Geachte,
Op 3 februari 2025 heeft u een aanvraag ingediend voor een vergunning op grond van de Omgevingswet (hierna: Ow) voor de volgende Natura 2000-activiteit: 'Planuitwerking KRW Sliedrechtse Biesbosch'. Deze aanlegfase is voorzien gedurende 2 jaar in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 31 augustus 2029.
Procedure
Op 3 februari 2025 heeft u uw aanvraag ingediend via het omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet. U heeft hiervan een automatische bevestiging ontvangen.
Op 19 februari 2025 is in de Staatscourant gepubliceerd dat u voor dit project een omgevingsvergunning heeft aangevraagd.
Aangezien de aanvraag niet volledig was, heb ik u op 25 maart 2025 een verzoek om aanvulling gestuurd, waarop ik op 16 april 2025 antwoord van u heb ontvangen.
Op 23 april heb ik u verzocht de aanvulling op enkele punten nader toe te lichten. Deze toelichting heb ik op 1 juli 2025 van u ontvangen.
Daarmee is de aanvraag volledig.
Op deze aanvraag is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals opgenomen in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), van toepassing.
Het ontwerpbesluit is bekend gemaakt in de Staatscourant van 29 juli 2025, stcrt-2025-25630.
Het ontwerpbesluit heeft van 30 juli 2025 tot en met 10 september 2025 ter inzage gelegen. Hierop is 1 zienswijze ontvangen. In de als bijlage bij onderhavig besluit gevoegde Nota van Antwoord (bijlage 4) is deze zienswijze weergegeven inclusief mijn reactie daarop. De zienswijze gaf geen reden het ontwerpbesluit aan te passen.
Actualisatie AERIUS-Calculator
Vanwege de actualisatie van AERIUS-calculator zijn nieuwe stikstofdepositie-berekeningen uitgevoerd. Deze actualisatie berekent op een aantal habitattypen geen depositie meer en op een aantal zoekgebieden nu wel. Ook resulteert de nieuwe berekening in een hogere maximale depositie ten opzichte van de eerdere berekeningen (zie bijlagen 1 en 5). De betreffende passage in het besluit is ten opzichte van het ontwerpbesluit hierop aangepast.
Wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbesluit
Naar aanleiding van de aanvulling op de aanvraag en daarnaast ambtshalve, heb ik een aantal wijzigingen aangebracht en opzichte van het ontwerpbesluit, te weten:
-
In voorschrift 14 was per abuis dassenburchten geschreven. Dit is aangepast naar de bedoelde en in de passende beoordeling beschreven beverburchten.
-
2.3 Stikstofdepositie is aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit naar aanleiding van de geactualiseerde AERIUS-berekeningen.
Besluit
Ik besluit om u de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit, zoals bedoeld in artikel 5.1, lid 1e Ow te verlenen.
In dit besluit vindt u de voorschriften en de inhoudelijke overwegingen die aan deze omgevingsvergunning ten grondslag liggen. De aanvraag en de bijlagen zijn onderdeel van dit besluit.
1. AANVRAAG
1.1. Onderwerp
De activiteit vindt plaats deels in Natura 2000-gebied Biesbosch en nabij de Natura 2000-gebieden Lingegebied & Diefdijk-Zuid, Zouweboezem, Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem, Uiterwaarden Lek, Langstraat en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.
Het ontwerp bestaat uit een geul en zijtakken (kreken), droge hoger gelegen oeverwallen en overstromingsvlaktes. De hoofdgeul verbindt de Merwede met het Moldiep en Helsloot en loopt met een groot meanderend patroon door het gebied. Ter plaatse van de openingen komt een brug zodat de polder rondom bereikbaar blijft. De zijtakken van de hoofdgeul en de bestaande sloten die blijven liggen, zorgen ervoor dat het water zich verspreidt over het gebied. Naast de geulen komt er een intergetijdezone. Op verschillende locaties binnen de Hel- en Zuilespolder wordt het bestaande bos omgevormd tot een zachthoutooibos. Ook komen er twee eilanden waarop hardhoutooibos voorzien is. Op de helling van deze eilanden komt een intergetijdezone en zachthoutooibos.
Ten zuidwesten van de Zuileshoeve en een sloot aan de noordzijde blijft een deel van de polder behouden vanwege de landschappelijke en ecologische waarden. Om de scheiding te maken tussen de bestaande polders en het getijdegebied wordt er aan de westzijde een nieuwe kering aangelegd en wordt de kering aan de noordzijde opgehoogd. Ook komt er een verhoogd wandelpad door de polder voor voetgangers.
De werkzaamheden worden uitgevoerd in 2 jaar, binnen de periode 1 oktober 2025 tot 31 augustus 2029.
De voorgenomen activiteiten zijn in meer detail beschreven in de aangeleverde Passende Beoordeling: Planuitwerking KRW Sliedrechtse Biesbosch (hierna: PB). Zie bijlage 1.
1.2. Bevoegdheid
Er is sprake van een Natura-2000 activiteit van nationaal belang. Op basis van art. 5.11, lid 1g van de Ow en artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit (hierna: OB), lid 2c luidend: 'een activiteit van het Rijk die nodig is voor de ontwikkeling, werking en bescherming van de hoofdwateren' ben ik bevoegd om te beslissen op uw vergunningaanvraag.
De exacte wetsteksten zijn te raadplegen op www.overheid.nl onder 'wet- en regelgeving'.
1.3. Vergunningplicht
De aangevraagde activiteiten kunnen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden Biesbosch, Lingegebied & Diefdijk-Zuid, Zouweboezem, Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem, Uiterwaarden Lek, Langstraat en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, significante gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. Daarom geldt een vergunningplicht van art 5.1, lid 1, sub e. Ow.
1.4. Beoordeling van Natura 2000-activiteiten
1.4.1. Activiteit met mogelijk significante gevolgen
De activiteiten waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, betreffen een activiteit in de zin van art 5.1, lid 1e Ow, omdat zij, afzonderlijk of in cumulatie met andere plannen of activiteiten, kunnen leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van een of meerdere Natura 2000-gebieden.
1.4.2. Passende beoordeling
Conform artikel 8.74b Besluit Kwaliteit Leefomgeving geldt dat uit een passende beoordeling (PB) in de zin van artikel 16.53c van de Ow moet blijken dat de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura-2000 gebieden niet worden aangetast door de activiteit, afzonderlijk of in cumulatie met andere activiteiten, tenzij sprake is van toepassing van een ADC-toets. De PB moet rekening houden met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. De PB biedt de grondslag voor de vaststelling van de aard en omvang van de gevolgen of de cumulatieve gevolgen en de manier waarop in mitigatie van die gevolgen is voorzien. De met de aanvraag meegezonden PB toetst de effecten aan de instandhoudingdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit van de betrokken Natura 2000-gebieden.
1.4.3. Participatie
Bij de aanvraag is aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken.
In de startfase van de planvorming is door middel van de stakeholderanalyse in beeld gebracht welke stakeholders er zijn en waar hun belangen liggen.
Afhankelijk van het belang van de stakeholders zijn deze betrokken door:
-
informatievoorziening via openbare kanalen zoals de projectwebpagina;
-
informatieavonden;
-
eenmalig een enquête;
-
ontwerpateliers;
-
het voeren van(keukentafel)gesprekken;
-
het voeren van ambtelijk en bestuurlijk overleg.
De informatie vanuit de stakeholders is betrokken bij de integrale belangenafweging door Rijkswaterstaat.
1.5. Beleid
In de passende beoordeling is de aanleiding voor het project nader omschreven:
Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (hierna: KRW) van kracht. De algemene doelstelling van de KRW is om aquatische ecosystemen en terrestrische ecosystemen die afhankelijk zijn van water, te beschermen tegen verdere achteruitgang en om deze ecosystemen in kwaliteit te verbeteren. Het gebied Boven en Beneden Merwede is aangewezen als KRW-waterlichaam. Zonder aanvullende maatregelen zal het oppervlaktewaterlichaam Boven en Beneden Merwede de KRW-norm niet halen in 2027. Het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren heeft als doel om de inrichting van het hoofdwatersysteem te laten voldoen aan de eisen van de KRW. Dit verbeterprogramma is verdeeld in drie tranches. Dit project is onderdeel van de 3e tranche. Het streven is om in de Boven en Beneden Merwede een gebied van 60,5 hectare liefst aaneengesloten zoetwatergetijdennatuur te ontwikkelen. Locaties met lage bestaande natuurwaarden of locaties waar grote meerwaarde te bereiken is, hebben de voorkeur voor ontwikkeling tot getijdennatuur. Het voorliggend referentieontwerp 18 is gebaseerd op de voorgenoemde opgave en het is de doelstelling om dit voor 2027 te realiseren.
2. BEOORDELING
2.1. Afbakening
Gebied
De beoogde activiteit vindt plaats in en in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden Biesbosch, Lingegebied & Diefdijk-Zuid, Zouweboezem, Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem, Uiterwaarden Lek, Langstraat en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.
Gevolgen
Voor de beoordeling van de gevolgen inventariseert de PB welke in redelijkheid denkbare effecttypen kunnen optreden. Het betreft:
-
oppervlakteverlies en versnippering: (habitattype H6430B, H91E0A, bever, meervleermuis, noordse woelmuis, bruine kiekendief, blauwborst, rietzanger, kolgans, smient, wilde eend);
-
vernatting (kolgans);
-
verandering stroomsnelheid (bever en noordse woelmuis);
-
verandering dynamiek substraat (nonnetje);
-
verstoring door geluid, licht, trilling, en optische verstoring (habitattypische soorten van HB6430B en H91E0A, bever, meervleermuis noordse woelmuis, bruine kiekendief, blauwborst, rietzanger, kolgans, smient, wilde eend, nonnetje);
-
stikstofdepositie1.
Natuurwaarden
De beschermde natuurwaarden en de relevante instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden staan vermeld op www.natura2000.nl.
Conclusie afbakening
Ik ben van oordeel dat de afbakening van het gebied en de inventarisatie van mogelijke gevolgen van de activiteit op de natuurwaarden in de PB op een juiste wijze hebben plaatsgevonden.
2.2. Mogelijke effecten en mitigatie
Hieronder volgt mijn beoordeling van de effectenanalyse zoals die is neergelegd in de bij de aanvraag gevoegde PB (bijlage 1).
2.2.1. Oppervlakteverlies en versnippering
Permanent:
In de PB staat beschreven dat door het aanleggen en verlengen van de kreken voor de aanwezige habitattypen er sprake is van oppervlakteverlies op zoekgebieden in het Natura 2000-gebied Biesbosch. Voor het habitattype H6430B (Ruigten en zomen - harig wilgenroosje) gaat het om oppervlakteverlies van
14 ha, terwijl er ruim 9.000 ha zoekgebied in het Natura 2000-gebied aanwezig is.
Voor het habitattype H91E0A (vochtige alluviale bossen - essen-iepenbossen) gaat het om oppervlakteverlies van 1,5 ha, terwijl er nog ruim 150 ha zoekgebied in het Natura 2000-gebied overblijft. Gezien de hoeveelheid zoekgebieden van deze habitattypen in de rest van het Natura 2000-gebied Biesbosch, zorgt het oppervlakteverlies in het projectgebied niet tot het niet behalen van de behouds- of uitbreidingsdoelstellingen.
Aanlegfase:
De werkzaamheden leiden in de aanlegfase tot oppervlakteverlies van leefgebied voor veel soorten met een instandhoudingsdoelstelling voor het Natura 2000-gebied Biesbosch.
Soorten kunnen tijdens de werkzaamheden uitwijken naar andere locaties binnen het Natura 2000-gebied Biesbosch. Alleen tijdens het broedseizoen is dit een probleem. De werkzaamheden zullen pas plaatsvinden nadat gecontroleerd is dat er geen broedgevallen van broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoel voor dit Natura 2000-gebied meer aanwezig zijn. Mede hierdoor leidt de tijdelijke afname van leefgebied niet tot significant negatieve effecten.
Na de aanlegfase:
Wanneer de werkzaamheden afgerond zijn, komt er meer leefgebied voor terug in de vorm van water en riet. De kreken die aangelegd en verlengd wordt, zorgen ervoor dat er meer riet in het gebied kan groeien, wat als leefgebied fungeert voor de aangewezen soorten in het Natura 2000-gebied. Op de lange termijn dragen de werkzaamheden daarom bij aan de instandhoudingsdoelstellingen.
Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura2000-gebied Biesbosch door oppervlakteverlies en versnippering door deze activiteit zijn uitgesloten.
Ik onderschrijf deze conclusie. Om deze conclusie te waarborgen is voorschrift 18 toegevoegd aan dit besluit.
2.2.2. Vernatting
De Hel- en Zuilespolder in het geheel is niet essentieel voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling van kolgans. De polder is namelijk geen onderdeel van één van de kerngebieden van de soort, en de vernatting van het gebied zorgt daarmee niet tot een draagkrachtvermindering van het gebied van de soort. Hiermee zijn significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de soort uitgesloten.
Voor de overige soorten geldt dat vernatting zorgt voor een uitbreiding van (broed)biotoop.
Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen van Natura 2000-gebied Biesbosch door de activiteit zijn uitgesloten.
Ik onderschrijf deze conclusie.
2.2.3. Verandering stroomsnelheid
In de PB staat beschreven dat door het aantakken van de kreek aan de Beneden Merwede de stroomsnelheid hoger wordt, aangezien deze ongeveer gelijk wordt aan de Beneden Merwede. Bevers zijn in de afgelopen jaren veelvuldig waargenomen in de Beneden Merwede, wat aangeeft dat de stroming van de rivier geen belemmering voor bever is. Van noordse woelmuis is bekend dat de soort goed kan zwemmen, en dit niet alleen noodgedwongen doet. Daarnaast groeit er na verloop van tijd voldoende riet langs de oevers van de kreek, wat noordse woelmuis kan ondersteunen terwijl deze zich verplaatst in de kreek.
Geconcludeerd wordt dat significant negatieve gevolgen door een verandering in stroomsnelheid dan ook zijn uitgesloten.
Ik onderschrijf deze conclusie.
2.2.4. Verandering dynamiek substraat
In de PB staat dat verandering dynamiek substraat is alleen relevant is voor het nonnetje; een visetende vogel waarvoor de kreek in het projectgebied matig geschikt is als foerageergebied. Door het aantakken van de kreek aan de Beneden Merwede kan de dynamiek van het substraat veranderen, wat gevolgen kan hebben voor de mogelijkheid voor voedseldetectie van nonnetje. Het is niet de verwachting dat de kreek door het aantakken aan de Beneden Merwede troebeler wordt, hoogstwaarschijnlijk wordt deze juist iets helderder. Dit is voordelig voor nonnetje, aangezien deze dan beter op vis kan jagen.
Geconcludeerd wordt dat aantasting van de natuurlijke kenmerken is uitgesloten.
Ik onderschrijf deze conclusie.
2.2.5. Verstoring door geluid, licht, trilling en optische verstoring
Voor bijna alle soorten met een instandhoudingsdoelstelling voor het Natura 2000-gebied Biesbosch, inclusief de typische soorten van de habitattypen in de omgeving van het projectgebied is beschreven in de PB dat de werkzaamheden zorgen voor verstoring door geluid, licht, trilling en/of optische verstoring.
Voor al deze soorten is echter geconcludeerd dat de verstoring tijdelijk en zeer lokaal is, waarbij bijna alle soorten uit kunnen wijken naar alternatieve locaties in het Natura 2000-gebied Biesbosch. Wanneer de werkzaamheden afgerond zijn, is het leefgebied voor deze soorten uitgebreid of verbeterd, en kunnen ze weer terugkeren naar het projectgebied.
Uitwijkmogelijkheden gelden niet voor de bever en de meervleermuis.
Verstoring door geluid, trillingen en licht is tijdelijk, maar kan tot dichtbij de beverburcht komen. Verstoring van deze mate kan als gevolg hebben dat de twee burchten in de nabijheid van de werkzaamheden verlaten worden. Aangezien bever een behoudsdoelstelling heeft kan het verlaten van verschillende burchten ervoor zorgen dat deze individuen zich mogelijk naar ander leefgebied buiten het Natura 2000-gebied bewegen. Dit kan significante gevolgen hebben voor de behoudsdoelstelling. Om te voorkomen dat deze burcht verlaten wordt tijdens de werkzaamheden, zijn mitigerende maatregelen getroffen.
Voor de meervleermuis geldt dat wanneer de werkzaamheden plaatsvinden in het actieve seizoen van meervleermuis (dit is maart t/m oktober) en de actieve periode van meervleermuis (dit is tussen één uur voor zonsondergang en één uur na zonsopkomst), het leefgebied van meervleermuis mogelijk minder geschikt wordt. De werkzaamheden vinden plaats tussen 7 uur 's ochtends en 7 uur 's avonds. Tussen maart en oktober gaat de zon het vroegst om 6.29 uur op, en om 17.15 uur onder, waardoor er zéér korte perioden zijn dat een zeer beperkt deel van het Natura 2000-gebied ongeschikt wordt om te foerageren. Deze werkzaamheden zijn echter tijdelijk, waardoor dit gebied voor een zeer korte periode minder geschikt is. Wanneer de werkzaamheden voorbij zijn, is het gebied weer geschikt. Significante gevolgen van verstoring door geluid zijn daarom op voorhand uit te sluiten.
Verstoring door licht kan echter gedurende alle werkzaamheden plaatsvinden, en hierdoor worden grotere delen van het projectgebied ongeschikt voor meervleermuis om te foerageren. Ook kan het licht dat gebruikt wordt voor de werkzaamheden over de Beneden Merwede schijnen, wat een bekende migratieroute is voor meervleermuis. Om significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van meervleermuis door verstoring door licht te voorkomen zijn mitigerende maatregelen getroffen.
Geconcludeerd wordt dat mede door de mitigerende maatregelen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Biesbosch door deze activiteit zijn uitgesloten.
Ik onderschrijf deze conclusie. Om deze conclusie te waarborgen zijn voorschriften 13 t/m 17 aan dit besluit toegevoegd.
2.3. Stikstofdepositie
Voor wat betreft de inhoudelijke overwegingen rondom de berekening van de stikstofdepositie als gevolg van de aangevraagde activiteiten verwijs ik naar bijlage 5.
Voor de gebruiksfase zijn op 1 december 2025 berekeningen uitgevoerd met AERIUS Calculator (kenmerken: RkEAuH83wmJW, RqziKLQBqFrE, RsmMVKctvHZy, RnHdxceMvuGG, RpBEQHf7meKY, RjfRt74uZ39C, RQakPdsHs7wn, RfbzdVClFiRG).
Deze AERIUS-berekeningen tonen aan dat, in de aanlegfase van het initiatief sprake is van een tijdelijke toename in stikstofdepositie op een aantal habitattypen en leefgebieden van de Natura 2000-gebieden Biesbosch, Lingegebied & Diefdijk-Zuid, Zouweboezem, Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem, Uiterwaarden Lek, Langstraat en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.
Na de aanlegfase is geen sprake van stikstofdepositie door het project.
De werkzaamheden worden uitgevoerd over een periode van twee jaar waarbij de hoogste bijdrage 2,01 mol N/ha/jaar op leefgebieden (in Natura 2000-gebied Biesbosch) en 0,07 N/ha/jaar op habitattypen (in Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid) bedraagt. Een aantal van de habitattypen in dit Natura 2000-gebied is wat betreft stikstofdepositie overbelast. Dit houdt in dat de achtergronddepositie hoger is dan de Kritische Depositie Waarde (hierna: KDW).
In de rapportage Voortoets stikstofdepositie (bijlage 5) wordt onderbouwd dat het project, omdat deze depositie tijdelijk en beperkt is, zich niet zal vertalen in verandering in de vegetatie die aanwezig is in de stikstofgevoelige onderzochte Natura 2000-gebieden en dat daarom op voorhand kan worden uitgesloten dat significante gevolgen optreden voor de habitatkwaliteit.
Biesbosch
Voor onderstaande habitattypen en leefgebieden geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:
Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van deze habitattypen kunnen worden uitgesloten.
Lingegebied & Diefdijk-Zuid
Voor onderstaande habitattypen geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:
-
(ZG)H6510A - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
-
(ZG)H6510B - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)
-
H7230 – Kalkmoerassen
-
(ZG)H91E0B - Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen)
-
(ZG)H91E0C - Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van deze habitattypen kunnen worden uitgesloten.
Zouweboezem
Voor onderstaande habitattypen geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:
Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van deze habitattypen kunnen worden uitgesloten.
Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem
Voor onderstaande habitattypen geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:
Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van deze habitattypen kunnen worden uitgesloten.
Uiterwaarden Lek
Voor onderstaande habitattypen geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:
Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van deze habitattypen kunnen worden uitgesloten.
Langstraat
Voor onderstaande habitattypen geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:
-
H3130 - Zwakgebufferde vennen
-
H3140hz - Kranswierwateren
-
H4010A - Vochtige heiden
-
H6410 – Blauwgraslanden
-
H7140A - Overgangs- en trilvenen (trilvenen)
-
H7150 - Pioniersvegetaties met snavelbiezen
-
H7230 - Kalkmoerassen
Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van deze habitattypen kunnen worden uitgesloten.
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
Voor onderstaande habitattypen geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:
-
H3130 - Zwakgebufferde vennen
-
H2310 - Stuifzandheiden met struikhei
-
H2330 – Zandverstuivingen
-
H4030 - Droge heiden
-
H9190 - Oude eikenbossen
Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van deze habitattypen kunnen worden uitgesloten.
Voor de overige habitattypen van de genoemde Natura 2000-gebieden geldt dat deze niet stikstofgevoelig zijn, er geen sprake is van een overschrijding is van de KDW of dat er geen sprake is van een projectbijdrage.
Voor ieder van de habitats (habitat- en leefgebiedtypen) is in een habitatspecifieke beoordeling geconcludeerd dat de tijdelijke depositiebijdrage tijdens de aanlegfase niet leidt tot een aantasting van de kwaliteit van de beoordeelde Natura 2000-gebieden of tot belemmering van de mogelijkheden maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden.
Bij de onderbouwingen wordt onder andere ingegaan op het beheer en de al uitgevoerde maatregelen, het ontbreken van het verband tussen bepaalde gebiedskwaliteiten en de mate van stikstofoverbelasting (de status van instandhoudingsdoelstellingen (behoud of verbetering) en de beperkte projectbijdrage.
Ik onderschrijf uw conclusies ten aanzien van het stikstofeffect in de aanlegfase. Om deze conclusie te waarborgen zijn voorschriften 19 t/m 27 aan dit besluit toegevoegd.
2.4. Cumulatie
Bij vergunningverlening voor een activiteit moet een beoordeling plaatsvinden van de cumulatieve gevolgen als de activiteit, afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten, significante gevolgen kan hebben voor desbetreffende Natura 2000-gebieden. Een vergunning kan alleen verleend worden als de activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten geen significante gevolgen heeft.
Ik heb hiervoor al geconcludeerd dat de uitvoering van de voorgenomen activiteit zelfstandig beschouwd, geen significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
In de PB is onderzocht bij welke activiteiten cumulatie van effecten zou kunnen optreden. Beschreven is dat ook in cumulatie significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.
Ik concludeer dat in de aangeleverde PB een volledige en juiste cumulatietoetsing is uitgevoerd.
2.5. Conclusie
Met de door u uitgevoerde PB en AERIUS-berekening en hieronder aan deze omgevingsvergunning verbonden voorschriften is de zekerheid verkregen dat de activiteit waarvoor de vergunning is aangevraagd, niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden.
Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat de door u gevraagde omgevingsvergunning, onder de hieronder opgenomen voorschriften en beperkingen, kan worden verleend.
De onderhavige vergunning betreft louter een toestemming voor een Natura 2000-activiteit op grond van de Ow en de daadwerkelijke inzetbaarheid ervan kan beperkt worden door toekomstige ontwikkelingen en beperkingen vanuit andere kaders.