Onderwerp: Bezoek-historie

Wnb; wijziging vergunning baggeren en storten Zandkreekgeul
Publicatiedatum:10-05-2021Geldigheid:22-10-2020 t/m 28-02-2022Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Geachte ,

Bij brief van 16 december 2020, welke door mij is ontvangen op 18 januari 2021, verzoekt u om wijziging van de aan u verleende vergunning voor het project 'Baggeren en storten Zandkreekgeul'. Bij mail van 2 februari 2021 heb ik u verzocht om uw wijzigingsaanvraag aan te vullen. De gevraagde aanvulling heb ik eveneens per mail op 18 maart 2021 ontvangen. De met die mail meegezonden (tweede) wijzigingsaanvraag vervangt uw eerdere aanvraag voor wijziging van de hiervoor genoemde vergunning.

Eerdere besluitvorming

Bij besluit van 22 oktober 2020 is aan Rijkswaterstaat Zee en Delta, op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb), een vergunning met kenmerk DGNVLG/20258802 verleend voor het baggeren van sediment uit de Zandkreekgeul en het verspreiden van dit sediment in stortlocatie O10 in de Oosterschelde. Deze vergunning is onder meer verleend onder de voorwaarde dat de werkzaamheden waar het gaat om baggeren en storten/ verspreiden van bodemmateriaal, alleen mogen worden uitgevoerd in de periode van vier maanden, zijnde van november tot en met februari (voorschrift 18).

1 Uw verzoek

U geeft aan dat Rijkswaterstaat de baggerwerkzaamheden in de Zandkreekgeul, in afwijking van de planning zoals genoemd in de voor uw project opgestelde passende beoordeling (hierna: PB) en de hiervoor verleende Wnb-vergunning1, heeft moeten uitstellen naar uitvoering in de periode van oktober 2021 tot en met februari 2022. U geeft aan dat de uitvoeringsperiode daarmee wijzigt van vier maanden (november tot en met februari) naar vijf maanden (van oktober tot en met februari). U verzoekt mij daarom om voorschrift 18 hierop aan te passen.

Met uw wijzigingsverzoek heeft u een tweetal documenten meegezonden, namelijk:

  1. de memo Aanvullende beoordeling van 9 december 2020;

  2. de memo Aanvullende beoordeling van 18 maart 2021.

In het voorliggende besluit wordt waar het gaat om de beoordeling van uw wijzigingsverzoek, verwezen naar de onder b genoemde memo. De memo geeft aan dat de hoeveelheid werk met de nieuwe planning niet verandert. De baggerwerkzaamheden worden op dezelfde locatie met dezelfde materialen uitgevoerd. Ook de duur van de werkzaamheden blijft hetzelfde. Er wordt wel een maand eerder gestart.

De memo welke dient ter onderbouwing van het voorliggende verzoek, is opgesteld door hetzelfde bureau (namelijk Arcadis) dat ook de voor dit project gemaakte PB (het rapport 'Conditionering baggeren Zandkreukgeul. Passende Beoordeling en Soortbeschermingstoets') heeft geschreven. In de PB zijn de effecten van de bagger- en stortwerkzaamheden op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Oosterschelde beoordeeld. De PB maakt met de aanvraag deel uit van de vigerende vergunning.

Bevoegdheid tot vergunningverlening

De bevoegdheid om de inhoud van de vergunning van 22 oktober 2020 te wijzigen is ontleend aan artikel 1.2 en artikel 1.3, eerste lid, sub a onder 1°, van het Besluit natuurbescherming (Staatsblad 2016, nr. 383), luidend: '[…]hoofdvaarwegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Tracéwet […]'.

Op deze wettelijke grond is de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bevoegd om de vigerende vergunning te wijzigen (artikel 2.7, tweede lid, in samenhang met artikel 1.3, vijfde lid, van de Wnb).

2 Beoordeling

Hieronder geef ik mijn bevindingen naar aanleiding van de in de memo besproken gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Oosterschelde van het met één maand verruimen van de uitvoeringsperiode van de werkzaamheden in relatie tot de gevolgen zoals beschreven in de PB. Tevens geef ik hieronder mijn bevindingen over de in de memo, in aanvulling op de PB beschreven cumulatieve effecten van het met één jaar opschuiven van de bagger- en stortwerkzaamheden.2

Ten aanzien van bedekking/habitataantasting voorziet de memo geen veranderingen omdat het veranderen van de tijdsperiode geen invloed heeft op de bodemgesteldheid van de aanwezige habitattypes.

Ik onderschrijf deze conclusie temeer daar negatieve effecten van habitataantasting op het habitattype H1160 Grote baaien volgens de PB uitgesloten zijn. Het eerder starten van de werkzaamheden doet hier niets aan af.

Voor wat betreft vertroebeling verwacht de memo ook geen veranderingen omdat er nauwelijks primaire productie is in oktober.

Ik onderschrijf ook deze conclusie. Ik stel vast dat de werkzaamheden ook bij een start in oktober nog altijd buiten de periode van de primaire productie worden uitgevoerd.

Waar het gaat om onderwaterverstoring zijn er volgens de memo evenmin veranderingen, omdat het veranderen van de tijdsperiode geen invloed heeft op de aanwezigheid van zeezoogdieren en trekvissen.

Ik onderschrijf deze conclusie temeer daar in de PB is vastgesteld dat er enerzijds al sprake is verstoring door scheepvaart en anderzijds van voldoende uitwijkmogelijkheden en daarom significante effecten van onderwaterverstoring op zeezoogdieren en trekvissen uitgesloten zijn.

Ten aanzien van bovenwaterverstoring zullen er volgens de memo geen veranderingen zijn, omdat verandering van de tijdsperiode naar oktober geen invloed zal hebben op zeezoogdieren en vogels en omdat oktober buiten het broedseizoen van de aangewezen soorten valt.

Ik acht deze conclusie juist waar het gaat om bovenwaterverstoring van zeezoogdieren en broedvogels. Ik teken hierbij aan dat de baggerwerkzaamheden gelet op de uitvoeringsperiode (dat is in de herfst- en wintermaanden) vooral kunnen leiden tot eventuele verstoring van niet-broedvogels (dat zijn op drooggevallen platen foeragerende vogels en op hoogwatervluchtplaatsen rustende vogels). De PB concludeert evenwel dat significante verstoring van niet-broedvogels kan worden uitgesloten. Ik stel vast dat deze conclusie ook bij een vervroegde start van de werkzaamheden onverminderd van kracht blijft.

Met betrekking tot verzuring en vermesting stelt de memo vast dat op dit punt niets verandert omdat de stikstofuitstoot nog steeds verwaarloosbaar is en onder beheer en onderhoud wordt geschaard.

Ik kan deze conclusie in zoverre onderschrijven waar deze de geringe omvang van de door de werkzaamheden veroorzaakte geringe extra stikstofdepositie betreft en er nergens sprake is van een (naderende) overbelasting van de kritische depositiewaarde. Ik heb de extra stikstofdepositie van dit project niet geschaard onder beheer en onderhoud, waarop bij een ongewijzigde voortzetting ervan een vrijstelling van de Wnb-vergunningplicht geldt. Het laatste is hier niet van toepassing, omdat voor de Zandkreekgeul een extra inspanning qua te baggeren hoeveelheden bodemmateriaal moet worden verricht om zodoende de in de afgelopen jaren opgetreden sterke verzanding op te heffen en de vaargeul weer toegankelijk te maken voor beroeps- en recreatievaart.

Ten aanzien van cumulatie tenslotte concludeert de memo dat cumulerende effecten met het project Baggeren havens Oosterscheldekering kunnen worden uitgesloten, omdat de voor dat project berekende lokale slibwolk van maximaal 10 mg/l heel lokaal voorkomt, deze slibwolk niet tot aan de in de PB voor de Zandkreekgeul berekende verstoringscontour rijkt en er dus geen optelling van concentraties plaatsvindt.

Ik onderschrijf deze conclusie. Daarmee bevestigt de memo de conclusie van de PB dat de werkzaamheden ook cumulatief gezien niet zullen leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Oosterschelde.

In het licht van het bovenstaande geldt dat activiteiten kunnen worden uitgevoerd overeenkomstig de uitgangspunten en inhoud van de eerder bij de aanvraag van de vigerende vergunning ingediende PB. Deze onderbouwing is destijds door mij als bevoegd gezag geaccepteerd en heeft mede ten grondslag gelegen aan de vigerende vergunning. De eerder geleverde onderbouwing is naar mijn mening nog actueel en valide om als grondslag te dienen voor het nu voorliggende besluit om de uitvoeringsperiode van de bagger- en stortwerkzaamheden te verruimen van vier naar vijf maanden. Artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb is op dit punt van toepassing.

3 Besluit

Ik besluit op grond van artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wnb om voorschrift 18 van de vergunning van 22 oktober 2020 (kenmerk: DGNVLG/ 20258802) als volgt te wijzigen:

18. Het baggeren en storten/verspreiden van bodemmateriaal mag alleen plaatsvinden in de periode van 5 maanden (oktober tot en met februari).

De overige voorschriften en beperkingen blijven onverkort van kracht.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
namens deze:

 

MT-lid Natuur, Visserij en Landelijk gebied

Bijlagen:

1 wijzigingsaanvraag;

2 memo van 9 december 2020;

3 memo van 18 maart 2021.

Bezwaar

Tegen dit besluit staat op grond van de Algemene wet bestuursrecht voor een belanghebbende de mogelijkheid open een bezwaarschrift in te dienen. Een bezwaarschrift moet binnen zes weken na bekendmaking van dit besluit worden ingediend bij:

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Afdeling Juridische Zaken

Postbus 40219

8004 DE Zwolle

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

d) de gronden van bezwaar.

Het is raadzaam een kopie van dit besluit bij het bezwaarschrift te voegen.

Publicatie

Op grond van artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur zal het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het voorliggende besluit openbaar maken. De besluiten op grond van de Wet natuurbescherming, waaronder dit besluit, zullen, onder anonimisering van de persoonsgegevens, geplaatst worden op https://puc.overheid.nl/natuurvergunningen

Naar boven