Onderwerp: Bezoek-historie

1999/95 handhaving van de bepalingen inzake arbeidstijd van zeevarenden
Geldigheid:30-06-2002 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 80, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De sociale politiek van de Gemeenschap is er onder meer op gericht de gezondheid en veiligheid van de werknemers in hun werkomgeving te verbeteren.

(2) Het beleid van de Gemeenschap op het gebied van het zeevervoer is er onder meer op gericht de leef- en werkomstandigheden van zeevarenden aan boord van schepen, de veiligheid op zee en de preventie van verontreiniging veroorzaakt door ongevallen op zee te verbeteren.

(3) De Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) heeft tijdens haar vierentachtigste bijeenkomst van 8-22 oktober 1996 het Verdrag betreffende de werktijden van zeevarenden en de bemanning van schepen van 1996 (IAO-Verdrag nr. 180) en het Protocol van 1996 bij het Verdrag betreffende de minimumnormen op koopvaardijschepen van 1976 (Protocol bij IAO-Verdrag nr. 147) aangenomen.

(4) De krachtens artikel 139, lid 2, van het Verdrag aangenomen Richtlijn 1999/63/EG van de Raad van 21 juni 1999 inzake de overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden, gesloten door de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Federatie van de bonden voor het vervoerspersoneel in de Europese Unie (FST)(4), beoogt de uitvoering van die op 30 september 1998 tussen de sociale partners gesloten overeenkomst (hierna "overeenkomst"); deze overeenkomst neemt een aantal bepalingen van IAO-Verdrag nr. 180 over; zij is van toepassing op zeevarenden aan boord van elk zeeschip, ongeacht of het staats- dan wel particulier eigendom is, dat geregistreerd is op het grondgebied van een lidstaat en gewoonlijk gebruikt wordt in de handelsscheepvaart.

(5) Doel van de onderhavige richtlijn is de toepassing van de op IAO-Verdrag nr. 180 gebaseerde bepalingen van Richtlijn 1999/63/EG ten aanzien van elk schip dat een haven van de Gemeenschap aandoet, ongeacht onder welke vlag het vaart, teneinde alle situaties die duidelijk gevaar opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van de zeevarenden te kunnen vaststellen en verhelpen; Richtlijn 1999/63/EG omvat evenwel eisen die niet in IAO-Verdrag nr. 180 zijn opgenomen en die dan ook niet van toepassing zijn aan boord van schepen die niet onder de vlag van een lidstaat varen.

(6) Richtlijn 1999/63/EG is van toepassing op zeevarenden aan boord van elk zeeschip dat op het grondgebied van een lidstaat is geregistreerd. De lidstaten moeten erop toezien dat de onder hun vlag varende schepen aan alle bepalingen van Richtlijn 1999/63/EG voldoen.

(7) Met het oog op de veiligheid en om concurrentievervalsing tegen te gaan, moeten de lidstaten erop kunnen toezien dat alle zeeschepen die hun havens aandoen, ongeacht de staat waar ze zijn geregistreerd, aan de relevante bepalingen van Richtlijn 1999/63/EG voldoen.

(8) Met name schepen die varen onder de vlag van een staat die geen partij is bij IAO-Verdrag nr. 180 of het protocol bij IAO-Verdrag nr. 147, mogen geen gunstiger behandeling krijgen dan schepen onder de vlag van een staat die partij is bij dit Verdrag en dit protocol of bij een van beide.

(9) Voor de controle op de effectieve toepassing van Richtlijn 1999/63/EG moeten de lidstaten inspecties verrichten aan boord van schepen, met name na het ontvangen van een klacht van de kapitein, een bemanningslid of iedere persoon of organisatie met een legitiem belang bij de veilige exploitatie van het schip, veilige leef- en werkomstandigheden aan boord of de preventie van verontreiniging.

(10) Voor de toepassing van de onderhavige richtlijn mogen de lidstaten zo nodig op eigen initiatief, havenstaatcontrole-inspecteurs aanwijzen voor inspecties aan boord van schepen die een haven in de Gemeenschap aandoen.

(11) Het bewijs dat een schip niet aan de eisen van Richtlijn 1999/63/EG voldoet kan worden verkregen na controle van het organisatieschema van de werkzaamheden aan boord en van de registers met de gegevens inzake arbeids- of rusttijden van de zeevarenden, of wanneer de inspecteur reden heeft om aan te nemen dat de zeevarenden oververmoeid zijn.

(12) De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een schip de haven is binnengelopen kan een uitvaarverbod opleggen wanneer de omstandigheden aan boord van dat schip duidelijk gevaarlijk zijn voor de gezondheid of veiligheid van de zeevarenden, totdat de geconstateerde tekortkomingen zijn verholpen of de bemanning voldoende is uitgerust.

(13) Aangezien in Richtlijn 1999/63/EG de bepalingen van IAO-Verdrag nr. 180 zijn overgenomen, kan controle op de naleving door op het grondgebied van een derde staat geregistreerde schepen van de bepalingen van deze richtlijn pas plaatsvinden nadat dit Verdrag in werking is getreden,





1 PB C 43 van 17.2.1999, blz. 16.
2 PB C 138 van 18.5.1999, blz. 33.
3 Advies van het Europees Parlement van 14 april 1999 PB C 219 van 30.7.1999, blz. 240, gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 12 juli 1999 PB C 249 van 1.9.1999, blz. 7 en besluit van het Europees Parlement van 4 november 1999 nog niet in het Publicatieblad verschenen.
4 PB L 167 van 2.7.1999, blz. 37.

Artikel 01 Doel en toepassingsgebied


1. Doel van deze richtlijn is te voorzien in een mechanisme voor controle op en handhaving van de naleving van Richtlijn 1999/63/EG betreffende de arbeidstijd van zeevarenden door schepen die havens van de lidstaten aandoen, teneinde de veiligheid op zee, de werkomstandigheden, de gezondheid en de veiligheid van zeevarenden aan boord van schepen te verbeteren.

2. De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat schepen die niet op hun grondgebied geregistreerd staan noch onder hun vlag varen de clausules 1 tot en met 12 van de overeenkomst in de bijlage bij Richtlijn 1999/63/EG naleven.

Artikel 02 Definities


In het kader van deze richtlijn wordt verstaan onder

a)"schip" : elk zeeschip, ongeacht of het staats- dan wel particulier eigendom is, dat gewoonlijk gebruikt wordt in de handelsscheepvaart. Vissersvaartuigen vallen niet onder deze definitie;

b)"bevoegde autoriteit" : de autoriteiten die door de lidstaten zijn aangewezen om taken te verrichten krachtens deze richtlijn;

c)"inspecteur" : een werknemer of andere persoon uit de overheidssector die aan de bevoegde autoriteit van een lidstaat verantwoording verschuldigd is en die door deze bevoegde autoriteit is gemachtigd om de werkomstandigheden aan boord te inspecteren;

d) "klacht" : een mededeling of verslag ingediend door een bemanningslid, een beroepsorganisatie, een associatie, een vakbond of, in het algemeen, eenieder die belang heeft bij de veiligheid van het schip en met name bij de veiligheid en gezondheid van de bemanning.

Artikel 03 Opstelling van verslagen


Onverminderd artikel 1, lid 2, stelt een lidstaat die een klacht ontvangt die hij niet kennelijk ongegrond acht of over aanwijzingen beschikt dat een schip dat vrijwillig in het kader van de normale uitoefening van zijn activiteiten dan wel om operationele redenen een van zijn havens aandoet, niet voldoet aan de in Richtlijn 1999/63/EG genoemde normen, een verslag op ten behoeve van de regering van het land waar het schip is geregistreerd, en indien een overeenkomstig artikel 4 verrichte inspectie relevante bewijzen oplevert, neemt de lidstaat de nodige maatregelen om te waarborgen dat alle omstandigheden aan boord die duidelijk gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de zeevarenden worden verholpen.
De identiteit van de persoon die de klacht indient behoeft niet aan de kapitein of de eigenaar var het schip bekend te worden gemaakt.

Artikel 04 Inspectie en nadere inspectie


1. Wanneer een inspecteur een inspectie verricht met het doel bewijzen te verzamelen dat een schip niet voldoet aan de normen van Richtlijn 1999/63/EG, onderzoekt hij of:
- er aan boord van het schip een organisatieschema van de werkzaamheden voorhanden is, dat in de werktaal of -talen van het schip en in het Engels is opgesteld volgens het model van bijlage I of een ander gelijkwaardig model, en dat op een gemakkelijk toegankelijke plaats aan boord is opgehangen;
- de gegevens over de arbeids- en rusttijden van de zeevarenden in de werktaal of -talen van het schip en in het Engels worden geregistreerd op formulieren volgens het model van bijlage II, of een ander gelijkwaardig model, die aan boord worden bewaard en door de bevoegde autoriteit van de staat waar het schip is geregistreerd, zijn goedgekeurd.

2. Wanneer een klacht is ontvangen, of de inspecteur op grond van zijn eigen waarnemingen aan boord vermoedt dat de zeevarenden oververmoeid zijn, voert de inspecteur een nadere inspectie uit volgens lid 1 om zich ervan te vergewissen of de geregistreerde arbeids- en rusttijden in overeenstemming zijn met de in Richtlijn 1999/63/EG voor de zeevaartsector vastgelegde normen en of daaraan naar behoren de hand is gehouden, waarbij hij andere geregistreerde gegevens betreffende de scheepsactiviteiten in zijn beoordeling betrekt.

Artikel 05 Herstel van tekortkomingen


1. Indien tijdens de inspectie of de nadere inspectie blijkt dat het schip niet voldoet aan de normen van Richtlijn 1999/63/EG, neemt de lidstaat de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat omstandigheden aan boord die duidelijk gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de zeevarenden, worden verbeterd. Zo kan onder meer een uitvaarverbod worden opgelegd, totdat de geconstateerde tekortkomingen zijn verholpen of de zeevarenden voldoende zijn uitgerust.

2. Indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat het wachtpersoneel van de eerste wacht of van één van de aflossingsploegen oververmoeid is, zorgt de lidstaat ervoor dat het schip niet uitvaart voordat de geconstateerde tekortkomingen zijn hersteld of de zeevarenden voldoende zijn uitgerust.

Artikel 06 Follow-up procedures


1. Wanneer een schip krachtens artikel 5 een verbod krijgt opgelegd om de haven te verlaten, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat de kapitein, de eigenaar of exploitant, de overheid van de vlaggenstaat of de staat waar het schip is geregistreerd dan wel de consul, of wanneer er geen consul is, de dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiging van de betrokken staat, in kennis van de resultaten van de in artikel 4, bedoelde inspecties, van eventuele beslissingen van de inspecteur en van de vereiste corrigerende maatregelen.

2. Bij een inspectie krachtens deze richtlijn wordt alles in het werk gesteld om te voorkomen dat een schip onrechtmatig wordt opgehouden. Is dat toch het geval, dan heeft de eigenaar of exploitant recht op vergoeding van geleden verlies of schade. In geval van vermeend onrechtmatig oponthoud rust de bewijslast op de eigenaar of exploitant van het schip.

Artikel 07 Recht van beroep


1. De eigenaar of de exploitant van het schip of diens vertegenwoordiger in de lidstaat heeft het recht beroep in te stellen tegen een door de bevoegde instantie genomen besluit tot aanhouding. Het beroep schorst de aanhouding niet.

2. De lidstaten dienen hiertoe in overeenstemming met hun nationale wetgeving passende beroepsprocedures in te stellen en te handhaven.

3. De bevoegde instantie dient de kapitein van het schip als bedoeld in lid 1 naar behoren op de hoogte te stellen van zijn recht op beroep.

Artikel 08 Administratieve samenwerking


1. De lidstaten treffen de nodige regelingen om ervoor te zorgen dat er, onder voorwaarden die verenigbaar zijn met die van artikel 14 van Richtlijn 95/21/EG van de Raad van 19 juni 1995 betreffende de naleving, met betrekking tot de schepen die gebruik maken van havens in de Gemeenschap en varen in de onder de jurisdictie van de lidstaten vallende wateren, van internationale normen op het gebied van de veiligheid van schepen, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord (havenstaatcontrole)*, samenwerking is tussen hun bevoegde instanties en de bevoegde instanties van de andere lidstaten met het oog op de effectieve toepassing van deze richtlijn, en stellen de Commissie van die regelingen in kennis.

2. De informatie betreffende de ter toepassing van de artikelen 4 en 5 genomen maatregelen wordt bekendgemaakt overeenkomstig de voorwaarden van artikel 15, eerste alinea, van Richtlijn 95/21/EG.





* PB L 157 van 7.7.1995, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/42/EG PB L 184 van 27.6.1998, blz. 40.

Artikel 09 Niet-begunstigingsclausule


Bij inspectie van een schip dat geregistreerd is op het grondgebied of onder de vlag vaart van een staat die IAO-Verdrag nr. 180 of het protocol bij IAO-Verdrag nr. 147 niet heeft geratificeerd, zorgen de lidstaten ervoor dat, zodra het Verdrag en het protocol in werking zijn getreden, de behandeling van dit schip en haar bemanning niet gunstiger is dan van een schip dat geregistreerd is op het grondgebied of onder de vlag vaart van een staat die wel partij is bij IAO-Verdrag nr. 180 en/of het protocol bij IAO-Verdrag nr. 147.

Artikel 10 Slotbepalingen


1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 30 juni 2002 aan deze richtlijn te voldoen.

2. Wanneer de lidstaten de in lid 1 bedoelde bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

3. De lidstaten delen de Commissie onverwijld alle bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 11 Vaartuigen van niet-lidstaten


De bepalingen van deze richtlijn zijn pas op de datum van inwerkingtreding van IAO-Verdrag nr. 180 en het protocol bij het IAO-Verdrag nr. 147 van toepassing op schepen die niet in een lidstaat geregistreerd zijn of niet varen onder de vlag van een lidstaat.

Artikel 12 Inwerkingtreding


Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 13


Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 13 december 1999.

Voor het Europees Parlement
De Voorzitster

N. FONTAINE

Voor de Raad
De voorzitter

S. HASSI

Bijlage I Model organisatieschema van de werkzaamheden aan boord




NL Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen 20. 1. 2000

UITTREKSELS UIT IAO-VERDRAG Nr. 180 EN HET STCW-VERDRAG

IAO-Verdrag nr. 180

Artikel 5

1. De grenzen aan de werktijden zijn als volgt:
a) de maximumwerktijd mag niet langer zijn dan:
  i) 14 uur in elke periode van 24 uur; en
  ii) 72 uur in elke periode van zeven dagen; of
b) de minimumrusttijd mag niet korter zijn dan:
  i) tien uur in elke periode van 24 uur; en
  ii) 77 uur in elke periode van zeven dagen.

2. De rusttijd kan ten hoogste in twee perioden waarvan er een minstens zes uur moet bedragen worden opgedeeld en de tijdruimte tussen twee opeenvolgende rusttijden mag niet langer zijn dan 14 uur.

6. Niets in de leden 1 en 2 belet een partij nationale wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen of een procedure vast te stellen op grond waarvan de bevoegde autoriteit collectieve arbeidsovereenkomsten kan goedkeuren of registreren die uitzonderingen op de vastgestelde grenzen mogelijk maken. Dergelijke uitzonderingen dienen zoveel mogelijk aan de gestelde normen te voldoen, maar er kan rekening worden gehouden met frequenter of langer durend verlof, of de toekenning van compensatieverlof voor zeevarenden die wachthouden of zeevarenden die aan boord werken van schepen die korte reizen maken.


Artikel 7

1. Niets in dit verdrag kan worden geacht afbreuk te doen aan het recht van een kapitein van een schip om van een zeevarende te verlangen alle uren te werken die noodzakelijk zijn voor de onmiddellijke veiligheid van het schip, de personen aan boord of de lading, of om bijstand te verlenen aan andere schepen of personen die op zee in nood verkeren.

3. Zodra dit na het herstel van de normale situatie mogelijk is, zorgt de kapitein ervoor dat alle zeevarenden die tijdens een geplande rustperiode gewerkt hebben, de nodige tijd kunnen rusten.



STCW-Verdrag

Paragraaf A-VIII/I van de STCW-code voorschriften

1. Alle personen die zijn aangewezen om dienst te doen als officier die chef van de wacht is moeten per 24 uur minstens tien uur rust krijgen.

2. De rusturen mogen over niet meer dan twee perioden verdeeld zijn en een daarvan moet minstens zes uur bedragen.

3. De in de leden 1 en 2 vastgelegde eisen inzake rustperioden hoeven niet te worden nageleefd in geval van nood of oefening of in andere doorslaggevende operationele omstandigheden.

4. Onverminderd de bepalingen van de leden 1 en 2 mag de minimumperiode van tien uur maximaal tot zes opeenvolgende uren worden verminderd, mits dit niet langer duurt dan twee dagen en ten minste 70 uren rust wordt gegeven per periode van zeven dagen.

5. De overheid moet voorschrijven dat wachtregelingen op een gemakkelijk toegankelijke plaats worden opgehangen.


Paragraaf B-VIII/I van de STCW-code leidraad

3. Bij de toepassing van voorschrift VIII/I moet met het volgende rekening worden gehouden:
1. bij het treffen van voorzieningen om vermoeidheid te voorkomen moet ervoor worden gezorgd dat in zijn totaliteit niet buitensporig of onredelijk lang wordt gewerkt. Met name moet het feit dat in paragraaf A-VIII/I minimumrustperioden zijn vastgesteld niet in die zin worden geinterpreteerd dat alle overige uren aan wachtdienst of andere dienst mogen worden besteed;
2. de frequentie en lengte van de verlofperioden en het verlenen van compensatieverlof zijn essentiele factoren bij het voorkomen dat de vermoeidheid zich over een bepaalde periode opstapelt;
3. voor schepen die korte reizen maken, mogen de voorschriften varieren mits bijzondere veiligheidsvoorzieningen worden getroffen.

Bijlage II Modelformulier voor de registratie van de werk- of rusttijden van zeevarenden




Naar boven