Onderwerp: Bezoek-historie

03 Richtlijnen voor onbemande machinekamer voor motorschepen > 1500 apk
Geldigheid:01-02-1975 t/m 30-04-2000Status: Niet meer geldig

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.


Extra voorzieningen, boven de voor normale brugbediening vereiste, voor motorschepen, waar niet permanent personeel in de machinekamer op wacht is (als bedoeld in het Schepenbesluit 1965 art.112 punt 8).

N.B. Voor bestaande motorschepen met een vermogen van 168,75 kW (225 apk) of minder niet van toepassing.

3.01 Alarminstallatie


Alarmering door middel van een rode verzamellamp en een akoestisch signaal op de brug en hoorbaar in de accommodatieruimte voor werktuigkundige(n), in geval van:

1.1 te hoog bilgewaterniveau in de M.K.;
1.2 onvoldoende aanzetluchtdruk aan de motor ( alleen bij direct omkeerbare motoren);
1.3 automatisch overschakelen op noodkrachtbron of anderszins ( zie punt 4.4) bij uitvallen elektrische energievoorziening; 1.4 te laag niveau in brandstofdagtank;
1.5 te laag niveau in de koelwater suppletie- of circulatietank;
1.6 te laag niveau in olietank van schroefaskoker ( indien aanwezig);
1.7 te laag niveau in de oliecirculatietank van een installatie voorzien van een hydraulisch bediende schroef met verstelbare bladen ( indien aanwezig).

Deze alarmen dienen tevens in de machinekamer afzonderlijk op het alarmpaneel te worden gemeld d.m.v. een rode lamp waarbij het akoestisch alarmsignaal in werking moet treden.

3.02 Beveiliging


Bij uitvallen van de ( anders dan geheel mechanische) brugbediening moet de hoofdmotor automatisch worden teruggebracht op minimum toeren c.q. de spoed van de schroef automatisch tot een aanvaardbaar percentage worden teruggenomen.

N.B. Desgewenst kan in plaats hiervan worden volstaan met een, van de overige brugbediening onafhankelijke inrichting ( bij voorkeur een tegen onopzettelijk gebruik beveiligde drukknop), waarmee vanaf de brug de motor kan worden stopgezet.

Deze ingreep vanaf de brug moet dan alleen in de M.K. op eenvoudige wijze weer ongedaan kunnen worden gemaakt.

3.03 Hulpmotoren, indien te werk staand bij onbemande M.K.:


Alarmen op:
a. te lage druk
b. te hoge koelwatertemperatuur.

Bij wegvallen van de smeeroliedruk moet de motor automatisch stoppen, het onder a. genoemde alarm dient te waarschuwen alvorens de stopinrichting in werking treedt.

3.04 Overige voorzieningen


4.1 De brandstofdagtank moet hetzij door een door de hoofdmotor gedreven pomp gevuld worden gehouden, hetzij een inhoud hebben voldoende voor tenminste 12 bedrijfsuren met vol vermogen.

4.2 Niet op het smeeroliesysteem aangesloten smeerpunten van de hoofdmotor, asleiding en eventuele tijdens de vaart te werk staande hulpwerktuigen moeten worden bediend door smeerapparaten welke hetzij een inhoud hebben voldoende voor 12 bedrijfsuren met vol vermogen, hetzij automatisch gevuld worden gehouden.

4.3 Het aanzetluchtvat van een direct omkeerbare hoofdmotor hoofdmotor moet automatisch op druk worden gehouden tenzij een luchtcompressor vanaf de brug in werking kan worden gesteld.

4.4 Indien de voor de voortstuwing benodigde pompen niet door de hoofdmotor worden aangedreven, moet de voor de betrokken pomp voorgeschreven reserve eenheid automatisch in werking worden gesteld bij wegvallen van de druk of gebrek aan doorstroming van de te verpompen vloeistof. Dit is van toepassing op de smeerolie-, cilinderkoelwater-, zuigerkoelmiddel en brandstofopvoerpomp(en) van tandwielreductie en/of omkeerkoppelingen en oliepomp(en) voor de verstelinrichting van een schroef met verstelbare bladen ( alle alleen indien aanwezig). Het automatisch in werking komen van deze pompen dient op het alarmpaneel akoestisch en visueel te worden gemeld. De zoutwatercirculatiepomp behoeft niet automatisch in werking te komen doch dient binnen redelijke tijd in bedrijf te worden gesteld.

4.5 Indien de onder punt 4.4 genoemde pompen rechtstreeks door de hoofdmotor worden aangedreven, moeten de voorgeschreven reserve pompen binnen redelijke tijd in bedrijf kunnen worden gesteld. Bovenstaande is niet van toepassing voor de olie pomp(en) van een schroefverstelinrichting waarvoor het bepaalde in 4.4 onverminderd van kracht is, ook indien de hoofdpomp(en) door de hoofdmotor wordt aangedreven.

4.6 Bij toepassingen van zware brandstof voor de hoofdmotor dient de temperatuur of viscositeit automatisch te worden geregeld en te lage zowel als te hoge waarden hiervan akoestisch en visueel te worden gealarmeerd. Te lage druk van de brandstof na de filter dient tevens akoestisch en visueel te worden gealarmeerd indien dit filter is geplaatst tussen dagtank en hoofdmotor.

4.7 Indien bij onbemande motorkamer brandstof- of smeerolie centrifuges te werk staan moet hiervan het wegvallen van het waterslot en te hoge temperatuur van de toegevoerde olie akoestisch en visueel worden gealarmeerd; beide alarmen mogen worden gemeld op een gezamenlijk punt.

4.8 Indien bij onbemande motorkamer een zoetwaterbereider te werk staat dient deze geheel zelfregelend te zijn. Bij te hoog zoutgehalte van het condensaat dient dit automatisch te worden afgevoerd naar de M.K. bilge of naar de verdamperruimte; tevens dient een akoestisch en visueel alarm in werking te worden gesteld.

4.9 Bij uitvallen van een generator voor de elektrische energievoorziening moet, bij installaties waarbij de voor de voortstuwing benodigde hulpwerktuigen niet door de hoofdmotor worden aangedreven, het normale zeebedrijf zoveel mogelijk gehandhaafd blijven. Dit kan geschieden door één der navolgende uitvoeringen toe te passen:
a. Twee generatoren, parallel op het net geschakeld waarbij na automatisch uitvallen van de niet essentiële groepen, een generator het gehele vermogen benodigd voor de voortstuwingsinstallatie kan opnemen.
b. Een generator welke automatisch bijkomt en op het net wordt geschakeld en waarbij de voor de voortstuwing benodigde hulpwerktuigen wederom automatisch in werking worden gesteld. (sequentieschakeling).
c. Een ”stand by” staande generator welke vanaf de brug in werking kan worden gesteld en op het net geschakeld en waarbij het gestelde omtrent de voor de voortstuwing benodigde hulpwerktuigen onder b. eveneens van toepassing is.
d. En bufferbatterij van voldoende capaciteit om in de stroomvoorziening van de voor de voortstuwing benodigde hulpwerktuigen gedurende tenminste 3 uren te voorzien. Onder essentiële hulpwerktuigen wordt eveneens verstaan de stuurmachine; tenzij deze automatisch wordt overgeschakeld op handbediening bij het wegvallen van de elektrische energievoorziening, moet deze ook automatisch wederom in bedrijf worden gesteld.

4.10 Indien de voor de voortstuwing benodigde hulpwerktuigen door de hoofdmotor worden aangedreven en als krachtbron voor de elektrische energievoorziening bij het uitvallen van de te werk staande generator een noodgenerator aanwezig is, welke bij wegvallen van de netspanning niet automatisch in bedrijf komt, moet een hulpverlichting aanwezig zijn, aangesloten op een accu batterij. Deze hulpverlichting mag een uitbreiding zijn van de bestaande noodverlichting, maar moet de gezagvoerder, 1e stuurman, hoofdwerktuigkundige en tweede werktuigkundige in staat stellen de brug respectievelijk machinekamer ongehinderd te bereiken; in de hutten van genoemde personen zal tevens een lichtpunt aanwezig moeten zijn. Tevens dient de navigatieverlichtingsbron automatisch op deze hulpverlichtingsbron te worden overgeschakeld.

4.11 Voor bijzondere installaties kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aanvullende eisen worden gesteld.
Naar boven