Onderwerp: Bezoek-historie

2009/21 Vlaggenstaatverplichtingen
Geldigheid:17-06-2011 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Richtlijn 2009/21/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 23 april 2009

betreffende de naleving van

Richtlijn 2009/21/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 23 april 2009

betreffende de naleving van vlaggenstaatverplichtingen
(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en met name op artikel 80, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité1,

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s2 ,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag3 ,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. De veiligheid van de scheepvaart in de Gemeenschap en van de burgers die er gebruik van maken, alsmede de bescherming van het milieu dienen te allen tijde te worden gewaarborgd.

  2. Wat de internationale scheepvaart betreft, is een uitgebreid kader voor de verbetering van de maritieme veiligheid en de bescherming van het milieu tegen verontreiniging door schepen opgezet door middel van een aantal verdragen waarvoor de Internationale Maritieme Organisatie (hierna "IMO" genoemd) depositaris is.

  3. In het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (United Nations Convention on the Law of the Sea, UNCLOS, 1982) en de verdragen waarvoor de IMO depositaris is (hierna "IMO-verdragen"), is bepaald dat de landen die partij zijn bij deze verdragen verantwoordelijk zijn voor het uitvaardigen van wetten en regels en voor het nemen van alle overige maatregelen die nodig zijn om die verdragen volledig ten uitvoer te leggen teneinde te garanderen dat, vanuit het oogpunt van de veiligheid van mensenlevens op zee en de bescherming van het mariene milieu, een schip geschikt is voor de dienst waarvoor het bestemd is en bemand wordt door vakbekwaam maritiem personeel.

  4. Er dient terdege rekening te worden gehouden met het Maritiem Arbeidsverdrag dat in 2006 werd aangenomen door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en dat ook betrekking heeft op vlaggenstaatverplichtingen.

  5. Op 9 oktober 2008 hebben de lidstaten een verklaring aangenomen waarin zij unaniem het belang onderkennen van de toepassing van de internationale verdragen die betrekking hebben op vlaggenstaatverplichtingen, teneinde de maritieme veiligheid te verbeteren en bij te dragen tot de preventie van verontreiniging door schepen.

  6. De bepalingen inzake verandering van vlaggenstaat die in de IMO-verdragen en de Gemeenschapswetgeving inzake maritieme veiligheid zijn opgenomen, dienen te worden versterkt door uitvoering te geven aan de procedures die door de IMO worden aanbevolen in MSC/Circ.1140/MEPC/Circ.424 van 20 december 2004 betreffende de overdracht van schepen tussen landen; dit zou ook moeten leiden tot grotere transparantie in de verhoudingen tussen vlaggenstaten en bijdragen tot de veiligheid op zee.

  7. De beschikbaarheid van informatie over schepen die de vlag van een lidstaat voeren en schepen die uit het register van een lidstaat zijn uitgeschreven, zou moeten bijdragen tot de transparantie van de prestaties van een vloot van hoge kwaliteit, zou het mogelijk moeten maken beter toezicht te houden op de vlaggenstaatverplichtingen en zou gelijke kansen voor alle instanties moeten garanderen.

  8. Om de lidstaten te helpen hun prestaties als vlaggenstaat verder te verbeteren dienen zij hun instanties op gezette tijden aan een audit te onderwerpen.

  9. Een kwaliteitscertificering van de administratieve procedures, overeenkomstig normen van de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) of gelijkwaardige normen, dient verder bij te dragen tot gelijke kansen voor alle instanties.

  10. De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden4.

  11. Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de opstelling en toepassing van passende maatregelen op het beleidsterrein maritiem vervoer, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, wegens haar omvang en effecten, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:


1PB C 318 van 23.12.2006, blz. 195.
2PB C 229 van 22.9.2006, blz. 38.
3Advies van het Europees Parlement van 29 maart 2007 (PB C 27 E van 31.1.2008, blz. 140), Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van 9 december 2008 (PB C 330 E van 30.12.2008, blz. 13) en Standpunt van het Europees Parlement van 11 maart 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
4PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en met name op artikel 80, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité1,

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s2 ,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag3 ,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. De veiligheid van de scheepvaart in de Gemeenschap en van de burgers die er gebruik van maken, alsmede de bescherming van het milieu dienen te allen tijde te worden gewaarborgd.

  2. Wat de internationale scheepvaart betreft, is een uitgebreid kader voor de verbetering van de maritieme veiligheid en de bescherming van het milieu tegen verontreiniging door schepen opgezet door middel van een aantal verdragen waarvoor de Internationale Maritieme Organisatie (hierna "IMO" genoemd) depositaris is.

  3. In het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (United Nations Convention on the Law of the Sea, UNCLOS, 1982) en de verdragen waarvoor de IMO depositaris is (hierna "IMO-verdragen"), is bepaald dat de landen die partij zijn bij deze verdragen verantwoordelijk zijn voor het uitvaardigen van wetten en regels en voor het nemen van alle overige maatregelen die nodig zijn om die verdragen volledig ten uitvoer te leggen teneinde te garanderen dat, vanuit het oogpunt van de veiligheid van mensenlevens op zee en de bescherming van het mariene milieu, een schip geschikt is voor de dienst waarvoor het bestemd is en bemand wordt door vakbekwaam maritiem personeel.

  4. Er dient terdege rekening te worden gehouden met het Maritiem Arbeidsverdrag dat in 2006 werd aangenomen door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en dat ook betrekking heeft op vlaggenstaatverplichtingen.

  5. Op 9 oktober 2008 hebben de lidstaten een verklaring aangenomen waarin zij unaniem het belang onderkennen van de toepassing van de internationale verdragen die betrekking hebben op vlaggenstaatverplichtingen, teneinde de maritieme veiligheid te verbeteren en bij te dragen tot de preventie van verontreiniging door schepen.

  6. De bepalingen inzake verandering van vlaggenstaat die in de IMO-verdragen en de Gemeenschapswetgeving inzake maritieme veiligheid zijn opgenomen, dienen te worden versterkt door uitvoering te geven aan de procedures die door de IMO worden aanbevolen in MSC/Circ.1140/MEPC/Circ.424 van 20 december 2004 betreffende de overdracht van schepen tussen landen; dit zou ook moeten leiden tot grotere transparantie in de verhoudingen tussen vlaggenstaten en bijdragen tot de veiligheid op zee.

  7. De beschikbaarheid van informatie over schepen die de vlag van een lidstaat voeren en schepen die uit het register van een lidstaat zijn uitgeschreven, zou moeten bijdragen tot de transparantie van de prestaties van een vloot van hoge kwaliteit, zou het mogelijk moeten maken beter toezicht te houden op de vlaggenstaatverplichtingen en zou gelijke kansen voor alle instanties moeten garanderen.

  8. Om de lidstaten te helpen hun prestaties als vlaggenstaat verder te verbeteren dienen zij hun instanties op gezette tijden aan een audit te onderwerpen.

  9. Een kwaliteitscertificering van de administratieve procedures, overeenkomstig normen van de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) of gelijkwaardige normen, dient verder bij te dragen tot gelijke kansen voor alle instanties.

  10. De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden4.

  11. Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de opstelling en toepassing van passende maatregelen op het beleidsterrein maritiem vervoer, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, wegens haar omvang en effecten, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:


1PB C 318 van 23.12.2006, blz. 195.
2PB C 229 van 22.9.2006, blz. 38.
3Advies van het Europees Parlement van 29 maart 2007 (PB C 27 E van 31.1.2008, blz. 140), Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van 9 december 2008 (PB C 330 E van 30.12.2008, blz. 13) en Standpunt van het Europees Parlement van 11 maart 2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
4PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

Artikel 1 Onderwerp

Onderwerp

  1. Deze richtlijn heeft tot doel:

    1. te garanderen dat de lidstaten zich doeltreffend en consequent kwijten van hun vlaggenstaatverplichtingen, en

    2. de veiligheid te verbeteren en verontreiniging door schepen die de vlag van een lidstaat voeren, te voorkomen.

  2. Deze richtlijn laat onverlet de communautaire maritieme wetgeving genoemd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de oprichting van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS)1 en in Richtlijn 1999/63/EG van de Raad van 21 juni 1999 inzake de overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden, gesloten door de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Federatie van de bonden voor het vervoerspersoneel in de Europese Unie (FST)2 .

1PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1.
2PB L 167 van 2.7.1999, blz. 33.

Artikel 10 Comitéprocedure

Comitéprocedure

  1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2099/2002 ingestelde Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS).

  2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.


    De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op twee maanden.

Artikel 11 Omzetting

Omzetting

  1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 17 juni 2011 aan deze richtlijn te voldoen. Zij zullen de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.


    Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor zulke verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

  2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 12 Inwerkingtreding

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 13 Adressaten

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 23 april 2009.

Voor het Europees Parlement

Voor de Raad

De voorzitter

De voorzitter

H.-G. Pöttering

P. Necas

Artikel 2 Toepassingsgebied

Toepassingsgebied

Deze richtlijn is van toepassing op de instanties van de staat waarvan het schip de vlag voert.

Artikel 3 Definities

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

  1. "schip": een schip of vaartuig dat de vlag van een lidstaat voert en onder de toepasselijke IMO-verdragen valt, en waarvoor een certificaat vereist is;

  2. "instanties": de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan het schip de vlag voert;

  3. "erkende organisatie": een organisatie die is erkend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties7;

  4. "certificaten": wettelijk voorgeschreven certificaten die met betrekking tot de relevante IMO-verdragen zijn afgegeven;

  5. "audit van de IMO": audit die overeenkomstig de bepalingen van de op 1 december 2005 door de algemene vergadering van de IMO aangenomen resolutie A.974(24) wordt uitgevoerd.

1 Zie bladzijde 11 van dit Publicatieblad.

Artikel 4 Voorwaarden exploitatie van een schip

Voorwaarden voor toestemming voor de exploitatie van een schip bij de verlening van het recht om de vlag van een lidstaat te voeren

  1. Voordat toegestaan wordt dat een schip, waaraan het recht is verleend de vlag van een lidstaat te voeren, in gebruik wordt genomen, neemt de betrokken lidstaat de maatregelen die hij geschikt acht om te waarborgen dat het bewuste schip aan de toepasselijke internationale regelgeving voldoet. Hij vergewist zich met name met alle redelijke middelen van de veiligheidsrapporten van het schip. Indien nodig pleegt hij overleg met de vorige vlaggenstaat om vast te stellen of er door genoemde staat ontdekte tekortkomingen of veiligheidsproblemen zijn die onopgelost zijn gebleven.

  2. Wanneer een andere vlaggenstaat informatie vraagt over een schip dat voorheen de vlag van een lidstaat voerde, verstrekt die lidstaat onverwijld bijzonderheden over nog te verhelpen tekortkomingen en andere relevante veiligheidsinformatie aan de vlaggenstaat die de informatie vraagt.

Artikel 5 Aanhouding van een schip

Aanhouding van een schip dat de vlag van een lidstaat voert

Wanneer de instanties ervan in kennis worden gesteld dat een schip dat de vlag van de betrokken lidstaat voert, door een havenstaat is aangehouden, zien zij er, overeenkomstig de hiertoe door hen vastgestelde procedures, op toe dat het schip in overeenstemming wordt gebracht met de toepasselijke IMO-verdragen.

Artikel 6 Begeleidende maatregelen

Begeleidende maatregelen

De lidstaten zorgen ervoor dat voor de toepassing van deze richtlijn ten minste de volgende gegevens betreffende de schepen die hun vlag voeren, worden bijgehouden en gemakkelijk toegankelijk zijn:

  1. scheepsgegevens (naam, IMO-nummer, enz.);

  2. datum van de controles, inclusief eventuele aanvullende controles, en van de audits;

  3. identificatie van de erkende organisaties die betrokken zijn bij de certificering en classificering van het schip;

  4. identificatie van de bevoegde autoriteit die het schip heeft geïnspecteerd overeenkomstig de havenstaatcontrolebepalingen en de data van de inspecties;

  5. resultaat van de havenstaatcontroles (tekortkomingen: ja of neen, aanhoudingen: ja of neen);

  6. informatie over ongevallen op zee;

  7. identificatie van de schepen die in de voorbije twaalf maanden hebben opgehouden de vlag van de betrokken lidstaat te voeren.

Artikel 7 Audits van vlaggenstaten

Audits van vlaggenstaten

De lidstaten nemen de nodige maatregelen voor een audit van de IMO van hun instanties ten minste eens per zeven jaar, onder voorbehoud van een positieve respons van de IMO op een tijdig verzoek van de betrokken lidstaat, en maken de resultaten van de audit bekend overeenkomstig de nationale wetgeving inzake geheimhouding.

Dit artikel verstrijkt ten laatste op 17 juni 2017 of op een eerdere datum, als vastgesteld door de Commissie in overeenstemming met de in artikel 10, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure, indien een verplicht auditprogramma van de IMO-lidstaten in werking is getreden.

Artikel 8 Kwaliteitsbeheerssysteem

Kwaliteitsbeheerssysteem en interne evaluatie

  1. Uiterlijk 17 juni 2012 ontwikkelt, implementeert en onderhoudt elke lidstaat een systeem voor het kwaliteitsbeheer van de operationele delen van de vlaggenstaatgerelateerde activiteiten van zijn instanties. Dat kwaliteitsbeheerssysteem wordt gecertificeerd overeenkomstig de toepasselijke internationale kwaliteitsnormen.

  2. Lidstaten die voorkomen op de zwarte, of twee jaar na elkaar op de grijze lijst in het meest recente jaarverslag van het Memorandum van Overeenstemming van Parijs inzake havenstaatcontrole (hierna "Paris MoU" genoemd), dienen uiterlijk vier maanden na de bekendmaking van het Paris MoU-jaarverslag een verslag over hun prestaties als vlaggenstaat in bij de Commissie.

    Dit verslag stelt de voornaamste redenen voor het gebrek aan naleving dat tot aanhoudingen en tekortkomingen heeft geleid, met de zwarte of grijze status als gevolg, vast en analyseert deze.

Artikel 9 Verslagen

Verslagen

Om de vijf jaar, en voor het eerst uiterlijk 17 juni 2012, dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in over de toepassing van deze richtlijn.

Dit verslag bevat een evaluatie van de prestaties van de lidstaten als vlaggenstaten.

Naar boven