Onderwerp: Bezoek-historie

2005/45 betreffende de wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden en tot wijziging van Richtlijn 2001/25/EG
Geldigheid:20-10-2005 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 80, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité1,

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag2,

Overwegende hetgeen volgt:
  1. In zijn conclusies van 5 juni 2003 betreffende de bevordering van het imago van het zeevervoer in de Gemeenschap en het interesseren van jongeren voor beroepen in de zeevaart benadrukte de Raad de noodzaak om de professionele mobiliteit van zeevarenden binnen de Europese Unie te stimuleren, waarbij in het bijzonder de nadruk moet worden gelegd op de procedures voor de erkenning van de bewijzen van beroepsbekwaamheid, en tegelijkertijd de volledige naleving moet worden gewaarborgd van de voorschriften van het Verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van 1978 in zijn bijgewerkte versie (STCW-Verdrag).
  2. Het zeevervoer is een uiterst dynamische sector met specifieke internationale kenmerken. Gezien het groeiende tekort aan communautaire zeevarenden kan het evenwicht tussen de vraag naar en het aanbod van personeel derhalve doeltreffender op communautair niveau dan op nationaal niveau worden gehandhaafd. Daarom moet het gemeenschappelijk vervoersbeleid in de sector zeevervoer worden uitgebreid om het vrij verkeer van zeevarenden binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken.
  3. Wat de kwalificaties van zeevarenden betreft, heeft de Gemeenschap de minimumeisen inzake beroepsopleiding en diplomering in de maritieme sector vastgelegd in het kader van Richtlijn 2001/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden3. Bij die richtlijn worden de internationale normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van het STCW-Verdrag in het Gemeenschapsrecht opgenomen.
  4. Richtlijn 2001/25/EG bepaalt dat zeevarenden een bewijs van beroepsbekwaamheid moeten bezitten dat door de bevoegde autoriteit van een lidstaat is afgegeven en van een officiële verklaring is voorzien in overeenstemming met die richtlijn en dat de rechtmatige houder ervan het recht heeft werkzaam te zijn op een schip in de daarin beschreven hoedanigheid en de daarbij behorende functies te vervullen op het daarin omschreven verantwoordelijkheidsniveau.
  5. Krachtens Richtlijn 2001/25/EG is de wederzijdse erkenning door de lidstaten van de bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden, die al dan niet onderdaan van een lidstaat zijn, onderworpen aan de Richtlijnen 89/48/EEG (4) en 92/51/EEG5, waarbij respectievelijk een eerste en een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsonderwijs en -opleidingen wordt ingevoerd. Die richtlijnen voorzien niet in de automatische erkenning van de formele kwalificaties van zeevarenden, aangezien voor zeevarenden compenserende maatregelen kunnen gelden.
  6. Iedere lidstaat dient in overeenstemming met Richtlijn 2001/25/EG de door een andere lidstaat afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid of andere opleidingstitels te erkennen. Daarom dient iedere lidstaat zeevarenden die hun bewijs van beroepsbekwaamheid in een andere lidstaat hebben verworven, voorzover dit aan de eisen van deze richtlijn voldoet, toe te staan het zeevaartberoep waarvoor zij gekwalificeerd zijn op te nemen of uit te oefenen, zonder andere voorwaarden op te leggen dan voor zijn eigen onderdanen gelden.
  7. Deze richtlijn heeft tot doel de wederzijdse erkenning van bewijzen van beroepsbekwaamheid te vergemakkelijken; de voorwaarden voor toegang tot werkgelegenheid worden hierin niet geregeld.
  8. In het STCW-Verdrag zijn specifieke eisen met betrekking tot de talenkennis van zeevarenden vastgelegd. Deze eisen dienen in het Gemeenschapsrecht te worden opgenomen om een efficiënte communicatie op schepen te waarborgen en het vrije verkeer van zeevarenden binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken.
  9. Het toenemende aantal op bedrieglijke wijze verkregen bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden vormt thans een ernstig gevaar voor de veiligheid op zee en de bescherming van het mariene milieu. In de meeste gevallen voldoen de houders van valse bewijzen van beroepsbekwaamheid niet aan de minimumdiplomeringseisen van het STCW-Verdrag. Deze zeevarenden kunnen gemakkelijk bij ongevallen op zee betrokken raken.
  10. De lidstaten dienen derhalve specifieke maatregelen te nemen en uit te voeren om frauduleuze praktijken in samenhang met bewijzen van beroepsbekwaamheid te voorkomen en te bestraffen en zich binnen de IMO te blijven inzetten voor harde en afdwingbare afspraken over de mondiale bestrijding van dergelijke praktijken. Het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS) is in dit opzicht een geschikt forum voor de uitwisseling van informatie, ervaringen en beste praktijken.
  11. Bij Verordening (EG) nr. 1406/20026 werd een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (hierna ”het Agentschap” genoemd) opgericht, met het doel een hoog, uniform en effectief veiligheidsniveau op zee te waarborgen en vervuiling door schepen te voorkomen. Een van de taken van het Agentschap is de Commissie bij te staan bij de uitvoering van taken waarmee zij krachtens Gemeenschapswetgeving inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van scheepsbemanningen is belast.
  12. Het Agentschap dient de Commissie derhalve bij te staan bij de controle op de naleving door de lidstaten van de voorschriften van de onderhavige richtlijn en van Richtlijn 2001/25/EG.
  13. Voor de wederzijdse erkenning door de lidstaten van bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden die al dan niet onderdanen van een lidstaat zijn, dienen niet langer de Richtlijnen 89/48/EEG en 92/51/EEG te gelden, maar de onderhavige richtlijn.
  14. Richtlijn 2001/25/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.
  15. Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, te weten de wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
  16. Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord ”Beter Wetgeven” 7, worden de lidstaten aangespoord om voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die voorzover mogelijk het verband weergeven tussen deze richtlijn en hun omzettingsmaatregelen, en om deze openbaar te maken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



1 PB C 157 van 28.6.2005, blz. 53.
2 Advies van het Europees Parlement van 23 februari 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Besluit van de Raad van 27 juni 2005.
3 PB L 136 van 18.5.2001, blz. 17. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/23/EG van de Commissie (PB L 62 van 9.3.2005, blz. 14).
4 Richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB L 19 van 24.1.1989, blz. 16). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 206 van 31.7.2001, blz. 1).
5 Richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van Richtlijn 89/48/EEG (PB L 209 van 24.7.1992, blz. 25). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2004/108/EG van de Commissie (PB L 32 van 5.2.2004, blz. 15).
6 Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de instelling van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (PB L 208 van 5.8.2002, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 724/2004 (PB L 129 van 29.4.2004, blz. 1).
7 PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

Artikel 1 Toepassingsgebied


Deze richtlijn is van toepassing op zeevarenden die:
  1. onderdaan van een lidstaat zijn,
  2. onderdaan van een derde land zijn en houder zijn van een door een lidstaat afgegeven bewijs van beroepsbekwaamheid.

Artikel 2 Definities


Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
  1. ”zeevarende”: een persoon die is opgeleid en van een lidstaat een bewijs van beroepsbekwaamheid heeft ontvangen ten minste overeenkomstig de in bijlage I bij Richtlijn 2001/25/EG vastgelegde eisen;
  2. ”bewijs van beroepsbekwaamheid”: een geldig document in de zin van artikel 4 van Richtlijn 2001/25/EG;
  3. ”passend vaarbevoegdheidsbewijs”: een bewijs zoals bedoeld in artikel 1, punt 27, van Richtlijn 2001/25/EG;
  4. ”officiële verklaring”: een geldig document dat door de bevoegde autoriteit van een lidstaat is afgegeven in overeenstemming met artikel 5, leden 2 en 6, van Richtlijn 2001/25/EG;
  5. ”erkenning”: de aanvaarding door de bevoegde autoriteiten van een gastland van een door een andere lidstaat afgegeven bewijs van beroepsbekwaamheid of passend vaarbevoegdheidsbewijs;
  6. ”gastland”: een lidstaat waarin een zeevarende om erkenning verzoekt van zijn passend vaarbevoegdheidsbewijs of een ander bewijs van beroepsbekwaamheid;
  7. ”STCW-Verdrag”: het internationale verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van 1978, in de meest recente versie;
  8. ”STCW-code”: de code voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, aangenomen in Resolutie 2 van de STCW-conferentie van partijen van 1995, in de meest recente versie;
  9. ”het Agentschap”: het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, opgericht bij Verordening (EG) nr. 1406/2002.

Artikel 3 Erkenning van bewijzen


1. Elke lidstaat erkent passende vaarbevoegdheidsbewijzen of andere bewijzen van beroepsbekwaamheid die overeenkomstig de eisen van Richtlijn 2001/25/EG zijn afgegeven door een andere lidstaat.

2. De erkenning van passende vaarbevoegdheidsbewijzen is beperkt tot de daarin omschreven functies, taken en verantwoordelijkheidsniveaus en gaat vergezeld van een officiële verklaring ten bewijze van deze erkenning.

3. De lidstaten garanderen een recht van beroep tegen de weigering om een geldig bewijs van beroepsbekwaamheid te erkennen, of tegen het uitblijven van een besluit, overeenkomstig de nationale wetgeving en procedures.

4. Onverminderd lid 2 mogen de bevoegde autoriteiten van een gastland verdere beperkingen stellen aan de functies, taken en verantwoordelijkheidsniveaus met betrekking tot reizen nabij de kust, als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 2001/25/EG, of alternatieve vaarbevoegdheidsbewijzen die zijn afgegeven uit hoofde van Voorschrift VII/1 van bijlage I bij Richtlijn 2001/25/EG.

5. Het gastland ziet erop toe dat zeevarenden die met het oog op erkenning bewijzen indienen voor functies op managementniveau, beschikken over een passende kennis van het zeerecht van die lidstaat met betrekking tot de functies die zij mogen uitoefenen.

Artikel 4 Wijziging van Richtlijn 2001/25/EG


Dit artikel bevat een wijziging van Richtlijn 2001/25/EG

Artikel 5 Omzetting


1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 20 oktober 2007 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 6 Inwerkingtreding


Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 7 Adressaten


Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 7 september 2005.

Voor het Europees Parlement
De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad
De voorzitter

C. CLARKE
Naar boven