Onderwerp: Bezoek-historie

Wnb vergunning off-bottom oesterkweek in het sublitoraal; Oosterschelde
Geldigheid:14-07-2022 t/m 20-03-2025Versie:vergelijk
Vergelijk versie 1 met:
Vergelijk met versie: 2: 14-07-2022 t/m 20-03-2025  X

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Geachte,

Op 29 maart 2022 heeft u namens de Nederlandse Oestervereniging (hierna: NOV) en diens leden een vergunning aangevraagd op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) voor het kweken van Japanse oesters (Crassostrea gigas) middels off-bottom systemen in het sublitoraal van het Natura 2000-gebied Oosterschelde. Het betreft hierbij de volgende locaties:

  • Locatie Stort: perceel ST 20;

  • Locatie Hooge Kraaijer: percelen HK 44, HK 45, HK 46, HK 48 en een nieuw perceel ten oosten van HK 48;

  • Locatie Windgat: perceel WG 15;

  • Locatie Yerseke Bank: percelen YB 237, 238, 239, 240, 241, 287, 288, 289, 290 en 291.

Op 29 maart 2022 ontving ik uw aanvraag. Op 4 april 2022 heb ik per mail de ontvangst van uw aanvraag bevestigd.

Ik verleen u hierbij de gevraagde vergunning.

In dit besluit vindt u de inhoudelijke overwegingen die eraan ten grondslag liggen. De aanvraag en de bijlagen maken onderdeel uit van dit besluit.

AANVRAAG

1.1. Onderwerp

De aanvraag betreft het kweken van Japanse oesters (Crassostrea gigas) middels off-bottom systemen. De aangevraagde activiteiten op bovengenoemde locaties betreffen gedeeltelijk een ongewijzigde voortzetting op dezelfde locaties (Stort 20 en Hooge Kraaijer HK 46). Voor de overige locaties betreft de aanvraag een uitbreiding van de bestaande activiteiten naar nieuwe locaties, welke nabij percelen liggen die in de huidige situatie voor dezelfde activiteit worden gebruikt.

Bij de off-bottom oesterkweek worden verschillende technieken toegepast. Er kan gebruik worden gemaakt van zakken of manden. Zakken kunnen op verschillende manieren op tafels worden aangebracht. Manden kunnen aan tafels of aan lijnen worden opgehangen. Deze lijnen kunnen worden bevestigd aan vaste

palen, maar kunnen ook aan drijvende systemen worden bevestigd. Voor een uitgebreidere beschrijving van de voorgenomen activiteit verwijs ik naar de aanvraag en de bijlagen daarbij.

1.2. Bevoegdheid

Op basis van artikel 1.3, lid 5, van de Wnb en de artikelen 1.2 en 1.3.1.f, uitoefening van de volgende vormen van visserij: niet-handmatige schaal- en schelpdiervisserij, met inbegrip van het invangen van schelpdierenzaad en van schelpdiercultures en het uitzetten van schelpdieren, van het Besluit natuurbescherming ben ik bevoegd om te beslissen op uw vergunningaanvraag.

De exacte wetsteksten zijn te raadplegen op www.overheid.nl onder 'wet- en regelgeving'.

1.3. Vergunningplicht

De aangevraagde activiteit kan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Oosterschelde, significant gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Daarom geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, lid 2, Wnb.

1.4. Beoordeling van projecten

1.4.1. Project met mogelijk significante gevolgen

De activiteit waarvoor u een vergunning aanvraagt, is een project in de zin van artikel 2.7, lid 2 van de Wnb dat, omdat het, afzonderlijk of in cumulatie met andere plannen of projecten, kan leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. De door u voorgenomen activiteiten zijn te beschouwen als één project, omdat zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

1.4.2. Passende beoordeling

Voor een project dat afzonderlijk of in cumulatie kan leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen, kan alleen een vergunning verleend worden als de aanvrager een passende beoordeling (hierna: PB) heeft overgelegd, waaruit zonder redelijke wetenschappelijke twijfel kan worden geconcludeerd dat het project niet zal leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied. Deze moet rekening houden met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. De PB biedt de grondslag voor de vaststelling van de aard en omvang van de gevolgen of de cumulatieve gevolgen en de manier waarop in mitigatie van die gevolgen is voorzien. De PB toetst de effecten aan de instandhoudingdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Oosterschelde.

In het onderstaande volgt mijn beoordeling van de effectenanalyse zoals neergelegd in de PB.

1.5. Beleid

Oosterscheldevisie 2018-2024

De Oosterscheldevisie van de Provincie Zeeland (in samenwerking met diverse gemeenten, Waterschap Scheldestromen en RWS) biedt beleidsmatige ruimte voor experimenten met off-bottom oesterkweek. De visie stelt:

de schelpdiersector streeft niet naar meer areaal, maar naar een beter gebruik van het areaal. Zij wil vanuit het bestaande areaal de opbrengst en de kwaliteit van het product optimaliseren. Het schelpdierbestand in de Oosterschelde wordt gevormd door wilde oesters, gekweekte oesters, kokkels, gekweekte mosselen, mesheften en 'overig'. De schelpdiersector streeft naar optimalisatie van de opbrengst; hogere aantallen en een toename van het (vlees) gewicht.

Economisch uitvoeringsprogramma 2022-2027 Provincie Zeeland

De provincie Zeeland heeft tevens een Economische uitvoeringsprogramma 2022-2027 opgesteld. Hierin wordt speciaal aandacht besteed aan aquacultuur en visserij.

Uit de Economische Agenda: 'Ons beleid richt zich op de volle breedte van de sector, zoals de zeevisserij, de binnenvisserij en de schaal- en schelpdiersector. Vanuit dit programma werken we aan een moderne, goed uitgeruste, economisch gezonde en duurzaam opererende visserijsector, die rekening houdt met de natuurwaarden. We ondersteunen initiatieven op het gebied van visserij/aquacultuur en vrijetijdseconomie en stimuleren kansrijke

innovaties die kunnen leiden tot nieuwe bedrijvigheid of een hogere toegevoegde waarde. We steunen het visserijbedrijfsleven in het streven de bedrijfsvoering toekomstbestendig te maken. Dit doen we onder meer door het stimuleren van initiatieven voor de ontwikkeling van nieuwe visserijtechnieken. Met het landelijk opererende Bestuurlijk Platform Visserijoverheden behartigen we de belangen van de visserijgemeenschappen in onze provincie.''

BEOORDELING

2.1 Afbakening

Gebied

De beoogde activiteiten vinden plaats op de oesterkweekpercelen Stort, Hooge Kraaijer, Windgat en Yerseke bank in de Oosterschelde.

Gevolgen

Voor de beoordeling van de gevolgen inventariseert de PB welke in redelijkheid denkbare typen gevolgen kunnen optreden. Dit zijn:

  • Mogelijke effecten van vervuiling/uitstoot;

  • Mogelijke effecten op het habitat: verandering dynamiek substraat, verstoring of verlies aan habitat, verstoring of verlies aan draagkracht;

  • Mogelijke effecten door verstoring (visueel, of door geluid of trillingen);

  • Effecten op vogels;

  • Effecten op habitatsoorten.

Natuurwaarden

De natuurwaarden die door de genoemde gevolgen beïnvloed kunnen worden, zijn:

  • Habitattypen: H1160 Grote baaien;

  • Habitatrichtlijnsoorten: H1103 Fint, H1351 Bruinvis, H1363 Grijze zeehond en H1365 Gewone zeehond;

  • Vogelrichtlijnsoorten

  • Broedvogels: A132 Kluut, A137 Bontbekplevier, A138 Strandplevier, A191 Grote stern, A193 Visdief, A194 Noordse stern en A195 Dwergstern;

  • Niet-Broedvogels: diverse soorten opgenomen in de PB.

De beschermde waarden en de relevante instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied staan vermeld op www.rijksoverheid.nl/lnv ('Onderwerpen' >'Natuur en Biodiversiteit' > 'Natura 2000').

Conclusie afbakening

Ik ben van oordeel dat de afbakening van het gebied en de inventarisatie van mogelijke gevolgen van het project op de natuurwaarden in de PB op een juiste wijze hebben plaatsgevonden.

2.2 Mogelijke effecten en mitigatie

2.2.1 Habitattypen

De oesterteelt vindt plaats in kunststof zakken of manden. Naar de aard van de aangevraagde activiteit zullen voor het gebied eventuele negatieve effecten zich beperken tot het Habitattype 1160 Grote baaien (en daaronder geschaard bodemleven en bodemstructuren). De overige in het aanwijzingsbesluit genoemde habitattypen bevinden zich alle buiten (of zeer hoog in) de getijdenzone en liggen derhalve niet in de buurt van de activiteiten.

Ik deel de conclusie van de PB dat de mogelijke effecten met betrekking tot de dynamiek van het substraat (faeces en pseudofaeces), de soortensamenstelling, abiotische randvoorwaarden, het plaatareaal (zandhonger), de draagkracht, de typische soorten en de overige kenmerken van een goede structuur en functie van het habitattype zeer gering zijn qua impact en in beïnvloede oppervlakte. Hierbij houd ik rekening met de voorgestelde maatregelen ter voorkoming en mitigatie van de mogelijke effecten.

Een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen is uit te sluiten.

Om te waarborgen dat er geen negatieve effecten van de activiteit op het genoemde habitattype plaatsvindt, verbind ik aan de vergunning nadere voorschriften (voorschriften 26 tot en met 29).

2.2.2. Habitatrichtlijnsoorten

Naar de aard van de aangevraagde activiteit zullen voor het gebied eventuele negatieve effecten zich beperken tot de Gewone zeehond, Grijze zeehond, Fint en Bruinvis. De Noordse woelmuis heeft geen overlap met de kweekactiviteiten.

De fint gebruikt de Oosterschelde met name op doortrek van zee naar de zoetwater paaigebieden stroomopwaarts. De kweeksystemen van de oesterteelt belemmeren deze doortrek niet. Verstoring van de bruinvis is zeer beperkt, dit betreft enkel het af en aan varen vanaf de vaste ligplaats via de vaargeul naar de systemen. De kweeksystemen vormen geen beperking voor de voedselbeschikking van de bruinvis. De locaties van de off-bottom oesterkweek liggen op ruim 1,5 kilometer afstand van de zeehonden ligplaatsen, zowel voor de Gewone als Grijze zeehond. Gezien de ruime afstand tot de ligplaatsen van Gewone en Grijze zeehond en de zeer beperkte mogelijkheid tot verstoring van foeragerende dieren zijn geen significante effecten op de populatie te verwachten.

Een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van bovengenoemde habitatrichtlijnsoorten is uit te sluiten.

Om te waarborgen dat er geen negatieve effecten van de activiteit op de genoemde habitatrichtlijnsoorten plaatsvinden, verbind ik aan de vergunning nadere voorschriften (voorschriften 31 en 34).

2.2.3. Vogelrichtlijnsoorten

Broedvogels en Niet-Broedvogels

De betreffende oesterkweeklocaties bevinden zich in het sublitoraal, waardoor effecten ten aanzien van broedgelegenheid bij voorbaat kunnen worden uitgesloten. Bovendien bevinden zich binnen 500 meter van de kweeklocaties geen gebieden die geschikt zijn als broedgebied voor kustbroedvogels waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd. Door de ruime afstand tussen de kweeklocaties en de broedgebieden en de beperkte productie van

geluid en trillingen kan voor alle kweeklocaties worden uitgesloten dat de werkzaamheden leiden tot directe verstoring van broedende vogels.

Een effect op de beschikbaarheid van slikken en platen als rust- en foerageergebied kan mogelijk van belang zijn. De slikken en platen ter plaatse van de kweeksystemen vallen zelden droog door lage plaatsing in de getijdezone en slechts voor zeer korte duur. Hierdoor is er vrijwel geen sprake van ruimtebeslag op droogvallend foerageergebied. Doordat de voorgenomen activiteit gering van omvang is en de daarbij uit te voeren werkzaamheden kortdurend zijn, is de eventuele toename van de verstoring die dit veroorzaakt zeer beperkt. Bovendien is er voldoende alternatief foerageergebied van goede kwaliteit in de directe omgeving beschikbaar. Op basis hiervan concludeer ik dat significant negatieve effecten voor broedvogelsoorten en niet-broedvogelsoorten kunnen worden uitgesloten.

Om te waarborgen dat er geen negatieve effecten van de activiteit op de genoemde broedvogels en niet-broedvogels plaatsvinden, verbind ik aan de vergunning nadere voorschriften (voorschriften 30 tot en met 34).

2.3. Stikstofdepositie

Op 16 februari 2022 heeft een berekening plaatsgevonden met AERIUS Calculator (kenmerk: RbU3Yu9wqwvz). Hieruit volgt dat de stikstofdepositie van de voorgenomen activiteit 0,00 mol N/ha/jr bedraagt. Effecten als gevolg van stikstofdepositie zijn uitgesloten.

2.4. Cumulatie

Bij vergunningverlening voor een project moet een beoordeling plaatsvinden van de cumulatieve gevolgen als het project, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten, significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. Een vergunning kan alleen verleend worden als het project afzonderlijk of in combinatie met andere projecten geen significante gevolgen heeft.

Ik heb hiervoor al geconcludeerd dat de uitvoering van de voorgenomen activiteit zelfstandig beschouwd, geen significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Ik concludeer dat in de aangeleverde PB een volledige en juiste cumulatietoetsing is uitgevoerd.

2.5. Conclusie

Met de door u uitgevoerde PB, de daarbij behorende rapportages en documenten, de vergunningvoorschriften en mitigerende maatregelen is de zekerheid verkregen dat het project/de activiteit waarvoor de vergunning is aangevraagd, niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied.

Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat de gevraagde vergunning, onder de opgenomen voorschriften en beperkingen, kan worden verleend.

VOORSCHRIFTEN

Ter bescherming van de in het Natura 2000-gebied Oosterschelde aanwezige beschermde natuurwaarden, verbind ik aan deze vergunning de volgende voorschriften en beperkingen.

Algemeen

  1. Deze vergunning staat op naam van de individuele rechtspersonen zoals vermeld in bijlage 5 van de bij deze vergunning behorende PB, zulks altijd in verplichte combinatie met de daarin opgenomen vermelding van het door deze rechtspersonen in te zetten vaartuig.

  2. Deze vergunning wordt uitsluitend gebruikt door (medewerkers van) de vergunninghouder of door (rechts)personen die aantoonbaar in opdracht van de vergunninghouder handelen. De vergunninghouder blijft daarbij verantwoordelijk voor de juiste naleving van deze vergunning.

  3. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen beschikken op de plaats waar de vergunde activiteit wordt uitgevoerd over een (digitaal) exemplaar van deze beschikking, inclusief alle daarbij behorende bijlagen.

  4. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen zijn aantoonbaar op de hoogte van de inhoud en het doel van deze voorschriften en beperkingen

  5. Het tijdstip waarop de vergunde activiteit daadwerkelijk wordt gestart, wordt minimaal één week voor de aanvang ervan gemeld aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ter attentie van het Team Natuurvergunningen (hierna: het bevoegd gezag).

  6. De vergunde activiteit wordt uitgevoerd zoals de aangegeven in de aanvraag en bijbehorende passende beoordeling en volgens de voorschriften en beperkingen die aan deze vergunning zijn verbonden. Bij eventuele strijdigheid van de aanvraag en de voorschriften en beperkingen van deze vergunning hebben de laatste voorrang.

  7. Als zich een incident voordoet, meldt de vergunninghouder dit met alle relevante gegevens onmiddellijk aan het bevoegd gezag. Een incident is in dit geval een onvoorziene gebeurtenis waardoor schade aan de natuurlijke kenmerken in het betrokken beschermde gebied is of kan worden toegebracht, bijvoorbeeld wanneer onbedoeld vrijgekomen schadelijke stoffen een habitattype of habitat- of vogelrichtlijnsoort bedreigen.

  8. Als zich een incident voordoet, is de vergunninghouder verplicht eventuele verontreinigingen zo mogelijk direct te verwijderen en de eventueel opgetreden schade voor zover mogelijk te herstellen, zulks ter beoordeling van het bevoegd gezag.

  9. De vergunninghouder volgt de aanwijzingen op die het bevoegd gezag geeft.

  10. Zodra de werkzaamheden met betrekking tot de vergunde activiteit feitelijk zijn beëindigd, meldt de vergunninghouder dit uiterlijk binnen 1 week bij het bevoegd gezag.

  11. Alle correspondentie met betrekking tot deze vergunning kan per reguliere post of per e-mail (wetnatuurbescherming@minlnv.nl) worden gedaan.

Specifieke voorschriften per oesterkweeklocatie:

Locatie Stort:

  1. De off-bottom oesterkweek vindt plaats in het sublitorale (niet-droogvallende) deel van perceel Stort 20 in de Oosterschelde.

  2. De activiteit betreft het kweken van Japanse oesters (Crassostrea gigas) in manden aan longlines. Er zijn vier longlines geplaatst op het perceel van 150 meter lang met 300 mandjes per dubbele longline.

  3. Controle-, oogst-, en onderhoudswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd conform tabel 1 en 2 van de PB.

  4. De droogvallende delen van de plaat mogen niet worden betreden.

Locatie Hooge Kraaijer:

  1. De off-bottom oesterkweek vindt plaats in het sublitorale (niet-droogvallende) deel van perceel HK 44, HK 45, HK 48 en een strook ten oosten van HK 48 in de Oosterschelde.

  2. De activiteit betreft het kweken van Japanse oesters (Crassostrea gigas) in mandjes aan lijnen en in zakken op tafels.

  3. Controle-, oogst-, en onderhoudswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd conform tabel 1 en 3 van de PB.

  4. De droogvallende delen van de plaat mogen niet worden betreden.

Locatie Windgat:

  1. De off-bottom oesterkweek vindt plaats in het sublitorale (niet-droogvallende) deel van perceel WG15 in de Oosterschelde.

  2. De activiteit betreft het kweken van Japanse oesters (Crassostrea gigas) in mandjes aan lijnen en/of in zakken op tafels.

  3. Controle-, oogst-, en onderhoudswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd conform tabel 1 en 4 van de PB.

Locatie Yerseke Bank:

  1. De off-bottom oesterkweek vindt plaats in het sublitorale (niet-droogvallende) deel van perceel YB 237, 238, 239, 240, 241, 287, 288, 289, 290 en 291 in de Oosterschelde.

  2. De activiteit betreft het kweken van Japanse oesters (Crassostrea gigas) in mandjes aan lijnen en/of in zakken op tafels.

  3. Controle-, oogst-, en onderhoudswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd conform tabel 1 en 5 van de PB.

Nadere inhoudelijke voorschriften

  1. Alle werkzaamheden dienen bij daglicht plaats te vinden.

  2. De installaties dienen deugdelijk van constructie te zijn en mogen, evenals andere te gebruiken materialen zoals zakken en collecteurs, niet los kunnen slaan van de bodem.

  3. Het is niet toegestaan afval in het gebied achter te laten. Restafval mag niet in het water terecht komen en dient te worden opgevangen en afgevoerd conform de daartoe geldende wet- en regelgeving.

  4. Indien bij kunststof-onderdelen van de kweekinstallatie zichtbare slijtage wordt geconstateerd dienen deze binnen een maand te worden vervangen. Dit ter beperking van de verspreiding van microplastics in het ecosysteem van de Oosterschelde.

  5. Tijdens elk bezoek dienen de systemen te worden gecontroleerd op vogelslachtoffers. In geval van het aantreffen van één of meer vogelslachtoffers dient de vergunninghouder hiervan onverwijld schriftelijk of per e-mail melding te doen aan het bevoegd gezag.

  6. Het gebruik van geluidsapparatuur, anders dan ten behoeve van communicatie betreffende de veiligheid, is niet toegestaan.

  7. De periode waarin de activiteiten worden uitgevoerd zijn zo veel mogelijk afgestemd op de aanwezigheid van vogels. Het plaatsen van de systemen wordt zo vroeg mogelijk in het seizoen uitgevoerd en buiten de periode waarbinnen grote groepen overwinterende watervogels aanwezig zijn (november-februari).

  8. Bij de werkzaamheden aan de rijen langs de randen van de locaties wordt zo veel mogelijk gewerkt vanuit de ruimte tussen de rijen, zodat de personen op de platen vrijwel altijd met minimaal 1 rij tafels gescheiden zijn van de vogels op de platen. Dit om de afstand van de activiteit op de platen tot de vogels in de omgeving zo groot mogelijk te houden.

  9. Verstoring van de in het gebied aanwezige fauna dient tot een minimum te worden beperkt. Groepen rustende of foeragerende vogels mogen niet dichter dan tot een afstand van 500 meter benaderd worden en zeehonden mogen niet dichter dan tot een afstand van 1200 meter benaderd worden.

Toezicht

  1. De vergunninghouder voert een administratie met daarin alle documenten die betrekking hebben op deze vergunning en op de naleving van de voorschriften en beperkingen die in deze vergunning zijn opgenomen.

  2. De vergunninghouder geeft alle medewerking aan de aangewezen toezichthouder en opsporingsambtenaren.

  3. De vergunninghouder toont informatie en documenten op verzoek aan de bevoegde toezichthouder en opsporingsambtenaren.

  4. De betrokken toezichthouders en medewerkers van het Team Natuurvergunningen mogen op elk moment in tijd ter verificatie van de vergunning en inzage eisen in de black box rapportages van de ingezette vaartuigen; deze rapportages worden door de vergunninghouder aangeleverd c.q. ter raadpleging beschikbaar gesteld.

Looptijd en geldigheid

  1. De vergunning is geldig tot en met het moment dat de vergunde activiteit wordt beëindigd (zie voorschrift 10), en uiterlijk tot en met 20 maart 2025.

  2. Als men voornemens is om na 20 maart 2025 de activiteiten voort te zetten, dient uiterlijk eind 2024 een hernieuwde aanvraag ingediend te worden.

  3. Indien men niet voornemens is om op één of meerdere vergunde percelen de activiteit te continueren, dient tijdig gestart te worden met het verwijderen van alle materialen zodat deze zich uiterlijk 20 maart 2025 in de originele staat bevinden.

TER INFORMATIE

Op grond van afdeling 4.1.1. Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een verzoek tot wijziging van de vergunning worden ingediend.

Op grond van artikel 5.4, lid 1 en lid 2, van de Wnb kan de verleende vergunning worden ingetrokken of gewijzigd.

Als de vergunninghouder handelt in strijd met de vergunning, kan op grond van artikel 7.2, lid 2, van de Wnb een last onder bestuursdwang worden opgelegd.

Conform artikel 5:32, lid 1, Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Hoogachtend,

De Minister voor Natuur en Stikstof,

namens deze:

MT-lid Directoraat-Generaal Natuur, Visserij en Landelijk Gebied