Onderwerp: Bezoek-historie

Besluit Omgevingsvergunning N2000-activiteit; Aramis-initiatief - CO2transport Aramis
Geldigheid:24-04-2025 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Geachte,

Op 9 februari 2024 heeft u namens het Aramis-consortium een aanvraag ingediend voor een vergunning op grond van de Omgevingswet (hierna: OW) voor een Natura 2000-activiteit: het Aramis-initiatief. Deze vergunning is aangevraagd voor onbepaalde tijd.

Procedure

Gecoördineerd besluit

In artikel 141a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Mijnbouwwet (hierna: Mbw) en artikel 141a, eerste lid, onder c, van de Mbw is bepaald dat op de besluitvorming voor dit project de coördinatieregeling als bedoeld in Afdeling 3.5 van de Awb van toepassing is. Dat wil in dit geval zeggen dat de besluiten die nodig zijn voor Aramis gezamenlijk worden voorbereid, waarbij de Minister van Klimaat en Groene Groei (hierna: ik) deze procedure coördineert. Daarbij doorlopen de besluiten, op grond van artikel 16.71, eerste lid, van de Ow in samenhang met artikel 16.7 en artikel 5:45 van de Ow de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb.

Dit besluit is één van de besluiten die nodig zijn voor het Aramis-initiatief. Daarom is ook op dit besluit de coördinatieregeling uit afdeling 3.5 van de Awb van toepassing.

De Minister van Klimaat en Groene Groei heeft een gecoördineerde voorbereiding van de besluiten voor het Aramis-initiatief bevorderd. Onderhavig besluit is samen met het projectbesluit en andere besluiten als volgt voorbereid:

  • Op woensdag 3 juli 2024 is op grond van 141a, eerste lid, Mbw het onderhavige besluit aangewezen als besluit dat ook gecoördineerd wordt voorbereid en bekendgemaakt;

  • op donderdag 12 september 2024 is een kennisgeving met betrekking tot het ontwerp gepubliceerd in de Staatscourant; kennisgeving heeft ook plaatsgevonden in enkele huis-aan-huisbladen en regionale dagbladen;

  • op donderdag 12 september 2024 is door de Minister van Klimaat en Groene Groei een ontwerp van het besluit aan TotalEnergies EP Nederland B.V. gezonden;

  • Van vrijdag 13 september tot en met donderdag 24 oktober 2024 heeft het ontwerp besluit tezamen met het ontwerp projectbesluit, een aantal andere ontwerp-uitvoeringsbesluiten en het MER ter inzage gelegen (eerste set ontwerpbesluiten). Tijdens de ter inzage termijn zijn twee inloopbijeenkomsten georganiseerd, op 26 september en 3 oktober 2024, waarbij de mogelijkheid werd geboden mondeling zienswijze naar voren te brengen.

Een ieder kon naar aanleiding van de ontwerpbesluiten een zienswijze indienen. Op de ontwerpbesluiten zijn binnen de zienswijzentermijn 7 zienswijzen binnengekomen. Deze zienswijzen zijn geanonimiseerd en opgenomen in de inspraakbundel op de RVO-website.

In de Nota van Antwoord is de beantwoording van de zienswijzen en de eventuele wijzigingen in de besluiten n.a.v. de zienswijzen opgenomen.

Hiervoor verwijs ik eveneens naar de RVO-website.

Op het onderhavige ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning Natura 2000 activiteit zijn ook zienswijzen ontvangen.

Op grond van artikel 3:26, tweede lid, Awb, worden dit besluit en de andere besluiten gelijktijdig door de Minister van Klimaat en Groene Groei bekendgemaakt. Ook doet de Minister van Klimaat en Groene Groei daarvan mededeling in de Staatscourant, enkele huis-aan-huisbladen en regionale dagbladen en langs elektronische weg. Eerdere insprekers en grondeigenaren en beperkt gerechtigden op die gronden worden persoonlijk geïnformeerd.

Aanvraag natuurvergunning N2000-activiteit

Op 9 februari 2024 heeft u uw aanvraag ingediend via het omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet. U heeft hiervan een automatische bevestiging ontvangen.

Op 29 april 2024 heb ik u een verzoek om aanvulling op de passende beoordeling (hierna: PB) gestuurd, waarop ik op 30 mei 2024 antwoord van u heb ontvangen.

Advies commissie MER en zienswijzen

Naar aanleiding van het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage is door initiatiefnemer een addendum aan het milieueffectrapport (MER) voor het projectbesluit Aramis toegevoegd (het addendum is te raadplegen via www. rvo.nl/aramis).

De zienswijzen op het MER zijn in de Nota van Antwoord weergegeven en van een reactie voorzien. Voor de Nota van Antwoord verwijs ik eveneens naar de website van RVO via www. rvo.nl/aramis.

Daar waar ik dat nodig acht, heb ik het onderhavige besluit naar aanleiding van de zienswijzen aangepast. Indien dit het geval is, staat dit zowel in de Nota van Antwoord bij de betreffende zienswijze weergegeven, als hieronder bij de 'Wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbesluit'.

Actuele jurisprudentie

In de rechtbankuitspraak Greenpeace1 wordt onder andere ingegaan op de zo genoemde urgentielijst2. Hoewel door het Aramis-initiatief stikstofdepositie plaatsvindt op habitattypen die op deze lijst voorkomen, heeft de uitspraak geen invloed op dit besluit. Het al dan niet op deze lijst staan is op zichzelf geen ecologische factor die het mogelijke effect van depositie beïnvloedt. In de PB is reeds ecologisch onderbouwd dat de kleine, tijdelijke deposities geen significant negatief effect hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden.

Aanvulling op de aanvraag

Op 11 maart 2025 is een aanvulling op de aanvraag ontvangen (zie bijlage 1 bij dit besluit (Aanbiedingsbrief aanvulling aanvraag omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit Aramis, 10 maart 2025). Zie ook de beschrijving in Addendum MER CCS Aramis, 10 maart 2025 (zie website RVO via www. rvo.nl/aramis).

De aanvullingen behelzen:

  • Aanvullende baggerwerkzaamheden bij de zeeleiding (zie AERIUS-berekeningen);

  • Het plaatsen van een tweede mantelbuis in de zeeleiding (zie AERIUS-berekeningen);

  • De aangepaste ligging van de exportleiding vanaf de CO2next terminal naar het compressorstation (zie AERIUS-berekeningen);

  • Aanvullende informatie over temperatuureffecten zeeleiding (zie 2.1);

  • Het plaatsen van windturbines op de platforms (zie 2.2.7);

  • Het plaatsen van skirt ankerpalen in plaats van jacket ankerpalen (zie 2.2.8);

  • Het uitvoeren van een UXO-onderzoek - een onderzoek naar niet gesprongen explosieven - voorafgaand aan de aanlegfase (zie AERIUS-berekeningen en 2.2.8).

AERIUS-berekeningen (zie ook 2.3)

Door de nieuwe versie van AERIUS Calculator (versie 24.0.1) zijn opnieuw stikstofberekeningen uitgevoerd, waarbij enkele wijzigingen en actualisaties van de activiteiten zijn meegenomen, te weten: aanvullende baggerwerkzaamheden, het plaatsen van de tweede mantelbuis, de aangepaste ligging van de exportleiding en geactualiseerde aantallen voertuigbewegingen tijdens de gebruiksfase en uitvoeren van een UXO-onderzoek voorafgaande aan de aanlegfase. De nieuwe AERIUS-berekeningen zijn uitgevoerd voor:

  • Voorafgaand aan de aanlegfase

Voor het uitvoeren van UXO-onderzoek is een tijdelijke stikstofdepositie van maximaal 0,03 mol / ha / jaar berekend. Deze stikstofdepositie is lager dan bij de aanleg- en testfase.

  • Aanlegfase

Uit de nieuwe berekeningen volgt dat de maximale stikstofdepositie tijdens de aanlegfase in plaats van maximaal 0,50 mol N/ha/jr gedurende 2 jaar 0,55 mol/ha bedraagt.

  • Testfase

Uit de nieuwe berekeningen volgt dat maximale stikstofdepositie tijdens de testfase 0,43 mol/ha/jaar bedraagt gedurende maximaal 6 maanden.

  • Gebruiksfase

Voor de gebruiksfase blijft de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 0,00 mol/ha/jaar.

De gewijzigde gegevens zijn in dit besluit verwerkt.

 

Wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbesluit

Naar aanleiding van de zienwijzen, de aanvulling op de aanvraag en daarnaast ambtshalve ter verduidelijking van het besluit, heb ik een aantal wijzigingen aangebracht en opzichte van het ontwerpbesluit, te weten:

  • De afbakening is naar aan aanleiding van het advies van de Commissie MER aangepast;

  • Voorschrift 20 is aangepast en voorschrift 21 en 22 vervallen, om de door mij bedoelde flexibiliteit binnen het project te behouden, zonder de totale emissie te overschrijden3;

Om de maximale emissie binnen de projectonderdelen en -fasen te waarborgen, is voorschrift 23 (dit is in dit besluit voorschrift 21 geworden door het vervallen van 21 en 22) aangepast3;

  • Voorschriften 31, 36 en 40 (in dit besluit voorschriften 29, 34 en 39) zijn tekstueel aangescherpt, overeenkomstig de bedoeling van het voorschrift en de beschrijving in de PB3 en uitgebreid naar aanleiding van de aanvulling van het UXO-onderzoek;

  • Voorschrift 34 (in dit besluit 32) is aangepast, overeenkomstig de PB3;

  • Voorschrift 36 is toegevoegd naar aanleiding van zienswijze van indiener 4.41;

  • Voorschrift 44 is vervangen door twee voorschriften (in dit besluit 43 en 44), waardoor de bedoeling nauwkeuriger weergegeven wordt3;

  • Door bovenstaande wijzigingen is de nummering van de voorschriften aangepast;

  • Vanwege uniformiteit in benaming binnen het project Aramis, is de naam van bijlage 'Passende beoordeling Zeegebieden' naar 'Natuurtoets Gebiedsbescherming Aramis'3 (zie bijlage 5 van het MER op www.rvo.nl/aramis);

  • Naar aanleiding van de nieuwe AERIUS-berekeningen met de nieuwe versie van AERIUS Calculator (versie 24.0.1) en aanvullingen op de aanvraag is aanpast:

    • de hoogste waarde van 0,50 mol N/ha/jr naar 0,55 mol N/ha/jr;

    • enkele habittatypen waarop depositie plaatsvindt gewijzigd;

    • enkele bijlagen zijn geactualiseerd/toegevoegd.

 

Besluit

Ik besluit om u, op grond van artikel 5.1, lid 1 onder e, van de OW, de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

In dit besluit vindt u de voorschriften en de inhoudelijke overwegingen die aan deze omgevingsvergunning ten grondslag liggen. De aanvraag en de bijlagen zijn onderdeel van dit besluit.

1. AANVRAAG

1.1. Onderwerp

Het Aramis-initiatief is een open CO2-transportinfrastructuur, waarmee afgevangen CO2 kan worden vervoerd en opgeslagen in de diepe ondergrond van de Noordzee. Het initiatief maakt daarmee een nieuwe CCS-keten (Carbon Capture and Storage) mogelijk waarbij CO2 dat vrijkomt bij industriële processen afgevangen, getransporteerd en opgeslagen wordt in leeg geproduceerde gasvelden in de diepe ondergrond.

Het initiatief sluit aan op de – buiten deze aanvraag vallende - CCS Porthos infrastructuur. Dit is een CO2-transport- en opslagproject in het havengebied van Rotterdam. Dit project is reeds vergund.

In het te vergunnen Aramis-initiatief wordt CO2 via een aan te leggen zeeleiding, uitgerust met (toekomstige) aansluitpunten naar een distributieplatform op de Noordzee gebracht. Via de aansluitpunten of het distributieplatform wordt de CO2 vervolgens in leeg geproduceerde gasvelden opgeslagen (L10-R, L4A, K14).

Vanaf het platform wordt de CO2 ten slotte in een leeg geproduceerd gasveld opgeslagen. Ook dit laatste onderdeel valt buiten deze vergunningaanvraag.

De aanlegwerkzaamheden worden uitgevoerd in de periode 2026 tot en met 2028. De duur van de gebruiksfase is nog onbekend (geschat wordt 20 tot 40 jaar). De vergunning wordt aangevraagd voor onbepaalde tijd.

De vergunning wordt gevraagd voor de aanleg (uitvoeringsfase en testfase), exploitatie (gebruiksfase) en de ontmanteling van de infrastructuur van het Aramis-initiatief.

De voorgenomen activiteiten zijn in meer detail beschreven in de aangeleverde PB. Daaraan zijn de volgende bijlagen toegevoegd:

  • bijlage 5 van het MER: Natuurtoets, gebiedsbescherming Aramis, 28 mei 2024;

  • bijlage 5a van Addendum MER: Actualisatie stikstofdepositie onderzoek Aramis, 5 maart 2025 (inclusief vier AERIUS berekeningen);

  • bijlage 5b van Addendum MER: Passende beoordeling onderdeel stikstof, Koolstra advies, 10 maart 2025;

  • bijlage 1 bij dit besluit: Aanbiedingsbrief aanvulling aanvraag omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit Aramis, 10 maart 2025.

1.2 Bevoegdheid

De activiteiten vinden grotendeels plaats buiten provinciaal ingedeeld gebied in de exclusieve economische zone.

Op basis van

  • Art. 5.11, lid 1g, van de OW luidend: 'Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten van nationaal belang'

  • Art. 4.12, lid 1, van het Omgevingsbesluit (hierna: OB), luidend: 'Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:

    • a. een Natura 2000-activiteit van nationaal belang; of

    • b. een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang.'

  • Art. 4.12, lid 2k, van het OB, luidend: 'een activiteit die geheel of grotendeels plaatsvindt in:

    • 2° niet-provinciaal ingedeeld gebied; of

    • 3° de exclusieve economische zone'

ben ik bevoegd om te beslissen op uw vergunningaanvraag.

Aangezien de activiteit is aangewezen in artikel 4.12, tweede en derde lid van het OB geldt op basis van het art. 4.25 lid 1e van het OB, luidend 'Gedeputeerde staten zijn adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een Natura 2000-activiteit of een flora- en fauna-activiteit die niet is aangewezen in artikel 4.12, tweede en derde lid' datgedeputeerde staten geen adviseur zijn bij deze aanvraag.

De exacte wetsteksten zijn te raadplegen op www.overheid.nl onder 'wet- en regelgeving'.

1.3. Vergunningplicht

De aangevraagde activiteiten kunnen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden Voordelta, Friese Front, Klaverbank, Bruine Bank en Noordzeekustzone, Solleveld & Kapittelduinen, Westduinpark & Wapendal, Voornes Duin, Meijendel & Berkheide, Duinen Goeree & Kwade Hoek en Grevelingen, significante gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden.

Derhalve geldt een vergunningplicht op grond van art 5.1, lid 1e van de OW.

1.4. Beoordeling van Natura 2000-activiteiten

1.4.1. Activiteit met mogelijk significante gevolgen

De activiteiten waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, betreffen een activiteit in de zin van art 5.1, lid 1e van de OW, omdat zij, afzonderlijk of in cumulatie met andere plannen of activiteiten, kunnen leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van een of meerdere Natura 2000-gebieden.

1.4.2. Passende beoordeling

Conform artikel 8.74b Besluit kwaliteit leefomgeving geldt dat uit een passende beoordeling in de zin van artikel 16.53c van de OW moet blijken dat de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura-2000 gebieden niet worden aangetast door de activiteit, afzonderlijk of in cumulatie met andere activiteiten, tenzij sprake is van toepassing van een ADC-toets. De PB moet rekening houden met de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. De PB biedt de grondslag voor de vaststelling van de aard en omvang van de gevolgen of de cumulatieve gevolgen en de manier waarop in mitigatie van die gevolgen is voorzien. De met de aanvraag meegezonden PB toetst de effecten aan de instandhoudingdoelstellingen uit de aanwijzingsbesluiten en/of wijzigingsbesluiten van de betrokken Natura 2000-gebieden.

2. BEOORDELING

2.1 Afbakening

Gebied

De beoogde activiteit vindt op land plaats in het Rotterdamse havengebied en de Maasvlakte en voor een groot deel op de Noordzee in of in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden Voordelta, Friese Front, Klaverbank, Bruine Bank en Noordzeekustzone, Solleveld & Kapittelduinen, Westduinpark & Wapendal, Voornes Duin, Meijendel & Berkheide, Duinen Goeree & Kwade Hoek en Grevelingen.

Transport in de gebruiksfase

De opvang en transport maken geen deel uit van deze vergunning.

Per Natura 2000-gebied zal door de (emitters) gebruikers gekeken moeten worden of mogelijke verstoringsfactoren significant negatieve effect hebben op beschermde waarden. De effecten bij het laden van de schepen vallen toe aan de havenactiviteiten van de emitters (gebruikers). Indien nodig zal voor die activiteiten een aparte natuurvergunning aangevraagd moeten worden.

Voor de uitstoot van stikstof geeft het Aerius rekenmodel instructies. De emissies van wegverkeer en scheepvaart worden toegerekend aan het project tot de afstand waarop dat verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Voor het Aramis project betekent dit dat de emissies van de scheepvaart zijn berekend tussen de hoofdvaarweg en de locatie van de steiger van het Aramisproject.

Gevolgen

Voor de beoordeling van de gevolgen inventariseert de PB welke in redelijkheid denkbare typen gevolgen kunnen optreden. Het betreft:


Ruimtelijke invloeden:

  • Oppervlakteverlies en versnippering van leefgebied: het leggen van de zeeleiding vindt voor een deel plaats binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Voordelta. Hierdoor kan zowel sprake zijn van tijdelijke (tijdens de aanlegfase) als van permanente effecten. Het betreft effecten vanuit de offshore projectuitvoering. Er zijn geen andere Natura 2000-gebieden waarbinnen het plaatsen van de zeeleiding, platforms of een andere infrastructuur plaatsvinden. Voor de andere Natura 2000-gebieden wordt uitgesloten dat de verstoringsfactor van toepassing is.

Chemische invloeden:

  • Verzuring en vermesting (stikstofdepositie): de verstoringsfactor treedt op tijdens de aanleg van het Aramis-initiatief, vanuit zowel de rijbewegingen die nodig zijn om het tracé op het land te realiseren, als de vaarbewegingen, helikoptervluchten, (nood)generatoren en andere werktuigen die nodig zijn om het tracé op de zeebodem aan te leggen. Gedurende de gehele (pre)aanleg-, test- en gebruiksfase van het project is sprake van stikstofuitstoot.

  • Verontreiniging: er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Er is sprake van lozing van boorgruis- en vloeistof bij het boren van de putten en van afvalwater vanaf de platforms. Voor relevante soorten en habitattypen wordt onderzocht of er negatieve effecten optreden.

  • Verzoeting en verzilting: het optreden van de verstoringsfactoren verzoeting of verzilting is vanwege de aard van de werkzaamheden niet aan de orde.

Fysische invloeden:

  • Verandering dynamiek substraat en vertroebeling: vanwege de aard van de werkzaamheden is het optreden van vertroebeling en verandering van dynamiek van het substraat niet uit te sluiten. Er kan sprake zijn van externe werking op de genoemde Natura 2000-gebieden op zee.

  • Verdroging: het is uitgesloten dat deze verstoringsfactor als gevolg van het Aramis-initiatief optreedt op voor verdroging gevoelige aangewezen habitattypen van omliggende Natura 2000-gebieden. Hiervoor is de afstand tot deze habitattypen te groot.

  • Vernatting, verandering stroomsnelheid en overstromingsfrequentie: er worden geen werkzaamheden uitgevoerd die leiden tot toenemende kwel, of aanpassing van het watersysteem, waardoor uitgesloten is dat vernatting zal optreden. De werkzaamheden worden daarnaast niet uitgevoerd in de rivier, waardoor het optreden van een verandering van stroomsnelheid niet aan de orde is en de overstromingsfrequentie niet wijzigt.

  • Temperatuurverschil: de meeste benthische soorten die kenmerkend zijn voor het habitattype 'permanent overstroomde zandbanken' in de Voordelta bevinden zich in de eerste 10 centimeter van de sediment laag. De temperatuurverschillen die op kunnen treden in de zeeleiding vinden plaats op 40 meter onder het zeebodemoppervlak waar zich geen gevoelige en typische soorten van het habitattype zullen bevinden. Significant negatieve effecten op dit habitattype kunnen daarom worden uitgesloten.

Mechanische invloeden:

  • Verstoring door geluid, door licht, door trilling, door beweging/optiek of door luchtwerveling: als gevolg van het uitvoeren van het plaatsen van de aanlegsteigers, het leggen van de pijpleiding en het plaatsen van de (windturbines op) platforms en het uitvoeren van het UXO-onderzoek kunnen deze verstoringsfactoren niet worden uitgesloten. Er kan een (extern) effect optreden op de Natura 2000-gebieden Voordelta, Friese Front, Klaverbank, Bruine Bank en Noordzeekustzone.

  • Betreding en golfslag: het is uitgesloten dat aanvullende verstoring optreedt door betreding of golfslag, als gevolg van het projectvoornemen.

 

Menselijke invloeden:

  • Verandering in populatiedynamiek en (bewuste) verandering in soortensamenstelling: deze treden als gevolg van het projectvoornemen niet op.

De genoemde denkbare gevolgen zijn voor de betreffende Natura 2000-gebieden nader onderzocht en in de PB per gebied beschreven.

Natuurwaarden

De beschermde natuurwaarden en de relevante instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden staan vermeld op www.natura2000.nl.

Conclusie afbakening

Ik ben van oordeel dat de afbakening van het gebied en de inventarisatie van mogelijke gevolgen van de activiteit op de natuurwaarden in de PB op een juiste wijze hebben plaatsgevonden.

2.2 Mogelijke effecten en mitigatie

Hieronder volgt per verstoringsfactor mijn beoordeling van de effectenanalyse op Natura 2000-gebieden zoals die is neergelegd in de bij de aanvraag gevoegde PB en de zoals in 1.1 genoemde toegevoegde bijlagen.

2.2.1 Oppervlakteverlies (Voordelta)

Ik onderschrijf de conclusie in de PB significant negatief effect door oppervlakteverlies op het Natura 2000-gebied Voordelta kan worden uitgesloten doordat het oppervlakteverlies door de aanleg van de microtunnel of door direct piping klein is en doordat sprake is van een korte hersteltijd van het systeem.

2.2.2 Versnippering (Voordelta)

Ik onderschrijf de conclusie in de PB significant negatief effect door versnippering op het Natura 2000-gebied Voordelta kan worden uitgesloten doordat de microtunnel/direct pipe onder de zeebodem wordt aangelegd, waardoor geen sprake is van permanente versnippering van leefgebied. Wel is sprake van tijdelijke versnippering bij het alternatief direct piping. Na aanleg van de microtunnel/direct pipe kunnen soorten zich weer vestigen en vindt herstel plaats.

2.2.3 Verontreiniging (Voordelta, Bruine Bank)

Ik onderschrijf de conclusie in de PB significant negatief effect door verontreiniging op de Natura 2000-gebieden kan worden uitgesloten doordat boorvloeistof op oliebasis en boorgruis worden afgevoerd naar land en daardoor geen risico vormen op verontreiniging van de typische soorten van habitattype H1110B in de Voordelta. De te lozen Water Based Mud (WMB)-houdende boorvloeistof en boorgruis vormen geen risico op verontreiniging van de niet-broedvogels. Daarnaast wordt bij de lozing van schoon regen- en spoelwater uitgegaan van het voldoen aan de lozingsnormen uit de Mbw.

Ter borging van de conclusies zijn deze voorschriften 39 tot en met 42 opgenomen.

2.2.4 Vertroebeling (Voordelta, Bruine Bank, Noordzeekustzone)

De PB beschrijft dat de achtergrondconcentratie in de Voordelta al vrij hoog is, waardoor de kleine, tijdelijke toename geen significant negatief effect heeft op de typische vissoorten in de Voordelta.

Voor wat betreft effecten op trekvissen, wordt door de tijdelijkheid van de werkzaamheden en de mobiliteit van de vissen significant negatief effect uitgesloten.

Doordat zeezoogdieren niet afhankelijke zijn van de (tijdelijke) vertroebeling van water wordt ook voor deze dieren significant negatief effect uitgesloten.

Voor de niet-broedvogels in de Voordelta geldt dat het verstoringsoppervlak door baggeren beperkt is en genoeg areaal overblijft of dat tijdelijk uitwijken naar andere gebieden mogelijk is, waarmee significant negatief effect uitgesloten is.

De Bruine Bank en de Noordzeekustzone liggen op te grote afstand om voor de voor dat gebied (overige) aangewezen soorten een significant negatief effect te kunnen veroorzaken.

Wat betreft effecten op de oesterbank in de Voordelta wordt in de PB beschreven dat door de afstand van de oesterbank tot de activiteiten de verdunning zodanig is dat significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.

Ik onderschrijf de conclusies dat het initiatief geen significant negatief effect heeft door vertroebeling op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden.

2.2.5 Verandering dynamiek (Voordelta, Bruine Bank, Noordzeekustzone)

In de PB wordt beschreven dat de zeer beperkte extra sedimentatie kan optreden in de ordegrootte van mm/jaar op de plekken waar de condities van nature al leiden tot de sedimentatie van slib. Effecten treden doorgaans op bij toename van een of meer centimeters. Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten van verandering van dynamiek door het initiatief op de aangewezen soorten in de Voordelta daarom kunnen worden uitgesloten.

De Bruine Bank en de Noordzeekustzone liggen op te grote afstand om voor de voor die gebieden aangewezen soorten een significant negatief effect te kunnen veroorzaken.

Ik onderschrijf deze conclusie.

2.2.6 Licht (Voordelta, Bruine Bank, Noordzeekustzone)

De schepen die worden ingezet bij de aanleg van de microtunnel of direct pipe, de zeeleiding en de installatie van platforms en putten stralen licht uit.

In de PB wordt geconcludeerd dat significant negatieve effecten op de aangewezen vissen, zeezoogdieren en niet-broedvogels uitgesloten zijn door de relatief minimale toename van de scheepvaartbewegingen ten opzichte van de drukke vaarroute, en/ of uitgaande van gewenning bij de zeehonden en vogels aan de bestaande hoge lichtintensiteit en, mede door de maatregelen om licht zo veel mogelijk te voorkomen en af te schermen.

Ik onderschrijf deze conclusie. Ter borging van deze conclusie zijn voorschriften 23 tot en met 27 opgenomen.

2.2.7 Beweging en optiek (Voordelta, Friese Front, Bruine Bank, Noordzeekustzone)

Wat betreft de effecten op de zeekoeten in het Friese Front is beschreven dat de werkzaamheden aan het platform L10-R en de putten van L10-R op 1,6 km afstand van het Friese Front plaatsvinden. Daarnaast wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande routes. De bewegingen van extra scheepvaart- en helikopterbewegingen zullen daarom niet leiden tot een oppervlakteverlies van foerageer- of rustgebied voor de zeekoet in het Friese Front.

Voor de overige gebieden is beschreven dat weinig effect te verwachten is op vissen door beweging en optiek door de spreiding van de extra scheepvaartbewegingen, de mobiliteit van vissen en voldoende uitwijkmogelijkheden.

Ook het effect op (niet-)broedvogels en zeezoogdieren (met name rustende zeehonden) kan worden uitgesloten door de beperkte toename van scheepvaartbewegingen op de al drukke vaarroute, dan wel gewenning, dan wel de benoemde te houden afstand tot de gebieden of dieren.

In het rapport Ecologische Effectbeoordeling windturbines op Aramis-platforms (zie bijlage 7 van Addendum MER op www.rvo.nl/aramis) staan de effecten op de ISHD van Friese Front, Noordzeekustzone en Bruine bank beschreven. Voor de aangewezen soorten zeekoet, roodkeelduiker, dwergmeeuw, jan-van-gent en grote mantelmeeuw is berekend dat door het Aramis-initiatief minder dan 1 aanvaringsslachtoffer per jaar zal worden veroorzaakt. Ook in cumulatie is aangetoond dat significant negatief effect is uitgesloten.

Geconcludeerd wordt dat significant negatief effect door beweging en optiek van dit initiatief op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden kan worden uitgesloten.

Ik onderschrijf deze conclusie. Ter borging van deze conclusie zijn voorschriften 37 en 38 opgenomen.

2.2.8 Trilling en geluid (Voordelta, Friese Front, Klaverbank, Bruine Bank, Noordzeekustzone)

Geluid komt vrij bij pijpleggen, leidingen aanleggen, baggeren, de grote toename van scheepvaart, boren, aanleg van platforms, machinegeluid en heien.

De baggerwerkzaamheden en het pijpleggen vinden in slechts een klein deel van de Voordelta plaats, de hoeveelheid aan vaarbewegingen is beperkt en het heien van de aanlegsteigers in de haven zal nauwelijks een toename van geluid in het Natura 2000-gebied geven. Voor de overige gebieden geldt dat externe werking een rol kan spelen.

In het PB wordt geconcludeerd dat significant negatieve effecten op soorten die hier gevoelig voor zijn kunnen worden uitgesloten vanwege de afstand tot sommige Natura 2000-gebieden, de mobiliteit van vissen en zeezoogdieren en de aanwezigheid van uitwijkmogelijkheden en daarnaast de maatregelen om dieren op afstand te houden ter voorkoming van schade (ADD, soft start, MMO, PAM), de maatregelen die worden genomen om het geluidsniveau onder 140 dB (Friese Front) of 164 dB te houden (bv. Gebruik maken van een HSD-systeem of niet heien tussen 1 juli en 31 oktober bij het Friese Front of bij windstil weer, gebruik van stille schepen) en de afstand die gehouden wordt tot rustende, zogende en verharende zeehonden en bepaalde vogels.

Door het plaatsen van skirtpalen in plaats van jacketpalen ontstaat een toename van hei-energie en dus een toename van onderwatergeluid. Daardoor neemt de mijdingsafstand toe met een factor 1,8. In de Aanvulling Aanvraag Natura 2000-vergunning Aramis (bijlage 1) staan aanvullende mitigerende maatregelen genoemd. Hierdoor kan binnen de gestelde normen gebleven worden. Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten worden uitgesloten.

Voor de uitvoering van het UXO-onderzoek is in de Ecologische Effectbeoordeling (bijlage 8 van het Addendum MER, zie www.rvo.nl/aramis)) opgesteld. Mede door de inzet van ADD (Acoustic Deterrent Device) wordt geconcludeerd dat significant negatieve effecten op de Voordelta kunnen worden uitgesloten.

Ik onderschrijf deze conclusies. Ter borging van deze conclusie zijn voorschriften 28 tot en met 36 opgenomen.

2.2.9 Gebruiksfase

In de gebruiksfase zullen scheepvaartbewegingen ten behoeve van de exploitatie (dus niet van CO2-transport zelf, zie ook 2.1) van en naar de platforms plaatsvinden. Het aantal bewegingen zal veel lager zijn dan in de aanlegfase. Effecten door trillingen en geluid, licht en beweging en optiek zullen dan ook lager zijn dan in de aanlegfase, waar significant negatieve effecten al zijn uitgesloten. De PB concludeert daarom dat significant negatieve effecten in de gebruiksfase zijn uitgesloten.

Ik onderschrijf deze conclusie.

2.2.10 Toekomstige aanwijzingen

Natura 2000- en toegangsbeperkingsgebieden:

In de PB zijn de mogelijke effecten op toekomstige Natura 2000-gebieden en het toekomstige bodembeschermingsgebied Voordelta beschreven. Omdat er nog geen instandhoudingsdoelstellingen zijn en nog geen beperkingen zijn bepaald, kunnen de gevolgen van het voornemen nog niet in beeld worden gebracht.

Platte oesterbanken

Over het herstel van platte oesterbanken in het Friese Front wordt geschreven dat kortdurende vertroebeling en verhoging van sedimentatie naar verwachting geen groot effect hebben op een platte oesterbank en de bijbehorende soorten. Bij het Aramis-initiatief is sprake van 12 tot 14 boringen in totaal. Wanneer de putten achter elkaar worden geboord is er sprake van een lange periode met lozingen of wanneer meerdere putten tegelijk worden geboord een grotere toename, afhankelijk van de stromingen en het weer. Er is geen sprake van een effect als de toename niet leidt tot een vertroebeling van > 90 mg/L in het Friese Front. Platte oesterbanken vallen op het moment van schrijven niet onder gebiedsbescherming van de OW.

Tenslotte beschrijft de PB dat ondanks het feit dat de zandkokerworm als soort niet wettelijk beschermd is via de gebiedsbescherming van de Ow, maar wel onder OSPAR, dat bij de aanleg van de zeeleiding en het lozen van boorgruis zandkokerwormriffen zoveel mogelijk zullen worden vermeden. Bij de detaillering van het leidingtracé wordt vastgesteld of deze voorkomen en hoe deze vermeden kunnen worden.

2.3. Stikstofdepositie

Voor wat betreft de inhoudelijke overwegingen rondom de berekening van de stikstofdepositie als gevolg van de aangevraagde activiteiten verwijs ik naar bijlage 5a en 5b van het Addendum MER, zie www.rvo.nl/aramis).

AERIUS-berekeningen zijn uitgevoerd voor:

  • voor het UXO-onderzoek op 5 maart 2025 (kenmerk: Rrzw91eCQeHgW)

  • de aanlegfase op 7 januari 2025 (kenmerk: RqbwcFFUsTtvQ)

  • voor de gebruiksfase op 6 januari 2025 (kenmerk S4AWXaFXzW7J)

  • voor de testfase op 15 oktober 2024 (kenmerk RRyWsGy3z2gq)

Deze zijn toegevoegd aan bijlage 5a van Addendum MER: Actualisatie stikstofdepositie onderzoek Aramis, 5 maart 2025.

Deze AERIUS-berekeningen tonen aan dat, in de (pre)aanlegfase en testfase van het initiatief sprake is van een tijdelijke toename in stikstofdepositie op een aantal habitattypen en leefgebieden van de Natura 2000-gebieden Solleveld & Kapittelduinen, Westduinpark & Wapendal, Voornes Duin, Voordelta, Meijendel & Berkheide, Duinen Goeree & Kwade Hoek en Grevelingen.

In de gebruiksfase is, dankzij mitigerende maatregelen, geen sprake van een significante negatieve effecten door depositiebijdrage op overbelaste delen van Natura 2000-gebieden. Zie ter borging van deze maatregelen voorschrift 21 en 22.

De aanlegfase wordt uitgevoerd over een periode van twee jaar waarbij de hoogste bijdrage 0,55 mol N/ha/jr (op Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen) bedraagt. Een aantal van de habitattypen in dit Natura 2000-gebied is wat betreft stikstofdepositie overbelast. Dit houdt in dat de achtergronddepositie hoger is dan de Kritische Depositie Waarde (KDW). Op basis van een uitgevoerde voortoets zijn significant negatieve effecten op voorhand uit te sluiten op Natura 2000-gebied Voordelta aangezien hier geen reeds overbelaste habitattypes voorkomen.

In de rapportage Passende Beoordeling onderdeel stikstof (bijlage 5b van het Addendum MER, zie www.rvo.nl/aramis) wordt onderbouwd dat het project geen belemmering zal vormen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de overbelaste habitattypen waar depositie neerslaat:

Solleveld & Kapittelduinen

Voor onderstaande habitattypen geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:

  • H2120 - Witte duinen

  • H2130A - Grijze duinen (kalkrijk)

  • H2130B - Grijze duinen (kalkarm)

  • H2150 - Duinheiden met struikhei

  • H2160 – Duindoornstruwelen

  • H2180A - Duinbossen (droog), berken-eikenbos

  • H2180Abe - Duinbossen (droog), berken-eikenbos

  • H2180Ao - Duinbossen (droog), overig

  • H2180C - Duinbossen (binnenduinrand)

  • H2190Aom - Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen

  • Lg12 - Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van deze habitattypen kunnen worden uitgesloten.

Westduinpark & Wapendal

Voor onderstaande habitattypen geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:

  • H2120 - Witte duinen

  • H2130A - Grijze duinen (kalkrijk)

  • H2130B - Grijze duinen (kalkarm)

  • H2150 - Duinheiden met struikhei

  • H2160 – Duindoornstruwelen

  • H2180A - Duinbossen (droog), berken-eikenbos

  • H2180Ao - Duinbossen (droog), overig

  • H2180C - Duinbossen (binnenduinrand)

Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van deze habitattypen kunnen worden uitgesloten.

Voornes Duin

Voor onderstaande habitattypen geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:

  • H2120 - Witte duinen

  • H2130A - Grijze duinen (kalkrijk)

  • H2130B - Grijze duinen (kalkarm)

  • H2130C – Grijze duinen (heischraal)

  • H2160 Duindoornstruwelen

  • H2180Ao - Duinbossen (droog), overig

  • H2180C - Duinbossen (binnenduinrand)

  • H2190Aom - Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen

  • H2190B – Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

  • Lg12 - Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van deze habitattypen kunnen worden uitgesloten.

Meijendel & Berkheide

Voor onderstaande habitattypen geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:

  • H2120 - Witte duinen

  • H2130A - Grijze duinen (kalkrijk)

  • H2130B - Grijze duinen (kalkarm)

  • H2160 – Duindoornstruwelen

  • H2180Abe - Duinbossen (droog), berken-eikenbos

  • H2180Ao - Duinbossen (droog), overig

  • H2180C - Duinbossen (binnenduinrand)

  • H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt)

  • Lg12 - Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van deze habitattypen kunnen worden uitgesloten.

Duinen Goeree & Kwade Hoek

Voor onderstaande habitattypen geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:

  • H2130A - Grijze duinen (kalkrijk)

  • H2130B - Grijze duinen (kalkarm)

  • H2130C – Grijze duinen (heischraal)

  • H2190Aom - Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen

  • H2190C – Vochtige duinvalleien (ontkalkt)

  • Lg12 - Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van deze habitattypen kunnen worden uitgesloten.

Grevelingen

Voor onderstaande habitattypen geldt dat er sprake is van een toename van de overschrijding van de KDW:

  • H1330B - Schorren en zilte graslanden (binnendijks)

  • H2130A Grijze duinen (kalkrijk)

  • H2190B - Vochtige duinvalleien (ontkalkt)

Op basis van een ecologische beoordeling van het stikstofeffect is gebleken dat significante gevolgen ten aanzien van deze habitattypen kunnen worden uitgesloten.

Voor de overige habitattypen van de genoemde Natura 2000-gebieden geldt dat deze niet stikstofgevoelig zijn, er geen sprake is van een overschrijding is van de KDW of dat er geen sprake is van een projectbijdrage.

Voor ieder van de habitats (habitat- en leefgebiedtypen) is in een habitatspecifieke beoordeling geconcludeerd dat de tijdelijke depositiebijdrage tijdens de aanlegfase niet leidt tot een aantasting van de kwaliteit van de beoordeelde Natura 2000-gebieden of tot belemmering van de mogelijkheden maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden.

Bij de onderbouwingen wordt onder andere ingegaan op het beheer en de al uitgevoerde maatregelen, het ontbreken van het verband tussen bepaalde gebiedskwaliteiten en de mate van stikstofoverbelasting (de status van instandhoudingsdoelstellingen (behoud of verbetering) en de beperkte projectbijdrage.

Ter borging van deze conclusies zijn de voorschriften 18 tot en met 22 opgenomen.

2.4. Cumulatie

Bij vergunningverlening voor een Natura 2000-activiteit moet een beoordeling plaatsvinden van de cumulatieve gevolgen als de activiteit, afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten, significante gevolgen kan hebben voor de desbetreffende Natura 2000-gebieden. Een vergunning kan alleen verleend worden als de activiteit afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten geen significante gevolgen heeft.

Ik heb hiervoor al geconcludeerd dat de uitvoering van de voorgenomen activiteit zelfstandig beschouwd, geen significant negatief effect kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden.

In de PB is onderzocht bij welke activiteiten cumulatie van effecten zou kunnen optreden. Onderstaande projecten zijn meegenomen in de bepaling:

  • Net op Zee IJmuiden Ver Alpha

  • Net op Zee IJmuiden Ver Bèta en Gamma

  • Net op Zee Nederwiek 1, 2 en 3

  • Wind op Zee Nederland

  • Seismisch onderzoek Shell P&O mijnbouwblokken

  • Exploratieboring P11-B Johan de Liefde

Om significante negatieve effecten in cumulatie met andere activiteiten te voorkomen zijn de volgende mitigerende maatregelen in de PB opgenomen:

  • In de Voordelta zal gedurende de winter een afstand van 1.500 meter aangehouden moeten worden van het deel van de zandplaat(platen) waarop zich grijze of gewone zeehonden bevinden.

  • In de Noordzeekustzone moeten schepen minimaal 500 meter afstand houden van vogelconcentraties van topper, eidereend en zwarte zee-eend alsmede 1.500 meter van het deel van de zandplaat(platen) waarop zich grijze of gewone zeehonden bevinden.

Mede dankzij deze maatregelen zijn cumulatieve effecten uitgesloten.

Ik concludeer dat in de aangeleverde PB een volledige en juiste cumulatietoetsing is uitgevoerd. Ter borging van deze conclusie zijn deze maatregelen opgenomen in de voorschriften 37 en 38.

2.6 Conclusie

Met de door u uitgevoerde Passende Beoordeling met mitigerende maatregelen en AERIUS-berekening is de zekerheid verkregen dat de activiteit waarvoor de vergunning is aangevraagd, niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden.

Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat de door u gevraagde omgevingsvergunning, onder de hieronder opgenomen voorschriften en beperkingen, kan worden verleend.

De onderhavige vergunning betreft louter een toestemming op grond van de OW en de daadwerkelijke inzetbaarheid ervan kan beperkt worden door toekomstige ontwikkelingen en beperkingen vanuit andere kaders.

3. VOORSCHRIFTEN

Ter bescherming van de aanwezige beschermde natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden Voordelta, Friese Front, Klaverbank, Bruine Bank en Noordzeekustzone, Solleveld & Kapittelduinen, Westduinpark & Wapendal, Voornes Duin, Meijendel & Berkheide, Duinen Goeree & Kwade Hoek en Grevelingen, verbind ik aan deze omgevingsvergunning de volgende voorschriften en beperkingen.

Algemeen

  1. Deze vergunning staat op naam van TotalEnergies EP Nederland B.V (hierna: vergunninghouder).4

  2. Het project wordt naast TotalEnergies EP Nederland B.V., tevens uitgevoerd door EBN Capital B.V., Vopak LNG Holding B.V., Gasunie CC(U)S Holding B.V., Shell Gas & Power Developments B.V. en Eni Netherlands CCUS B.V., conform de beschrijving zoals opgenomen in het Rapport Technische Beschrijving MER Aramis CO2-transportinfrastructuur van 9 februari 2024.

  3. Deze vergunning wordt uitsluitend gebruikt door (medewerkers van) de vergunninghouder en de rechtspersonen genoemd in voorschrift 2 of door (rechts)personen die aantoonbaar in opdracht van de vergunninghouder of de rechtspersonen genoemd in voorschrift 2 handelen. De vergunninghouder blijft daarbij aanspreekbaar voor de juiste naleving van deze vergunning.

  4. De in de voorschriften 1 en 2 genoemde (rechts)personen beschikken op de plaats waar de vergunde activiteit wordt uitgevoerd over een (digitaal) exemplaar van deze beschikking, inclusief alle daarbij behorende bijlagen, en tonen deze op eerste vordering aan het daartoe bevoegde gezag en opsporingsambtenaren.

  5. De in de voorschrift 1 en 2 genoemde (rechts)personen zijn aantoonbaar op de hoogte van de inhoud en het doel van deze voorschriften en beperkingen, zodanig dat zij daar ook invulling en uitvoering aan kunnen geven.

  6. Het moment waarop de vergunde activiteit daadwerkelijk wordt gestart, wordt minimaal een week voor de aanvang ervan gemeld aan het bevoegd gezag, ter attentie van het Team Natuurvergunningen.

  7. De vergunde activiteit wordt uitgevoerd zoals aangegeven in de aanvraag en bijbehorende PB en volgens de voorschriften en beperkingen die aan deze vergunning zijn verbonden. Bij eventuele strijdigheid met de aanvraag en de voorschriften en beperkingen van deze vergunning hebben de laatste voorrang.

  8. Het voornemen tot het uitvoeren van een activiteit in afwijking van de aanvraag wordt schriftelijk gemeld aan het bevoegd gezag (indien nodig met aanvulling op de PB). Uitvoering ervan kan uitsluitend plaatsvinden na verkregen schriftelijke instemming van of namens het bevoegd gezag.

  9. Wanneer zich een incident voordoet, meldt de vergunninghouder dit met alle relevante gegevens onmiddellijk aan het bevoegd gezag. Een incident is in dit geval een onvoorziene gebeurtenis waardoor schade aan de natuurlijke kenmerken in het betrokken beschermde gebied is of kan worden toegebracht, bijvoorbeeld wanneer onbedoeld vrijgekomen schadelijke stoffen een habitattype of habitat- of vogelrichtlijnsoort bedreigen.

  10. Wanneer zich een incident voordoet, is de vergunninghouder verplicht eventuele verontreinigingen zo mogelijk direct te verwijderen en de eventueel opgetreden schade voor zover mogelijk te herstellen, zulks ter beoordeling van het bevoegd gezag.

  11. Zodra de werkzaamheden met betrekking tot de vergunde activiteiten in de aanleg- en testfase feitelijk zijn beëindigd, meldt de vergunninghouder dit uiterlijk binnen een week bij het bevoegd gezag.

  12. Zodra de activiteiten met betrekking tot de gebruiksfase van de vergunde activiteit feitelijk zijn beëindigd, meldt de vergunninghouder dit uiterlijk binnen een week bij het bevoegd gezag.

  13. De vergunninghouder volgt de aanwijzingen op die het bevoegd gezag geeft.

  14. Alle correspondentie met betrekking tot deze vergunning kan per reguliere post of per e-mail (natuurvergunningen@minlnv.nl) worden gedaan.

Toezicht

  1. De vergunninghouder voert een administratie met daarin alle documenten die betrekking hebben op deze vergunning en op de naleving van de voorschriften en beperkingen.

  2. De vergunninghouder geeft, overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht, alle medewerking aan het aangewezen bevoegde gezag en opsporingsambtenaren.

Looptijd en geldigheid

  1. De vergunning voor de aanleg- en testfase is geldig in de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2028. De vergunning voor de gebruiksfase is geldig voor onbepaalde tijd.

Stikstof

  1. De dieselgeneratoren worden afgesteld en gebruikt overeenkomstig de instellingen zoals gebruikt in de PB.

  2. Er dient zoveel mogelijk gewerkt te worden met elektrische werktuigen, te weten onshore minimaal 50% van het materieel dat in Q3 2023 in technische zin elektrisch uitvoerbaar is, wordt geëlektrificeerd. Voor de tunnel-boormachine wordt uitgegaan van 100% elektrificatie.

  3. De emissies behorende bij de werkzaamheden dienen per projectonderdeel en -fase, als genoemd in de PB met bijlagen (AERIUS-berekeningen), niet te worden overschreden.

  4. De vergunninghouder dient gedurende de looptijd van de vergunning een administratie bij te houden en beschikbaar te hebben van daadwerkelijk gebruikte (mobiele) werktuigen en schepen, elektrisch en diesel, en van alle toegepaste SCRkatalysatoren, NoNox-filters en/of andere innovaties, de daar bijhorende stikstofemissies en deze waarden ten opzichte van de in de PB genoemde emissies. Deze gegevens dienen per projectonderdeel en -fase in een jaarverslag voor uiterlijk 31 januari in het op dat volgende jaar te worden gerapporteerd aan het bevoegde gezag. Indien emissies op een onderdeel worden overschreden, dient benoemd te worden hoe de overschrijding gecompenseerd is.

  5. Als wordt afgeweken van de werkwijze zoals beschreven in de bij de aanvraag behorende stukken, dient vooraf toestemming te worden gevraagd aan het bevoegd gezag, waarbij wordt aangetoond dat de gewijzigde werkwijze niet leidt tot meer stikstofemissie en -depositie.

Licht

  1. Tijdens de operationele fase bestaat de verlichting op het platform, in onbemande situatie, alleen uit de wettelijk verplichte navigatieverlichting.

  2. Werkverlichting wordt uitsluitend toegepast wanneer en voor zo ver dat noodzakelijk is voor het veilig kunnen verrichten van werkzaamheden en voor een veilig verblijf van personeel op het platform of de boorinstallatie.

  3. Werkverlichting is zodanig opgesteld, afgesteld, ingericht en de lampen zijn zodanig naar buiten toe afgeschermd, dat lichtuitstraling naar het Natura 2000-gebied zoveel als mogelijk wordt voorkomen.

  4. De werklampen op de schepen dienen voorzien te zijn van armaturen die onnodige lichtemissie buiten de schepen voorkomen.

  5. Voor transportbewegingen van en naar het platform zal er zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van bestaande scheepvaartroutes, waarbij doorkruising met Natura 2000-gebieden zoveel mogelijk wordt vermeden.

Geluid (heien)

  1. Er dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt te worden van stille schepen om continu onderwatergeluid te minimaliseren.

  2. Bij de (hei- en andere) werkzaamheden die impulsgeluid veroorzaken dienen geluidsbeperkende maatregelen genomen te worden, zoals beschreven in de PB (bijvoorbeeld door gebruik te maken van een HSD Systeem, een (dubbel) bubbelscherm, een geluiddempende hamer of een andere werkwijze waarbij bewezen weinig onderwatergeluid zal optreden om effecten op de populatie bruinvissen te voorkomen) zodat het geluidsniveau onder de 164 dB blijft op 750 meter afstand en nabij het Friese Front tussen 1 juli en 31 oktober onder 140 dB (indien dit laatste niet mogelijk is, worden geen hei- en andere werkzaamheden verricht ten behoeve van de aanleg van platforms L4-A en L10-R).

  3. De heiwerkzaamheden voor conductoren worden uitgevoerd met een hei-energie van 90 kJ. De hei-energie voor het heien van de fundatie van de platformpalen is 2185 kJ. Beide activiteiten worden gestart met een lage intensiteit (max.20%) die langzaam (in minimaal 30 minuten) wordt opgevoerd tot reguliere sterkte (zogenaamde 'slow start', 'soft start' of 'ramp up') conform de aangegeven werkwijze. Dit geldt ook voor de eventuele herstart van de heiwerkzaamheden na een onderbreking.'

  4. Na een (korte; meer dan 4 uur) onderbreking van de heiwerkzaamheden wordt steeds weer begonnen met bovengenoemde slow start.

  5. Minimaal een half uur voordat met heiwerkzaamheden wordt begonnen, worden op relevante frequenties afgestemde Acoustic Deterrent Devices (ADD's) in werking gesteld. De te gebruiken ADD's hebben een effectief bereik van minimaal 500 m. De ADD's dienen in werking te worden gesteld als het heien voor een periode van meer dan 4 uur wordt stilgelegd.

  6. De heiwerkzaamheden (met uitzondering van de aanlegsteigers) worden overdag pas gestart nadat een ter zake deskundige waarnemer (Mariene Mammal Observer / MMO) heeft vastgesteld dat er vanaf het platform op het schip geen zeezoogdieren meer zijn waar te nemen binnen 500 m en gebruik gemaakt is van Passive Acoustic Monitoring (PAM). Wanneer het donker is, of de weersomstandigheden een visuele monitoring ineffectief maken, zal er alleen akoestisch gemonitord worden (PAM).

  7. Indien een zeezoogdier zich binnen de 500 meter zone bevindt (bedoeld als in voorschrift 34), dient er gewacht te worden met het opstarten van de werkzaamheden tot het dier minimaal 20 minuten buiten deze zone is, conform JNCC guidelines. Ook tijdens het heien en tijdens pauzes dient er gemonitord te worden. Er dient gebruik te worden gemaakt van getrainde MMO's die advies geven over het gebruik van het ecologisch werkprotocol en bestaande richtlijnen (JNCC, IAGC) en om pre-shooting onderzoeken uit te voeren naar zeezoogdieren voordat met het heien wordt begonnen. Alle waarnemingen moeten gedaan worden vanaf de schepen of vanuit platform L4-A, indien werkzaamheden aan dit platform plaatsvinden, voor MMO is een hoog platform met een duidelijk vrij zicht op de horizon benodigd. PAM moet worden bediend door een deskundige.

  8. Er worden geen heiwerkzaamheden uitgevoerd als het windstil is (windkracht 0 Beaufort of 0-0,2 m/s).

  9. Heiwerkzaamheden, m.u.v. heiwerkzaamheden voor de terminal, mogen niet gelijktijdig worden uitgevoerd met andere heiwerkzaamheden op andere locaties van het project.

Bovenwatergeluid en zicht

  1. Schepen moeten altijd minimaal 500 meter afstand houden van grote groepen (ca. 50 individuen en meer) van topper, eidereend en zwarte zee-eend alsmede 1.500 meter van het deel van de zandplaat(platen) waarop zich grijze of gewone zeehonden bevinden. Mocht deze afstand niet realiseerbaar zijn, omdat bijvoorbeeld de geul onvoldoende breedte heeft, dan dient zo rustig mogelijk doorgevaren te worden; waar praktisch mogelijk: aan de andere kant van de geul.

  2. Tijdens werkzaamheden van juli tot en met oktober dient bij werkzaamheden minimaal 200 meter afstand te worden gehouden van ruiende zeekoeten in het Friese Front. Het vaststellen van de aanwezigheid van ruiende zeekoeten, dient vastgesteld te worden door een gekwalificeerde vogelwachter.

Afvalstoffen en lozingen

  1. Eventueel bij de boring vrijkomende oil-based mud/oliehoudende boorvloeistof/boorgruis dient naar land afgevoerd te worden en aldaar te worden verwerkt conform de op dat moment daartoe geldende wet- en regelgeving.

  2. Was-, regen-, spoel- en sanitair water, productiewater, boorvloeistof op waterbasis, boorgruis, cement en spacer-vloeistoffen mogen worden geloosd conform de op dat moment daartoe geldende wet- en regelgeving.

  3. Het is zonder voorafgaande instemming van het bevoegd gezag niet toegestaan vaste (afval)stoffen in het gebied te storten of achter te laten.

  4. Reststoffen en afval worden verzameld en gescheiden afgevoerd.

Beëindiging

  1. Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten op de locatie moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de te beëindigen activiteiten, door of namens vergunninghouder in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd volgens de dan geldende wet- en regelgeving.

  2. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van N2000-gebieden kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.

 

TER INFORMATIE

Op grond van afdeling 4.1.1. van de Awb kan een verzoek tot wijziging van de vergunning worden ingediend.

Op grond van de artikel 5.39 en 5.40, lid 1 en lid 2, van de OW kan de verleende vergunning worden ingetrokken of gewijzigd.

Als de vergunninghouder handelt in strijd met de vergunning, kan op grond van artikel 18.4 OW een last onder bestuursdwang worden opgelegd.

Conform artikel 5:32, lid 1, Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

 

Hoogachtend,

De Staatssecretaris van Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

namens deze:

 

 

MT-lid Directoraat-generaal Natuur en Visserij

 

 

 

BIJLAGEN:

Bijlagen bij dit besluit

  1. Aanbiedingsbrief aanvulling aanvraag omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit Aramis, 10 maart 2025

    Te vinden op www.rvo.nl/aramis

    • MER CCS Aramis

    • bijlage 5: Natuurtoets, gebiedsbescherming Aramis, 28 mei 2024

    • Deelrapport Technische beschrijving, februari 2024

    • Addendum MER CCS Aramis, 10 maart 2025

    • bijlage 5a : Actualisatie stikstofdepositie onderzoek Aramis, 5 maart 2025 (inclusief vier AERIUS berekeningen)

      • Bijlage 5b: Passende beoordeling onderdeel stikstof, Koolstra advies, 10 maart 2025

      • Bijlage 7:Ecologische Effectbeoordeling windturbines op Aramis-platforms

      • Bijlage 8: Ecologische effectbeoordeling UXO onderzoek

    • Nota van Antwoord Zienswijze ter inzage legging

    • Participatieplan Aramis

BEROEP

Bent u het niet eens met het besluit? Belanghebbenden kunnen tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA, Den Haag. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en begint met de ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd. Een niet-belanghebbende die een zienswijze naar voren heeft gebracht op het ontwerp van het desbetreffende besluit of aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet of niet tijdig heeft gedaan, kan ook beroep instellen.

Op dit besluit is de bijzondere regeling over het aanvoeren van gronden van beroep van toepassing (artikel 16.86 Omgevingswet). Dit betekent dat in het beroepschrift moet worden aangegeven welke beroepsgronden de indiener aanvoert tegen het besluit. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd.

In afwijking van artikel 6:6 van de Awb wordt het beroep tegen een projectbesluit of tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit niet-ontvankelijk verklaard als er geen gronden van beroep in het beroepschrift zijn opgenomen tenzij niet is voldaan aan artikel 16.71, derde lid, Omgevingswet, en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.

Naar boven