Onderwerp: Bezoek-historie

06 Richtlijnen voor beveiliging en controle v.d. machine-installatie bij 0-mans bezetting, >4000 apk ...
Geldigheid:01-02-1975 t/m 30-04-2000Status: Niet meer geldig

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.


RICHTLIJNEN VOOR BEVEILIGING EN KONTROLE VAN DE MACHINE INSTALLATIE BIJ 0-MANS WACHTBEZETTING AAN BOORD VAN SCHEPEN VOORZIEN VAN EEN AL DAN NIET DIRECT OMKEERBARE HOOFDMOTOR MET EEN VERMOGEN VAN MEER DAN 4.000 APK, AL DAN NIET VOORZIEN VAN EEN VERSTELBARE SCHROEF

6.00 Algemene bepalingen


OPMERKING T.A.V. VERSTELBARE SCHROEF-INSTALLATIE.
A. HOOFDMOTOR MET VASTE SCHROEF (brugbediening inbegrepen)
B HOOFDMOTOR MET VERSTELBARE SCHROEF-INSTALLATIE (brugbediening inbegrepen)
C. ZUIGKOELING HOOFDMOTOR
D. CILINDERKOELING HOOFDMOTOR
E. SMERING HOOFDMOTOR
F. KRUKKAST-, SPOELLUCHTRUIMTE EN HOGEDRUK BRANDSTOFLEIDINGEN HOOFDMOTOR
G. BRANDSTOFKLEPKOELING HOOFDMOTOR
H. ZOUTKOELWATER HOOFDMOTOR
I. SMEEROLIE UITLAATGASSENTURBINES HOOFDMOTOR (indien afzonderlijk systeem)
J. BRANDSTOF HOOFDMOTOR (indien zware brandstof)
K. BRANDSTOF HOOFDMOTOR (indien lichte brandstof)
L. SPOELLUCHT OF OPLAADLUCHT HOOFDMOTOR
M. AANZETLUCHT (vaste schroefinstallatie)
N. AANZETLUCHT (verstelbare schroef-installaties)
O. REDUCTIEKAST indien van afzonderlijk smeersysteem voorzien)
P. SCHAKELBARE FRICTIE-, HYDRAULISCHE- OF ELECTRISCHE KOPPELING
Q. ASLEIDING
R. HULPMOTOREN
S. SMERING HULPMOTOREN
T. CILINDERKOELWATER HULPMOTOREN
U. ZOUTKOELWATER HULPMOTOREN
V. BRANDSTOF HULPMOTOREN (indien zware brandstof)
W. BRANDSTOF HULPMOTOREN (indien lichte brandstof)
X. OLIEGESTOOKTE KETEL EN AFVOERGASSEN KETEL (al of niet gekombineerd)
Y. THERMISCHE VLOEISTOFKETEL
Z. VERDAMPERINSTALLATIE
AA. SMEEROLIE CENTRIFUGE (S), BRANDSTOF CENTRIFUGE (S) (indien continu inbedrijf)
BB. REGELMEDIA (indien toegepast voor essentiele doeleinden)
CC. STUURMACHINE
DD. BILGEPEIL
EE. ALARM EN OPROEPSYTEEM
FF. BRANDMELD- EN BRANDBLUSSYTEMEN

Voor installaties met vaste schroef: B en N niet van toepassing.
Voor installaties met verstelbare schroef: A en M niet van toepassing.

6.01 Definities


Hokjes gearceerd = Deze mogelijkheid is niet toegestaan.
Hokjes niet ingevuld = Voorziening niet verplicht.
Hokjes ingevuld met ”ja” = Voorziening is verplicht.
N.B : indien ”ja” is geplaatst tussen de regels van 2 mogelijkheden, kan worden gekozen.
Centrale post = Manoeuvreerstand en directe omgeving.
H = Maximaal alarm.
L = Minimaal alarm.
”Stand by” pomp = Pomp welke automatisch de functie van een te werkstaande pomp overneemt indien de druk of doorstroming van de vloeistof in het betrokken systeem vermindert tot een tevoren vastgestelde waarde.

6.02


In deze richtlijnen is onderscheid gemaakt tussen 0-mans wachtbezetting onder alle omstandigheden (0) en 0-mans wachtbezetting onder gunstige omstandigheden (0+).

6.03


Op de brug dient het al of niet onbemand zijn van de motorkamer visueel gesignaleerd te zijn. Zowel op de brug als in de motorkamer dient visueel te worden aangeduid van waaruit de voorstuwingsinstallatie wordt bediend; op de brug d.m.v. een witte lamp voor motorkamerbediening en een blauwe lamp voor brugbediening. Gelijktijdige bediening vanaf brug en motorkamer mag niet mogelijk zijn.
Het bijzetten van de brugbediening dient alleen vanuit de motorkamer te kunnen geschieden, terwijl het terugnemen van de brugbediening in de motorkamer te allen tijde mogelijk moet zijn. Voorts dienen voldoende waarborgen aanwezig te zijn, om te voorkomen, dat door het omschakelen van de bediening de stuwdruk ongewild noemenswaardig wordt gewijzigd.

N.B.: Hieraan wordt ook geachte te zijn voldaan indien een zgn. ”overneemknop” is geinstalleerd. Nadat in de motorkamer is overgeschakeld naar de brug dient aldaar een witte lamp te gaan branden met opschrift ”Brugbediening mogelijk”. Niet eerder dan na het indrukken van de overneemknop mag het mogelijk zijn de voortstuwingsinstallatie vanaf de brug te bedienen. Hierbij dient genoemde witte lamp te doven en de blauwe lamp ”Brugbediening” te gaan branden.

6.04


Alle in deze richtlijnen opgenomen alarmen dienin als volgt gezamenlijk te worden gesignaleerd:
4.1. Akoestisch en/of visueel overal in de machinekamer
4.2. Akoestisch in de hut van een der beschikbare wtk”s
4.3. Akoestisch en/of visueel in de daarvoor in aanmerking komende verblijven.
Wanneer van deze regels wordt afgeweken, of wanneer tevens de brug gealarmeerd dient te worden, is dit in de kolom ”Opmerkingen” nader omschreven. Wanneer het alarm na een bepaalde tijd niet erkend wordt, dient het volgens par.5 punt 5.5. voorgeschreven algemeen-wtk-alarm in werking te treden en de brug te worden gealarmeerd (zie par.7).

6.05


Eveneens zullen de volgende alarmen en signalen akoestisch de werktuigkundigen waarschuwen:
5.1. Telegraaf: in de motorkamer (ingeval vam m.k. bediening van hoofdmotor)
5.2. CO-2 alarm: in motorkamer
5.3. Algemeen scheepsalarm
5.4. Brandalarmering voor motorkamer: in accommodatie wtk.’s op de brug en in de motorkamer
5.5. Algemeen wtk-alarm: in accommodatie wtk.’s

Terwijl het aanbevelen verdient een duidelijk akoestisch onderscheid te verzekeren tussen de hiervoor benodigde geluidsbronnen, is de keuze ten aanzien van de mogelijkheden beperkt.

Waar de duidelijkheid niet voldoende bereikt kan worden, verdient het aanbeveling in de nabijheid van de geluidsbronnen en/of daarvoor in aanmerking komende plaatsen een tableau aan te brengen, waarop visueel de oorzaak wordt vermeld, die de geluidsbron doet functioneren.

Indien de hoorbaarheid van een geluidsbron onvoldoende is, kan - met uitzondering van het CO-2 alarm - bovendien gebruik worden gemaakt van een of meer zwaailichten.

6.06 Uitvoering van alarminstallatie in motorkamer:


6.1. Alle visuele alarmesignaleringen dienen op een centraal alarmpaneel te worden geplaatst. Dit alarmpaneel dient te worden opgesteld in de nabijheid van de centrale post, althans dient het zichtbaar te zijn vanaf deze post.

6.2. Het alarmsysteem moet zijn aangesloten hetzij rechtstreeks op een accu batterij hetzij op het boordnet. In het laatste geval moet de uitvoering zodanig zijn, dat bij wegvallen van de netspanning automatisch op een noodvoeding wordt overgeschakeld.

6.3. Op het alarmpaneel dient een visuele indicatie aan te geven, dat spaning aanwezig is. Te lage- en nul- spanning dient te worden gealarmeerd.

6.4. Door middel van rode lampen dient te worden aangegeven door welke oorzaak een alarm is opgetreden. Hiervoor kan desgewenst een verlichte tekst worden toegepast. Tevens dient een akoestisch alarm te worden ingeschakeld. Bij erkenning van een alarm van een alarm moet het akoestisch signaal worden gestopt. Hierbij moet door middel van een kleurwijziging dan wel een toestandsverandering (bijv. knipperend-constant brandend) visueel alarm een andere presentatie geven.
Deze wijziging in presentatie van een alarm mag het inwerkingtreden van een ander alarmpunt niet beinvloeden.
Na opheffing van de betrokken storing moet de uitschakeling van de akoestische signaalgever automatisch weer zijn opgeheven, evenals de visuele aanduiding. Bij nieuwe installaties dienen alarm- en stuurcicuits gescheiden uitgevoerd te worden.
De alarmering moet zijn voorzien van een geheugen- of vangschakeling (vasthouden van alarmsignaal ook bij kortstondige afwijkingen van bewaakte functies). Bij bestaande alarminstallaties verdient deze uitvoering de voorkeur.

6.5. Alle alarmlampen moeten kunnen worden beproefd door middel vaneen of meer testdrukkers.

6.6. Op of bij het alarmpaneel dienen een of meer schakelaars aanwezig te zijn waarmee de akoestische signalering van de motorkamer tevens kan worden gezet op de respectievelijke hutten der beschikbare wtk’s.

6.7. De hiervoor in aanmerking komende van een alarm tijdens manoeuvreren dient te worden voorkomen. Deze situatie doet zich met name voor bij door de hoofdmotor of door de schroefas aangedreven pompen.

6.07 Uitvoering van alarmeringen op de brug:


7.1. Voor de in deze richtlijnen voorgeschreven visuele en akoestische alarmen die naar de brug doorgegeven moeten worden, dienen op de bedieningslessenaar de volgende signaleringen aanwezig te zijn:
7.1.1. rode lampen, welke op de brug niet gedimd of uitschakeld mogen kunnen worden, voor:
7.1.1.1. Storting in het brugbedieningsysteem
7.1.1.2. de opdracht ”terug naar minimum toeren”, c.q. ”spoed teugnemen”.
7.1.1.3. uitvallen van de voortstuwingsmotor en lage smeeroliedruk motor; voorts indien aanwezig uitvallen de schakelbare koppeling, lage smeeroliedruk van reductiekast of omkeerkoppeling en lage oliedruk verstelbare schroef, met opschrift ”installatie onklaar”.
7.1.1.4. het niet binnen een gestelde tijd erkend zijn van een overig alarm in de motorkamer, bij voorkeur door middel van een groepsalarm.
7.1.2. Bij erkenning van een der bovengenoemde alarmen in de motorkamer, dient dit teruggemeld te worden naar de brug door een toestand verandering van het visuele signaal (bijv. van knipperend naar constant brandend of door een gele lamp, welke wel gedimd, maar niet uitgeschakeld mag worden). De betrokken rode alarmlampen mogen hierbij niet worden gedoofd.
7.1.3. Een lamp welke niet kan worden uigeschakeld maar wel mag worden gedimd moet aangegeven dat de alarminstallatie ingeschakeld is.
7.1.4. De in 7.1.1.genoemde visuele alarmen dienen vergezeld te gaan van een akoestisch signaal. Dit akoestisch signaal mag op de brug kunnen worden afgezet, mits elk volgend inkomend alarm direct weer kan aanspreken.

7.2. Het alarm voor brand in de motorkamer moet afzonderlijk akoestisch en visueel worden gesignaleerd.

6.08 Veiligheidskontrole machinekamerpersoneel (V.K.W.):


Na inschakeling dient de V.K.W. na 27 minuten een alarm te geven in de motorkamer. Is dit alarm na drie minuten niet beantwoord, dan dient de klok te alarmeren op het algemeen wtk-alarmen/of op de brug.
Meerdere resetknoppenverspreid over de motorkamer zijn toegestaan. de V.K.W. installatie behoeft normaal niet tewerkt te staan en alleen te worden ingeschakeld indien:
a. een alarm de aanwezigheid van de wachtwtk. in de M.K. vereist, in welk geval de V.K.W. automatisch, met het optredende alarm, in werking wordt gesteld en na het verlaten van de M.K. weer door de wachtwtk. wordt uitgeschakeld.
b. de wachtwtk., om andere redenen bijv. periodieke ronden of tijdelijke 1-mans wachtbezetting onder ongunstige omstandigheden, de M.K. betreedt in welke geval de V.K.W. door de wachtwtk. zelf in- en uitgeschakeld dient te worden
Zowel het inschakelen als het uitschakelen van de V.K.W.-installatie dient buiten de motorkamer te geschieden op een plaats die in overleg met een ambtenaar van Scheepvaartinspectie dient te worden bepaald.

6.09


Daar in enkel gevallen verschillende uitvoeringen mogelijk zijn, gelden de in deze richtlijnen omschreven eisen slechte wanneer de betreffende wachtcomponent en/of apparatuur is toegepast.

6.10 Algemeen


Indien als gevolg van het in werking treden van de beveiling, een werktuig of een gedeelte van de installatie tot stilstand wordt gebracht, dient zoveel mogelijk te worden voorkomen, dat de gehele installatie buiten werking wordtgesteld. Dit geldt in het bijzonder bij het uitvallen van de voortstuwingsinstallatie, in welk geval het hulpbedrijf zoveel moelijk gewaarborgd dient te blijven.

Bij het uitvallen van het regelsysteem dient de installatie in een veilige toestand te blijven.

Alarm- en regelapparatuur dient instelbaar te zijn.
De verschillende regelkringen met bijbehorende apparatuur dienen behalve op elkaar ook te zijn afgestemd op de toe te passen werktuigen en apparatuur. Overleg vooraf hieromtrent tussen de diverse fabrikanten en leveranciers wordt noodzakelijk geachte.

Brugbedieningslessenaar (s) dient (dienen) te zijn voorzien van een dimbare en afzetbare verlichting.

De installatie dien zodanig te zijn uitgevoerd, dat in geval van storing in de brugbediening of auto matische apparatuur he tbedrijf met de hand op redelijke en verantwoorde wijze kan worden gevoerd.

Afwijkende installaties (b.v. diesel- electrische voortstuwing) zullen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie afzonderlijk worden beoordeeld.

6.11 Brandpreventie - branddetectie en brandbestridjing.


(Algemene voorschriften en voorzieningen voortvloeiend uit IMCO resolutie A 211 (VII) d.d. 12-10-1971).

11.1. Brandpreventie:
Brandstof- en smeerolieleidingen moeten in machinekamers voor zover nodig afgeschermd of op andere wijze beveilgd worden teneinde het sproeien van olie of andere soort lekkages op hete oppervlakkken en bij luchtinlaten van machines, te voorkomen. Dit is tevens van toepassing bij hydraulische installaties waarbij een brandbaar medium wordt toegepast. Speciale aandacht dient gegeven te worden aan de afscherming van hogedruk brandstofleidingen aan de motoren. Eventuele lekkages dienen naar een verzameltank met een geeigend niveau alarm, geleid te worden. Indien brandstofdagtanken automatisch gevuld worden, dient het uitvloeien van olie uit de tank voorkomen te worden. Hetzelfde geldt voor centrifuges en filters die brandstof en smeerolie behandelen. Brandstofdagtank en settling tanks die met verwarmingsspiralen uitgerust zijn, moeten van een alarm voor hoge temperatuur voorzien zijn, indien gevaar voor verhitting boven het vlampunt aanwezig is.

11.2. Branddetectie.
De branddetectie installatie in machinekamer (s) en ketelruim (en) moet ontworpen zijn om een begin van brand snel te alarmeren. Hierbij moet zoveel mogelijk rookdetectie door middel van ionisatie apparatuur worden toegepast, waar nodig uitgebreid met temperatuurgevoelige apparatuur of optische detectie. Bij de beproeving moet rekening worden gehouden met de ventilatie onder alle voorkomende bedrijfsmonstandigheden, ook bij stilliggend schip. Na het aanbrengen van de installatie dienen realistische beproevingen met rook en vuur onder de bovenomschreven bedrijfstoestanden te worden gehouden. De alarmering zowel akoestisch als visueel dient op de brug, in de motorkamer en in de verblijven van de werktuigkundegen duidelijk waarneembaar te zijn. Deze alarmeren dienen afwijkend te zijn van alle andere alarmen. In de haven dient dit alarm daar te komen, waar een verantwoordelijk persoon op wacht is.

11.3. Brandbestrijding.
De voorzieningen voor brandbestrijding, zoals starten van brandbluspompen, stoppen van ventilatoren en brandstofpompen en/of centrifuges, bediening van de kooldioxyde brandblus- installatie, sluiten van afsluiters aan hooggelegen brandstoftanks, etc., etc. dienen zo dicht, als practisch uitvoerbaar, bij elkaar te worden opgesteld, waarbij het aanbeveling verdient hiervoor een centraal veiligheidsstation in te richten. In dit veiligheidsstation mag de kooldioxyde battery voor brandblussing niet worden opgesteld.
Afstandbediening van brandbluspompen op de brug en aan dek c.q. alarmering van de druk op de brandblusleiding bij een systeem onder constante druk dient met het oog op het onmiddelijk beschikbaar zijn van bluswater aanwezig te zijn.
Waar in verband met een doelmatige brandbestrijding zulks noodzakelijk blijkt, kunnen op strategische punten extra brandblusmiddelen worden verlangd teneinde het intact de bereikbaar houden van de voortstuwingingsinstallatie zo lang mogelijk te waarborgen.
Het verdient aanbeveling dat er voorzieningen getroffen worden om een brand in de machinekamer (s) en/of ketelruim(em) vanaf een schroefastunnel zou een doelmatig waterscherm aan de tunnelzijde van de waterdichte deur alsmede ten minste een brandblusafsluiter met slang en sproeiinrichting aanwezig kunnen zijn, welke is aangesloten op de noodbrandbluspomp. Bij schepen waar geen schroefastunnel aanwezeg is, zouden deze brandbestrijdingsmiddelen via een afdoende bescherde toegang vanaf een veilge plaats buiten de voortstuwingsruimte moeten kunnen worden bereikt.

11.4.
De onder par. 11 genoemde voorzieningen behoeven de goedkeuring van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

6.12 Keuring en afname:


De navolgende bescheiden dienen in viervoud ter keuring te worden ingediend:
Een compleet overzicht van de automatisering, alarmering en signalering werksschema van de automatische installatie.
Werkingsschema van de brugbediening met uitgebreide omschrijving.
Aanzicht van de brugbedieningslessenaar.
Aanzicht van de bedieningslessenaar in de machinekamer.
Werkingsschema van de alarminstallatie.
Aanzicht van hoofdalarmpaneel en eventuele sub-panelen. Verdere bescheiden op bovenstaande betrekking hebbende.
De installatie zal op een te houden technische proeftocht dienen te worden aangeboden voor afname door of namens de Inspecteur voor de Scheepvaart, hoofd van het district, waaronder het schip ressorteert. Eerst nadat het schip een periode van 3 - 6 maanden in de vaart is geweest, kan - nadat is gebleken dat de installatie naar behoren functioneet en de rederij zulks verantwoord acht - het schip worden aangeboden voor afname voor de verlangde wachtbezetting aan de Inspecteur voor de Scheepvaart voornoemd. Namens hem zal dan door een ambtenaar van Scheepvaartinspectie zo nodig een zeereis van voldoende tijdsduur worden meegemaakt teneinde de installatie te kunnen beproeven e en beoordelen. Genoemde ambtenaar van de Scheepvaartinspectie zal in de gelegenheid moet worden gesteld alle beproevingen uit te voeren welke hij voor het beoordelen van de installatie noodzakelijk acht. Eerst na ontvangen rapport van deze ambtenaar zal door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden bepaald of het schip in aanmerking kam komen voor de verlangde wachtbezetting. In het bevestigende geval zullen een verklaring en vrijstelling dienaangaande door hem worden verstrekt.

Opmerking t.a.v. verstelbare schroef-installatie


Waar in deze Richtlijnen wordt vermeld:
met opdracht “terug naar minimum toeren“,
moet voor verstelbare schroef-installaties worden gelezen:
met opdracht “spoed terugnemen indien het toerental van de hoofdmotor niet op de brug regelbaar is.
Naar boven