Geachte,
Op 19 december 2025 heeft u een aanvraag ingediend voor een vergunning op grond van de Omgevingswet (hierna: Ow) voor de volgende Natura 2000-activiteit: Geesbrug gaswinning nabij de Natura 2000-gebieden Mantingerzand en Mantingerbos. Deze vergunning is aangevraagd voor 1 juli 2026 tot en met 31 december 2026.
Procedure
Op 19 december 2025 heeft u uw aanvraag ingediend via het omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet. U heeft hiervan een automatische bevestiging ontvangen.
Ter verduidelijking van onduidelijkheden over de projectomschrijving heeft u op 20 januari 2026 een aanvulling gestuurd. Daarmee is de aanvraag volledig.
Op deze aanvraag is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals opgenomen in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), van toepassing.
Besluit
Ik besluit om u de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit, zoals bedoeld in artikel 5.1, lid 1, sub e Ow te verlenen.
In dit besluit vindt u de voorschriften en de inhoudelijke overwegingen die aan deze omgevingsvergunning ten grondslag liggen. De aanvraag en de bijlagen zijn onderdeel van dit besluit.
1. AANVRAAG
1.1. Onderwerp
De activiteit nabij de Natura 2000-gebieden Mantingerzand en Mantingerbos behelst werkzaamheden ten behoeve van en uitvoering van één diepboring ten behoeve van het verhogen van de gasproductie en bijhorende voorbereidende werkzaamheden.
De duur van de werkzaamheden is voorzien voor een half jaar; de planning is dat deze plaatsvinden van 1 juli tot en met 31 december 2026.
De voorgenomen activiteiten zijn in meer detail beschreven in de aangeleverde Ecologische beoordeling (voortoets) stikstof; boringen en productieverhoging Geesbrug (hierna: PB; zie bijlage 1) en de aanvulling aanvraag Geesbrug gaswinning (bijlage 3).
1.2. Bevoegdheid
Er is sprake van een Natura 2000-activiteit van nationaal belang.
Op basis van art. 5.11, lid 1 sub g Ow en
-
Art. 4.12 lid 2 sub b onder 3o, i van het Omgevingsbesluit (hierna: Ob), luidend: 'een activiteit die rechtstreeks samenhangt met: het opsporen, winnen of opslaan van delfstoffen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet die zich bevinden op een diepte van meer dan 100 m beneden de oppervlakte van de aardbodem'.
ben ik bevoegd om te beslissen op uw vergunningaanvraag.
De exacte wetsteksten zijn te raadplegen op www.overheid.nl onder 'wet- en regelgeving'.
1.3. Vergunningplicht.
De aangevraagde activiteiten kunnen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden Mantingerzand en Mantingerbos, significante gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. Daarom geldt een vergunningplicht van art 5.1, lid 1, sub e. Ow.
1.4. Beoordeling van Natura 2000-activiteiten.
1.4.1. Activiteiten met mogelijk significante gevolgen.
De activiteiten waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, betreffen een activiteit in de zin van art 5.1, lid 1, sub e Ow, omdat zij, afzonderlijk of in cumulatie met andere plannen of activiteiten, kunnen leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van een of meerdere Natura 2000-gebieden.
1.4.2. Passende beoordeling.
Conform artikel 8.74b Besluit Kwaliteit Leefomgeving geldt dat uit een PB in de zin van artikel 16.53c van de Ow moet blijken dat de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000- gebieden niet worden aangetast door de activiteit, afzonderlijk of in cumulatie met andere activiteiten, tenzij sprake is van toepassing van een ADC-toets. De PB moet rekening houden met deinstandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. De PB biedt de grondslag voor de vaststelling van de aard en omvang van de gevolgen of de cumulatieve gevolgen en de manier waarop in mitigatie van die gevolgen is voorzien. De met de aanvraag meegezonden PB toetst de effecten aan de instandhoudingdoelstellingen uit de aanwijzingsbesluiten en/of de wijzigingsbesluiten van de betrokken Natura 2000-gebieden.
Participatie
Bij de aanvraag is aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken.
In dit geval zijn is met de meest nabij wonende mensen gesproken en zal de regio enkele maanden voor de start van de boring worden geïnformeerd.
2. BEOORDELING
2.1. Afbakening
Gebieden
De beoogde activiteit vindt plaats in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden Mantingerzand en Mantingerbos.
Gevolgen
Voor de beoordeling van de gevolgen inventariseert de natuurtoets (zie bijlage 2) welke in redelijkheid denkbare typen gevolgen kunnen optreden. Het betreft alleen stikstofdepositie1.
Natuurwaarden
De beschermde natuurwaarden en de relevante instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden staan vermeld op www.natura2000.nl.
Conclusie afbakening
Ik ben van oordeel dat de afbakening van het gebied en de inventarisatie van mogelijke gevolgen van de activiteit op de natuurwaarden in de natuurtoets op een juiste wijze hebben plaatsgevonden.
2.2. Mogelijke effecten en mitigatie
2.2.1. Stikstofdepositie
Hieronder volgt mijn beoordeling van de effectenanalyse zoals die is neergelegd in de bij de aanvraag gevoegde PB (bijlage 1). In het rapport Stikstofdepositie onderzoek aanlegfase en productiefase Geesbrug (bijlage 4) staan de uitgangspunten voor dit rapport beschreven.
Voor de aanlegfase is op 21 oktober 2025 een worstcaseberekening uitgevoerd met AERIUS Calculator (kenmerk: RuPChi4aDfRJ; zie bijlage 5).
Uit de berekeningen volgt dat er tijdens de aanleg- en productiefase, mede dankzij de mitigerende maatregel om SCR-units toe te passen, maximaal 0,01 mol/ha/jaar stikstofdepositie zal plaatsvinden op een aantal habitattypen van de Natura 2000-gebieden Mantingerbos en Mantingerzand als gevolg van de activiteit. Een aantal van de habitattypen in deze Natura 2000-gebieden zijn wat betreft stikstofdepositie overbelast. Dit houdt in dat de achtergronddepositie hoger is dan de Kritische Depositie Waarde (hierna: KDW).
In de productiefase is geen sprake van een significante negatieve effecten door depositiebijdrage op overbelaste delen van Natura 2000-gebieden aangezien er geen sprake is van uitstoot boven de KDW.
De aanlegfase wordt uitgevoerd over een periode van zes maanden. In de PB wordt onderbouwd dat de tijdelijke, beperkte depositie vanuit dit project zich niet zal vertalen in verandering in de vegetatie die aanwezig is in de stikstofgevoelige onderzochte Natura 2000-gebieden.
Mantingerbos
Voor onderstaand habitattype geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:
Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van dit habitattype kunnen worden uitgesloten.
Mantingerzand
Voor onderstaande habitattypen geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:
-
H91D0 Hoogveenbossen
-
H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)
-
H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen
-
H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen
-
H9190 Oude eikenbossen
-
H2310 Stuifzandheiden met struikhei
-
H5130 Jeneverbesstruwelen
-
H2330 Zandverstuivingen
-
H4030 Droge heiden
-
H4030_t0 Droge heiden
-
H6230 Heischrale graslanden
-
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van deze habitattypen kunnen worden uitgesloten.
Voor de overige habitattypen van de genoemde Natura 2000-gebieden geldt dat deze niet stikstofgevoelig zijn, er geen sprake is van een overschrijding is van de KDW of dat er geen sprake is van een projectbijdrage.
Voor ieder van de habitats is in een habitatspecifieke beoordeling geconcludeerd dat de tijdelijke depositiebijdrage tijdens de aanlegfase niet leidt tot een aantasting van de kwaliteit van de beoordeelde Natura 2000-gebieden of tot belemmering van de mogelijkheden maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden.
Bij de onderbouwingen wordt onder andere ingegaan op het beheer en de al uitgevoerde maatregelen, het ontbreken van het verband tussen bepaalde gebiedskwaliteiten en de mate van stikstofoverbelasting (de status van instandhoudingsdoelstellingen (behoud of verbetering) en de beperkte projectbijdrage.
Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten als gevolg van de stikstofdepositie kunnen worden uitgesloten.
Ik onderschrijf deze conclusie. Ter borging van deze conclusie zijn de voorschriften 16 tot en met 18 opgenomen in dit besluit.
2.3. Cumulatie
Bij vergunningverlening voor een activiteit moet een beoordeling plaatsvinden van de cumulatieve gevolgen als de activiteit, afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten, significante gevolgen kan hebben voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Een vergunning kan alleen verleend worden als de activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten geen significante gevolgen heeft.
Ik heb hiervoor al geconcludeerd dat de uitvoering van de voorgenomen activiteit zelfstandig beschouwd, geen significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
In de PB wordt beschreven dat voor de ontwikkeling van de diepboringen Geesbrug de conclusie niet anders wordt wanneer het projecteffect wordt beoordeeld in cumulatie met andere plannen of projecten die zijn vergund maar nog niet zijn uitgevoerd ten tijde van de vergunningaanvraag.
Wanneer deze projecten worden uitgevoerd, leidt dat tot een blijvende bijdrage aan de achtergronddepositie en dus tot een grotere overschrijding van de KDW.
De mate van overschrijding van de KDW als gevolg van de achtergronddepositie is echter niet bepalend in de conclusie dat als gevolg van de ontwikkeling van het de diepboringen Geesbrug significante gevolgen uitgesloten zijn op het betrokkene Natura 2000-gebied. Ook bij een grotere overschrijding van de KDW kunnen significante gevolgen op locatie specifieke ecologische gronden worden uitgesloten.
Ik concludeer dat in de aangeleverde PB een volledige en juiste cumulatietoetsing is uitgevoerd.
2.4. Conclusie
Met de door u uitgevoerde PB en AERIUS-berekening en hieronder aan deze omgevingsvergunning verbonden voorschriften is de zekerheid verkregen dat de activiteit waarvoor de vergunning is aangevraagd, niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden.
Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat de door u gevraagde omgevingsvergunning, onder de hieronder opgenomen voorschriften en beperkingen, kan worden verleend.
De onderhavige vergunning betreft louter een toestemming voor een Natura 2000-activiteit op grond van de Ow en de daadwerkelijke inzetbaarheid ervan kan beperkt worden door toekomstige ontwikkelingen en beperkingen vanuit andere kaders.
3. VOORSCHRIFTEN
Ter bescherming van de in de Natura 2000-gebieden Mantingerzand en Mantingerbos aanwezige beschermde natuurwaarden, verbind ik aan deze omgevingsvergunning de volgende voorschriften en beperkingen.
Algemeen
1. Deze vergunning staat op naam van Vermilion Energy Netherlands B.V. (hierna: vergunninghouder) of diens rechtsopvolger.
2. Deze vergunning wordt uitsluitend gebruikt door (medewerkers van) de vergunninghouder of door (rechts)personen die aantoonbaar in opdracht van de vergunninghouder handelen. De vergunninghouder blijft daarbij verantwoordelijk voor de juiste naleving van deze vergunning.
3. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen beschikken op de plaats waar de vergunde activiteiten worden uitgevoerd over een (digitaal) exemplaar van deze beschikking, inclusief alle daarbij behorende bijlagen en tonen deze op eerste vordering aan de daartoe bevoegde toezichthouders en opsporingsambtenaren.
4. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen zijn aantoonbaar op de hoogte van de inhoud en het doel van deze voorschriften en beperkingen, zodanig dat zij daar ook invulling en uitvoering aan kunnen geven.
5. De vergunde activiteit wordt uitgevoerd zoals deze zijn aangegeven in de (aanvuling op de) aanvraag en bijbehorende PB en volgens de voorschriften en beperkingen die aan deze vergunning zijn verbonden. Bij eventuele strijdigheid van de aanvraag en de voorschriften en beperkingen van deze vergunning hebben de laatste voorrang.
6. Het voornemen tot het uitvoeren van een activiteit in afwijking van de aanvraag wordt schriftelijk gemeld aan het bevoegd gezag (indien nodig met aanvulling op de PB). Uitvoering ervan kan uitsluitend plaatsvinden na verkregen schriftelijke instemming van of namens het bevoegd gezag.
7. Als zich een incident voordoet, meldt de vergunninghouder dit met alle relevante gegevens onmiddellijk aan het bevoegd gezag. Een incident is in dit geval een onvoorziene gebeurtenis waardoor schade aan de natuurlijke kenmerken in één of meer van de betrokken beschermde Natura 2000-gebieden is of kan worden toegebracht, bijvoorbeeld wanneer onbedoeld vrijgekomen schadelijke stoffen een habitattype of Habitat- of Vogelrichtlijnsoort bedreigen.
8. Als zich een incident voordoet, is de vergunninghouder verplicht eventuele verontreinigingen zo mogelijk direct te verwijderen en de eventueel opgetreden schade voor zover mogelijk te herstellen, zulks ter beoordeling van het bevoegd gezag.
9. Alle correspondentie met betrekking tot deze vergunning kan per reguliere post of per e-mail (natuurvergunningen@minlnv.nl) worden gedaan.
12. De vergunninghouder volgt de aanwijzingen op die het bevoegd gezag geeft.
13. De vergunninghouder geeft alle medewerking aan de aangewezen toezichthouder en opsporingsambtenaren.
14. De vergunninghouder voert een administratie met daarin alle documenten die betrekking hebben op deze vergunning en op de naleving van de voorschriften.
15. De vergunninghouder toont informatie en documenten op verzoek aan de bevoegde toezichthouder en opsporingsambtenaren.
Stikstof
16. De dieselgeneratoren die gebruikt worden voor het aansturen van de boorinstallatie zijn uitgerust met een nabehandelingsfilter, een zogenaamd SCR-systeem (selective catalytic reduction-systeem) of NOx-scrubber, zoals beschreven in de PB.
17. De dieselgeneratoren worden afgesteld en gebruikt overeenkomstig de instellingen zoals gebruikt in de PB of onderliggende documenten.
18. De emissiewaarden als genoemd in de bijlagen bij dit besluit dienen niet te worden overschreden.
Looptijd
19. De vergunning is geldig in de periode van 1 juli 2026 tot en met 1 april 2027.
TER INFORMATIE
Op grond van afdeling 4.1.1. van de Awb kan een verzoek tot wijziging van de vergunning worden ingediend.
Op grond van de artikelen 5.39 en 5.40, lid 1 en lid 2 Ow kan de verleende vergunning worden ingetrokken of gewijzigd.
Als de vergunninghouder handelt in strijd met de vergunning, kan op grond van artikel 18.4 Ow een last onder bestuursdwang worden opgelegd.
Conform artikel 5:32, lid 1, Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Hoogachtend,
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
namens deze:
MT-lid Natuurvergunningen
Directoraat-Generaal Natuur en Visserij
BIJLAGEN:
-
Ecologische beoordeling (voortoets) stikstof; boringen en productieverhoging Geesbrug
-
Natuurtoets voor twee diepboringen en gasproductie verhoging op de mijnbouwlocatie Geesbrug
-
Aanvulling aanvraag Geesbrug gaswinning
-
Stikstofdepositie onderzoek Geesbrug
-
AERIUS Aanlegfase Geesbrug Calculator-berekening
Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure
Op deze vergunningprocedure is de openbare uniforme voorbereidingsprocedure als opgenomen in afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.
Zienswijze doorgeven
U kunt uw zienswijze op verschillende manieren doorgeven. U doet dit het snelst door het digitale formulier (zie hieronder) in te vullen.
Lukt het niet om de zienswijze door te geven met het digitale formulier? Geef uw zienswijze dan telefonisch door of in een brief. U kunt uw zienswijze niet in een e-mail of via het algemene contactformulier sturen. We nemen deze niet in behandeling.
Digitaal formulier
Geef uw zienswijze op tijd door met een digitaal formulier op https://mijn.rvo.nl/zienswijze-ontwerpbesluit-of-voorgenomen-besluit. Dit kunt u doen tot uiterlijk zes weken na publicatie van dit besluit. U logt hierop in met DigiD (als burger), of met eHerkenning niveau 2+ (als organisatie).
Telefonisch
U moet eerst een afspraak maken. Dit doet u door te bellen naar 088 042 42 42. Kies voor optie 1 en daarna voor optie 4.
Brief
U kunt uw zienswijze ook via de post naar ons sturen. De adresgegevens treft u hieronder aan:
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
Afdeling Vergunning en Handhaving
Postbus 40225
8004 DE Zwolle
Zorg dat uw naam, adres en telefoonnummer in de brief staan. Noem in uw brief om welk ontwerpbesluit het gaat. En vertel of u het er wel of niet mee eens bent. Alleen dan kan uw zienswijze meegenomen worden in het nemen van het besluit.
Na uw zienswijze
Nadat u uw zienswijze heeft doorgegeven, krijgt u een ontvangstbevestiging. Alle zienswijzen worden meegenomen in het nemen van een definitief besluit. Als alle zienswijzen verwerkt zijn, krijgt u bericht dat er een Nota van Antwoord is opgesteld. Hierin zijn alle zienswijzen en de reacties daarop samengevoegd. Uw persoonlijke gegevens komen niet in deze nota te staan.
PUBLICATIE BESLUIT
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur maakt dit besluit openbaar op grond van artikel 3 van de Wet open overheid. Het zal onder anonimisering van de persoonsgegevens geplaatst worden op https://puc.overheid.nl/natuurvergunningen