2010/36/EU Veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepenArtikelen

Artikel 01 Toepassingsgebied

Artikel 1 - Doel

Het doel van deze richtlijn is een uniform niveau van veiligheid van mensenlevens en eigendommen in te voeren op nieuwe en bestaande passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen, wanneer beide categorieën schepen en vaartuigen worden gebruikt voor binnenlandse reizen, en procedures vast te leggen voor onderhandelingen op internationaal niveau met het oog op de harmonisatie van de regels voor passagiersschepen die voor internationale reizen worden gebruikt.

Artikel 02 Begripsomschr¿vingen

Artikel 2 - Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

  1. „internationale verdragen”: het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (het SOLASVerdrag van 1974), als gewijzigd, en het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966, tezamen met de protocollen en wijzigingen daarvan;

  2. „Intact Stability Code”: de „Code inzake de stabiliteit in onbeschadigde toestand voor alle onder de IMO-instrumenten vallende scheepstypen”, zoals vervat in resolutie A.749(18)A.749(18) van de algemene vergadering van de IMO van 4 november 1993, als gewijzigd;

  3. „High Speed Craft Code”: de „Internationale code voor de veiligheid van hogesnelheidsvaartuigen”, zoals vervat in resolutie MSC/Res.36(63) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO van 20 mei 1994, als gewijzigd;

  4. „GMDSS”: het Wereldomvattend Maritiem Satelliet-Communicatiesysteem als beschreven in hoofdstuk IV van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd;

  5. „een passagiersschip”: een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert;

  6. „ro-ro-passagiersschip”: een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert en uitgerust is met ro-ro-laadruimten of speciale categorieën ruimten, zoals omschreven in voorschrift II-2/A/2 in bijlage I;

  7. „een hogesnelheidspassagiersvaartuig”: een hogesnelheidsvaartuig als omschreven in hoofdstuk X, voorschrift 1, van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers; met uitzondering van passagiersvaartuigen op binnenlandse reizen in wateren van de klassen B, C of D, indien:

    1. hun waterverplaatsing niet groter is dan 500 m 3 , en

    2. hun maximumsnelheid als gedefinieerd in paragraaf 1.4.30 van de High Speed Craft Code niet hoger ligt dan 20 knopen;

  8. „een nieuw schip”: een schip waarvan de kiel was gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond op of na 1 juli 1998. Een soortgelijk stadium van de bouw is het stadium waarin:

    1. de bouw van een bepaald schip begint, en

    2. bij het assembleren van het schip reeds 50 ton of 1 % van de geschatte massa van alle bouwmateriaal is gebruikt, waarbij de kleinste van beide massa’s in aanmerking wordt genomen;

  9. „een bestaand schip”: een schip dat geen nieuw schip is;

  10. „leeftijd”: de leeftijd van het schip uitgedrukt in jaren en gerekend vanaf de datum van oplevering;

  11. „een passagier”: iedere persoon aan boord met uitzondering van:

    1. de kapitein en de bemanningsleden of andere personen die in welke hoedanigheid dan ook in dienst of tewerkgesteld zijn aan boord van een schip ten behoeve van dat schip, en

    2. een kind beneden de leeftijd van één jaar;

  12. „lengte van een schip”: tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, 96 % van totale lengte van de lastlijn op 85 % van de kleinste holte naar de mal, gemeten vanaf de bovenzijde van de kielplaat, dan wel de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot aan de hartlijn van de roerkoning op deze lastlijn, als deze laatste groter is. Bij schepen die met stuurlast zijn ontworpen moet de lastlijn waarop de lengte gemeten wordt evenwijdig aan de constructiewaterlijn genomen worden;

  13. „boeghoogte”: de boeghoogte die in voorschrift 39 van het Internationaal Verdrag inzake de uitwatering van schepen van 1966 is omschreven als de verticale afstand van de lastlijn behorende bij het vastgestelde zomervrijboord en de ontworpen stuurlast tot de bovenkant van het blootgestelde dek in de zijde, gemeten ter plaatse van de voorloodlijn;

  14. „voldekschip”: een schip met een over de gehele lengte doorlopend dek dat is blootgesteld aan weer en wind en voorzien is van permanente middelen tot afsluiting van alle openingen in het aan weer en wind blootgestelde gedeelte, terwijl alle openingen daaronder in de zijden van het schip zijn uitgerust met permanente middelen tot een minstens weer- en winddichte afsluiting.


    Het doorlopend dek mag een waterdicht dek zijn of een daaraan gelijkwaardige constructie van een niet-waterdicht dek dat volledig bedekt is door een weer- en winddichte constructie die sterk genoeg is om de weer- en winddichtheid te handhaven en uitgerust is met middelen tot weer- en winddichte afsluiting;

  15. „internationale reis”: een reis over zee van een haven in een lidstaat naar een haven buiten die lidstaat of omgekeerd;

  16. „binnenlandse reis”: een reis in zeegebieden van een haven van een lidstaat naar dezelfde of een andere haven binnen die lidstaat;

  17. „zeegebied”: een gebied als vastgesteld volgens artikel 4, lid 2.


    Voor de toepassing van de bepalingen inzake radiocommunicatie gelden de omschrijvingen van zeegebieden als gegeven in hoofdstuk IV, voorschrift 2, van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd;

  18. „havengebied”: een gebied als omschreven door de lidstaten, dat geen zeegebied is en zich uitstrekt tot aan de buitenste permanente havenwerken die een integrerend deel vormen van de haven, of tot aan de grenzen die zijn bepaald door natuurlijke geografische elementen die een estuarium of een soortgelijk beschermd gebied beschutten;

  19. „toevluchtsoord”: een natuurlijk of kunstmatig beschermd gebied dat door een schip of vaartuig als schuilplaats mag worden gebruikt in omstandigheden waarin zijn veiligheid gevaar loopt;

  20. „administratie van de vlaggenstaat”: de bevoegde autoriteiten van de staat onder welks vlag het schip of vaartuig gerechtigd is te varen;

  21. „staat van ontvangst”: een lidstaat naar of vanuit welks haven(s) een onder een andere vlag dan die van die lidstaat varend schip of vaartuig binnenlandse reizen onderneemt; v) „erkende organisatie”: een organisatie die erkend is overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 94/57/EG van de Raad van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties1;

  22. „een mijl”: 1 852 meter;

  23. „significante golfhoogte”: de gemiddelde hoogte van de golven in het hoogste drieëndertig-percentiel van de in een bepaalde periode gemeten golfhoogteverdeling;

  24. „personen met verminderde mobiliteit”: personen voor wie het gebruik van het openbaar vervoer bijzondere moeilijkheden meebrengt, met inbegrip van ouderen, gehandicapten, personen met zintuiglijke gebreken, rolstoelgebruikers, zwangere vrouwen, en personen die kleine kinderen begeleiden.


1 PB L 319 van 12.12.1994, blz. 20.

Artikel 03 Toepassingsgebied

Artikel 3 - Toepassingsgebied

  1. Deze richtlijn is van toepassing op de volgende passagiersschepen en -vaartuigen, ongeacht de vlag waaronder zij varen, wanneer zij voor binnenlandse reizen gebruikt worden:

    1. nieuwe passagiersschepen,

    2. bestaande passagiersschepen van ten minste 24 m lang,

    3. hogesnelheidspassagiersvaartuigen.


      Iedere lidstaat moet, in zijn hoedanigheid van staat van ontvangst, ervoor zorgen dat passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die onder de vlag varen van een staat die geen lidstaat is, geheel voldoen aan de eisen van deze richtlijn, voordat zij mogen worden gebruikt voor binnenlandse reizen in die lidstaat.

  2. Deze richtlijn is niet van toepassing op:

    1. passagiersschepen zijnde:

      1. oorlogsschepen en troepentransportschepen,

      2. schepen zonder mechanische voortstuwingsmiddelen,

      3. met ander materiaal dan staal of gelijkwaardig materiaal gebouwde vaartuigen die niet onder de normen voor hogesnelheidsvaartuigen (resolutie MSC 36 (63)) of dynamisch ondersteunde vaartuigen (resolutie A.373 (X)) vallen,

      4. houten schepen van primitieve bouw,

      5. originele, historische, vóór 1965 ontworpen passagiersschepen en individuele replica’s daarvan, die hoofdzakelijk met de originele materialen gebouwd zijn,

      6. plezierjachten, behalve indien zij een bemanning hebben of krijgen, en bestemd zijn voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers voor commerciële doeleinden, of

      7. schepen die uitsluitend in havengebieden worden gebruikt;

    2. hogesnelheidspassagiersvaartuigen zijnde:

      1. vaartuigen voor oorlogsdoeleinden en troepentransport,

      2. pleziervaartuigen, behalve indien zij een bemanning hebben of krijgen, en bestemd zijn voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers voor commerciële doeleinden, of

      3. uitsluitend in havengebieden gebruikte vaartuigen.

Artikel 04 Klassen passagiersschepen

Artikel 4 - Klassen passagiersschepen

  1. Passagiersschepen worden naar gelang van het zeegebied waarin zij varen in de volgende klassen ingedeeld:

    „Klasse A”

    passagiersschip dat gebruikt wordt voor andere binnenlandse reizen dan die welke door schepen van de klassen B, C en D worden gemaakt.

    „Klasse B”

    passagiersschip dat wordt gebruikt voor binnenlandse reizen tijdens welke het nooit meer dan 20 mijl van de kustlijn verwijderd is waar schipbreukelingen aan land kunnen gaan, gerekend bij een gemiddelde getijhoogte.

    „Klasse C”

    passagiersschip dat wordt gebruikt voor binnenlandse reizen in zeegebieden waarin de kans op een significante golfhoogte van meer dan 2,5 m kleiner is dan 10 % in een periode van een jaar, wanneer het schip het gehele jaar door in de vaart is, of in een bepaalde periode van het jaar, wanneer het schip uitsluitend in die periode in de vaart is (bv. de zomerperiode), tijdens welke het nooit meer dan 15 mijl van een toevluchtsoord en niet meer dan 5 mijl van de kustlijn verwijderd is waar schipbreukelingen aan land kunnen gaan, gerekend bij een gemiddelde getijhoogte.

    „Klasse D”

    passagiersschip dat wordt gebruikt voor binnenlandse reizen in zeegebieden waarin de kans op een significante golfhoogte van meer dan 1,5 m kleiner is dan 10 % in een periode van een jaar, wanneer het schip het gehele jaar door in de vaart is, of in een bepaalde periode van het jaar, wanneer het schip uitsluitend in die periode in de vaart is (bv. de zomerperiode), tijdens welke het nooit meer dan 6 mijl van een toevluchtsoord en niet meer dan 3 mijl van de kustlijn verwijderd is waar schipbreukelingen aan land kunnen gaan, gerekend bij een gemiddelde getijhoogte.


  2. Door iedere lidstaat:

    1. wordt een lijst van de zeegebieden onder zijn jurisdictie opgesteld en, indien nodig, bijgewerkt, waarbij hij, aan de hand van de in lid 1 gegeven criteria voor de indeling in klassen, de vaargebieden aangeeft waarbinnen de scheepsklassen het gehele jaar door of, in voorkomend geval, gedurende een bepaalde periode van het jaar in de vaart zijn;

    2. wordt de lijst gepubliceerd in een openbare databank die kan worden geraadpleegd op de internetsite van de bevoegde maritieme instantie;

    3. wordt aan de Commissie de locatie meegedeeld van deze informatie en wanneer de lijst wordt gewijzigd.

  3. Voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen zijn de in hoofdstuk 1, paragrafen 1.4.10 en 1.4.11, van de High Speed Craft Code omschreven categorieën van toepassing.

Artikel 05 Toepassing

Artikel 5 - Toepassing

  1. Nieuwe en bestaande passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen dienen, wanneer zij gebruikt worden voor binnenlandse reizen, te voldoen aan de relevante veiligheidsvoorschriften en normen van deze richtlijn.

  2. De lidstaten mogen niet om redenen in verband met deze richtlijn passagiersschepen, of hogesnelheidspassagiersvaartuigen, wanneer zij voor binnenlandse reizen gebruikt worden, uit de vaart houden, wanneer deze voldoen aan de eisen van deze richtlijn, met inbegrip van de in overeenstemming met artikel 9, lid 1, door een lidstaat vastgestelde aanvullende eisen.


    Iedere lidstaat erkent in zijn hoedanigheid van staat van ontvangst, het veiligheidscertificaat voor hogesnelheidsvaartuigen en de exploitatievergunning die door een andere lidstaat worden uitgereikt voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen, wanneer zij gebruikt worden voor binnenlandse reizen, of het in artikel 13 bedoelde veiligheidscertificaat voor passagiersschepen dat door een andere lidstaat wordt uitgereikt voor passagiersschepen, wanneer zij gebruikt worden voor binnenlandse reizen.

  3. Een staat van ontvangst mag een passagiersschip, of een hogesnelheidspassagiersvaartuig dat een binnenlandse reis maakt, inspecteren en de scheepspapieren aan een onderzoek onderwerpen, overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 95/21/EG.

  4. Alle uitrusting aan boord van zeeschepen, als vermeld in bijlage A.1 van Richtlijn 96/98/EG, die aan het bepaalde in genoemde richtlijn voldoet, wordt geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van deze richtlijn, ongeacht of in bijlage I bij deze richtlijn wordt voorgeschreven dat de uitrusting naar genoegen van de administratie van de vlaggenstaat moet worden goedgekeurd en aan proeven onderworpen.

ArtikelenArtikel 06 Veiligheidseisen

Artikel 6 - Veiligheidseisen

  1. Bepalingen inzake nieuwe en bestaande passagiersschepen van de klassen A, B, C en D:

    1. romp, hoofd- en hulpwerktuigen en elektrische en automatische installaties dienen te worden gebouwd en onderhouden volgens de classificatienorm vervat in de voorschriften van een erkende organisatie, of daaraan gelijkwaardige voorschriften die door een administratie worden toegepast overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Richtlijn 94/57/EG;

    2. de bepalingen van de hoofdstukken IV (met inbegrip van de GMDSS-wijzigingen van 1988), V en VI van het SOLASVerdrag van 1974, als gewijzigd, zijn van toepassing;

    3. de bepalingen inzake navigatiemiddelen aan boord van schepen van hoofdstuk V, voorschrift 12, van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, zijn van toepassing. Navigatiemiddelen aan boord van schepen, als vermeld in bijlage A.1 van Richtlijn 96/98/EG bijlage A.1 van Richtlijn 96/98/EG, die voldoen aan de bepalingen van genoemde richtlijn, worden geacht in overeenstemming te zijn met de typegoedkeuringseisen van hoofdstuk V, voorschrift 12(r), van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd.

  2. Bepalingen inzake nieuwe passagiersschepen:

    1. algemene eisen:

      1. nieuwe passagiersschepen van klasse A dienen geheel te voldoen aan de eisen van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, alsmede aan de specifieke relevante eisen van deze richtlijn. Wat betreft de voorschriften waarvan het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, de interpretatie overlaat aan het oordeel van de administratie, dient de administratie van de vlaggenstaat de interpretaties als vermeld in bijlage I bij deze richtlijn toe te passen,

      2. nieuwe passagiersschepen van de klassen B, C en D dienen te voldoen aan de specifieke relevante eisen van deze richtlijn;

    2. eisen betreffende de uitwatering:

      1. alle nieuwe passagiersschepen van ten minste 24 meter lang dienen te voldoen aan het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966,

      2. criteria met een veiligheidsniveau dat gelijkwaardig is aan dat van de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966 dienen, gerelateerd aan lengte en klasse, te worden toegepast op nieuwe passagiersschepen met een lengte van minder dan 24 meter,

      3. onverminderd het bepaalde in de punten i) en ii) worden nieuwe passagiersschepen van klasse D vrijgesteld van de eis inzake de minimumboeghoogte van het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966,

      4. nieuwe passagiersschepen van de klassen A, B, C en D dienen een doorlopend dek te hebben.

  3. Bepalingen inzake bestaande passagiersschepen:

    1. bestaande passagiersschepen van klasse A dienen te voldoen aan de voorschriften voor bestaande passagiersschepen van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, alsmede aan de specifieke relevante eisen van richtlijn. Wat betreft de voorschriften waarvan het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, de interpretatie overlaat aan het oordeel van de administratie, dient de administratie van de vlaggenstaat de interpretaties als vermeld in bijlage I bij deze richtlijn toe te passen;

    2. bestaande passagiersschepen van klasse B dienen te voldoen aan de specifieke relevante eisen van deze richtlijn;

    3. bestaande passagiersschepen van de klassen C en D dienen te voldoen aan de specifieke relevante eisen van deze richtlijnen wat betreft zaken die niet onder deze eisen vallen, aan de regels van de administratie van de vlaggenstaat. Deze regels dienen te voorzien in een veiligheidsniveau dat gelijkwaardig is aan dat van bijlage I, hoofdstukken II-1 en II-2, daarbij rekening houdend met de specifieke plaatselijke bedrijfsomstandigheden in de mogelijke vaargebieden van de schepen van deze klassen;


      alvorens bestaande passagiersschepen van de klassen C en D voor geregelde binnenlandse reizen in een staat van ontvangst kunnen worden gebruikt, dient de administratie van de vlaggenstaat de instemming van de staat van ontvangst met die regels te verkrijgen;

    4. wanneer een lidstaat van mening is dat de door de administratie van de staat van ontvangst op grond van punt c) geëiste regels onredelijk zijn, stelt hij de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis; de Commissie onderneemt stappen om volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde procedure een beslissing te nemen;

    5. ingrijpende reparaties, verbouwingen en wijzigingen en de bijbehorende installaties dienen te voldoen aan de voor nieuwe schepen geldende eisen, als voorgeschreven in lid 2, onder a); verbouwingen van een bestaand schip die uitsluitend tot doel hebben een hogere overleefbaarheidsnorm te bereiken, mogen niet als ingrijpende wijzigingen worden beschouwd;

    6. de bepalingen van punt a), tenzij in het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, vroegere datums worden opgegeven, en de bepalingen van de punten b) en c), tenzij in bijlage I bij deze richtlijn vroegere datums worden opgegeven, zijn niet van toepassing op een vaartuig waarvan de kiel werd gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond:

      1. vóór 1 januari 1940: tot 1 juli 2006,

      2. op of na 1 januari 1940, maar vóór 31 december 1962: tot 1 juli 2007,

      3. op of na 1 januari 1963, maar vóór 31 december 1974: tot 1 juli 2008,

      4. op of na 1 januari 1975, maar vóór 31 december 1984: tot 1 juli 2009,

      5. op of na 1 januari 1985, maar vóór 1 juli 1998: tot 1 juli 2010.

  4. Bepalingen met betrekking tot hogesnelheidspassagiersvaartuigen:

  1. hogesnelheidspassagiersvaartuigen die vanaf 1 januari 1996 zijn gebouwd of ingrijpende reparaties, verbouwingen of wijzigingen hebben ondergaan dienen te voldoen aan de eisen van voorschrift X/3 van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, tenzij:

    1. de kiel van een dergelijk vaartuig niet later dan 4 juni 1998 is gelegd of de bouw zich op die dag in een soortgelijk stadium bevond, en

    2. het vaartuig niet later dan 4 december 1998 is opgeleverd en in de vaart gebracht, en

    3. het vaartuig volledig voldoet aan de eisen van de Code of Safety for Dynamically Supported Craft (DSC-code), zoals vervat in resolutie A.373(X) van de algemene vergadering van de IMO van 14 november 1977, zoals gewijzigd bij resolutie MSC 37(63) van de Maritieme Veiligheidscommissie van 19 mei 1994;

  2. hogesnelheidspassagiersvaartuigen die vóór 1 januari 1996 zijn gebouwd en die voldoen aan de eisen van de High Speed Craft Code, blijven in de vaart onder certificering van deze code;


    hogesnelheidspassagiersvaartuigen die zijn gebouwd vóór 1 januari 1996 en die niet aan de eisen van de High Speed Craft Code voldoen, mogen niet voor binnenlandse reizen worden gebruikt tenzij zij reeds voor binnenlandse reizen in een lidstaat werden gebruikt op 4 juni 1998, in welk geval het binnenlands gebruik in die lidstaat mag worden voortgezet; dergeluijke vaartuigen dienen te voldoen aan de eisen van de DSC-code;

  3. bij de bouw en het onderhoud van hogesnelheidspassagiersvaartuigen en bijbehorende uitrusting dient te worden voldaan aan de voorschriften voor classificatie van hogesnelheidsvaartuigen van een erkende organisatie of aan daarmee gelijkwaardige voorschriften die door een administratie worden toegepast overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Richtlijn 94/57/EG.
Artikel 01 Toepassingsgebied

Artikel 1 - Doel

Het doel van deze richtlijn is een uniform niveau van veiligheid van mensenlevens en eigendommen in te voeren op nieuwe en bestaande passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen, wanneer beide categorieën schepen en vaartuigen worden gebruikt voor binnenlandse reizen, en procedures vast te leggen voor onderhandelingen op internationaal niveau met het oog op de harmonisatie van de regels voor passagiersschepen die voor internationale reizen worden gebruikt.

Artikel 02 Begripsomschr¿vingen

Artikel 2 - Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

  1. „internationale verdragen”: het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (het SOLASVerdrag van 1974), als gewijzigd, en het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966, tezamen met de protocollen en wijzigingen daarvan;

  2. „Intact Stability Code”: de „Code inzake de stabiliteit in onbeschadigde toestand voor alle onder de IMO-instrumenten vallende scheepstypen”, zoals vervat in resolutie A.749(18)A.749(18) van de algemene vergadering van de IMO van 4 november 1993, als gewijzigd;

  3. „High Speed Craft Code”: de „Internationale code voor de veiligheid van hogesnelheidsvaartuigen”, zoals vervat in resolutie MSC/Res.36(63) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO van 20 mei 1994, als gewijzigd;

  4. „GMDSS”: het Wereldomvattend Maritiem Satelliet-Communicatiesysteem als beschreven in hoofdstuk IV van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd;

  5. „een passagiersschip”: een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert;

  6. „ro-ro-passagiersschip”: een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert en uitgerust is met ro-ro-laadruimten of speciale categorieën ruimten, zoals omschreven in voorschrift II-2/A/2 in bijlage I;

  7. „een hogesnelheidspassagiersvaartuig”: een hogesnelheidsvaartuig als omschreven in hoofdstuk X, voorschrift 1, van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers; met uitzondering van passagiersvaartuigen op binnenlandse reizen in wateren van de klassen B, C of D, indien:

    1. hun waterverplaatsing niet groter is dan 500 m 3 , en

    2. hun maximumsnelheid als gedefinieerd in paragraaf 1.4.30 van de High Speed Craft Code niet hoger ligt dan 20 knopen;

  8. „een nieuw schip”: een schip waarvan de kiel was gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond op of na 1 juli 1998. Een soortgelijk stadium van de bouw is het stadium waarin:

    1. de bouw van een bepaald schip begint, en

    2. bij het assembleren van het schip reeds 50 ton of 1 % van de geschatte massa van alle bouwmateriaal is gebruikt, waarbij de kleinste van beide massa’s in aanmerking wordt genomen;

  9. „een bestaand schip”: een schip dat geen nieuw schip is;

  10. „leeftijd”: de leeftijd van het schip uitgedrukt in jaren en gerekend vanaf de datum van oplevering;

  11. „een passagier”: iedere persoon aan boord met uitzondering van:

    1. de kapitein en de bemanningsleden of andere personen die in welke hoedanigheid dan ook in dienst of tewerkgesteld zijn aan boord van een schip ten behoeve van dat schip, en

    2. een kind beneden de leeftijd van één jaar;

  12. „lengte van een schip”: tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, 96 % van totale lengte van de lastlijn op 85 % van de kleinste holte naar de mal, gemeten vanaf de bovenzijde van de kielplaat, dan wel de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot aan de hartlijn van de roerkoning op deze lastlijn, als deze laatste groter is. Bij schepen die met stuurlast zijn ontworpen moet de lastlijn waarop de lengte gemeten wordt evenwijdig aan de constructiewaterlijn genomen worden;

  13. „boeghoogte”: de boeghoogte die in voorschrift 39 van het Internationaal Verdrag inzake de uitwatering van schepen van 1966 is omschreven als de verticale afstand van de lastlijn behorende bij het vastgestelde zomervrijboord en de ontworpen stuurlast tot de bovenkant van het blootgestelde dek in de zijde, gemeten ter plaatse van de voorloodlijn;

  14. „voldekschip”: een schip met een over de gehele lengte doorlopend dek dat is blootgesteld aan weer en wind en voorzien is van permanente middelen tot afsluiting van alle openingen in het aan weer en wind blootgestelde gedeelte, terwijl alle openingen daaronder in de zijden van het schip zijn uitgerust met permanente middelen tot een minstens weer- en winddichte afsluiting.


    Het doorlopend dek mag een waterdicht dek zijn of een daaraan gelijkwaardige constructie van een niet-waterdicht dek dat volledig bedekt is door een weer- en winddichte constructie die sterk genoeg is om de weer- en winddichtheid te handhaven en uitgerust is met middelen tot weer- en winddichte afsluiting;

  15. „internationale reis”: een reis over zee van een haven in een lidstaat naar een haven buiten die lidstaat of omgekeerd;

  16. „binnenlandse reis”: een reis in zeegebieden van een haven van een lidstaat naar dezelfde of een andere haven binnen die lidstaat;

  17. „zeegebied”: een gebied als vastgesteld volgens artikel 4, lid 2.


    Voor de toepassing van de bepalingen inzake radiocommunicatie gelden de omschrijvingen van zeegebieden als gegeven in hoofdstuk IV, voorschrift 2, van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd;

  18. „havengebied”: een gebied als omschreven door de lidstaten, dat geen zeegebied is en zich uitstrekt tot aan de buitenste permanente havenwerken die een integrerend deel vormen van de haven, of tot aan de grenzen die zijn bepaald door natuurlijke geografische elementen die een estuarium of een soortgelijk beschermd gebied beschutten;

  19. „toevluchtsoord”: een natuurlijk of kunstmatig beschermd gebied dat door een schip of vaartuig als schuilplaats mag worden gebruikt in omstandigheden waarin zijn veiligheid gevaar loopt;

  20. „administratie van de vlaggenstaat”: de bevoegde autoriteiten van de staat onder welks vlag het schip of vaartuig gerechtigd is te varen;

  21. „staat van ontvangst”: een lidstaat naar of vanuit welks haven(s) een onder een andere vlag dan die van die lidstaat varend schip of vaartuig binnenlandse reizen onderneemt; v) „erkende organisatie”: een organisatie die erkend is overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 94/57/EG van de Raad van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties1;

  22. „een mijl”: 1 852 meter;

  23. „significante golfhoogte”: de gemiddelde hoogte van de golven in het hoogste drieëndertig-percentiel van de in een bepaalde periode gemeten golfhoogteverdeling;

  24. „personen met verminderde mobiliteit”: personen voor wie het gebruik van het openbaar vervoer bijzondere moeilijkheden meebrengt, met inbegrip van ouderen, gehandicapten, personen met zintuiglijke gebreken, rolstoelgebruikers, zwangere vrouwen, en personen die kleine kinderen begeleiden.


1 PB L 319 van 12.12.1994, blz. 20.

Artikel 03 Toepassingsgebied

Artikel 3 - Toepassingsgebied

  1. Deze richtlijn is van toepassing op de volgende passagiersschepen en -vaartuigen, ongeacht de vlag waaronder zij varen, wanneer zij voor binnenlandse reizen gebruikt worden:

    1. nieuwe passagiersschepen,

    2. bestaande passagiersschepen van ten minste 24 m lang,

    3. hogesnelheidspassagiersvaartuigen.


      Iedere lidstaat moet, in zijn hoedanigheid van staat van ontvangst, ervoor zorgen dat passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die onder de vlag varen van een staat die geen lidstaat is, geheel voldoen aan de eisen van deze richtlijn, voordat zij mogen worden gebruikt voor binnenlandse reizen in die lidstaat.

  2. Deze richtlijn is niet van toepassing op:

    1. passagiersschepen zijnde:

      1. oorlogsschepen en troepentransportschepen,

      2. schepen zonder mechanische voortstuwingsmiddelen,

      3. met ander materiaal dan staal of gelijkwaardig materiaal gebouwde vaartuigen die niet onder de normen voor hogesnelheidsvaartuigen (resolutie MSC 36 (63)) of dynamisch ondersteunde vaartuigen (resolutie A.373 (X)) vallen,

      4. houten schepen van primitieve bouw,

      5. originele, historische, vóór 1965 ontworpen passagiersschepen en individuele replica’s daarvan, die hoofdzakelijk met de originele materialen gebouwd zijn,

      6. plezierjachten, behalve indien zij een bemanning hebben of krijgen, en bestemd zijn voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers voor commerciële doeleinden, of

      7. schepen die uitsluitend in havengebieden worden gebruikt;

    2. hogesnelheidspassagiersvaartuigen zijnde:

      1. vaartuigen voor oorlogsdoeleinden en troepentransport,

      2. pleziervaartuigen, behalve indien zij een bemanning hebben of krijgen, en bestemd zijn voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers voor commerciële doeleinden, of

      3. uitsluitend in havengebieden gebruikte vaartuigen.
Artikel 04 Klassen passagiersschepen

Artikel 4 - Klassen passagiersschepen

  1. Passagiersschepen worden naar gelang van het zeegebied waarin zij varen in de volgende klassen ingedeeld:

    „Klasse A”

    passagiersschip dat gebruikt wordt voor andere binnenlandse reizen dan die welke door schepen van de klassen B, C en D worden gemaakt.

    „Klasse B”

    passagiersschip dat wordt gebruikt voor binnenlandse reizen tijdens welke het nooit meer dan 20 mijl van de kustlijn verwijderd is waar schipbreukelingen aan land kunnen gaan, gerekend bij een gemiddelde getijhoogte.

    „Klasse C”

    passagiersschip dat wordt gebruikt voor binnenlandse reizen in zeegebieden waarin de kans op een significante golfhoogte van meer dan 2,5 m kleiner is dan 10 % in een periode van een jaar, wanneer het schip het gehele jaar door in de vaart is, of in een bepaalde periode van het jaar, wanneer het schip uitsluitend in die periode in de vaart is (bv. de zomerperiode), tijdens welke het nooit meer dan 15 mijl van een toevluchtsoord en niet meer dan 5 mijl van de kustlijn verwijderd is waar schipbreukelingen aan land kunnen gaan, gerekend bij een gemiddelde getijhoogte.

    „Klasse D”

    passagiersschip dat wordt gebruikt voor binnenlandse reizen in zeegebieden waarin de kans op een significante golfhoogte van meer dan 1,5 m kleiner is dan 10 % in een periode van een jaar, wanneer het schip het gehele jaar door in de vaart is, of in een bepaalde periode van het jaar, wanneer het schip uitsluitend in die periode in de vaart is (bv. de zomerperiode), tijdens welke het nooit meer dan 6 mijl van een toevluchtsoord en niet meer dan 3 mijl van de kustlijn verwijderd is waar schipbreukelingen aan land kunnen gaan, gerekend bij een gemiddelde getijhoogte.


  2. Door iedere lidstaat:

    1. wordt een lijst van de zeegebieden onder zijn jurisdictie opgesteld en, indien nodig, bijgewerkt, waarbij hij, aan de hand van de in lid 1 gegeven criteria voor de indeling in klassen, de vaargebieden aangeeft waarbinnen de scheepsklassen het gehele jaar door of, in voorkomend geval, gedurende een bepaalde periode van het jaar in de vaart zijn;

    2. wordt de lijst gepubliceerd in een openbare databank die kan worden geraadpleegd op de internetsite van de bevoegde maritieme instantie;

    3. wordt aan de Commissie de locatie meegedeeld van deze informatie en wanneer de lijst wordt gewijzigd.

  3. Voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen zijn de in hoofdstuk 1, paragrafen 1.4.10 en 1.4.11, van de High Speed Craft Code omschreven categorieën van toepassing.
Artikel 05 Toepassing

Artikel 5 - Toepassing

  1. Nieuwe en bestaande passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen dienen, wanneer zij gebruikt worden voor binnenlandse reizen, te voldoen aan de relevante veiligheidsvoorschriften en normen van deze richtlijn.

  2. De lidstaten mogen niet om redenen in verband met deze richtlijn passagiersschepen, of hogesnelheidspassagiersvaartuigen, wanneer zij voor binnenlandse reizen gebruikt worden, uit de vaart houden, wanneer deze voldoen aan de eisen van deze richtlijn, met inbegrip van de in overeenstemming met artikel 9, lid 1, door een lidstaat vastgestelde aanvullende eisen.


    Iedere lidstaat erkent in zijn hoedanigheid van staat van ontvangst, het veiligheidscertificaat voor hogesnelheidsvaartuigen en de exploitatievergunning die door een andere lidstaat worden uitgereikt voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen, wanneer zij gebruikt worden voor binnenlandse reizen, of het in artikel 13 bedoelde veiligheidscertificaat voor passagiersschepen dat door een andere lidstaat wordt uitgereikt voor passagiersschepen, wanneer zij gebruikt worden voor binnenlandse reizen.

  3. Een staat van ontvangst mag een passagiersschip, of een hogesnelheidspassagiersvaartuig dat een binnenlandse reis maakt, inspecteren en de scheepspapieren aan een onderzoek onderwerpen, overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 95/21/EG.

  4. Alle uitrusting aan boord van zeeschepen, als vermeld in bijlage A.1 van Richtlijn 96/98/EG, die aan het bepaalde in genoemde richtlijn voldoet, wordt geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van deze richtlijn, ongeacht of in bijlage I bij deze richtlijn wordt voorgeschreven dat de uitrusting naar genoegen van de administratie van de vlaggenstaat moet worden goedgekeurd en aan proeven onderworpen.
Artikel 06 Veiligheidseisen

Artikel 6 - Veiligheidseisen

  1. Bepalingen inzake nieuwe en bestaande passagiersschepen van de klassen A, B, C en D:

    1. romp, hoofd- en hulpwerktuigen en elektrische en automatische installaties dienen te worden gebouwd en onderhouden volgens de classificatienorm vervat in de voorschriften van een erkende organisatie, of daaraan gelijkwaardige voorschriften die door een administratie worden toegepast overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Richtlijn 94/57/EG;

    2. de bepalingen van de hoofdstukken IV (met inbegrip van de GMDSS-wijzigingen van 1988), V en VI van het SOLASVerdrag van 1974, als gewijzigd, zijn van toepassing;

    3. de bepalingen inzake navigatiemiddelen aan boord van schepen van hoofdstuk V, voorschrift 12, van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, zijn van toepassing. Navigatiemiddelen aan boord van schepen, als vermeld in bijlage A.1 van Richtlijn 96/98/EG bijlage A.1 van Richtlijn 96/98/EG, die voldoen aan de bepalingen van genoemde richtlijn, worden geacht in overeenstemming te zijn met de typegoedkeuringseisen van hoofdstuk V, voorschrift 12(r), van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd.

  2. Bepalingen inzake nieuwe passagiersschepen:

    1. algemene eisen:

      1. nieuwe passagiersschepen van klasse A dienen geheel te voldoen aan de eisen van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, alsmede aan de specifieke relevante eisen van deze richtlijn. Wat betreft de voorschriften waarvan het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, de interpretatie overlaat aan het oordeel van de administratie, dient de administratie van de vlaggenstaat de interpretaties als vermeld in bijlage I bij deze richtlijn toe te passen,

      2. nieuwe passagiersschepen van de klassen B, C en D dienen te voldoen aan de specifieke relevante eisen van deze richtlijn;

    2. eisen betreffende de uitwatering:

      1. alle nieuwe passagiersschepen van ten minste 24 meter lang dienen te voldoen aan het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966,

      2. criteria met een veiligheidsniveau dat gelijkwaardig is aan dat van de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966 dienen, gerelateerd aan lengte en klasse, te worden toegepast op nieuwe passagiersschepen met een lengte van minder dan 24 meter,

      3. onverminderd het bepaalde in de punten i) en ii) worden nieuwe passagiersschepen van klasse D vrijgesteld van de eis inzake de minimumboeghoogte van het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966,

      4. nieuwe passagiersschepen van de klassen A, B, C en D dienen een doorlopend dek te hebben.

  3. Bepalingen inzake bestaande passagiersschepen:

    1. bestaande passagiersschepen van klasse A dienen te voldoen aan de voorschriften voor bestaande passagiersschepen van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, alsmede aan de specifieke relevante eisen van richtlijn. Wat betreft de voorschriften waarvan het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, de interpretatie overlaat aan het oordeel van de administratie, dient de administratie van de vlaggenstaat de interpretaties als vermeld in bijlage I bij deze richtlijn toe te passen;

    2. bestaande passagiersschepen van klasse B dienen te voldoen aan de specifieke relevante eisen van deze richtlijn;

    3. bestaande passagiersschepen van de klassen C en D dienen te voldoen aan de specifieke relevante eisen van deze richtlijnen wat betreft zaken die niet onder deze eisen vallen, aan de regels van de administratie van de vlaggenstaat. Deze regels dienen te voorzien in een veiligheidsniveau dat gelijkwaardig is aan dat van bijlage I, hoofdstukken II-1 en II-2, daarbij rekening houdend met de specifieke plaatselijke bedrijfsomstandigheden in de mogelijke vaargebieden van de schepen van deze klassen;


      alvorens bestaande passagiersschepen van de klassen C en D voor geregelde binnenlandse reizen in een staat van ontvangst kunnen worden gebruikt, dient de administratie van de vlaggenstaat de instemming van de staat van ontvangst met die regels te verkrijgen;

    4. wanneer een lidstaat van mening is dat de door de administratie van de staat van ontvangst op grond van punt c) geëiste regels onredelijk zijn, stelt hij de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis; de Commissie onderneemt stappen om volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde procedure een beslissing te nemen;

    5. ingrijpende reparaties, verbouwingen en wijzigingen en de bijbehorende installaties dienen te voldoen aan de voor nieuwe schepen geldende eisen, als voorgeschreven in lid 2, onder a); verbouwingen van een bestaand schip die uitsluitend tot doel hebben een hogere overleefbaarheidsnorm te bereiken, mogen niet als ingrijpende wijzigingen worden beschouwd;

    6. de bepalingen van punt a), tenzij in het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, vroegere datums worden opgegeven, en de bepalingen van de punten b) en c), tenzij in bijlage I bij deze richtlijn vroegere datums worden opgegeven, zijn niet van toepassing op een vaartuig waarvan de kiel werd gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond:

      1. vóór 1 januari 1940: tot 1 juli 2006,

      2. op of na 1 januari 1940, maar vóór 31 december 1962: tot 1 juli 2007,

      3. op of na 1 januari 1963, maar vóór 31 december 1974: tot 1 juli 2008,

      4. op of na 1 januari 1975, maar vóór 31 december 1984: tot 1 juli 2009,

      5. op of na 1 januari 1985, maar vóór 1 juli 1998: tot 1 juli 2010.

  4. Bepalingen met betrekking tot hogesnelheidspassagiersvaartuigen:

  1. hogesnelheidspassagiersvaartuigen die vanaf 1 januari 1996 zijn gebouwd of ingrijpende reparaties, verbouwingen of wijzigingen hebben ondergaan dienen te voldoen aan de eisen van voorschrift X/3 van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, tenzij:

    1. de kiel van een dergelijk vaartuig niet later dan 4 juni 1998 is gelegd of de bouw zich op die dag in een soortgelijk stadium bevond, en

    2. het vaartuig niet later dan 4 december 1998 is opgeleverd en in de vaart gebracht, en

    3. het vaartuig volledig voldoet aan de eisen van de Code of Safety for Dynamically Supported Craft (DSC-code), zoals vervat in resolutie A.373(X) van de algemene vergadering van de IMO van 14 november 1977, zoals gewijzigd bij resolutie MSC 37(63) van de Maritieme Veiligheidscommissie van 19 mei 1994;

  2. hogesnelheidspassagiersvaartuigen die vóór 1 januari 1996 zijn gebouwd en die voldoen aan de eisen van de High Speed Craft Code, blijven in de vaart onder certificering van deze code;


    hogesnelheidspassagiersvaartuigen die zijn gebouwd vóór 1 januari 1996 en die niet aan de eisen van de High Speed Craft Code voldoen, mogen niet voor binnenlandse reizen worden gebruikt tenzij zij reeds voor binnenlandse reizen in een lidstaat werden gebruikt op 4 juni 1998, in welk geval het binnenlands gebruik in die lidstaat mag worden voortgezet; dergeluijke vaartuigen dienen te voldoen aan de eisen van de DSC-code;

  3. bij de bouw en het onderhoud van hogesnelheidspassagiersvaartuigen en bijbehorende uitrusting dient te worden voldaan aan de voorschriften voor classificatie van hogesnelheidsvaartuigen van een erkende organisatie of aan daarmee gelijkwaardige voorschriften die door een administratie worden toegepast overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Richtlijn 94/57/EG.
Artikel 07 Stabiliteit en het opleggen van ro-ro-passagiersschepen

Artikel 7 - Eisen met betrekking tot de stabiliteit en het opleggen van ro-ro-passagiersschepen

  1. Alle ro-ro-passagiersschepen van de klassen A, B en C, waarvan de kiel werd gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond op of na 1 oktober 2004, voldoen aan de artikelen 6, 8 en 9 van Richtlijn 2003/25/EG.

  2. Alle ro-ro-passagiersschepen van de klassen A en B, waarvan de kiel werd gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond vóór 1 oktober 2004, voldoen op 1 oktober 2010 aan de artikelen 6, 8 en 9 van Richtlijn 2003/25/EG, tenzij zij op die datum of op een latere datum waarop zij 30 jaar oud worden, maar in geen geval later dan 1 oktober 2015, worden opgelegd.
Artikel 08 Veiligheidseisen t.b.v. personen met verminderde mobiliteit

Artikel 8 - Veiligheidseisen ten behoeve van personen met verminderde mobiliteit

  1. De lidstaten zorgen er voor dat passende maatregelen worden genomen, zo mogel¿k op basis van de richtsnoeren in b¿lage III, opdat personen met verminderde mobiliteit veilig toegang kunnen hebben tot alle passagiersschepen van de klassen A, B, C en D en alle voor openbaar vervoer gebruikte hogesnelheidspassagiersvaartuigen, waarvan de kiel werd gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgel¿k stadium bevond op of na 1 oktober 2004.

  2. Voor de toepassing van de richtsnoeren van b¿lage III werken de lidstaten samen en plegen z¿ overleg met organisaties van personen met verminderde mobiliteit.

  3. B¿ de aanpassing van de passagiersschepen van de klassen A, B, C en D en de voor openbaar vervoer gebruikte hogesnelheidspassagiersvaartuigen, waarvan de kiel werd gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgel¿k stadium bevond vóór 1 oktober 2004, passen de lidstaten de richtsnoeren van b¿lage III toe, voor zover dat in economisch opzicht redel¿k en uitvoerbaar is.


    De lidstaten stellen een nationaal actieplan op voor de toepassing van de richtsnoeren op deze schepen en vaartuigen. Z¿ delen dat plan uiterl¿k op 17 mei 2005 aan de Commissie mee.

  4. De lidstaten brengen uiterl¿k op 17 mei 2006 aan de Commissie verslag uit over de uitvoering van dit artikel met betrekking tot de in lid 1 bedoelde passagiersschepen, de in lid 3 bedoelde passagiersschepen die meer dan 400 passagiers mogen vervoeren, en alle hogesnelheidspassagiersvaartuigen.
Artikel 09 Aanvullende veiligheidseisen

Artikel 9 - Aanvullende veiligheidseisen, gelijkwaardige eisen, vrijstellingen en vrijwaringsmaatregelen

  1. Indien een lidstaat of een groep lidstaten van mening is dat de geldende veiligheidseisen in verband met specifieke plaatselijke omstandigheden in bepaalde situaties dienen te worden verbeterd en indien de noodzaak hiervan wordt aangetoond, mag deze lidstaat of deze groep lidstaten, met inachtneming van de procedure van lid 4, maatregelen vaststellen ter verbetering van de veiligheidseisen.

  2. Een lidstaat mag volgens de procedure van lid 4 maatregelen vaststellen op grond waarvan eisen worden toegestaan die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van bijlage I, mits die gelijkwaardige eisen minstens even doeltreffend zijn als genoemde voorschriften.

  3. Op voorwaarde dat het veiligheidsniveau niet wordt verlaagd en de procedure van lid 4 in acht wordt genomen, mag een lidstaat maatregelen vaststellen waarbij schepen voor binnenlandse reizen die in die staat, inclusief archipelzeegebieden die beschut zijn tegen de omstandigheden op de volle zee, moeten worden uitgevoerd onder bepaalde operationele omstandigheden, zoals kleinere significante golfhoogte, een bepaalde periode van het jaar, reizen uitsluitend bij daglicht of onder geschikte klimatologische of weersomstandigheden, beperkte reisduur, of nabijheid van reddingsdiensten, worden vrijgesteld van bepaalde specifieke eisen van deze richtlijn.

  4. Een lidstaat die gebruikmaakt van de bepalingen van de leden 1, 2 of 3, moet de in de tweede tot en met zesde alinea van dit lid beschreven procedure in acht nemen.


    De lidstaat dient de Commissie in kennis te stellen van de maatregelen die hij voornemens is vast te stellen, met de nodige bijzonderheden om duidelijk te maken dat het veiligheidsniveau in voldoende mate wordt gehandhaafd.


    Indien, binnen zes maanden na de kennisgeving, volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde procedure wordt besloten dat de voorgestelde maatregelen niet gewettigd zijn, wordt van genoemde lidstaat geëist dat hij de voorgestelde maatregelen wijzigt of niet vaststelt.


    De vastgestelde maatregelen dienen in de relevante nationale wetgeving te worden opgenomen en aan de Commissie medegedeeld te worden, die de overige lidstaten van alle bijzonderheden op de hoogte brengt.


    Elke maatregel dient op alle passagiersschepen van dezelfde klasse of op vaartuigen wanneer die onder dezelfde nader omschreven omstandigheden varen, te worden toegepast, zonder onderscheid naar vlag, nationaliteit of plaats van vestiging van de exploitant van deze schepen of vaartuigen.


    De in lid 3 bedoelde maatregelen gelden slechts zolang het schip of het vaartuig onder de aangegeven omstandigheden vaart.

  5. Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een passagiersschip of -vaartuig dat gebruikt wordt op een binnenlandse reis in die staat, niettegenstaande het feit dat het voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn, een ernstig gevaar voor de veiligheid van de mens, eigendommen of het milieu oplevert, kan de exploitatie van dat schip of dat vaartuig worden opgeschort of kunnen aanvullende veiligheidsmaatregelen worden opgelegd totdat het gevaar is opgeheven.


    In deze omstandigheden wordt de volgende procedure gevolgd:

    1. de lidstaat stelt de Commissie en de overige lidstaten onverwijld en met opgave van de redenen daarvoor, van zijn besluit in kennis;

    2. de Commissie onderzoekt of de opschorting of de aanvullende veiligheidsmaatregelen gewettigd zijn wegens ernstig gevaar voor de veiligheid en het milieu;

    3. overeenkomstig de in artikel 11, lid 2, bedoelde procedure wordt vastgesteld of het besluit van de lidstaat om de exploitatie van dit schip of vaartuig op te schorten of aanvullende veiligheidsmaatregelen op te leggen al dan niet gewettigd is wegens ernstig gevaar voor de veiligheid van de mens, eigendommen of het milieu en indien dit niet het geval is, wordt de betrokken lidstaat verzocht de opschorting of de maatregelen in te trekken.
Artikel 10 Aanpassingen

Artikel 10 - Aanpassingen

  1. Het volgende kan worden aangepast teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen op internationaal niveau, met name b¿ de IMO:

    1. de definities van artikel 2, onder a), b), c), d) en v);

    2. de bepalingen betreffende de procedures en richtl¿nen die van toepassing z¿n op de in artikel 12 bedoelde onderzoeken;

    3. de bepalingen betreffende het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, en de High Speed Craft Code, inclusief de latere w¿zigingen, neergelegd in artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 4, artikel 12, lid 3, en artikel 13, lid 3;

    4. de specifieke verw¿zingen naar de „internationale verdragen” en IMO-resoluties bedoeld in artikel 2, onder g), m) en q), artikel 3, lid 2, onder a), artikel 6, lid 1, onder b) en c), artikel 6, lid 2, onder b), en artikel 13, lid 3.

  2. De b¿lagen kunnen worden gew¿zigd worden om:

    1. voor de toepassing van deze richtl¿n uitvoering te geven aan de w¿zigingen van de internationale verdragen;

    2. de technische voorschriften daarvan te verbeteren in het licht van de opgedane ervaring.

  3. De in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde maatregelen, die niet essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

  4. De w¿zigingen van de in artikel 2 van deze richtlijn bedoelde internationale instrumenten kunnen van het toepassingsgebied van deze richtl¿n worden uitgesloten krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2099/2002.
Artikel 11 Comité

Artikel 11 - Comité

  1. De Commissie wordt b¿gestaan door het b¿ artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2099/2002 ingestelde Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS).

  2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, z¿n de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.


    De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde term¿n wordt vastgesteld op twee maanden.

  3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
Artikel 12 Onderzoeken

Artikel 12 - Onderzoeken

  1. Ieder nieuw passagiersschip dient door de administratie van de vlaggenstaat te worden onderworpen aan de onder a), b) en c) vermelde onderzoeken:

    1. een onderzoek voordat het schip in bedr¿f gesteld wordt;

    2. een periodiek onderzoek om de twaalf maanden; en

    3. aanvullende onderzoeken, indien nodig.

  2. Ieder bestaand passagiersschip dient door de administratie van de vlaggenstaat te worden onderworpen aan de onder a), b) en c) vermelde onderzoeken:

  1. een eerste onderzoek voordat het schip in gebruik wordt genomen voor binnenlandse reizen in een staat van ontvangst, voor bestaande schepen die gebruikt worden voor binnenlandse reizen in de lidstaat onder welks vlag z¿ gerechtigd z¿n te varen;

  2. een periodiek onderzoek om de twaalf maanden; en

  3. aanvullende onderzoeken, indien nodig.

  • Ieder hogesnelheidspassagiersvaartuig dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, lid 4, van deze richtlijn, moet voldoen aan de eisen van de High Speed Craft Code dient door de administratie van de vlaggenstaat te worden onderworpen aan de in die Code voorgeschreven onderzoeken. Hogesnelheidspassagiersvaartuigen die overeenkomstig artikel 6, lid 4, van deze richtlijn moeten voldoen aan de eisen van de DSC-code, worden door de administratie van de vlaggenstaat onderworpen aan de in de DSC-code voorgeschreven onderzoeken.

  • De relevante procedures en richtsnoeren voor onderzoeken met betrekking tot het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, die beschreven staan in resolutie A. 746(18) van de algemene vergadering van de IMO van 4 november 1993 inzake „survey guidelines under the harmonized system of survey and certification”, of procedures met hetzelfde doel, dienen te worden gevolgd.

  • De in de leden 1, 2 en 3 genoemde onderzoeken dienen uitsluitend te worden verricht door inspecteurs van de administratie van de vlaggenstaat zelf of van een erkende organisatie of van de lidstaat die door de vlaggenstaat tot het verrichten van onderzoeken is gemachtigd, en hebben tot doel ervoor te zorgen dat aan alle van toepassing z¿nde eisen van deze richtl¿n wordt voldaan.
Artikel 13 Certificaten

Artikel 13 - Certificaten

  1. Alle nieuwe en bestaande passagiersschepen dienen voorzien te z¿n van een veiligheidscertificaat voor passagiersschepen in overeenstemming met deze richtl¿n. Dit certificaat dient de in b¿lage II vastgelegde vorm te hebben. Het certificaat wordt afgegeven door de administratie van de vlaggenstaat, nadat het eerste onderzoek, als omschreven in artikel 12, lid 1, onder a), en lid 2, onder a), heeft plaatsgevonden.

  2. Het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste twaalf maanden. De geldigheidsduur van het certificaat mag door de administratie van de vlaggenstaat worden verlengd met ten hoogste één maand, aanvangende op de vervaldatum die op het certificaat vermeld is. Wanneer een verlenging is verleend, vangt de nieuwe geldigheidsperiode aan op de vervaldatum die op het bestaande certificaat vermeld stond, voordat het werd verlengd. Een nieuw veiligheidscertificaat voor passagiersschepen wordt afgegeven, nadat een periodiek onderzoek, als omschreven in artikel 12, lid 1, onder b), en lid 2, onder b), heeft plaatsgevonden.

  3. Voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen die voldoen aan de High Speed Craft Code, moet een veiligheidscertificaat voor hogesnelheidsvaartuigen en een exploitatievergunning voor hogesnelheidsvaartuigen worden afgegeven door de administratie van de vlaggenstaat overeenkomstig de bepalingen van die Code.


    Voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen die voldoen aan de eisen van de DSC-code wordt door de administratie van de vlaggenstaat een DSC-bouw- en uitrustingscertificaat alsmede een DSC-exploitatievergunning afgegeven, overeenkomstig de bepalingen. Voordat z¿ de exploitatievergunning afgeeft voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen die worden gebruikt voor binnenlandse reizen in een staat van ontvangst, overlegt de administratie van de vlaggenstaat met de staat van ontvangst over eventuele operationele voorwaarden waaronder de exploitatie van dat vaartuig in die staat moet plaatsvinden. Deze voorwaarden moeten door de administratie van de vlaggenstaat worden vermeld op de exploitatievergunning.

  4. De krachtens en overeenkomstig artikel 9, lid 3, aan schepen of vaartuigen verleende vr¿stellingen dienen op het certificaat van het schip of van het vaartuig te worden vermeld.
Artikel 14 Voorschriften van het SOLAS-Verdrag van 1974

Artikel 14 - Voorschriften van het SOLAS-Verdrag van 1974

  1. Met betrekking tot voor internationale reizen gebruikte passagiersschepen dient de Gemeenschap b¿ de IMO verzoeken in om:

    1. spoed te zetten achter de lopende werkzaamheden binnen de IMO met betrekking tot de herziening van de voorschriften van de hoofdstukken II-1, II-2 en III van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, waarin bepaalde kwesties aan het oordeel van de administratie z¿n overgelaten, de vaststelling van geharmoniseerde interpretaties voor deze voorschriften en de goedkeuring van de dienovereenkomstige w¿zigingen daarop; en

    2. maatregelen goed te keuren met het oog op de verplichte toepassing van de beginselen die ten grondslag liggen aan de bepalingen van MSC Circular 606 on Port State Concurrence with SOLAS Exemptions.

  2. De in lid 1 bedoelde verzoeken dienen door het voorzitterschap van de Raad en de Commissie te worden gedaan op basis van de geharmoniseerde voorschriften van b¿lage I.


    Alle lidstaten doen al het mogel¿ke om ervoor te zorgen dat de IMO de uitwerking van genoemde voorschriften en maatregelen spoedig ter hand neemt.
Artikel 15 Sancties

Artikel 15 - Sancties

De lidstaten voeren sancties in op overtredingen van de nationale bepalingen die overeenkomstig deze richtl¿n z¿n vastgesteld en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden uitgevoerd. De aldus ingevoerde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend z¿n.

Artikel 16 Kennisgeving

Artikel 16 - Kennisgeving

De lidstaten stellen de Commissie onverw¿ld in kennis van de belangrijkste bepalingen van intern recht die z¿ op het onder deze richtl¿n vallende gebied vaststellen. De Commissie stelt de overige lidstaten daarvan in kennis.
Artikel 17
Intrekking
Richtlijn 98/18/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage IV, deel A, genoemde richtlijnen, wordt ingetrokken,
onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, genoemde
termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden
gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.
Artikel 18
Inwerkingtreding
Deze richtl¿n treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het
Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 19
Adressaten
Deze richtl¿n is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Straatsburg, 6 mei 2009.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
H.-G. PÖTTERING
Voor de Raad
De voorzitter
J. KOHOUT
25.6.2009 NL Publicatieblad van de Europese Unie L 163/11

Artikel 17 Intrekking

Artikel 17 - Intrekking

Richtlijn 98/18/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage IV, deel A, genoemde richtlijnen, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.


Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.

Artikel 18 Inwerkingtreding

Artikel 18 - Inwerkingtreding

Deze richtl¿n treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 19 Adressaten

Artikel 19 - Adressaten

Deze richtl¿n is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 6 mei 2009.

Voor het Europees Parlement
De voorzitter
H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad
De voorzitter
J. KOHOUT

Bijlage 1 VeiligheidseisenArtikel 07 Stabiliteit en het opleggen van ro-ro-passagiersschepen

Bijlage 1 - Veiligheidseisen voor nieuwe en bestaande passagiersschepen die gebruikt worden voor binnenlandse reizen

Artikel 7 - Eisen met betrekking tot de stabiliteit en het opleggen van ro-ro-passagiersschepen

  1. Alle ro-ro-passagiersschepen van de klassen A, B en C, waarvan de kiel werd gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond op of na 1 oktober 2004, voldoen aan de artikelen 6, 8 en 9 van Richtlijn 2003/25/EG.

  2. Alle ro-ro-passagiersschepen van de klassen A en B, waarvan de kiel werd gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond vóór 1 oktober 2004, voldoen op 1 oktober 2010 aan de artikelen 6, 8 en 9 van Richtlijn 2003/25/EG, tenzij zij op die datum of op een latere datum waarop zij 30 jaar oud worden, maar in geen geval later dan 1 oktober 2015, worden opgelegd.
Hoofdstuk 01 Algemene bepalingen

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen

Indien dit uitdrukkel¿k wordt bepaald, z¿n de voorschriften van deze b¿lage van toepassing op nieuwe en bestaande passagiersschepen van de klassen A, B, C en D die worden gebruikt voor binnenlandse reizen.

Nieuwe schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter moeten voldoen aan de eisen van de voorschriften II-1/B/2 tot en met II-1/B/8 en II-1/B/10 van deze b¿lage, tenz¿ de administratie van een vlaggenstaat onder de vlag waarvan deze schepen varen, ervoor zorgt dat z¿ voldoen aan de nationale voorschriften van de vlaggenstaat en dat deze voorschriften een gel¿kwaardig veiligheidsniveau waarborgen.

Wanneer voorschriften van deze b¿lage niet van toepassing z¿n op nieuwe schepen met een lengte van minder dan 24 meter, zorgt de administratie van de vlaggenstaat ervoor dat nationale voorschriften voor deze schepen een gel¿kwaardig veiligheidsniveau waarborgen.

Bestaande schepen van de klassen C en D behoeven niet te voldoen aan de voorschriften van de hoofdstukken II-1 en II-2 van deze b¿lage, op voorwaarde dat de administratie van de vlaggenstaat onder de vlag waarvan deze schepen varen, ervoor zorgt dat z¿ voldoen aan de nationale voorschriften van de vlaggenstaat en dat deze voorschriften een gel¿kwaardig veiligheidsniveau waarborgen.

Wanneer met betrekking tot bestaande schepen in deze technische b¿lage een IMO-resolutie moet worden toegepast, behoeven schepen die gebouwd z¿n tot twee jaar na de datum waarop deze resolutie door de IMO is aangenomen, niet aan deze resolutie te voldoen op voorwaarde dat z¿ voldoen aan de (eventuele) van toepassing z¿nde eerdere resolutie(s).

Onder herstellingen, aanpassingen en w¿zigingen met een „ingr¿pend” karakter moet b¿voorbeeld het volgende worden verstaan:

  • elke w¿ziging die de afmetingen ingr¿pend w¿zigt,


    voorbeeld: een verlenging van de romp door toevoeging van een nieuw middenstuk,

  • elke w¿ziging die de passagiersvervoerscapaciteit van een schip ingr¿pend w¿zigt,


    voorbeeld: het ombouwen van een voertuigdek in passagiersaccommodatie,

  • elke w¿ziging die de levensduur van een schip aanzienl¿k verlengt,


    voorbeeld: de renovatie van passagiersaccommodatie op één volledig dek.

De aanduiding „(V …)” achter sommige titels van voorschriften in deze b¿lage verw¿st naar de voorschriften van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gew¿zigd, waarop de voorschriften van deze b¿lage gebaseerd z¿n.

Artikel 08 Veiligheidseisen t.b.v. personen met verminderde mobiliteit

Artikel 8 - Veiligheidseisen ten behoeve van personen met verminderde mobiliteit

  1. De lidstaten zorgen er voor dat passende maatregelen worden genomen, zo mogel¿k op basis van de richtsnoeren in b¿lage III, opdat personen met verminderde mobiliteit veilig toegang kunnen hebben tot alle passagiersschepen van de klassen A, B, C en D en alle voor openbaar vervoer gebruikte hogesnelheidspassagiersvaartuigen, waarvan de kiel werd gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgel¿k stadium bevond op of na 1 oktober 2004.

  2. Voor de toepassing van de richtsnoeren van b¿lage III werken de lidstaten samen en plegen z¿ overleg met organisaties van personen met verminderde mobiliteit.

  3. B¿ de aanpassing van de passagiersschepen van de klassen A, B, C en D en de voor openbaar vervoer gebruikte hogesnelheidspassagiersvaartuigen, waarvan de kiel werd gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgel¿k stadium bevond vóór 1 oktober 2004, passen de lidstaten de richtsnoeren van b¿lage III toe, voor zover dat in economisch opzicht redel¿k en uitvoerbaar is.


    De lidstaten stellen een nationaal actieplan op voor de toepassing van de richtsnoeren op deze schepen en vaartuigen. Z¿ delen dat plan uiterl¿k op 17 mei 2005 aan de Commissie mee.

  4. De lidstaten brengen uiterl¿k op 17 mei 2006 aan de Commissie verslag uit over de uitvoering van dit artikel met betrekking tot de in lid 1 bedoelde passagiersschepen, de in lid 3 bedoelde passagiersschepen die meer dan 400 passagiers mogen vervoeren, en alle hogesnelheidspassagiersvaartuigen.

Artikel 09 Aanvullende veiligheidseisen

Artikel 9 - Aanvullende veiligheidseisen, gelijkwaardige eisen, vrijstellingen en vrijwaringsmaatregelen

  1. Indien een lidstaat of een groep lidstaten van mening is dat de geldende veiligheidseisen in verband met specifieke plaatselijke omstandigheden in bepaalde situaties dienen te worden verbeterd en indien de noodzaak hiervan wordt aangetoond, mag deze lidstaat of deze groep lidstaten, met inachtneming van de procedure van lid 4, maatregelen vaststellen ter verbetering van de veiligheidseisen.

  2. Een lidstaat mag volgens de procedure van lid 4 maatregelen vaststellen op grond waarvan eisen worden toegestaan die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van bijlage I, mits die gelijkwaardige eisen minstens even doeltreffend zijn als genoemde voorschriften.

  3. Op voorwaarde dat het veiligheidsniveau niet wordt verlaagd en de procedure van lid 4 in acht wordt genomen, mag een lidstaat maatregelen vaststellen waarbij schepen voor binnenlandse reizen die in die staat, inclusief archipelzeegebieden die beschut zijn tegen de omstandigheden op de volle zee, moeten worden uitgevoerd onder bepaalde operationele omstandigheden, zoals kleinere significante golfhoogte, een bepaalde periode van het jaar, reizen uitsluitend bij daglicht of onder geschikte klimatologische of weersomstandigheden, beperkte reisduur, of nabijheid van reddingsdiensten, worden vrijgesteld van bepaalde specifieke eisen van deze richtlijn.

  4. Een lidstaat die gebruikmaakt van de bepalingen van de leden 1, 2 of 3, moet de in de tweede tot en met zesde alinea van dit lid beschreven procedure in acht nemen.


    De lidstaat dient de Commissie in kennis te stellen van de maatregelen die hij voornemens is vast te stellen, met de nodige bijzonderheden om duidelijk te maken dat het veiligheidsniveau in voldoende mate wordt gehandhaafd.


    Indien, binnen zes maanden na de kennisgeving, volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde procedure wordt besloten dat de voorgestelde maatregelen niet gewettigd zijn, wordt van genoemde lidstaat geëist dat hij de voorgestelde maatregelen wijzigt of niet vaststelt.


    De vastgestelde maatregelen dienen in de relevante nationale wetgeving te worden opgenomen en aan de Commissie medegedeeld te worden, die de overige lidstaten van alle bijzonderheden op de hoogte brengt.


    Elke maatregel dient op alle passagiersschepen van dezelfde klasse of op vaartuigen wanneer die onder dezelfde nader omschreven omstandigheden varen, te worden toegepast, zonder onderscheid naar vlag, nationaliteit of plaats van vestiging van de exploitant van deze schepen of vaartuigen.


    De in lid 3 bedoelde maatregelen gelden slechts zolang het schip of het vaartuig onder de aangegeven omstandigheden vaart.

  5. Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een passagiersschip of -vaartuig dat gebruikt wordt op een binnenlandse reis in die staat, niettegenstaande het feit dat het voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn, een ernstig gevaar voor de veiligheid van de mens, eigendommen of het milieu oplevert, kan de exploitatie van dat schip of dat vaartuig worden opgeschort of kunnen aanvullende veiligheidsmaatregelen worden opgelegd totdat het gevaar is opgeheven.


    In deze omstandigheden wordt de volgende procedure gevolgd:

    1. de lidstaat stelt de Commissie en de overige lidstaten onverwijld en met opgave van de redenen daarvoor, van zijn besluit in kennis;

    2. de Commissie onderzoekt of de opschorting of de aanvullende veiligheidsmaatregelen gewettigd zijn wegens ernstig gevaar voor de veiligheid en het milieu;

    3. overeenkomstig de in artikel 11, lid 2, bedoelde procedure wordt vastgesteld of het besluit van de lidstaat om de exploitatie van dit schip of vaartuig op te schorten of aanvullende veiligheidsmaatregelen op te leggen al dan niet gewettigd is wegens ernstig gevaar voor de veiligheid van de mens, eigendommen of het milieu en indien dit niet het geval is, wordt de betrokken lidstaat verzocht de opschorting of de maatregelen in te trekken.

Artikel 10 Aanpassingen

Artikel 10 - Aanpassingen

  1. Het volgende kan worden aangepast teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen op internationaal niveau, met name b¿ de IMO:

    1. de definities van artikel 2, onder a), b), c), d) en v);

    2. de bepalingen betreffende de procedures en richtl¿nen die van toepassing z¿n op de in artikel 12 bedoelde onderzoeken;

    3. de bepalingen betreffende het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, en de High Speed Craft Code, inclusief de latere w¿zigingen, neergelegd in artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 4, artikel 12, lid 3, en artikel 13, lid 3;

    4. de specifieke verw¿zingen naar de „internationale verdragen” en IMO-resoluties bedoeld in artikel 2, onder g), m) en q), artikel 3, lid 2, onder a), artikel 6, lid 1, onder b) en c), artikel 6, lid 2, onder b), en artikel 13, lid 3.

  2. De b¿lagen kunnen worden gew¿zigd worden om:

    1. voor de toepassing van deze richtl¿n uitvoering te geven aan de w¿zigingen van de internationale verdragen;

    2. de technische voorschriften daarvan te verbeteren in het licht van de opgedane ervaring.

  3. De in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde maatregelen, die niet essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

  4. De w¿zigingen van de in artikel 2 van deze richtlijn bedoelde internationale instrumenten kunnen van het toepassingsgebied van deze richtl¿n worden uitgesloten krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2099/2002.

Artikel 11 Comité

Artikel 11 - Comité

  1. De Commissie wordt b¿gestaan door het b¿ artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2099/2002 ingestelde Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS).

  2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, z¿n de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.


    De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde term¿n wordt vastgesteld op twee maanden.

  3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 12 Onderzoeken

Artikel 12 - Onderzoeken

  1. Ieder nieuw passagiersschip dient door de administratie van de vlaggenstaat te worden onderworpen aan de onder a), b) en c) vermelde onderzoeken:

    1. een onderzoek voordat het schip in bedr¿f gesteld wordt;

    2. een periodiek onderzoek om de twaalf maanden; en

    3. aanvullende onderzoeken, indien nodig.

  2. Ieder bestaand passagiersschip dient door de administratie van de vlaggenstaat te worden onderworpen aan de onder a), b) en c) vermelde onderzoeken:

  1. een eerste onderzoek voordat het schip in gebruik wordt genomen voor binnenlandse reizen in een staat van ontvangst, voor bestaande schepen die gebruikt worden voor binnenlandse reizen in de lidstaat onder welks vlag z¿ gerechtigd z¿n te varen;

  2. een periodiek onderzoek om de twaalf maanden; en

  3. aanvullende onderzoeken, indien nodig.

  • Ieder hogesnelheidspassagiersvaartuig dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, lid 4, van deze richtlijn, moet voldoen aan de eisen van de High Speed Craft Code dient door de administratie van de vlaggenstaat te worden onderworpen aan de in die Code voorgeschreven onderzoeken. Hogesnelheidspassagiersvaartuigen die overeenkomstig artikel 6, lid 4, van deze richtlijn moeten voldoen aan de eisen van de DSC-code, worden door de administratie van de vlaggenstaat onderworpen aan de in de DSC-code voorgeschreven onderzoeken.

  • De relevante procedures en richtsnoeren voor onderzoeken met betrekking tot het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, die beschreven staan in resolutie A. 746(18) van de algemene vergadering van de IMO van 4 november 1993 inzake „survey guidelines under the harmonized system of survey and certification”, of procedures met hetzelfde doel, dienen te worden gevolgd.

  • De in de leden 1, 2 en 3 genoemde onderzoeken dienen uitsluitend te worden verricht door inspecteurs van de administratie van de vlaggenstaat zelf of van een erkende organisatie of van de lidstaat die door de vlaggenstaat tot het verrichten van onderzoeken is gemachtigd, en hebben tot doel ervoor te zorgen dat aan alle van toepassing z¿nde eisen van deze richtl¿n wordt voldaan.

Artikel 13 Certificaten

Artikel 13 - Certificaten

  1. Alle nieuwe en bestaande passagiersschepen dienen voorzien te z¿n van een veiligheidscertificaat voor passagiersschepen in overeenstemming met deze richtl¿n. Dit certificaat dient de in b¿lage II vastgelegde vorm te hebben. Het certificaat wordt afgegeven door de administratie van de vlaggenstaat, nadat het eerste onderzoek, als omschreven in artikel 12, lid 1, onder a), en lid 2, onder a), heeft plaatsgevonden.

  2. Het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste twaalf maanden. De geldigheidsduur van het certificaat mag door de administratie van de vlaggenstaat worden verlengd met ten hoogste één maand, aanvangende op de vervaldatum die op het certificaat vermeld is. Wanneer een verlenging is verleend, vangt de nieuwe geldigheidsperiode aan op de vervaldatum die op het bestaande certificaat vermeld stond, voordat het werd verlengd. Een nieuw veiligheidscertificaat voor passagiersschepen wordt afgegeven, nadat een periodiek onderzoek, als omschreven in artikel 12, lid 1, onder b), en lid 2, onder b), heeft plaatsgevonden.

  3. Voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen die voldoen aan de High Speed Craft Code, moet een veiligheidscertificaat voor hogesnelheidsvaartuigen en een exploitatievergunning voor hogesnelheidsvaartuigen worden afgegeven door de administratie van de vlaggenstaat overeenkomstig de bepalingen van die Code.


    Voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen die voldoen aan de eisen van de DSC-code wordt door de administratie van de vlaggenstaat een DSC-bouw- en uitrustingscertificaat alsmede een DSC-exploitatievergunning afgegeven, overeenkomstig de bepalingen. Voordat z¿ de exploitatievergunning afgeeft voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen die worden gebruikt voor binnenlandse reizen in een staat van ontvangst, overlegt de administratie van de vlaggenstaat met de staat van ontvangst over eventuele operationele voorwaarden waaronder de exploitatie van dat vaartuig in die staat moet plaatsvinden. Deze voorwaarden moeten door de administratie van de vlaggenstaat worden vermeld op de exploitatievergunning.

  4. De krachtens en overeenkomstig artikel 9, lid 3, aan schepen of vaartuigen verleende vr¿stellingen dienen op het certificaat van het schip of van het vaartuig te worden vermeld.

Artikel 14 Voorschriften van het SOLAS-Verdrag van 1974

Artikel 14 - Voorschriften van het SOLAS-Verdrag van 1974

  1. Met betrekking tot voor internationale reizen gebruikte passagiersschepen dient de Gemeenschap b¿ de IMO verzoeken in om:

    1. spoed te zetten achter de lopende werkzaamheden binnen de IMO met betrekking tot de herziening van de voorschriften van de hoofdstukken II-1, II-2 en III van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gewijzigd, waarin bepaalde kwesties aan het oordeel van de administratie z¿n overgelaten, de vaststelling van geharmoniseerde interpretaties voor deze voorschriften en de goedkeuring van de dienovereenkomstige w¿zigingen daarop; en

    2. maatregelen goed te keuren met het oog op de verplichte toepassing van de beginselen die ten grondslag liggen aan de bepalingen van MSC Circular 606 on Port State Concurrence with SOLAS Exemptions.

  2. De in lid 1 bedoelde verzoeken dienen door het voorzitterschap van de Raad en de Commissie te worden gedaan op basis van de geharmoniseerde voorschriften van b¿lage I.


    Alle lidstaten doen al het mogel¿ke om ervoor te zorgen dat de IMO de uitwerking van genoemde voorschriften en maatregelen spoedig ter hand neemt.

Artikel 15 Sancties

Artikel 15 - Sancties

De lidstaten voeren sancties in op overtredingen van de nationale bepalingen die overeenkomstig deze richtl¿n z¿n vastgesteld en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden uitgevoerd. De aldus ingevoerde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend z¿n.

Artikel 16 Kennisgeving

Artikel 16 - Kennisgeving

De lidstaten stellen de Commissie onverw¿ld in kennis van de belangrijkste bepalingen van intern recht die z¿ op het onder deze richtl¿n vallende gebied vaststellen. De Commissie stelt de overige lidstaten daarvan in kennis.
Artikel 17
Intrekking
Richtlijn 98/18/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage IV, deel A, genoemde richtlijnen, wordt ingetrokken,
onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, genoemde
termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.
Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden
gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.
Artikel 18
Inwerkingtreding
Deze richtl¿n treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het
Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 19
Adressaten
Deze richtl¿n is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Straatsburg, 6 mei 2009.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
H.-G. PÖTTERING
Voor de Raad
De voorzitter
J. KOHOUT
25.6.2009 NL Publicatieblad van de Europese Unie L 163/11

Artikel 17 Intrekking

Artikel 17 - Intrekking

Richtlijn 98/18/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage IV, deel A, genoemde richtlijnen, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.


Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.

Artikel 18 Inwerkingtreding

Artikel 18 - Inwerkingtreding

Deze richtl¿n treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 19 Adressaten

Artikel 19 - Adressaten

Deze richtl¿n is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 6 mei 2009.

Voor het Europees Parlement
De voorzitter
H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad
De voorzitter
J. KOHOUT

Bijlage 1 Veiligheidseisen

Bijlage 1 - Veiligheidseisen voor nieuwe en bestaande passagiersschepen die gebruikt worden voor binnenlandse reizen

Hoofdstuk 01 Algemene bepalingen

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen

Indien dit uitdrukkel¿k wordt bepaald, z¿n de voorschriften van deze b¿lage van toepassing op nieuwe en bestaande passagiersschepen van de klassen A, B, C en D die worden gebruikt voor binnenlandse reizen.

Nieuwe schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter moeten voldoen aan de eisen van de voorschriften II-1/B/2 tot en met II-1/B/8 en II-1/B/10 van deze b¿lage, tenz¿ de administratie van een vlaggenstaat onder de vlag waarvan deze schepen varen, ervoor zorgt dat z¿ voldoen aan de nationale voorschriften van de vlaggenstaat en dat deze voorschriften een gel¿kwaardig veiligheidsniveau waarborgen.

Wanneer voorschriften van deze b¿lage niet van toepassing z¿n op nieuwe schepen met een lengte van minder dan 24 meter, zorgt de administratie van de vlaggenstaat ervoor dat nationale voorschriften voor deze schepen een gel¿kwaardig veiligheidsniveau waarborgen.

Bestaande schepen van de klassen C en D behoeven niet te voldoen aan de voorschriften van de hoofdstukken II-1 en II-2 van deze b¿lage, op voorwaarde dat de administratie van de vlaggenstaat onder de vlag waarvan deze schepen varen, ervoor zorgt dat z¿ voldoen aan de nationale voorschriften van de vlaggenstaat en dat deze voorschriften een gel¿kwaardig veiligheidsniveau waarborgen.

Wanneer met betrekking tot bestaande schepen in deze technische b¿lage een IMO-resolutie moet worden toegepast, behoeven schepen die gebouwd z¿n tot twee jaar na de datum waarop deze resolutie door de IMO is aangenomen, niet aan deze resolutie te voldoen op voorwaarde dat z¿ voldoen aan de (eventuele) van toepassing z¿nde eerdere resolutie(s).

Onder herstellingen, aanpassingen en w¿zigingen met een „ingr¿pend” karakter moet b¿voorbeeld het volgende worden verstaan:

  • elke w¿ziging die de afmetingen ingr¿pend w¿zigt,


    voorbeeld: een verlenging van de romp door toevoeging van een nieuw middenstuk,

  • elke w¿ziging die de passagiersvervoerscapaciteit van een schip ingr¿pend w¿zigt,


    voorbeeld: het ombouwen van een voertuigdek in passagiersaccommodatie,

  • elke w¿ziging die de levensduur van een schip aanzienl¿k verlengt,


    voorbeeld: de renovatie van passagiersaccommodatie op één volledig dek.

De aanduiding „(V …)” achter sommige titels van voorschriften in deze b¿lage verw¿st naar de voorschriften van het SOLAS-Verdrag van 1974, als gew¿zigd, waarop de voorschriften van deze b¿lage gebaseerd z¿n.

Inhoudsopgave

Alles dichtklappenAlles openklappen
Naar boven