1. AANVRAAG
1.1. Onderwerp
Het projectgebied ligt in het Natura 2000-gebied Zwarte Meer en nabij de Natura 2000-gebieden De Wieden, Olde Maten & Veerslootslanden en Uiterwaarden Zwarte Water & Vecht. De KRW-maatregelen zijn voorzien in de recreatievaargeul Scheepvaartgat. De werkzaamheden bestaan uit het aanleggen van een rijshoutdam, 'onderwaterdijken' (richels) en plaatselijke grondophogingen. Het doel van deze werkzaamheden is het creëren van moeras- en rietgebied.
De werkzaamheden worden uitgevoerd in de periode 1 oktober 2026 tot en met 28 februari 2027, met eventueel uitloop naar maart 2027.
De voorgenomen activiteiten zijn in meer detail beschreven in de aangeleverde Passende beoordeling Planuitwerking KRW 3e tranche IJsselmeergebied - Voortoets en Passende beoordeling KRW-maatregel Zwarte Meer (hierna: PB). Zie bijlage 1.
KRW-doelen
In de PB is het doel van het project als volgt beschreven:
De geplande KRW-maatregel in het Natura 2000-gebied Zwarte Meer heeft als doel het verbeteren van de ecologische waterkwaliteit. De realisatie van de luwe ondiepte in het water creëert een geschikt habitat voor (ondergedoken) waterplanten, macrofauna en vis. Door de luwte ondervinden ondergedoken waterplanten geen hinder van golfslag en kunnen ze zich hier beter ontwikkelen. Daarbij richt de KRW-maatregel zich op plantgebonden macrofauna en plantminnende en zuurstoftolerante vissen, voor wie er in de luwte tussen het verankerde dode hout tevens paai- en schuilgelegenheden ontstaan.
Eén van de huidige knelpunten in het IJsselmeergebied is een tekort aan voedsel voor visetende vogels (Rijkswaterstaat 2017a). Doordat de voorgenomen KRW-maatregel geschikt leefgebied voor vissen creëert, verbetert mogelijk de visstand en daarmee de voedselbeschikbaarheid voor vogels. De vogelsoorten fuut, aalscholver, lepelaar en zwarte stern behoren tot visetende vogelsoorten.
De realisatie van het moeras- en rietgebied met richels en natuurlijk land-waterovergangen draagt bij aan het versterken van de vispopulatie in het Zwarte Meer, en dus aan de voedselbeschikbaarheid voor deze vogelsoorten.
Met de geplande maatregelen ontstaat er ook potentieel nieuw leef- en broedgebied voor moeras- en rietvogelsoorten. De maatregelen dragen bij aan de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen van roerdomp, purperreiger, porseleinhoen, snor, rietzanger, grote karekiet, slobeend, kuifeend, tafeleend, kleine zwaan en meerkoet.
1.2. Bevoegdheid
Er is sprake van een Natura-2000 activiteit van nationaal belang. Op basis van art. 5.11, lid 1g van de Ow en artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit (hierna: OB), lid 2c luidend: 'een activiteit van het Rijk die nodig is voor de ontwikkeling, werking en bescherming van de hoofdwateren' ben ik bevoegd om te beslissen op uw vergunningaanvraag.
De exacte wetsteksten zijn te raadplegen op www.overheid.nl onder 'wet- en regelgeving'.
1.3. Vergunningplicht
De aangevraagde activiteiten kunnen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden Zwarte Meer, De Wieden, Olde Maten & Veerslootslanden en Uiterwaarden Zwarte Water & Vecht, significante gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied. Daarom geldt een vergunningplicht van art 5.1, lid 1, sub e Ow.
1.4. Beoordeling van Natura 2000-activiteiten
1.4.1. Activiteit met mogelijk significante gevolgen
De activiteiten waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, betreffen een activiteit in de zin van art 5.1, lid 1e Ow, omdat zij, afzonderlijk of in cumulatie met andere plannen of activiteiten, kunnen leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van een of meerdere Natura 2000-gebieden.
1.4.2. Passende beoordeling
Conform artikel 8.74b Besluit Kwaliteit Leefomgeving geldt dat uit een PB in de zin van artikel 16.53c van de Ow moet blijken dat de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura-2000 gebieden niet worden aangetast door de activiteit, afzonderlijk of in cumulatie met andere activiteiten, tenzij sprake is van toepassing van een ADC-toets. De PB moet rekening houden met de instandhoudingsdoelstellingen van de gebieden. De PB biedt de grondslag voor de vaststelling van de aard en omvang van de gevolgen of de cumulatieve gevolgen en de manier waarop in mitigatie van die gevolgen is voorzien. De met de aanvraag meegezonden PB toetst de effecten aan de instandhoudingdoelstellingen uit de aanwijzingsbesluiten en/of wijzigingsbesluiten van de betrokken Natura 2000-gebieden.
1.5 Participatie
Bij de aanvraag is aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken (zie bijlage 11).
Er zijn ontwerpateliers, informatiemomenten, aanvullende stakeholdergesprekken en/of participatiebijeenkomsten georganiseerd.
De informatie uit deze activiteiten is betrokken bij de integrale belangenafweging.
2. BEOORDELING
2.1 Afbakening
Gebied
De beoogde activiteit vindt plaats in het Natura 2000-gebied Zwarte Meer en nabij de Natura 2000-gebieden De Wieden, Olde Maten & Veerslootslanden en Uiterwaarden Zwarte Water & Vecht.
Negatieve effecten
Voor de beoordeling van de gevolgen inventariseert de PB welke in redelijkheid denkbare typen negatieve ecologische effecten kunnen optreden. Het betreft:
-
oppervlakteverlies;
-
versnippering;
-
veranderingen van stroomsnelheid;
-
verandering van dynamiek van substraat;
-
verstoring door geluid, licht, trilling, mechanische effecten en optische verstoring;
-
stikstofdepositie1.
Deze effecttypen worden beschouwd in relatie tot het habitattype H3140 Kranswierwateren en in relatie tot de habitatsoorten bittervoorn, kleine modderkruiper, meervleermuis, rivierdonderpad en otter; broedvogelsoorten rietzanger en grote karekiet; en niet-broedvogelsoorten. Deze laatste groep is onder te verdelen in visetende vogelsoorten (fuut, aalscholver, zwarte stern), steltlopers (grutto en lepelaar), grasetende vogelsoorten (kleine zwaan, kolgans, toendrarietgans, smient, meerkoet), omnivore eendensoorten (wintertaling, pijlstaar en slobeend) en bentische eendensoorten (tafeleend en kuifeend).
Natuurwaarden
De beschermde natuurwaarden en de relevante instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden staan vermeld op www.natura2000.nl.
Conclusie afbakening
Ik ben van oordeel dat de afbakening van het gebied en de inventarisatie van mogelijke negatieve effecten van de activiteit op de natuurwaarden in de PB op een juiste wijze hebben plaatsgevonden.
2.2 Mogelijke effecten en mitigatie
Hieronder volgt mijn beoordeling van de effectenanalyse zoals die is neergelegd in de bij de aanvraag gevoegde PB (bijlage 1).
2.2.1 Oppervlakteverlies
Habitattype 3140 Kranswieren
In de PB staat beschreven dat door de maatregelen er ruimtebeslag is op 0,03 hectare van dit habitattype. Hiermee vindt oppervlakteverlies van 0,005 % van het habitattype H3140 in dit N2000 gebied plaats. Er wordt beschreven dat aangezien
-
de verspreiding van kranswieren van jaar tot jaar varieert;
-
de tijdelijke afname van kranswieren als gevolg van aanleg van de dam wegvalt binnen de natuurlijke variatie in verspreiding en aantallen kranswieren;
-
in de directe omgeving van en binnen het projectgebied voldoende alternatief leefgebied aanwezig is waar de kranswieren zich ook kunnen vestigen;
-
er gunstige omstandigheden voor vestiging gecreëerd worden door de maatregelen, doordat de rijshoutdam rondom het projectgebied zorgt voor luwe omstandigheden, die geschikt zijn voor kranswieren.
-
Daarnaast bieden de richels onder water ook kansen voor vestiging van kranswieren;
-
kranswieren zich snel kunnen vermeerderen, zowel vegetatief als via sporen;
wordt geconcludeerd dat significant negatieve effecten door oppervlakteverlies op instandhoudingsdoelstellingen van kranswieren worden uitgesloten.
Kleine modderkruiper, meervleermuis en bittervoorn
De oppervlakte van het projectgebied beslaat 65 hectare open water. Op circa 15 hectare van dit areaal worden richels aangebracht, waarop riet komt te groeien. De overige circa 50 hectare blijft uit water bestaan, dat tussen de huidige oever en de aan te leggen richels ligt. Gevolg van de voorziene maatregelen is dat het areaal aan open water in het Zwarte Meer afneemt met circa 65 hectare. Het totale areaal van Natura 2000-gebied Zwarte Meer bedraagt 2.162 hectare, waarvan het grootste gedeelte uit open water bestaat. Uit de monitoring van waterplantenbedekking in het Zwarte Meer (Rijkswaterstaat 2020), blijkt dat op meer dan de helft van dit areaal waterplanten aanwezig zijn. Uitvoering van het project resulteert in oppervlakteverlies van circa 3 % van het areaal open water en circa 5 % van het met waterplanten bedekte areaal aan open water.
Aangezien dit slechts een klein aandeel is van het gehele areaal blijft er voldoende geschikt leefgebied over buiten het projectgebied voor de kleine modderkruiper, de meervleermuis en de bittervoorn. Na uitvoering van de maatregelen is het projectgebied nog steeds potentieel geschikt leef- en foerageergebied voor de soorten.
Geconcludeerd wordt dat aangezien het oppervlakteverlies beperkt en tijdelijk is, significant negatieve effecten van oppervlakteverlies kunnen worden uitgesloten.
Otter
In de PB staat beschreven dat de otter in het Zwarte Meer afhankelijk is van water en dekking in de oeverzone om te foerageren dan wel te rusten. Er zijn geen knelpunten bekend voor de soort in het gebied. De omvang van het areaal water is geen verwacht knelpunt, en in de toekomstige situatie is er in de directe omgeving van het projectgebied voldoende alternatief leefgebied van gelijkwaardige kwaliteit voor de soort. Het projectgebied is daarbij ook niet van bijzonder of essentieel belang voor de otter. Na afronding van de werkzaamheden is het projectgebied weer beschikbaar als leefgebied voor de soort. Aangezien de beschikbaarheid van water geen knelpunt is in het gebied, er voldoende water overblijft in het Zwarte Meer om te foerageren of te rusten, en het projectgebied niet van bijzonder of essentieel belang is, leidt dit op zichzelf niet tot significante negatieve effecten.
Geconcludeerd wordt dat significante negatieve effecten van de KRW-maatregel door oppervlakteverlies op de otter daarmee zijn uit te sluiten.
Rietzanger, grote karekiet
In de PB wordt beschreven dat de voorgestelde maatregelen niet leiden tot een afname van het broedgebied voor de soorten, aangezien het projectgebied uit ondiep water bestaat, wat niet overeenstemt met de broedbiotoop van de soort. De oever bij het projectgebied is wel geschikt als broedbiotoop, maar hiervan gaat geen oppervlakte verloren.
Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten van oppervlakteverlies op de instandhoudingsdoelstellingen van de rietzanger en grote karekiet hierdoor kunnen worden uitgesloten.
Visetende niet-broedvogelsoorten, grasetende watervogelsoorten, omnivore en bentische eendensoorten
De PB beschrijft dat afname van het areaal aan open water als gevolg van de KRW-maatregel leidt tot een afname van (potentieel geschikt) foerageergebied / rustgebied van visetende niet-broedvogelsoorten en grasetende vogelsoorten. Aangezien de beschikbaarheid van open water geen knelpunt is in het gebied, er voldoende open water overblijft in het Zwarte Meer om te foerageren en/of te rusten, en het projectgebied niet van bijzonder of essentieel belang is, leidt dit op zichzelf niet tot significante negatieve effecten.
Ook mogelijke negatieve effecten via een afname van de visstand ten behoeve van de visetende soorten zijn niet aan de orde; het project draagt zelfs bij aan een betere visstand.
Geconcludeerd wordt dat significante negatieve effecten van de KRW-maatregel door oppervlakteverlies op foerageerdoelstellingen voor visetende niet-broedvogelsoorten, grasetende vogelsoorten en omnivore en bentische eendensoorten daarmee zijn uit te sluiten.
Steltlopers
De PB beschrijft dat de afname van het areaal ondiep water als gevolg van de KRW-maatregel niet leidt tot een afname van (potentieel geschikt) foerageer- of rustgebied voor de steltlopers. Het ondiepe water is op de projectlocatie nu te diep om als foerageer dan wel rustgebied te dienen, aangezien het water circa 1,2 meter diep is.
Geconcludeerd wordt dat significante negatieve effecten van de KRW-maatregel door oppervlakteverlies op foerageerdoelstellingen voor steltlopers daarmee uit te sluiten zijn.
Ik onderschrijf deze conclusies.
2.2.2 Versnippering
Habitattype 3140 Kranswieren
In de PB staat beschreven dat het plaatsen van de rijshoutdam op het habitattype niet leidt tot versnippering van het habitattype. Er zijn openingen geplaatst in de dam om versnippering van leefgebied dan wel vegetatie te voorkomen. Er is dus geen beperking van uitwisseling van zaden/sporen en groei van de kranswieren. Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten van versnippering op de instandhoudingsdoelstellingen van kranswieren zijn uitgesloten.
Kleine modderkruiper, meervleermuis, otter, rietzanger, grote karekiet en bittervoorn
In de PB staat beschreven dat de voorziene KRW-maatregelen in het Zwarte Meer niet leiden tot versnippering van het leefgebied van de kleine modderkruiper, de otter en de bittervoorn. Het creëren van moeras- en rietgebied op locaties waar nu open water aanwezig is, zorgt niet voor barrières voor de soorten. Er ontstaan geen losse poelen, maar al het water blijft met elkaar verbonden.
Vliegende soorten kunnen het hele gebied blijven bereiken. Deze soorten wordt dan ook niet gehinderd in hun foerageergedrag.
Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten van versnippering op de genoemde soorten zijn uitgesloten.
Ik onderschrijf deze conclusies.
2.2.3 Verandering van stroomsnelheid
In de PB staat beschreven dat als gevolg van de KRW-maatregel, in theorie op grotere schaal effecten kunnen optreden door veranderingen in de dynamiek van het watersysteem. Dergelijke veranderingen zijn in potentie nadelig voor de groei en aanwezigheid van waterplanten, en daarmee op de waterkwaliteit van het systeem. In het opstellen van het ontwerp van de maatregel zijn effecten op de grotere schaal van het watersysteem uitgebreid onderzocht. Hierbij is gebruikt gemaakt van hydraulische modellering (zie bijlage 7). Uit de modelresultaten blijkt dat veranderingen in stroomsnelheden vooral in de directe nabijheid van de KRW-maatregelen te verwachten zijn. In deze directe nabijheid groeien kranswieren. De mogelijke kleine veranderingen in stroomsnelheid in deze gebieden zouden slechts kunnen zorgen voor minder golfslag en meer luwte. Voor kranswieren creëert dit een gunstige leefomgeving, waardoor significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van kranswieren uitgesloten zijn.
Voor de doorstroming in de vaargeul langs de zuidoever van het Zwarte Meer geldt dat deze onder normale omstandigheden blijft gelijk, en iets afneemt onder stormomstandigheden. Voor de rivierdonderpad, die de stortstenenoever als biotoop heeft, blijft daarmee dit biotoop in gelijke mate geschikt als in de huidige situatie het geval is.
Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen in het Natura 2000-gebied Zwarte Meer door verandering van stroomsnelheid met zekerheid zijn uit te sluiten.
Ik onderschrijf deze conclusie.
2.2.4 Verandering van dynamiek van substraat
In de PB staat beschreven dat in de aanlegfase, als gevolg van de werkzaamheden welke de dynamiek van het substraat veranderen, sprake kan zijn van vertroebeling en sedimentatie. Vertroebeling en sedimentatie kunnen bij de werkzaamheden ontstaan als gevolg van omwoeling van slibdeeltjes vanaf de waterbodem, of als gevolg van verspreiding van materiaal bij het aanleggen van de richels. Vertroebeling heeft effect op zichtjagende vogels en vissen en op aanwezige mosselen. Zowel vertroebeling als sedimentatie kunnen daarnaast de lichttoestand in de meren veranderen, wat kan doorwerken op de groei van waterplanten.
De waterbodem ter plaatse van het projectgebied bestaat uit zandige klei met slib.
Om significant negatieve effecten door omwoeling van zand te voorkomen, wordt als materiaal voor de lagergelegen delen van de richels zand gebruikt, waarbij de fractie lutum niet groter is dan 10%. Door de relatief hoge valsnelheden leidt dit daardoor nauwelijks tot vertroebeling en sedimentatie.
Het materiaal voor de hoger gelegen delen van de richels (de kruin) zal meer organisch materiaal te bevatten ten behoeve van de groei van het riet. Dit materiaal zal uit klei of kleiachtig zand bestaan, waardoor het erosiebestendig is.
Ook zal buiten het groeiseizoen van de waterplanten (oktober t/m maart) gewerkt worden.
In de PB staat daarnaast beschreven dat het optreden van erosie in de gebruiksfase nog meer beperkt wordt (naast bovenbeschreven maatregel) doordat rondom de richels dammen worden geplaatst, waarvan de onderzijde uit rijshout en de bovenzijde uit wiepen bestaat. Deze dammen verminderen de golfslag, zodat rietvegetatie de kans krijgt zich op de richels te ontwikkelen. Met de ontwikkeling van rietvegetatie worden de richels erosiebestendiger, waardoor vertroebeling en sedimentatie gereduceerd worden.
Geconcludeerd wordt dat indien als mitigerende maatregel het materiaal en uitvoering aan de beschreven voorwaarden voldoet, significant negatieve effecten van vertroebeling en sedimentatie op instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten zijn. Ook negatieve effecten op foeragerende vogels, mosselen en waterplanten in het Natura 2000-gebied Zwarte Meer zijn daarmee uitgesloten.
Ik onderschrijf deze conclusies. Ter borging van deze conclusie zijn de voorschriften 15, 21 en 22 opgenomen.
2.2.5 Verstoring door geluid, licht, trilling, mechanische effecten en optische verstoring
2.2.5.1 Licht
Kleine modderkruiper
In de PB staat beschreven dat de werkzaamheden mogelijk zorgen voor verstoring door de toepassing van kunstlicht, waar kleine modderkruiper gevoelig voor is. De verstoring door licht reikt tot 80 meter vanaf de lichtbron, waardoor een klein deel van het leefgebied wordt verstoord. Aangezien de soort zich overdag in de waterbodem nabij de werkzaamheden bevindt, en geen grote afstanden aflegt, kunnen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen door verstoring door licht niet worden uitgesloten. Geconcludeerd wordt dat door het gebruik van aangepaste armaturen en door te werken buiten de kwetsbare paaiperiode (april tot en met juli) significant negatieve effecten op de kleine modderkruiper alsnog kunnen worden uitgesloten.
Meervleermuis
Verstoring door het project van meervleermuizen door licht treedt potentieel op indien in de actieve periode van meervleermuis, tussen 15 maart en 15 oktober tussen zonsondergang en zonsopkomst, gewerkt wordt.
Verstoring door licht kunnen voor deze werkzaamheden worden uitgesloten als de werkzaamheden overdag plaatsvinden. De meervleermuis houdt zich overdag schuil in gebouwen in de omgeving, waardoor deze effecttypen geen gevolgen zullen hebben voor de soort. Als werkzaamheden in schermeruren plaatsvinden, treedt verstoring van de nachtactieve meervleermuis op.
Om significant negatieve effecten te voorkomen, worden mitigerende maatregelen genomen, namelijk dat in de periode van 15 maart tot 15 oktober voor 1 uur na zonsopkomst en na 1 uur voor zonsondergang niet wordt gewerkt.
Geconcludeerd wordt dat door deze maatregelen significant negatieve effecten op de meervleermuis zijn uitgesloten.
Otter
In de PB wordt beschreven dat gezien de tijdelijke aard van de verstoring, de afwezigheid van geschikt rustgebied binnen het projectgebied en het feit dat de verstoring niet optreedt tijdens de jacht van de otter geconcludeerd kan worden dat significant negatieve effecten van verstoring op de otter zijn uitgesloten.
Rietzanger
In de PB staat beschreven dat ondanks mogelijke verstoring de aantallen broedparen ruim boven de instandhoudingsdoelen blijven. Daardoor wordt geconcludeerd dat significant negatieve effecten door verstoring op de rietzanger kan worden uitgesloten.
Grote karekiet
De PB beschrijft dat de grote karekiet met 24 broedparen in het Zwarte Meer voorkomt, bij een instandhoudingsdoelstelling van 40 broedparen. Elke (mogelijke) aantasting van de draagkracht van het Zwarte Meer voor broedende grote karekieten, zoals bij verstoring door de werkzaamheden, betekent dat significant negatieve effecten niet uitgesloten kunnen worden.
Beschreven en geconcludeerd is dat significant negatieve effecten voor deze soort kunnen worden uitgesloten door de werkzaamheden binnen 215 meter van de oeverzone buiten de broedperiode van grote karekiet uit te voeren (buiten de periode half april tot en met augustus).
Ik onderschrijf deze conclusie. Ter borging van deze conclusie zijn de voorschriften 15, 17 en 18 opgenomen.
2.2.5.2 Geluid en trilling, mechanische effecten en/of optische verstoring
Kleine modderkruiper, bittervoorn
Aangezien de kleine modderkruiper zich overdag in de waterbodem bevindt, zijn effecten van verstoring door geluid en trilling voor deze soort zeer beperkt.
Het aanbrengen van grond/zand op de huidige waterbodem kan wel leiden tot mechanische verstoring, aangezien aanwezige kleine modderkruipers in de bodem en mogelijk zwanenmosselen (=voortplantingsplek van de bittervoorn) erdoor bedolven kunnen worden.
Hierdoor zijn negatieve effecten op kleine modderkruiper en bittervoorn niet uit te sluiten.
Echter, aangezien
-
de rijshoutendammen middels duwen/drukken worden geplaatst (= een uitgangspunt);
-
de werkzaamheden worden met tussenpauzes begonnen en er wordt in één richting gewerkt richting open water, om zo de kleine modderkruiper vluchtmogelijkheden te bieden;
-
de effecten van mechanische verstoring alleen optreden tijdens de uitvoering, gedurende 6 maanden, buiten de voorplantingsperiode van soorten (april-september);
-
er slechts in 3 % van het open water van het Zwarte Meer werkzaamheden plaatsvinden, is er ten alle tijden voldoende onverstoord, alternatief leefgebied beschikbaar. Het projectgebied is na afloop van de werkzaamheden weer geheel geschikt voor de soorten;
is geconcludeerd dat de werkzaamheden het behoud van de populatie kleine modderkruipers en bittervoorns en het behoud van de omvang en kwaliteit van het leefgebied van deze soorten niet in de weg staat en dus significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.
Meervleermuizen
In de PB staat dat verstoring van het project op meervleermuizen potentieel optreedt door verstoring door geluid. Verstoring kan optreden als in de actieve periode van meervleermuis, tussen 15 maart en 15 oktober tussen zonsondergang en zonsopkomst, gewerkt wordt. Verstoring door trillingen is uitgesloten, omdat geen verblijfplaatsen van meervleermuis aanwezig zijn in en nabij het projectgebied.
Verstoring door geluid kunnen voor deze werkzaamheden worden uitgesloten als de werkzaamheden overdag plaatsvinden. De meervleermuis houdt zich overdag schuil in gebouwen in de omgeving, waardoor deze effecttypen geen gevolgen zullen hebben voor de soort. Als werkzaamheden in schermeruren plaatsvinden, treedt verstoring van de nachtactieve meervleermuis op.
Om significant negatieve effecten te voorkomen, worden mitigerende maatregelen genomen, namelijk dat in de periode van 15 maart tot 15 oktober voor 1 uur na zonsopgang en na 1 uur voor zonsondergang niet wordt gewerkt.
Geconcludeerd wordt dat hierdoor significant negatieve effecten op de meervleermuizen door verstoring kunnen worden uitgesloten.
Rietzanger
In de PB staat beschreven dat ondanks de minimale verstoring de aantallen broedparen ruim boven de instandhoudingsdoelen blijven.
Daardoor wordt geconcludeerd dat significant negatieve effecten door verstoring op deze soorten kunnen worden uitgesloten.
Grote karekiet
De PB beschrijft dat de grote karekiet met 24 broedparen in het Zwarte Meer voorkomt, bij een instandhoudingsdoelstelling van 40 broedparen. Elke (mogelijke) aantasting van de draagkracht van het Zwarte Meer voor broedende grote karekieten, zoals bij verstoring door de werkzaamheden, betekent dat significant negatieve effecten niet uitgesloten kunnen worden.
Beschreven en geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten door de werkzaamheden binnen 215 meter van de oeverzone buiten de broedperiode van grote karekiet uit te voeren (buiten de periode half april tot en met augustus).
Visetende vogelsoorten, steltlopers, grasetende vogelsoorten, omnivore en bentische eendensoorten
In de PB staat beschreven dat de meeste soorten de doelaantallen niet haalt; een aantal heeft een behoudsdoelstelling.
De soorten zijn echter niet specifiek gebonden aan de projectlocatie en in de directe omgeving van het projectgebied (binnen 10 km) is genoeg alternatief geschikt, onverstoord foerageergebied beschikbaar binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied.
De soorten kunnen hierdoor relatief eenvoudig uitwijken naar nabijgelegen geschikte leefgebieden binnen Natura 2000-gebied Zwarte Meer. Na afronding van de werkzaamheden eindigt de verstoring en treedt volledig herstel op.
Geconcludeerd wordt dat er daarom geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van visetende soorten, steltlopers, grasetende vogelsoorten en omnivore en bentische eendensoorten zijn.
Ik onderschrijf deze conclusie. Ter borging van deze conclusie zijn de voorschriften 15, 19 en 20 opgenomen.
2.2.6 Stikstofdepositie
Voor wat betreft de inhoudelijke overwegingen rondom de berekening van de stikstofdepositie als gevolg van de aangevraagde activiteiten verwijs ik naar bijlage II van de PB. De betreffende AERIUS Calculatorberekening(en) is/zijn als bijlage toegevoegd (bijlagen 2 en 3 en 12 t/m 15).
In de voortoets is beschouwd of significant negatieve effecten van de activiteiten op Natura 2000 gebieden op voorhand met zekerheid uitgesloten kunnen worden. De werkzaamheden voor deze activiteit in het Zwarte Meer resulteren in de aanlegfase een tijdelijke stikstofdepositietoename op Natura 2000 habitattypen en/of leefgebieden die stikstofgevoelig zijn en (naderend) overbelast. De gebruiksfase van het project leidt niet tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.
Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat in de aanlegfase een tijdelijke toename van stikstofdepositie plaatsvindt op (naderend) overbelaste habitattypen en leefgebieden van soorten op de Natura 2000 gebieden Olde Maten & Veerslootslanden en De Wieden. De projectbijdrage bedraagt maximaal 0,02 mol N/ha/jaar. Doordat de activiteit korter dan een jaar plaatsvindt, namelijk een half jaar, is de stikstofemissie en depositie beperkt (nl. 0,01 mol N/ha/jr).
Deze lage hoeveelheid wordt gerealiseerd mede door o.a. de mitigerende maatregel om gebruik te maken van SCR en pelotonmaatregelen2.
In de locatiespecifieke ecologische beoordeling is voor alle habitattypen en soorten waarvoor de betreffende Natura-2000 gebieden zijn aangewezen geconcludeerd dat significant negatieve effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project KRW 3e tranche IJsselmeergebied in het Zwarte Meer met zekerheid op voorhand zijn uit te sluiten.
Hiermee is de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura-2000 gebieden niet worden aangetast door de activiteit.
Ik onderschrijf deze conclusie. Ter borging van deze conclusie zijn de voorschriften 24 tot en met 30 opgenomen.
2.3 Cumulatie
Bij vergunningverlening voor een activiteit moet een beoordeling plaatsvinden van de cumulatieve gevolgen als de activiteit, afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten, significante gevolgen kan hebben voor desbetreffende Natura 2000-gebieden. Een vergunning kan alleen verleend worden als de activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten geen significante gevolgen heeft.
Ik heb hiervoor al geconcludeerd dat de uitvoering van de voorgenomen activiteit zelfstandig beschouwd, geen significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
In de PB zijn de mogelijke cumulatieve effecten beschreven voor onderstaande activiteiten:
-
De ontheffing voor schadebestrijding van de grauwe gans in de volgende Natura 2000-gebieden: De Weerribben, De Wieden, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, Zwarte Meer, Ketelmeer & Vossemeer en Rijntakken (Kenmerk: D2024-00002743, Zaaknummer: Z2023-00003654). Deze ontheffing houdt in dat koppelvormende grauwe ganzen mogen worden afgeschoten. Dit mag enkel in de periode 1 januari tot 15 maart tussen 09.00 en 16.00 uur. Deze ontheffing is geldig van 1 januari 2024 tot 15 maart 2029.
-
Daarnaast worden in het kader van de KRW 3e tranche Midden-Nederland in drie waterlichamen maatregelen uitgevoerd. Naast het Ketelmeer betreft het maatregelen in het Zwarte Meer en Eemmeer. Er is nog geen vergunning verleend voor deze projecten, maar aannemelijk is dat werkzaamheden gelijktijdig plaatsvinden, waardoor mogelijk sprake is van cumulatie van effecten.
Er wordt in de PB geconcludeerd dat ook in cumulatie significant negatieve effecten zijn uitgesloten. Ik concludeer dat in de aangeleverde PB een volledige en juiste cumulatietoetsing is uitgevoerd.
2.4 Conclusie
Met de door u uitgevoerde PB en AERIUS-berekening en hieronder aan deze omgevingsvergunning verbonden voorschriften is de zekerheid verkregen dat de activiteit waarvoor de vergunning is aangevraagd, niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden.
Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat de door u gevraagde omgevingsvergunning, onder de hieronder opgenomen voorschriften en beperkingen, kan worden verleend.
De onderhavige vergunning betreft louter een toestemming voor een Natura 2000-activiteit op grond van de Ow en de daadwerkelijke inzetbaarheid ervan kan beperkt worden door toekomstige ontwikkelingen en beperkingen vanuit andere kaders.