Onderwerp: Bezoek-historie

1998/41 registratie van opvarenden van passagiersschepen
Geldigheid:18-06-1998 t/m 22-11-2003Versie:vergelijk
Vergelijk versie 1 met:
Status: Was geldig

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.


Deze Richtlijn is bijgewerkt a.d.h.v. Richtlijn 2002/84/EG


DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 84, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Overeenkomstig de procedure van artikel 189 C van het Verdrag (3),


(1) Overwegende dat er in het kader van het gemeenschappelijk vervoerbeleid meer maatregelen moeten worden genomen om de veiligheid van het zeevervoer te verhogen;

(2) Overwegende dat de Gemeenschap ernstig bezorgd is over ongevallen met passagiersschepen waarbij veel mensen het leven verloren, vooral over de rampen met de "Herald of Free Enterprise" en de "Estonia"; dat personen die in de Gemeenschap van passagiersschepen en hogesnelheidsvaartuigen gebruik maken, mogen verwachten en erop vertrouwen dat deze vaartuigen veilig zijn en dat er een goed informatiesysteem bestaat dat opsporingsen reddingsoperaties en een efficiânte afhandeling van de gevolgen van eventuele ongevallen zal vergemakkelijken;

(3) Overwegende dat ervoor gezorgd moet worden dat het aantal passagiers aan boord van een passagiersschip niet het aantal overschrijdt waarvoor het schip en de veiligheidsuitrusting gecertificeerd zijn; dat maatschappijen in staat zouden moeten zijn de opsporings- en reddingsdiensten te informeren over het aantal personen dat bij een ongeval betrokken is;

(4) Overwegende dat vaststelling van gegevens over passagiers en bemanning noodzakelijk is ter vergemakkel ijking van opsporings- en reddingsoperaties en de efficiânte afhandeling van de gevolgen van een ongeval, d.w.z. het identificeren van de betrokken personen, het verschaffen van meer duidelijkheid over desbetreffende juridische kwesties en het bijdragen tot doeltreffender medische zorg voor geredde personen; dat deze informatie de onnodige bezorgdheid kan wegnemen van familieleden en andere personen die zich bekommeren over opvarenden van passagiersschepen in wateren waarvoor de lidstaten krachtens het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee van 1979 verantwoordelijkheid dragen (SAR);

(5) Overwegende dat passagiers derhalve voor het vertrek van het schip zouden moeten worden geteld en geregistreerd;

(6) Overwegende dat de voorschriften van hoofdstuk III van het Solas-Verdrag bepalen dat alle opvarenden van alle passagiersschepen die internationale reizen maken moeten worden geteld en geregistreerd, per 1 juli 1997 respectievelijk per 1 januari 1999, maar dat de overheid passagiersschepen die in beschutte wateren varen, mag vrijstellen van deze vereisten, alsmede van het registratievereiste indien de dienstregelingen van die schepen het voor hen ondoenlijk maken zulke gegevensbestanden bij te houden; dat dit hoofdstuk van het Solas-Verdrag niet van toepassing is op binnenlandse reizen en de interpretatie van belangrijke punten aan het oordeel van de lidstaten wordt overgelaten;

(7) Overwegende dat deze richtlijn strookt met het recht van de lidstaten om aan passagiersschepen die vanuit of naar hun havens varen bepaalde strengere eisen te stellen dan in het Solas-Verdrag zijn voorgeschreven;

(8) Overwegende dat, met name gezien de omvang van de interne markt voor passagiersvervoer over zee, maatregelen op communautair niveau het meest efficiânte middel zijn om tot vaststelling van een voor schepen in de gehele Gemeenschap geldend veiligheidsniveau te komen;

(9) Overwegende dat, gelet op het evenredigheidsbeginsel, een richtlijn van de Raad het passende rechtsinstrument is aangezien deze een kader biedt voor de eenvormige en verplichte toepassing van veiligheidsnormen door de lidstaten waarbij het aan elke lidstaat wordt overgelaten te besluiten welke toepassingsbepalingen het beste in zijn binnenlandse systeem passen;

(10) Overwegende dat lidstaten kunnen zorgen voor de naleving van de toepasselijke veiligheidsvoorschriften door de passagiersschepen die onder hun vlag varen en de maatschappijen die ze exploiteren; dat deze regels niet zouden mogen worden opgelegd aan schepen die tussen havens in derde landen opereren; dat de Solas-voorschriften op deze reizen van toepassing zijn;

(11) Overwegende dat de enige manier waarop de lidstaten de veiligheid en de efficiânte afhandeling van de gevolgen van mogelijke ongevallen kunnen waarborgen van alle passagiersschepen die vanuit hun havens opereren of wensen te opereren, ongeacht onder welke vlag zij varen, is dat zij daadwerkelijke naleving van de desbetreffende veiligheidsvoorschriften eisen als voorwaarde om vanuit hun havens te mogen opereren; dat het verlenen van vrijstelling van deze regels niet alleen aan de vlaggenstaat mag worden overgelaten, aangezien alleen de havenstaat in de positie verkeert om te bepalen wat de vereisten zijn voor de best mogelijke zoek- en reddingsoperaties voor passagiersschepen die vanuit of naar een haven varen;

(12) Overwegende dat met het oog op de harmonisatie van de gezondheidsbescherming en het vermijden van concurrentievervalsing, lidstaten voor reizen die in EG-havens beginnen of eindigen geen vrijstelling of ontheffing mogen verlenen van de desbetreffende Solas-bepalingen inzake "passagiersgegevens " om andere dan de in deze richtlijn genoemde redenen;

(13) Overwegende dat om redenen in verband met uitvoerbaarheid en het vermijden van concurrentievervalsing een uniforme aanpak moet worden ingesteld wat betreft het bepalen voor welke reizen de registratie van opvarenden verplicht zou moeten zijn; dat de 20-mijlsgrens er is gekomen door met door alle lidstaten onderschreven algemene beginselen en specifieke belangen rekening te houden;

(14) Overwegende dat om bepaalde redenen in verband met de exploitatie, het tellen van opvarenden van schepen die de Straat van Messina oversteken gedurende een korte periode op een eenvoudiger manier mag worden verricht dan door individuele telling; dat de lidstaten de bepaling dat passagiersschepen die korte geregelde diensten uitsluitend in beschutte zeegebieden onderhouden, het aantal opvarenden moeten doorgeven aan de wal, zoals omschreven in de richtlijn, enigszins moeten kunnen versoepelen; dat passagiersschepen die uitsluitend in beschutte zeegebieden varen minder risico opleveren en daarom voor vrijstelling in aanmerking komen; dat het in bepaalde omstandigheden voor scheepvaartmaatschappijen uiterst moeilijk uitvoerbaar is opvarenden te registreren en dat dus in bepaalde omstandigheden en onder welbepaalde voorwaarden een afwijking van de registratieverplichting zou kunnen worden toegestaan;

(15) Overwegende dat de verzameling en verwerking van gegevens over met name genoemde personen moet worden uitgevoerd overeenkomstig de in Richtlijn 95/46/EG (4) vastgelegde beginselen inzake gegevensbescherming; dat met name personen, wanneer hun gegevens worden verzameld, duidelijk moet worden verteld voor welk doel de verlangde gegevens bestemd zijn, en dat de gegevens slechts zeer korte tijd en in geen geval langer dan nodig is voor de toepassing van deze richtlijn bewaard mogen worden;

(16) Overwegende dat een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten de Commissie moet bijstaan bij de werkelijke toepassing van de richtlijn; dat het bij artikel 12 van Richtlijn 93/ 75/EEG (5) opgerichte comité deze taak op zich kan nemen;

(17) Overwegende dat sommige bepalingen van de richtlijn door dit comité kunnen worden aangepast om rekening te houden met in werking getreden toekomstige wijzigingen van het Solas-Verdrag,


(1) PB C 31 van 31. 1. 1997, blz. 5 en PB C 275 van 11. 9. 1997, blz. 7.
(2) PB C 206 van 7. 7. 1997, blz. 111.
(3) Advies van het Europees Parlement van 29 mei 1997 PB C 138 van 16. 6. 1998, blz. 31, gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 11 december 1997 PB C 23 van 23. 1. 1998, blz. 17, en besluit van het Europees Parlement van 11 maart 1998 PB C 104 van 6. 4. 1998.
(4) PB L 281 van 23. 11. 1995, blz. 31.
(5) PB L 247 van 5. 10. 1993, blz. 19.

Ingangsdatum: 18-06-1998

Deze Richtlijn is bijgewerkt a.d.h.v. Richtlijn 2002/84/EG


DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 84, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Overeenkomstig de procedure van artikel 189 C van het Verdrag (3),


(1) Overwegende dat er in het kader van het gemeenschappelijk vervoerbeleid meer maatregelen moeten worden genomen om de veiligheid van het zeevervoer te verhogen;

(2) Overwegende dat de Gemeenschap ernstig bezorgd is over ongevallen met passagiersschepen waarbij veel mensen het leven verloren, vooral over de rampen met de "Herald of Free Enterprise" en de "Estonia"; dat personen die in de Gemeenschap van passagiersschepen en hogesnelheidsvaartuigen gebruik maken, mogen verwachten en erop vertrouwen dat deze vaartuigen veilig zijn en dat er een goed informatiesysteem bestaat dat opsporingsen reddingsoperaties en een efficiânte afhandeling van de gevolgen van eventuele ongevallen zal vergemakkelijken;

(3) Overwegende dat ervoor gezorgd moet worden dat het aantal passagiers aan boord van een passagiersschip niet het aantal overschrijdt waarvoor het schip en de veiligheidsuitrusting gecertificeerd zijn; dat maatschappijen in staat zouden moeten zijn de opsporings- en reddingsdiensten te informeren over het aantal personen dat bij een ongeval betrokken is;

(4) Overwegende dat vaststelling van gegevens over passagiers en bemanning noodzakelijk is ter vergemakkel ijking van opsporings- en reddingsoperaties en de efficiânte afhandeling van de gevolgen van een ongeval, d.w.z. het identificeren van de betrokken personen, het verschaffen van meer duidelijkheid over desbetreffende juridische kwesties en het bijdragen tot doeltreffender medische zorg voor geredde personen; dat deze informatie de onnodige bezorgdheid kan wegnemen van familieleden en andere personen die zich bekommeren over opvarenden van passagiersschepen in wateren waarvoor de lidstaten krachtens het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee van 1979 verantwoordelijkheid dragen (SAR);

(5) Overwegende dat passagiers derhalve voor het vertrek van het schip zouden moeten worden geteld en geregistreerd;

(6) Overwegende dat de voorschriften van hoofdstuk III van het Solas-Verdrag bepalen dat alle opvarenden van alle passagiersschepen die internationale reizen maken moeten worden geteld en geregistreerd, per 1 juli 1997 respectievelijk per 1 januari 1999, maar dat de overheid passagiersschepen die in beschutte wateren varen, mag vrijstellen van deze vereisten, alsmede van het registratievereiste indien de dienstregelingen van die schepen het voor hen ondoenlijk maken zulke gegevensbestanden bij te houden; dat dit hoofdstuk van het Solas-Verdrag niet van toepassing is op binnenlandse reizen en de interpretatie van belangrijke punten aan het oordeel van de lidstaten wordt overgelaten;

(7) Overwegende dat deze richtlijn strookt met het recht van de lidstaten om aan passagiersschepen die vanuit of naar hun havens varen bepaalde strengere eisen te stellen dan in het Solas-Verdrag zijn voorgeschreven;

(8) Overwegende dat, met name gezien de omvang van de interne markt voor passagiersvervoer over zee, maatregelen op communautair niveau het meest efficiânte middel zijn om tot vaststelling van een voor schepen in de gehele Gemeenschap geldend veiligheidsniveau te komen;

(9) Overwegende dat, gelet op het evenredigheidsbeginsel, een richtlijn van de Raad het passende rechtsinstrument is aangezien deze een kader biedt voor de eenvormige en verplichte toepassing van veiligheidsnormen door de lidstaten waarbij het aan elke lidstaat wordt overgelaten te besluiten welke toepassingsbepalingen het beste in zijn binnenlandse systeem passen;

(10) Overwegende dat lidstaten kunnen zorgen voor de naleving van de toepasselijke veiligheidsvoorschriften door de passagiersschepen die onder hun vlag varen en de maatschappijen die ze exploiteren; dat deze regels niet zouden mogen worden opgelegd aan schepen die tussen havens in derde landen opereren; dat de Solas-voorschriften op deze reizen van toepassing zijn;

(11) Overwegende dat de enige manier waarop de lidstaten de veiligheid en de efficiânte afhandeling van de gevolgen van mogelijke ongevallen kunnen waarborgen van alle passagiersschepen die vanuit hun havens opereren of wensen te opereren, ongeacht onder welke vlag zij varen, is dat zij daadwerkelijke naleving van de desbetreffende veiligheidsvoorschriften eisen als voorwaarde om vanuit hun havens te mogen opereren; dat het verlenen van vrijstelling van deze regels niet alleen aan de vlaggenstaat mag worden overgelaten, aangezien alleen de havenstaat in de positie verkeert om te bepalen wat de vereisten zijn voor de best mogelijke zoek- en reddingsoperaties voor passagiersschepen die vanuit of naar een haven varen;

(12) Overwegende dat met het oog op de harmonisatie van de gezondheidsbescherming en het vermijden van concurrentievervalsing, lidstaten voor reizen die in EG-havens beginnen of eindigen geen vrijstelling of ontheffing mogen verlenen van de desbetreffende Solas-bepalingen inzake "passagiersgegevens " om andere dan de in deze richtlijn genoemde redenen;

(13) Overwegende dat om redenen in verband met uitvoerbaarheid en het vermijden van concurrentievervalsing een uniforme aanpak moet worden ingesteld wat betreft het bepalen voor welke reizen de registratie van opvarenden verplicht zou moeten zijn; dat de 20-mijlsgrens er is gekomen door met door alle lidstaten onderschreven algemene beginselen en specifieke belangen rekening te houden;

(14) Overwegende dat om bepaalde redenen in verband met de exploitatie, het tellen van opvarenden van schepen die de Straat van Messina oversteken gedurende een korte periode op een eenvoudiger manier mag worden verricht dan door individuele telling; dat de lidstaten de bepaling dat passagiersschepen die korte geregelde diensten uitsluitend in beschutte zeegebieden onderhouden, het aantal opvarenden moeten doorgeven aan de wal, zoals omschreven in de richtlijn, enigszins moeten kunnen versoepelen; dat passagiersschepen die uitsluitend in beschutte zeegebieden varen minder risico opleveren en daarom voor vrijstelling in aanmerking komen; dat het in bepaalde omstandigheden voor scheepvaartmaatschappijen uiterst moeilijk uitvoerbaar is opvarenden te registreren en dat dus in bepaalde omstandigheden en onder welbepaalde voorwaarden een afwijking van de registratieverplichting zou kunnen worden toegestaan;

(15) Overwegende dat de verzameling en verwerking van gegevens over met name genoemde personen moet worden uitgevoerd overeenkomstig de in Richtlijn 95/46/EG (4) vastgelegde beginselen inzake gegevensbescherming; dat met name personen, wanneer hun gegevens worden verzameld, duidelijk moet worden verteld voor welk doel de verlangde gegevens bestemd zijn, en dat de gegevens slechts zeer korte tijd en in geen geval langer dan nodig is voor de toepassing van deze richtlijn bewaard mogen worden;

(16) Overwegende dat een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten de Commissie moet bijstaan bij de werkelijke toepassing van de richtlijn; dat het bij artikel 12 van Richtlijn 93/ 75/EEG (5) opgerichte comité deze taak op zich kan nemen;

(17) Overwegende dat sommige bepalingen van de richtlijn door dit comité kunnen worden aangepast om rekening te houden met in werking getreden toekomstige wijzigingen van het Solas-Verdrag,


(1) PB C 31 van 31. 1. 1997, blz. 5 en PB C 275 van 11. 9. 1997, blz. 7.
(2) PB C 206 van 7. 7. 1997, blz. 111.
(3) Advies van het Europees Parlement van 29 mei 1997 PB C 138 van 16. 6. 1998, blz. 31, gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 11 december 1997 PB C 23 van 23. 1. 1998, blz. 17, en besluit van het Europees Parlement van 11 maart 1998 PB C 104 van 6. 4. 1998.
(4) PB L 281 van 23. 11. 1995, blz. 31.
(5) PB L 247 van 5. 10. 1993, blz. 19.

Artikel 01

Ingangsdatum: 18-06-1998

Het doel van deze richtlijn is de veiligheid en reddingskansen te verhogen van passagiers en bemanning van passagiersschepen die vanuit of naar havens van de lidstaten van de Gemeenschap varen en een doeltreffender aanpak mogelijk te maken van de opsporings- en reddingsoperaties en de verdere afwikkeling van de gevolgen van een ongeluk.

Artikel 02


Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
• "personen": alle opvarenden, ongeacht hun leeftijd;
• "passagiersschepen": zeewaardige schepen en zeewaardige hogesnelheidsvaartuigen die meer dan twaalf passagiers vervoeren;
• "hogesnelheidsvaartuig": een hogesnelheidsvaartuig als omschreven in voorschrift 1 van hoofdstuk X van het Solas-Verdrag van 1974, als gewijzigd op de datum van aanneming van deze richtlijn;
• "maatschappij": de eigenaar van het passagiersschip of iedere andere organisatie of persoon zoals de bedrijfsvoerder of scheepsbevrachter die de verantwoordel ijkheid voor de exploitatie van het passagiersschip van de eigenaar heeft overgenomen;
• "ISM-Code": International Safety Management Code voor de veilige exploitatie van schepen en voor preventie van verontreiniging, welke door de algemene vergadering van de IMO is goedgekeurd bij resolutie A.741 (18) van 4 november 1993;
• "passagiersregistratiebeambte": de verantwoordelijke persoon aan de wal die door een maatschappij is aangewezen om aan de verplichtingen van de ISMcode te voldoen of een persoon aan de wal die door de maatschappij verantwoordelijk is gemaakt voor het bijhouden van de gegevens van personen die aan boord zijn gegaan van een passagiersschip van de maatschappij;
• "aangewezen instantie": de bevoegde instantie van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de opsporings- en reddingsoperaties of de afwikkeling van de gevolgen van een ongeluk;
• "mijl": 1 852 meter;
• "beschutte wateren": tegen de omstandigheden op volle zee beschutte gebieden waar een passagiersschip nooit meer dan 6 mijl verwijderd is van een toevluchtsoord waar schipbreukelingen aan land kunnen gaan en waar de nabijheid van opsporings- en reddingsvoorzieningen gewaarborgd is;
• "geregelde diensten": een reeks overtochten door schepen waarmee de verbinding tussen twee of meer dezelfde havens wordt onderhouden, hetzij:
a) volgens een gepubliceerde dienstregeling; hetzij
b) met zo geregelde of frequente overtochten dat deze een herkenbare systematische reeks vormen;
• "derde land": elk land dat geen lidstaat is.

Ingangsdatum: 18-06-1998
Geldig tot en met: 22-11-2003

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
• "personen": alle opvarenden, ongeacht hun leeftijd;
• "passagiersschepen": zeewaardige schepen en zeewaardige hogesnelheidsvaartuigen die meer dan twaalf passagiers vervoeren;
• "hogesnelheidsvaartuig": een hogesnelheidsvaartuig als omschreven in voorschrift 1 van hoofdstuk X van het Solas-Verdrag van 1974, als gewijzigd op de datum van aanneming van deze richtlijn;
• "maatschappij": de eigenaar van het passagiersschip of iedere andere organisatie of persoon zoals de bedrijfsvoerder of scheepsbevrachter die de verantwoordel ijkheid voor de exploitatie van het passagiersschip van de eigenaar heeft overgenomen;
• "ISM-Code": International Safety Management Code voor de veilige exploitatie van schepen en voor preventie van verontreiniging, welke door de algemene vergadering van de IMO is goedgekeurd bij resolutie A.741 (18) van 4 november 1993;
• "passagiersregistratiebeambte": de verantwoordelijke persoon aan de wal die door een maatschappij is aangewezen om aan de verplichtingen van de ISMcode te voldoen of een persoon aan de wal die door de maatschappij verantwoordelijk is gemaakt voor het bijhouden van de gegevens van personen die aan boord zijn gegaan van een passagiersschip van de maatschappij;
• "aangewezen instantie": de bevoegde instantie van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de opsporings- en reddingsoperaties of de afwikkeling van de gevolgen van een ongeluk;
• "mijl": 1 852 meter;
• "beschutte wateren": tegen de omstandigheden op volle zee beschutte gebieden waar een passagiersschip nooit meer dan 6 mijl verwijderd is van een toevluchtsoord waar schipbreukelingen aan land kunnen gaan en waar de nabijheid van opsporings- en reddingsvoorzieningen gewaarborgd is;
• "geregelde diensten": een reeks overtochten door schepen waarmee de verbinding tussen twee of meer dezelfde havens wordt onderhouden, hetzij:
a) volgens een gepubliceerde dienstregeling; hetzij
b) met zo geregelde of frequente overtochten dat deze een herkenbare systematische reeks vormen;
• "derde land": elk land dat geen lidstaat is.

Artikel 03

Ingangsdatum: 18-06-1998

Deze richtijn is van toepassing op passagiersschepen, met uitzondering van:
• oorlogs- en troepentransportschepen; en
• plezierjachten, tenzij deze een beroepsbemanning hebben of krijgen en meer dan twaalf passagiers vervoeren voor commerciële doeleinden.

Artikel 04

Ingangsdatum: 18-06-1998

1. Voordat een passagiersschip uit een in een lidstaat gelegen haven vertrekt, moeten alle opvarenden worden geteld.

2. Het aantal opvarenden moet voor het vertrek worden meegedeeld aan de kapitein van het passagiersschip, alsmede aan de passagiersregistratiebeambte van de maatschappij of aan een zich aan wal bevindend systeem van de maatschappij dat voor hetzelfde doel dient.

Artikel 05

Ingangsdatum: 18-06-1998

1. Voor alle passagiersschepen die uit een in een lidstaat gelegen haven vertrekken voor reizen van meer dan 20 mijl vanaf de plaats van vertrek moeten de volgende gegevens worden geregistreerd:
• de achternamen van de opvarenden,
• de voornamen of de initialen,
• het geslacht,
• de leeftijdscategorie (volwassene, kind of zuigeling) waartoe de persoon behoort, dan wel leeftijd of geboortejaar,
• door passagiers op eigen initiatief verstrekte informatie in verband met behoefte aan speciale zorg of bijstand in noodsituaties.

2. Deze gegevens dienen võõr het vertrek van het passagiersschip te worden verzameld en uiterlijk 30 minuten erna te worden doorgegeven aan de registratiebeambte van de maatschappij of aan een zich aan wal bevindend systeem van de maatschappij dat hetzelfde doel dient.

Artikel 06

Ingangsdatum: 18-06-1998

1. De lidstaten moeten voor onder hun vlag varende passagiersschepen die uit een buiten de Gemeenschap gelegen haven vertrekken met als bestemming een haven binnen de Gemeenschap, de maatschappij verplichten ervoor te zorgen dat de gegevens overeenkomstig artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 1, worden verstrekt zoals bepaald in artikel 4, lid 2, en artikel 5, lid 2.

2. De lidstaten moeten, voor onder de vlag van een derde land varende passagiersschepen die uit een buiten de Gemeenschap gelegen haven vertrekken met als bestemming een haven binnen de Gemeenschap, de maatschappij verplichten ervoor te zorgen dat de gegevens overeenkomstig artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 1, van deze richtlijn worden verzameld en bewaard, zodat zij voor de aangewezen instantie beschikbaar zijn, bij eventuele opsporings- en reddingsoperaties en de verdere afwikkeling van de gevolgen van een ongeluk.

3. Wanneer lidstaten krachtens de desbetreffende Solasbepalingen met betrekking tot de passagiersgegevens vrijstellingen of ontheffingen verlenen aan onder hun eigen vlag varende schepen die, komend uit havens buiten de Gemeenschap, havens binnen de Gemeenschap aandoen, mogen zij dit alleen doen volgens de in de bepalingen van deze richtlijn neergelegde voorwaarden voor vrijstellingen of afwijkingen.

Artikel 07

Ingangsdatum: 18-06-1998

De kapitein draagt er voor het vertrek zorg voor dat het aantal opvarenden van een passagiersschip dat vertrekt uit een in een lidstaat gelegen haven niet groter is dan het aantal opvarenden dat het passagiersschip mag vervoeren.

Artikel 08

Ingangsdatum: 18-06-1998

Alle maatschappijen die de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van een passagiersschip als bedoeld in artikel 3 op zich nemen moeten, wanneer dat krachtens de artikelen 4 en 5 vereist is:
• een systeem opzetten voor de registratie van passagiersgegevens. Het systeem moet voldoen aan de criteria van artikel 11;
• een passagiersregistratiebeambte aanstellen die verantwoordelijk is voor het bewaren van deze gegevens en voor het doorgeven ervan in een noodgeval of voor de afwikkeling van de gevolgen van een ongeluk.

De maatschappij zorgt ervoor dat de door de onderhavige richtijn voorgeschreven gegevens te allen tijde onmiddellijk beschikbaar zal zijn om aan de aangewezen instantie te worden doorgegeven voor opsporings- en reddingsoperaties in een noodgeval of na een ongeluk.

De persoonsgegevens die worden verzameld overeenkomstig artikel 5 mogen niet langer worden bewaard dan nodig is voor de toepassing van deze richtlijn.

De maatschappij zorgt ervoor dat nadere gegevens over personen die hebben verklaard in noodsituaties speciale zorg of bijstand nodig te hebben, naar behoren worden geregistreerd en aan de kapitein doorgegeven voordat het passagiersschip vertrekt.

Artikel 09

Ingangsdatum: 18-06-1998

1. Een lidstaat uit een haven waarvan een passagiersschip vertrekt, mag de in artikel 5 vermelde 20- mijlsdrempel verlagen. Besluiten over de verlaging van deze drempel voor reizen tussen twee havens in verschillende lidstaten moeten door deze lidstaten gezamenlijk worden genomen.

2.a) Bij de tenuitvoerlegging van artikel 4, lid 1, mag de Italiaanse Republiek, voor geregelde diensten die de Straat van Messina oversteken, bepalen dat het maximumaantal personen dat mag worden vervoerd aan boord van een passagiersschip dat treinstellen en wegvoertuigen vervoert, wordt bepaald door telling op basis van het maximumaantal passagiers die in de treinstellen en alle andere voertuigen aan boord mogen worden vervoerd, indien de opvarenden om redenen in verband met de exploitatie niet individueel kunnen worden geteld. Deze bepaling is slechts vier jaar van toepassing. Over verlenging wordt, overeenkomstig lid 3, beslist in het licht van de opgedane ervaring.
b) Een lidstaat uit een haven waarvan een schip vertrekt, kan passagiersschepen die een geregelde dienst uitsluitend in beschutte wateren onderhouden, waarbij de vaartijd tussen de aanloophavens minder dan een uur bedraagt, vrijstellen van de verplichting van artikel 4, lid 2, om het aantal opvarenden door te geven aan de passagiersregistratiebeambte of aan een zich aan wal bevindend systeem van de maatschappij dat voor hetzelfde doel dient.
c) Een lidstaat kan passagiersschepen die bij reizen tussen twee havens of bij reizen van en naar dezelfde haven zonder tussenliggende aanloophavens uitsluitend in beschutte wateren varen, vrijstellen van de verplichtingen uit hoofde van artikel 5.

3. In de in lid 2 vermelde omstandigheden dient de volgende procedure te worden gevolgd:
a) de lidstaat stelt de Commissie onverwijld in kennis van zijn besluit om een vrijstelling of ontheffing van de betreffende bepalingen van de artikelen 4 en 5 te verlenen, met opgave van gegronde redenen daarvoor;
b) indien de Commissie binnen zes maanden na de kennisgeving van mening is dat dit besluit niet gerechtvaardigd is of de concurrentie ongunstig zou kunnen beãnvloeden, kan zij, volgens de procedure van artikel 13, van de lidstaat eisen dat hij zijn besluit wijzigt of intrekt.

4. Met betrekking tot geregelde diensten in wateren waarin de jaarlijkse waarschijnlijkheid van significante golfhoogten van meer dan twee meter geringer is dan 10 % en
• indien de reis niet meer bedraagt dan ongeveer 30 mijl vanaf het vertrekpunt, of
• indien het voornaamste doel van de dienst is het onderhouden van geregelde verbindingen met afgelegen gemeenschappen voor gebruikelijke doeleinden,

kan een lidstaat uit de haven waarvan een passagiersschip vertrekt voor een binnenlandse reis, of kunnen twee lidstaten tussen de havens waarvan passagiersschepen verbindingen onderhouden, de Commissie verzoeken om volledige of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting om de in artikel 5, lid 1, bedoelde gegevens te registreren indien hij/zij van mening is/zijn dat dit voor de maatschappijen onuitvoerbaar is.

Met het oog hierop dient te worden bewezen dat het onuitvoerbaar is, deze gegevens te verzamelen. Daarnaast dient te worden aangetoond dat in het gebied waarin dergelijke schepen varen, navigatiesystemen aan de wal en betrouwbare weersvoorspellingen voorhanden zijn en dat voldoende opsporings- en reddingsfaciliteiten beschikbaar zijn. Krachtens dit lid verleende ontheffingen mogen geen nadelige gevolgen hebben voor de concurrentie.

Besluiten worden genomen volgens de procedure van artikel 13.

5. Een lidstaat mag krachtens deze richtlijn aan uit zijn havens vertrekkende passagiersschepen geen vrijstelling of ontheffing verlenen wanneer zij varen onder de vlag van een derde land dat verdragsluitende partij is bij Solas, en zij krachtens de desbetreffende Solas-bepalingen niet in aanmerking komen voor de toepassing van dergelijke vrijstellingen.

Artikel 10

Ingangsdatum: 18-06-1998

De overeenkomstig artikel 8 opgezette registratiesystemen moeten worden goedgekeurd door de lidstaten.

De lidstaten controleren ten minste steekproefsgewijs de goede werking van de overeenkomstig deze richtlijn op hun grondgebied opgezette registratiesystemen.

De lidstaten wijzen de instantie aan waaraan de in artikel 8 bedoelde maatschappijen de door deze richtijn voorgeschreven gegevens moeten verstrekken.

Artikel 11

Ingangsdatum: 18-06-1998

1. Voor de toepassing van deze richtlijn moeten de registratiesystemen voldoen aan de volgende functionele criteria:
i) Leesbaarheid:
De formattering van de gegevens moet zodanig zijn dat zij gemakkelijk leesbaar zijn.
ii) Beschikbaarheid:
De vereiste gegevens moeten onmiddellijk beschikbaar zijn voor de aangewezen instanties waarvoor de in het systeem opgeslagen informatie van belang is.
iii) Vlotte werking:
Het systeem moet zo in elkaar zitten dat er geen onnodige vertraging ontstaat voor de passagiers die zich inschepen en/of aan land gaan.
iv) Beveiliging:
De gegevens moeten voldoende beveiligd zijn tegen het per ongeluk of onwettig vernietigen of verloren gaan en tegen wijziging, bekendmaking of toegang door onbevoegden.

2. Een veelvoud van systemen op dezelfde of op soortgelijke routes dient te worden vermeden.

Artikel 12


Onverminderd de procedures voor de wijziging van het Solas-Verdrag, kan deze richtlijn worden gewijzigd overeenkomstig de procedure van artikel 13, teneinde te zorgen voor de toepassing in de zin van deze richtlijn, zonder de werkingssfeer ervan te verruimen, van latere, op de registratiesystemen betrekking hebbende wijzigingen van het Solas-Verdrag die na de aanneming van deze richtlijn in werking zijn getreden.

Ingangsdatum: 18-06-1998
Geldig tot en met: 22-11-2003

Onverminderd de procedures voor de wijziging van het Solas-Verdrag, kan deze richtlijn worden gewijzigd overeenkomstig de procedure van artikel 13, teneinde te zorgen voor de toepassing in de zin van deze richtlijn, zonder de werkingssfeer ervan te verruimen, van latere, op de registratiesystemen betrekking hebbende wijzigingen van het Solas-Verdrag die na de aanneming van deze richtlijn in werking zijn getreden.

Artikel 13


De Commissie wordt bijgestaan door het overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Richtlijn 93/75/EEG opgericht Comité. Het Comité functioneert overeenkomstig de procedure van de leden 2 en 3 van dat artikel.

Ingangsdatum: 18-06-1998
Geldig tot en met: 22-11-2003

De Commissie wordt bijgestaan door het overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Richtlijn 93/75/EEG opgericht Comité. Het Comité functioneert overeenkomstig de procedure van de leden 2 en 3 van dat artikel.

Artikel 14

Ingangsdatum: 18-06-1998

De lidstaten voeren een systeem in van sancties voor overtredingen van de nationale bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 15

Ingangsdatum: 18-06-1998

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 1999 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Artikel 5 wordt uiterlijk op 1 januari 2000 van toepassing.

2. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiâle bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

3. De lidstaten delen de Commissie onmiddellijk de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 16

Ingangsdatum: 18-06-1998

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na de bekendmaking ervan.

Artikel 17

Ingangsdatum: 18-06-1998

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.richtlijn in werking zijn getreden.

Gedaan te Luxemburg, 18 juni 1998.

Voor de Raad
De Voorzitter

G. STRANG
Naar boven