Onderwerp: Bezoek-historie

05 Richtlijnen voor beveiliging en kontrole van de machine installatie bij 0-mans bezetting...
Geldigheid:01-02-1974 t/m 30-04-2000Status: Niet meer geldig

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

RICHTLIJNEN VOOR BEVEILIGING EN KONTROLE VAN DE MACHINE INSTALLATIE BIJ 0-MANS WACHTBEZETTING AAN BOORD VAN MOTORSCHEPEN, VOORZIEN VAN EEN MEER-MOTORENINSTALLATIE, WAARBIJ HET VERMOGEN VAN DE AFZONDERLIJKE MOTOREN, DAN WEL HET GEZAMENLIJK VERMOGEN PER SCHROEFAS, MEER DAN 1.500 APK BEDRAAGT.

5.01 Definities



Hokjes gearceerd = Deze mogelijkheid is niet toegestaan.
Hokjes niet ingevuld = Voorziening niet verplicht.
Hokjes ingevuld met ja TD> = Voorziening is verplicht.
N.B : indien ”ja” is geplaatst tussen de regels van 2 mogelijkheden, kan worden gekozen.
Centrale post = Manoeuvreerstand en directe omgeving.
H = Maximaal alarm.
L = Minimaal alarm.

5.02

In deze richtlijnen is onderscheid gemaakt tussen 0-mans wachtbezetting onder alle omstandigheden (0) en 0-mans wachtbezetting onder gunstige omstandigheden (0+).

5.03


Op de brug dient het al of niet onbemand zijn van de motorkamer visueel gesignaleerd te zijn. Zowel op de brug als in de motorkamer dient visueel te worden aangeduid van waaruit de voortstuwingsinstallatie kan worden bediend; op de brug d.m.v. een witte lamp voor motorkamerbediening en een blauwe lamp voor brugbediening. Gelijktijdige bediening vanaf brug en motorkamer mag niet mogelijk zijn. Het bijzetten van de brugbediening dient alleen vanuit de motorkamer te kunnen geschieden, terwijl het terugnemen van de brugbediening in de motorkamer te allen tijden mogelijk moet zijn. Voorts dienen voldoende waarborgen aanwezig te zijn, om te voorkomen, dat door het omschakelen van de bediening de stuwdruk ongewild noemenswaardig wordt gewijzigd.

N.B.: Hieraan wordt ook geacht te zijn voldaan indien een zgn. ”overneemknop” is geïnstalleerd. Nadat in de motorkamer is overgeschakeld naar de brug dient aldaar een witte lamp te gaan branden met opschrift ”Brugbediening mogelijk”. Niet eerder dan na het indrukken van de overneemknop mag het mogelijk zijn de voortstuwingsinstallatie vanaf de brug te bedienen. Hierbij dient genoemde witte lamp te doven en de blauwe lamp ”Brugbediening” te gaan branden.

5.04


Alle in deze richtlijnen opgenomen alarmen dienen als volgt gezamenlijk te worden gesignaleerd:
4.1. Akoestisch en/of visueel overal in de motorkamer.
4.2 Akoestisch en in de hut van een der beschikbare wtk”s.
4.3 Akoestisch en/of visueel in de daarvoor in aanmerking komende verblijven. Wanneer van deze regels wordt afgeweken, of wanneer tevens de brug gealarmeerd dient te worden, is dit in de kolom ”Opmerkingen” nader omschreven. Wanneer het alarm na een bepaalde tijd niet erkend wordt, dient ingeval een volgens punt 5.5 aanwezig algemeen-wtkalarm wordt voorgeschreven, dit algemeen wtk-alarm in werking te treden.

5.05


5. Eveneens zullen de volgende alarmen en signalen akoestisch de werktuigkundigen waarschuwen:
5.1 Telegraaf: in de motorkamer (ingeval van m.k. bediening van hoofdmotor).
5.2 CO-2 alarm: in motorkamer.
5.3 Algemeen scheepsalarm.
5.4 Brandalarmering voor motorkamer: in accommodatie wtk’s en op de brug.
5.5 Algemeen wtk-alarm: in accommodatie wtk’s, indien het totale voortstuwingsvermogen meer dan 4000 pk bedraagt. Terwijl het aanbeveling verdient een duidelijk akoestisch onderscheid te verzekeren tussen de hiervoor benodigde geluidsbronnen, is de keuze ten aanzien van de mogelijkheden beperkt.

Waar de duidelijkheid niet voldoende bereikt kan worden, verdient het aanbeveling in de nabijheid van de geluidsbronnen en/of op daarvoor in aanmerking komende plaatsen een tableau aan te brengen, waarop visueel de oorzaak wordt vermeld, die de geluidsbron doet functioneren. Indien de hoorbaarheid van een geluidsbron onvoldoende is, kan - met uitzondering van het CO-2 alarm - bovendien gebruik worden gemaakt van een of meer zwaailichten.

5.06 Uitvoering van alarminstallatie in motorkamer:


6.1 Alle visuele alarmsignaleringen dienen op een centraal alarmpaneel te worden geplaatst. Dit alarmpaneel dient te worden opgesteld in de nabijheid van de centrale post, althans dient het zichtbaar te zijn vanaf deze post.

6.2 Het alarmsysteem moet zijn aangesloten hetzij rechtstreeks op een accu batterij hetzij op het boordnet. In het laatste geval moet de uitvoering zodanig zijn, dat bij wegvallen van de netspanning automatisch op een noodvoeding wordt overgeschakeld.

6.3 Op het alarmpaneel dient een visuele indicatie aan te geven dat spanning aanwezig is.

6.4 Door middel van rode lampen dient te worden aangegeven door welke oorzaak een alarm is opgetreden. Hiervoor kan desgewenst een verlichte tekst worden toegepast. Tevens dient een akoestisch alarm te worden ingeschakeld. Bij erkenning van een alarm moet het akoestisch signaal worden gestopt. Hierbij moet door middel van een kleurwijziging dan wel een toestandsverandering (bijv. knipperend constant brandend) het visueel alarm een andere presentatie geven. Deze wijziging in presentatie van een alarm mag het inwerking treden van een ander alarmpunt niet beïnvloeden. Na opheffing van de betrokken storing moet de uitschakeling van de akoestische signaalgever automatisch weer zijn opgeheven, evenals de visuele aanduiding. Bij nieuwe installaties dienen alarm- en stuurcircuits gescheiden uitgevoerd te worden. De alarmering moet zijn voorzien van een geheugen- of vangschakeling (vasthouden van alarmsignaal ook bij kortstondige afwijkingen van bewaakte functies). Bij bestaande alarminstallaties verdient deze uitvoering de voorkeur.

6.5 Alle alarmlampen moeten kunnen worden beproefd door middel van een of meer testdrukkers.

6.6 Op of bij het alarmpaneel dienen een of meer schakelaars aanwezig te zijn waarmee de akoestische signalering van de motorkamer tevens kan worden gezet op de respectievelijke hutten der beschikbare wtk’s.

6.7 De hiervoor in aanmerking komende alarmen dienen vertraagd te worden uitgevoerd. Het onnodig inwerking komen van een alarm tijdens manoeuvreren dient te worden voorkomen. Deze situatie doet zich met name voor bij door de hoofdmotoren of door de schroefas aangedreven pompen.

5.07 Uitvoering van alarmeringen op de brug:


7.1 Voor de in deze richtlijnen voorgeschreven visuele en akoestische alarmen die naar de brug doorgegeven moeten worden, dienen op de bedieningslessenaar de volgende signaleringen aanwezig te zijn:
7.1.1 rode lampen, welke op de brug niet gedimd of uitgeschakeld mogen kunnen worden, voor:
7.1.1.1. uitvallen brugbediening (indien geheel gescheiden uitgevoerd: per schroefas).
7.1.1.2. de opdracht ”terug naar minimum toeren”, c.q. ”spoed terugnemen” per schroefas.
7.1.1.3. uitvallen van een voortstuwingsmotor of koppeling, lage smeeroliedruk motor (en), reductiekast of omkeerkoppeling en lage oliedruk verstelbare schroef, per schroefas met opschrift ”installatie onklaar”.
7.1.1.4. het niet binnen een gestelde tijd erkend zijn van een overig alarm in de motorkamer.
7.1.2 Bij erkenning van één der bovengenoemde alarmen in de machinekamer, dient dit teruggemeld te worden naar de brug door een toestand verandering van het visuele signaal (bijv. van knipperend naar constant brandend of door een gele lamp, welke wel gedimd, maar niet uitgeschakeld mag worden). De betrokken rode alarmlampen mogen hierbij niet worden gedoofd.
7.1.3 Het onder spanning staan van de alarminstallatie(s) moet worden gesignaleerd.
7.1.4 De in 7.1.1 genoemde visuele alarmen dienen vergezeld te gaan van een akoestisch signaal. Dit akoestisch signaal mag op de brug kunnen worden afgezet, mits:
7.1.4.1 Elk volgend inkomend alarm direct weer kan aanspreken.
7.1.4.2 Het niet erkennen van een alarm in de machinekamer binnen ca.3 min. akoestisch gealarmeerd wordt.

7.2 Het alarm voor brand in de motorkamer moet afzonderlijk akoestisch en visueel worden gesignaleerd.

7.3 De verlichting van de bedieningslessenaar dient dimbaar te zijn.

5.08 Veiligheidskontrole machinekamerpersoneel (V.K.W):


Indien het totale voortstuwingsvermogen meer dan 4000 apk bedraagt, dient een veiligheidskontrole klok geïnstalleerd te worden.

Na inschakeling dient de V.K.W. na 27 minuten niet beantwoord, een alarm te geven in de motorkamer. Is dit alarm na 3 minuten niet beantwoord, dan dient de klok te alarmeren op het algemeen wtk-alarm en/of op de brug.

Meerdere re-setknoppen verspreid over de motorkamer zijn toegestaan.

De V.K.W. installatie behoeft normaal niet te werk te staan en alleen te worden ingeschakeld indien:
a. een alarm de aanwezigheid van de wachtwtk. In de M.K. vereist, in welk geval de V.K.W. automatisch, met het optredende alarm, in werking wordt gesteld en na het verlaten van de M.K. weer door de wachtwtk. wordt uitgeschakeld.
b. de wachtwtk., om andere redenen bijv. periodieke ronden of tijdelijke 1-mans wachtbezetting onder ongunstige omstandigheden, de M.K. betreedt in welk geval de V.K.W. door de wachtwtk. zelf in - en uitgeschakeld dient te worden.

Zowel het inschakelen als het uitschakelen van de V.K.W. -installatie dient buiten de motorkamer te geschieden op een plaats die in overleg met een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie dient te worden bepaald.

5.08 Veiligheidskontrole machinekamerpersoneel (V.K.W):


Indien het totale voortstuwingsvermogen meer dan 4000 apk bedraagt, dient een veiligheidskontrole klok geïnstalleerd te worden.

Na inschakeling dient de V.K.W. na 27 minuten niet beantwoord, een alarm te geven in de motorkamer. Is dit alarm na 3 minuten niet beantwoord, dan dient de klok te alarmeren op het algemeen wtk-alarm en/of op de brug.

Meerdere re-setknoppen verspreid over de motorkamer zijn toegestaan.

De V.K.W. installatie behoeft normaal niet te werk te staan en alleen te worden ingeschakeld indien:
a. een alarm de aanwezigheid van de wachtwtk. In de M.K. vereist, in welk geval de V.K.W. automatisch, met het optredende alarm, in werking wordt gesteld en na het verlaten van de M.K. weer door de wachtwtk. wordt uitgeschakeld.
b. de wachtwtk., om andere redenen bijv. periodieke ronden of tijdelijke 1-mans wachtbezetting onder ongunstige omstandigheden, de M.K. betreedt in welk geval de V.K.W. door de wachtwtk. zelf in - en uitgeschakeld dient te worden.

Zowel het inschakelen als het uitschakelen van de V.K.W. -installatie dient buiten de motorkamer te geschieden op een plaats die in overleg met een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie dient te worden bepaald.

5.09


Daar in enkele gevallen verschillende uitvoeringen mogelijk zijn, gelden de in deze richtlijnen omschreven eisen slechts wanneer de betreffende wachtcomponent en/of apparatuur is toegepast.

5.10 Algemeen


Indien als gevolg van het in werking treden van de beveiliging, een werktuig of een gedeelte van de installatie tot stilstand wordt gebracht, dient zoveel mogelijk te worden voorkomen, dat de gehele installatie buiten werking wordt gesteldt. Dit geldt in het bijzonder bij het uitvallen van de voortstuwingsinstallatie(s), in welk geval het hulpbedrijf zoveel mogelijk gewaarborgd dient te blijven.

Bij het uitvallen van een regelsysteem dient de installatie in een veilige toestand te blijven.

Alarm- en regelapparatuur dient instelbaar te zijn. De verschillende regelkringen met bijbehorende apparatuur dienen behalve op elkaar ook te zijn afgestemd op de toe te passen werktuigen en apparatuur. Overleg vooraf hieromtrent tussen de diverse fabrikanten en leveranciers wordt noodzakelijk geacht.

De installatie dient zodanig te zijn uitgevoerd, dat in geval van storing in de brugbediening of automatische apparatuur het bedrijf met de hand op redelijke en verantwoorde wijze kan worden gevoerd.

Afwijkende installaties (b.v. diesel- elektrische voorstuwing) zullen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie afzonderlijk worden beoordeeld.

5.11 Brandpreventie- branddetectie en brandbestrijding


Algemene voorschriften en voorzieningen voortvloeiend uit IMCO resolutie A 211(VII) d.d. 12- 10-1971).

11.1 Brandpreventie:
Brandstof- en smeerolieleidingen moeten voor zover nodig afgeschermd of op andere wijze beveiligd worden teneinde het sproeien van olie of ander soort lekkages op hete oppervlakken en bij luchtinlaten van machines, te voorkomen.Speciale aandacht dient gegeven te worden aan de afscherming van hogedruk brandstofleidingen aan de motoren. Eventuele lekkages dienen naar een verzameltank, met een geëigend niveau alarm geleid te worden. Indien brandstofdagtanken automatisch gevuld worden, dient het uitvloeien van olie uit de tank voorkomen te worden. Hetzelfde geldt voor centrifuges en filters die brandstof en smeerolie behandelen. Brandstof dagtanken en settling tanks die met verwarmingsspiralen uitgerust zijn, moeten van een alarm voor hoge temperatuur voorzien zijn, indien gevaar voor oververhitting aanwezig is.

11.2 Branddetectie.
De branddetectie installatie in machinekamer(s) en ketelruim(en) moet ontworpen zijn om een begin van brand snel te alarmeren. Hierbij moet zoveel mogelijk rookdetectie door middel van ionisatie apparatuur worden toegepast, waar nodig uitgebreid met temperatuurgevoelige apparatuur of optische detectie. Bij de beproeving moet rekening worden gehouden met de ventilatie onder alle voorkomende bedrijfsomstandigheden, ook bij stilliggend schip. Na het aanbrengen van de installatie dienen realistische beproevingen met rook en vuur onder de bovenomschreven bedrijfstoestanden te worden gehouden. De alarmering zowel akoestisch als visueel dient op de brug en in de verblijven van de werktuigkundige duidelijk waarneembaar te zijn. Deze alarmen dienen afwijkend te zijn van alle andere alarmen. In de haven dient dit alarm daar te komen, waar een verantwoordelijk persoon op wacht is.

11.3 Brandbestrijding.
De voorzieningen voor brandbestrijding, zoals starten van brandbluspompen, stoppen van ventilatoren en brandstofpompen en/of centrifuges, bediening van de kooldioxyde brandblus-installatie, sluiten van afsluiters aan hooggelegen brandstoftanks, etc., etc. dienen zo dicht als praktisch uitvoerbaar bij elkaar te worden opgesteld, waarbij het aanbeveling verdient hiervoor een centraal veiligheidsstation in te richten. In dit veiligheidsstation mag de kooldioxyde batterij voor brandblussing niet worden opgesteld. Afstandsbediening van brandbluspompen c.q. alarmering van de druk op de brandblusleiding bij een systeem onder constante druk dient met het oog op het onmiddellijk beschikbaar zijn van bluswater aanwezig te zijn. Waar in verband met een doelmatige brandbestrijding zulks noodzakelijk blijkt, kunnen op strategische punten extra brandblusmiddelen worden verlangd teneinde het intact en bereikbaar houden van de voortstuwingsinstallatie zo lang mogelijk te waarborgen. Het verdient aanbeveling dat er voorzieningen getroffen worden om een brand in de machinekamer(s) en/of ketelruim(en) vanaf een laag gelegen plaats te kunnen bestrijden. Bij schepen met een schroefastunnel zou een doelmatig waterscherm aan de tunnelzijde van de waterdichte deur alsmede tenminste één brandblusafsluiter met slang en sproeiinrichting aanwezig kunnen zijn, welke is aangesloten op de noodbrandbluspomp. Bij schepen waar geen schroefastunnel aanwezig is, zouden deze brandbestrijdingsmiddelen via een afdoende beschermde toegang vanaf een veilige plaats buiten de voortstuwingsruimte moeten kunnen worden bereikt.

11.4
De onder punt 11 genoemde voorzieningen behoeven de goedkeuring van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

5.12 Keuring en afname:


De navolgende bescheiden dienen in viervoud ter keuring te worden ingediend:

- compleet overzicht van de automatisering, alarmering en signalering.
- werkingsschema van de automatische installatie.
- werkingsschema van de brugbediening met uitgebreide omschrijving.
- aanzicht van de brugbedieningslessenaar.
- aanzicht van de bedieningslessenaar in de machinekamer.
- werkingsschema van de alarminstallatie.
- aanzicht van hoofdalarmpaneel en eventuele sub-panelen.

Verdere bescheiden op bovenstaande betrekking hebbende. De installatie zal op een te houden technische proeftocht dienen te worden aangeboden voor afname door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Eerst nadat het schip een periode van 3-6 mnd. In de vaart is geweest, kan- nadat is gebleken dat de installatie naar behoren functioneert en de rederij zulks verantwoord acht- het schip worden aangeboden voor afname voor de verlangde wachtbezetting aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voornoemd. Namens hem zal dan door een ambtenaar van Scheepvaartinspectie zo nodig een zeereis van voldoende tijdsduur worden meegemaakt teneinde de installatie te kunnen beproeven en beoordelen. Genoemde ambtenaar van Scheepvaartinspectie zal in de gelegenheid moeten worden gesteld alle beproevingen uit te voeren welke hij voor het beoordelen van de installatie noodzakelijk acht. Eerst na ontvangen rapport van deze ambtenaar zal door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden bepaald of het schip in aanmerking kan komen voor de verlangde wachtbezetting. In het bevestigende geval zullen een verklaring en vrijstelling dienaangaande door hem worden verstrekt.

Deel I Installatie met vaste schroef(ven)


1-A HOOFDMOTOREN (brugbediening inbegrepen)
1-B ZUIGERKOELING HOOFMOTOREN (indien afzonderlijk systeem)
1-C CILINDERKOELING HOOFDMOTOREN
1-D SMERING HOOFDMOTOREN
1-E KRUKKAST-, SPOELLUCHTRUIMTE EN HOGEDRUK BRANDSTOFLEIDINGEN HOOFDMOTOREN.
1-F BRANDSTOFKLEPKOELING HOOFDMOTOREN
1-G ZOUTKOELWATER HOOFDMOTOREN
1-H SMEEROLIE UITLAATGASSENTURBINES HOOFDMOTOREN (indien afzonderlijk systeem)
1-I BRANDSTOF HOOFDMOTOREN (indien zware brandstof)
1-J BRANDSTOF HOOFDMOTOREN (indien lichte brandstof)
1-K SPOELLUCHT OF OPLAATLUCHT HOOFDMOTOREN
1-L AANZETLUCHT
1-M REDUCTIEKAST(EN) & OMKEERKOPPELING (EN)
1-N SCHAKELBARE FRICTIE-, HYDRAULISCH- OF ELECTRISCHE KOPPELINGEN
1-O ASLEIDING(EN)
1-P HULPMOTOREN (indien tewerkstaand bij onbemande motorkamer)
1-Q SMERING HULPMOTOREN (indien tewerkstaand bij onbemande motorkamer)
1-R CILINDERKOELWATER HULPMOTOREN (indien tewerkstaand bij onbemande motorkamer)
1-S ZOUTKOELWATER HULPMOTOREN
1-T BRANDSTOF HULPMOTOREN (indien tewerkstaand bij onbemande motorkamer en indien lichte brandstof)
1-U BRANDSTOF HULPMOTOREN(indien tewerkstaand bij onbemande motorkamer en indien zware brandstof)
1-V OLIEGESTOOKTE KETEL EN AFVOERGASSENKETEL (al of niet gecombineerd)
1-W THERMISCHE VLOEISTOFKETEL
1-X VERDAMPERINSTALLATIE
1-Y CENTRIFUGES VOOR SMEEROLIE EN BRANDSTOF (indien tewerkstaand bij onbemande motorkamer)
1-Z REGELMEDIA (indien toegepast voor essentiële doeleinden)
1-AA STUURMACHINE
1-BB BILGEPEIL
1-CC ALARM- EN OPROEPSYSTEMEN VOOR INSTALLATIES t/m 4000 APK
1-DD ALARM- EN OPROEPSYSTEMEN VOOR INSTALLATIES VAN MEER DAN 4000 APK
1-EE BRANDMELD- EN BRANDBLUSSYSTEMEN









Deel II Installatie met verstelbare schroef(ven)


2-A HOOFDMOTOREN EN VERSTELBARE SCHROEFINSTALLATIE(S) (brugbediening inbegrepen)
2-B ZUIGERKOELING HOOFMOTOREN (indien afzonderlijk systeem)
2-C CILINDERKOELING HOOFDMOTOREN
2-D SMERING HOOFDMOTOREN
2-E KRUKKAST-, SPOELLUCHTRUIMTE EN HOGEDRUK BRANDSTOFLEIDINGEN HOOFDMOTOREN.
2-F BRANDSTOFKLEPKOELING HOOFDMOTOREN
2-G ZOUTKOELWATER HOOFDMOTOREN
2-H SMEEROLIE UITLAATGASSENTURBINES HOOFDMOTOREN (indien afzonderlijk systeem)
2-I BRANDSTOF HOOFDMOTOREN (indien zware brandstof)
2-J BRANDSTOF HOOFDMOTOREN (indien lichte brandstof)
2-K SPOELLUCHT OF OPLAATLUCHT HOOFDMOTOREN
2-L AANZETLUCHT
2-M REDUCTIEKAST(indien van afzonderlijk smeersysteem voorzien)
2-N SCHAKELBARE FRICTIE-, HYDRAULISCH- OF ELECTRISCHE KOPPELINGEN
2-O ASLEIDING(EN)
2-P HULPMOTOREN (indien tewerkstaand bij onbemande motorkamer)
2-Q SMERING HULPMOTOREN (indien tewerkstaand bij onbemande motorkamer)
2-R CILINDERKOELWATER HULPMOTOREN (indien tewerkstaand bij onbemande motorkamer)
2-S ZOUTKOELWATER HULPMOTOREN
2-T BRANDSTOF HULPMOTOREN (indien tewerkstaand bij onbemande motorkamer en indien lichte brandstof)
2-U BRANDSTOF HULPMOTOREN(indien tewerkstaand bij onbemande motorkamer en indien zware brandstof)
2-V OLIEGESTOOKTE KETEL EN AFVOERGASSENKETEL (al of niet gecombineerd)
2-W THERMISCHE VLOEISTOFKETEL
2-X VERDAMPERINSTALLATIE
2-Y CENTRIFUGES VOOR SMEEROLIE EN BRANDSTOF (indien tewerkstaand bij onbemande motorkamer)
2-Z REGELMEDIA (indien toegepast voor essentiële doeleinden)
2-AA STUURMACHINE
2-BB BILGEPEIL
2-CC ALARM- EN OPROEPSYSTEMEN VOOR INSTALLATIES t/m 4000 APK
2-DD ALARM- EN OPROEPSYSTEMEN VOOR INSTALLATIES VAN MEER DAN 4000 APK
2-EE BRANDMELD- EN BRANDBLUSSYSTEMEN






Naar boven