Onderwerp: Bezoek-historie

Besluit Vergunning Wet natuurbescherming projectVeegbesluit IJssel, perceel 5
Geldigheid:07-05-2020 t/m 31-12-2020Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

1 BESLUIT

Geachte

Met uw mail van 1 augustus 2019 verzocht u mij om een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb) voor het project Veegtranche IJssel perceel 5.

Ik verleen u deze vergunning.

Overweging

Op 9 november 2017 verleende ik u de Wnb-vergunning (kenmerk DGAN-NB/17177272) voor het project Stroomlijn IJssel, tranche 4, perceel 5. Deze vergunning had een looptijd tot en met 31 december 2018. Op 1 augustus 2019 deelde u mij mee dat niet alle werkzaamheden, welke waren voorzien binnen dit project, binnen de looptijd van deze vergunning konden worden afgerond. Dit dient alsnog te gebeuren. Voornoemde vergunning werd onder meer verleend onder de bepalingen van de Programmatische Aanpak Stikstof. Vanwege de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 kunnen die regels niet meer worden toegepast. De nu nog uit te voeren werkzaamheden hebben stikstofdepositie tot gevolg. U heeft voor deze nog uit te voeren werkzaamheden een nieuwe stikstofberekening gemaakt en aan mij ingestuurd. Deze berekening is uitgevoerd met het nu geldende instrument Aerius Calculator 2019A. De uitkomst van deze berekening laat een depositie zien van 0,00 mol/ha/jr. Ik ga met de berekening akkoord. Stikstofdepositie hoeft daarom aan deze vergunning niet in de weg te staan.

De nu voorgenomen werkzaamheden zijn eerder beoordeeld en vergund in 2017 en worden uitgevoerd als omschreven in de passende beoordeling d.d. 7 februari 2017, kenmerk 31091368-ECOL-EAPP-00778-20170202-AIH. Deze passende beoordeling maakt onderdeel uit van deze vergunning. Aan de hiervoor genoemde vergunning waren ook voorschriften verbonden. De nog van toepassing zijnde voorschriften heb ik ook aan deze vergunning verbonden en zijn hierna opgenomen.

 

2 Voorschriften

Algemeen

  1. Deze vergunning staat op naam van Rijkswaterstaat Oost Nederland, (hierna vergunninghouder), of diens rechtsopvolger.

  2. Deze vergunning wordt uitsluitend gebruikt door (medewerkers van) de vergunninghouder of aantoonbaar in opdracht van de vergunninghouder handelende (rechts)personen. De vergunninghouder blijft daarbij verantwoordelijk voor de juiste naleving van deze vergunning.

  3. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen beschikken op de plaats waar de vergunde activiteit wordt uitgevoerd over een kopie van deze beschikking, inclusief alle daarbij behorende bijlagen.

  4. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen zijn aantoonbaar op de hoogte van de inhoud en het doel van deze voorschriften en beperkingen, zodanig dat zij daar ook invulling en uitvoering aan kunnen geven.

  5. Het tijdstip waarop de vergunde activiteit daadwerkelijk wordt gestart, wordt minimaal 2 weken voor de aanvang ervan gemeld aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ter attentie van het Team Natuurvergunningen (hierna: bevoegd gezag).

  6. De vergunde activiteit wordt overeenkomstig de ingediende aanvraag en bijbehorende passende beoordeling uitgevoerd, met inachtneming van de aan deze vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. Bij eventuele strijdigheid van de aanvraag en/of passende beoordeling met de voorschriften en beperkingen in onderhavige vergunning, prevaleren deze laatste.

  7. Bij een opgetreden incident wordt onverwijld melding over de aard en omvang van het incident gedaan aan het bevoegd gezag onder overlegging van alle relevante gegevens. Onder incident wordt in dit verband verstaan 'een onvoorziene gebeurtenis waardoor schade aan de natuurlijke kenmerken in het betrokken beschermde gebied is of kan worden toegebracht' (bijvoorbeeld wanneer onbedoeld vrijgekomen schadelijke stoffen een habitattype of habitat- of vogelsoort bedreigen).

  8. Bij een opgetreden incident is de vergunninghouder verplicht eventuele verontreinigingen zo mogelijk direct te laten verwijderen en de eventueel opgetreden schade voor zover mogelijk te herstellen, zulks ter beoordeling van het bevoegd gezag.

  9. Alle door of namens het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en/of uitvoeringsbepalingen worden binnen de in de aanwijzing bepaalde termijn opgevolgd.

  10. Zodra de werkzaamheden met betrekking tot de vergunde activiteit feitelijk zijn beëindigd, wordt dit uiterlijk binnen een week bij het bevoegd gezag gemeld.

  11. Alle correspondentie uit hoofde van deze vergunning kan per reguliere post of per e-mail (wetnatuurbescherming@minlnv.nl) worden gedaan.

Nadere inhoudelijke voorschriften

  1. De werkzaamheden vinden plaats onder ecologische begeleiding van een ter deskundige1 op het gebied van de relevante habitattype en soorten.

  2. Het Ecologisch Werkprotocol (EWP) blijft van toepassing voor zover van toepassing op de nog uit te voeren werkzaamheden en bevat de relevante uitvoeringsvoorschriften.

  3. De in voorschrift 13 genoemde uitvoeringsvoorschriften hebben in ieder geval betrekking op het habitattype Slikkige rivieroevers, de habitatsoorten Bittervoorn, Kleine modderkruiper, Kamsalamander, Grote modderkruiper en Bever.

  4. De in voorschrift 13 genoemde uitvoeringsvoorschriften hebben in ieder geval betrekking op informatie over de broedperioden verstoringsafstanden van relevante broedvogelsoorten.

  5. De in voorschrift 13 genoemde uitvoeringsvoorschriften hebben in ieder geval betrekking op de aanleg van rijroutes t.b.v. de uit te voeren werkzaamheden.

  6. De werkzaamheden vinden plaats tussen zonsopgang en zonsondergang.

  7. De werkzaamheden worden niet uitgevoerd tijdens het broedseizoen van de relevante broedvogelsoorten, tenzij uit inventarisatie blijkt dat zich op die locatie en directe omgeving geen broedlocaties bevinden.

  8. Aan- en afvoerroutes worden niet gesitueerd op locaties waar zich kwalificerende habitattypes bevinden. Indien dit onvermijdelijk is, dan vindt situering plaats op de minst kwetsbare delen. De deskundige wijst deze aan en neemt dit op in het EWP.

  9. Bij de aanleg van aan- en afvoerroutes wordt rekening gehouden met verstoringsafstanden voor de relevante soorten. Het EWP bevat hiervoor uitvoeringsvoorschriften.

  10. Werkzaamheden in het water vinden plaats in één richting, waardoor soorten tijdig kunnen wegzwemmen.

  11. De werkzaamheden worden zodanig uitgevoerd dat er geen leefgebieden van relevante soorten permanent verdwijnen.

  12. Ten aanzien van habitattypes geldt dat deze niet worden betreden en ook niet worden gebruikt als opslaglocatie.

  13. De werkzaamheden starten niet eerder dan, nadat door de deskundige als genoemd in voorschrift 12, in het veld een inventarisatie is uitgevoerd waaruit de aan-afwezigheid van de relevante habitattypen en habitats van soorten blijkt. Deze inventarisatie maakt deel uit van het EWP.

Toezicht

  1. De vergunninghouder geeft, overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht, alle medewerking aan de aangewezen toezichthouder(s) en tonen deze vergunning op eerste vordering aan de daartoe bevoegde toezichthouders en opsporingsambtenaren.

  2. De vergunninghouder voert een administratie waarin alle op deze vergunning betrekking hebbende documenten en bewijsstukken ten aanzien de naleving van de voorschriften en beperkingen van deze vergunning zijn opgenomen

Looptijd/geldigheid

  1. De vergunning is geldig tot en met 31 december 2020.

Ter informatie

Op grond van art. 5.1, lid 1 van de Wnb jo. afdeling 4.1.1. Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een verzoek tot wijziging van de vergunning worden ingediend.

Op grond van artikel 5.4, lid 1 en lid 2, van de Wnb kan de verleende vergunning worden ingetrokken of gewijzigd.

Op grond van artikel 7.2, lid 2, van de Wnb kan een last onder bestuursdwang worden opgelegd.

Conform artikel 5:32, lid 1, Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan, aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Hoogachtend,

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
namens deze:




wg

MT-lid bij het Directoraat-Generaal Natuur, Visserij en Landelijk Gebied

Bezwaar

Tegen dit besluit staat op grond van de Algemene wet bestuursrecht voor een belanghebbende de mogelijkheid open een bezwaarschrift in te dienen. Een bezwaarschrift moet binnen zes weken na bekendmaking van dit besluit worden ingediend bij:

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Afdeling Juridische Zaken

Postbus 40219

8004 DE Zwolle

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

  4. de gronden van bezwaar.

Het is raadzaam een kopie van dit besluit bij het bezwaarschrift te voegen.

Publicatie besluit

Op grond van artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur zal het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onderhavig besluit openbaar maken. De besluiten op grond van de Wnb, waaronder onderhavige, zullen, onder anonimisering van de persoonsgegevens, geplaatst worden op https://puc.overheid.nl/natuurvergunningen.

Naar boven