Onderwerp: Bezoek-historie

Wet natuurbescherming; vergunning; gecombineerde Mosselzaadinvanginstallatie/Mosselhangcultuur Mattenhaven; Oosterschelde en Voordelta
Ondertekeningsdatum:12-06-2020Geldigheid:01-07-2020 t/m 31-05-2023Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Geachte ,

Op 20 april 2020 heeft u namens Hoogerheide Delimossel een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) voor de voortzetting van een gecombineerde Mosselzaadinvanginstallatie/Mosselhangcultuur (verder MZI/MHC) in de Mattenhaven in de Natura 2000-gebieden Oosterschelde en Voordelta aangevraagd voor de periode van 1 juli 2020 tot en met

31 mei 2023.

Bij e-mail van 28 april 2020 heb ik de ontvangst van uw aanvraag bevestigd.

Met e-mail van 26 mei 2020 heb ik u verzocht de aanvraag aan te vullen. De gevraagde aanvulling heb ik op 1 juni 2020 van u ontvangen.

Ik verleen u hierbij de gevraagde vergunning.

In dit besluit vindt u de inhoudelijke overwegingen die eraan ten grondslag liggen. De aanvraag en de bijlagen maken onderdeel uit van dit besluit.

1. AANVRAAG

1.1. Onderwerp

De vergunningaanvraag heeft betrekking op het invangen van mosselzaad het opkweken van mosselzaad tot mosselen in een gecombineerde Mosselzaadinvanginstallatie/Mosselhangcultuur (verder MZI/MHC). Het betreft de voortzetting van een activiteit die als sinds 2011 vergund plaatsvindt. Vergunning wordt aangevraagd voor de periode van 1 juli 2020 tot en met 31 mei 2023.

Activiteiten

De volgende activiteiten worden uitgevoerd:

- invang van mosselzaad in de periode april-juni,

- oogst van mosselen tussen juni-augustus (incidenteel september-december),

- insokken van mosselzaad voor verdere uitgroei in september

- en daarnaast doorlopend (doch incidenteel en zoveel mogelijk gecombineerd met andere werkzaamheden) controle van de systemen en eventueel uitdunnen van de lijnen.

Voor een uitgebreidere beschrijving van de voorgenomen activiteit verwijs ik naar de aanvraag en de bijlagen daarbij.

1.2. Bevoegdheid

Op basis van artikel 1.3, lid 5, van de Wnb en de artikelen 1.2 en 1.3, onder k, sub 2 van het Besluit natuurbescherming ben ik bevoegd om te beslissen op uw vergunningaanvraag.

De exacte wetsteksten zijn te raadplegen op www.overheid.nl onder 'wet- en regelgeving'.

1.3. Vergunningplicht

De aangevraagde activiteit kan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden Oosterschelde en Voordelta, een significant verstorend effect hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Daarom geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, lid 2, Wnb.

1.4. Beoordeling van projecten en andere handelingen

1.4.1. Project met mogelijk significante gevolgen

De activiteit waarvoor u een vergunning aanvraagt, is een project in de zin van artikel 2.7, lid 2 van de Wnb dat, omdat het, afzonderlijk of in cumulatie met andere plannen of projecten, kan leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-gebied.

1.4.2. Passende beoordeling

Voor een project dat afzonderlijk of in cumulatie kan leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen, kan alleen een vergunning verleend worden als de aanvrager een passende beoordeling (hierna: PB) heeft overgelegd, waaruit zonder redelijke wetenschappelijke twijfel kan worden geconcludeerd dat het project niet zal leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied. Deze moet rekening houden met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. De PB biedt de grondslag voor de vaststelling van de aard en omvang van de gevolgen of de cumulatieve gevolgen en de manier waarop in mitigatie van die gevolgen is voorzien. De PB toetst de effecten aan de instandhoudingdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit van de Natura 2000-gebieden Oosterschelde en Voordelta.

Een PB is niet vereist wanneer sprake is van een project dat direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied. Een PB is evenmin vereist wanneer sprake is van de herhaling of voortzetting van een plan of project waarvoor al eerder een PB is gemaakt en wanneer een nieuwe PB geen nieuwe inzichten kan opleveren. Dit laatste is deels aan de orde. De PB is geactualiseerd, onder andere vanwege het in maart 2019 gepubliceerde 'Ontwerpwijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden'.

In het onderstaande volgt mijn beoordeling van de effectenanalyse zoals die is neergelegd in de PB.

1.5. Beleid

Oosterscheldevisie 2018-2024

De Oosterscheldevisie van de Provincie Zeeland (in samenwerking met diverse gemeenten, Waterschap Scheldestromen en RWS) biedt beleidsmatige ruimte voor experimenten met offbottom oesterkweek.

De visie stelt:

de schelpdiersector streeft niet naar meer areaal, maar naar een beter gebruik van het areaal. Zij wil vanuit het bestaande areaal de opbrengst en de kwaliteit van het product optimaliseren.

Het schelpdierbestand in de Oosterschelde wordt gevormd door wilde oesters, gekweekte oesters, kokkels, gekweekte mosselen, mesheften en 'overig'. De schelpdiersector streeft naar optimalisatie van de opbrengst; hogere aantallen en een toename van het (vlees) gewicht.

Economische agenda Provincie Zeeland

De provincie Zeeland heeft een Economische Agenda 2017-2021 opgesteld. Hierin wordt speciaal aandacht besteed aan aquacultuur en visserij in het algemeen en oesterkweek in het bijzonder.

Uit de Economische Agenda:

Ons beleid richt zich op de volle breedte van de sector zoals de zeevisserij, de schaal- en schelpdiersector en de binnenvisserij.

In de schaal- en schelpdiersector hebben de verbetering van de collectieve infrastructuur en kennisontwikkeling prioriteit. De continuïteit van de sector is daarbij het uitgangspunt.... Deze agenda draagt bij aan de toekomstbestendigheid van deze sector.

Met het bedrijfsleven en betrokken overheden verbeteren we de collectieve infrastructuur en kennisontwikkeling in de schaal- en schelpdiersector en wij ondersteunen kansrijke innovaties die kunnen leiden tot nieuwe bedrijvigheid of een hogere toegevoegde waarde.

2. BEOORDELING

2.1 Afbakening

Gebied

De MZI/MHC bevindt zich in de Mattenhaven binnen het werkeiland Neeltje Jans bij de Oosterscheldekering, welke geheel buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied Oosterschelde ligt, maar hier wel mee in open verbinding staat. Aan de andere kant van de Oosterscheldekering bevindt zich het Natura 2000-gebied Voordelta.

Gevolgen

Voor de beoordeling van de gevolgen inventariseert de PB welke in redelijkheid denkbare typen gevolgen kunnen optreden. Dit zijn:

  • Visuele verstoring , verstoring door geluid en verstoring door trilling

  • Verontreiniging

  • Verandering dynamiek substraat (inclusief depositie organisch materiaal en mogelijke effecten de wijziging in verankering)

  • Verstoring door mechanische effecten (m.n. vertroebeling)

  • Verandering populatiedynamiek

  • Verandering soortensamenstelling

  • Verstoring of verlies oppervlakte (Habitat)

Natuurwaarden

De natuurwaarden die door de genoemde gevolgen beïnvloed kunnen worden, zijn:

  • Habitattypen: grote ondiepe baaien en kreken (H1160), vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (H2130), duinen met Hippophaë rhamnoides (H2160), kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae (H7210).

  • Habitatrichtlijnsoorten: gewone zeehond, grijze zeehond, bruinvis en fint

  • Vogelrichtlijnsoorten

  • Broedvogels: bontbekplevier, dwergstern en de visdief

  • Niet-Broedvogels: aalscholver, bergeend, bontbekplevier, bonte strandloper, brilduiker, dodaars, drieteenstrandloper, fuut, goudplevier, groenpootruiter, kanoetstrandloper, kievit, kleine zilverreiger, kluut, kuifduiker, lepelaar, meerkoet, middelste zaagbek, rotgans, scholekster, steenloper, strandplevier, tureluur, wulp, zilverplevier en de zwarte ruiter.

De beschermde waarden en de relevante instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied staan vermeld op www.rijksoverheid.nl/lnv ('Onderwerpen' >'Natuur en Biodiversiteit' > 'Natura 2000').

Conclusie afbakening

Ik ben van oordeel dat de afbakening van het gebied en de inventarisatie van mogelijke gevolgen van het project op de natuurwaarden in de PB op een juiste wijze hebben plaatsgevonden.

2.2 Mogelijke effecten en mitigatie

2.2.1 Habitattypen

Ik onderschrijf de in de passende beoordeling getrokken conclusie dat een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen is uit te sluiten.

Om te waarborgen dat er geen negatieve effecten van het project op de genoemde habitattypen plaatsvinden, verbind ik aan de vergunning nadere voorschriften (voorschriften 18 en 19).

2.2.2. Habitatrichtlijnsoorten

Ik onderschrijf de in de passende beoordeling en aanvullende gegevens getrokken conclusie dat een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen is uit te sluiten.

Om te waarborgen dat er geen negatieve effecten van het project op de genoemde habitatrichtlijnsoorten plaatsvinden, verbind ik aan de vergunning nadere voorschriften (voorschriften 18 tot en met 23).

2.2.3. Vogelrichtlijnsoorten

Broedvogels

Ik onderschrijf de in de passende beoordeling en aanvullende gegevens getrokken conclusie dat een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen is uit te sluiten.

Om te waarborgen dat er geen negatieve effecten van het project op de genoemde broedvogels plaatsvinden, verbind ik aan de vergunning nadere voorschriften (voorschriften 18 tot en met 23).

Niet-Broedvogels

Ik onderschrijf de in de passende beoordeling en aanvullende gegevens getrokken conclusie dat een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen is uit te sluiten.

 

Om te waarborgen dat er geen negatieve effecten van project op de genoemde niet-broedvogels plaatsvinden, verbind ik aan de vergunning nadere voorschriften (voorschriften 18 tot en met 23).

2.3. Stikstofdepositie

Op 29 mei 2020 heeft een berekening plaatsgevonden met AERIUS Calculator. Gebleken is dat de stikstofdepositie van de voorgenomen activiteit 0.00 mol N/ha/jr is. De stikstofdepositie is hiermee niet vergunningplichtig.

2.4. Cumulatie

Bij vergunningverlening voor een project moet een beoordeling plaatsvinden van de cumulatieve gevolgen als het project, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten, significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. Een vergunning kan alleen verleend worden als het project afzonderlijk of in combinatie met andere projecten geen significante gevolgen heeft.

Ik heb hiervoor al geconcludeerd dat de uitvoering van de voorgenomen activiteit zelfstandig beschouwd, geen significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Ik concludeer dat in de aangeleverde PB een volledige en juiste cumulatietoetsing is uitgevoerd.

2.5. Conclusie

Met de door u uitgevoerde PB, de vergunningvoorschriften en mitigerende maatregelen is de zekerheid verkregen dat het project/de activiteit waarvoor de vergunning is aangevraagd, niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied.

Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat de gevraagde vergunning, onder de opgenomen voorschriften en beperkingen, kan worden verleend.

3. VOORSCHRIFTEN

Ter bescherming van de in de Natura 2000-gebieden Oosterschelde en Voordelta aanwezige beschermde natuurwaarden, verbind ik aan deze vergunning de volgende voorschriften en beperkingen.

Algemeen

  1. Deze vergunning staat op naam van Hoogerheide Delimossel (hierna vergunninghouder) (of diens rechtsopvolger).

  2. Deze vergunning wordt uitsluitend gebruikt door (medewerkers van) de vergunninghouder of door (rechts)personen die aantoonbaar in opdracht van de vergunninghouder handelen. De vergunninghouder blijft daarbij verantwoordelijk voor de juiste naleving van deze vergunning.

  3. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen beschikken op de plaats waar de vergunde activiteit wordt uitgevoerd over een (digitaal) exemplaar van deze beschikking, inclusief alle daarbij behorende bijlagen.

  4. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen zijn aantoonbaar op de hoogte van de inhoud en het doel van deze voorschriften en beperkingen

  5. Het tijdstip waarop de vergunde activiteit daadwerkelijk wordt gestart, wordt minimaal 1 week voor de aanvang ervan gemeld aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ter attentie van het Team Natuurvergunningen (hierna: het bevoegd gezag).

  6. De vergunde activiteit wordt uitgevoerd zoals de aangegeven in de aanvraag en bijbehorende passende beoordeling en volgens de voorschriften en beperkingen die aan deze vergunning zijn verbonden. Bij eventuele strijdigheid van de aanvraag en de voorschriften en beperkingen van deze vergunning hebben de laatste voorrang.

  7. Als zich een incident voordoet, meldt de vergunninghouder dit met alle relevante gegevens onmiddellijk aan het bevoegd gezag. Een incident is in dit geval een onvoorziene gebeurtenis waardoor schade aan de natuurlijke kenmerken in het betrokken beschermde gebied is of kan worden toegebracht, bijvoorbeeld wanneer onbedoeld vrijgekomen schadelijke stoffen een habitattype of habitat- of vogelrichtlijnsoort bedreigen.

  8. Als zich een incident voordoet, is de vergunninghouder verplicht eventuele verontreinigingen zo mogelijk direct te verwijderen en de eventueel opgetreden schade voor zover mogelijk te herstellen, zulks ter beoordeling van het bevoegd gezag.

  9. De vergunninghouder volgt de aanwijzingen op die het bevoegd gezag geeft.

  10. Zodra de werkzaamheden met betrekking tot de vergunde activiteit feitelijk zijn beëindigd, meldt de vergunninghouder dit uiterlijk binnen een week bij het bevoegd gezag.

  11. Alle correspondentie met betrekking tot deze vergunning kan per reguliere post of per e-mail (wetnatuurbescherming@minlnv.nl) worden gedaan.

Nadere inhoudelijke voorschriften

  1. De gecombineerde MZI en MHC, met een maximale oppervlakte van 10 hectare, dient gelegen te zijn in de Mattenhaven binnen de volgende coördinaten:

Locatie NO:

N: 51 37,5207 NB / 3 41,8273 OL

O: 51 37,4193 NB / 3 42,0139 OL

Z: 51 37,3482 NB / 3 41,9144 OL

W: 51 37,4496 NB / 3 41,7278 OL

Locatie ZW:

N: 51 37,4201 NB / 3 41,6874 OL

O: 51 37,3187 NB / 3 41,8740 OL

Z: 51 37,2475 NB / 3 41,7745 OL

W: 51 37,3489 NB / 3 41,5879 OL

  1. De installaties op de locaties NO en ZW bestaan samen uit maximaal 48 lijnen (per locatie 24 lijnen) van circa 200 meter.

  2. Er wordt gebruik gemaakt van een zogenaamd 'continuous long line'-systeem, bestaande uit drijvers, lijnen en ankers. Een lijn bestaat uit drijvers (inhoud 400 liter) met ongeveer zes meter tussenruimte, waaraan aan beide zijden een nylon touw is bevestigd. Aan weerszijden van de lijn liggen ankers met daaraan circa 20 meter ketting en 20 meter nylon touw. Aan de nylon touwen hangen tussen iedere boei touwen van het type Crop rope (voor ingesokte mosselen) of Xmas rope (voor zaadinvang) met lussen om de 0,4 meter. De lusdiepte varieert van zes tot acht meter.

  3. Er wordt gebruik gemaakt van paalankers. Deze zijn circa 20 meter lang en hebben een dikte van circa 1,2 meter.

  4. In de gecombineerde MZI en MHC wordt circa 20% benut voor het invangen van mosselzaad, circa 40% voor het opgroeien van mosselzaad naar halfwas en circa 40% voor het opgroeien van halfwas naar consumptiemossel. Hierbij wordt uitgegaan van een 2-jarige groeicyclus. Hoewel op circa 20% van de locatie zaad wordt ingevangen, is dit niet voldoende om de hele hangcultuur zelfvoorzienend te maken. Daarom wordt er mosselzaad ingekocht van een MZI in de Oosterschelde.

  5. Controle-, oogst- en onderhoudswerkzaamheden vallen binnen de werking van onderhavige vergunning.

  6. De systemen dienen deugdelijk van constructie te zijn: zij mogen niet los kunnen slaan van de bodem. Ook het invangmateriaal dient zo goed mogelijk bevestigd te worden. Losgelaten materiaal (zwerfvuil) moet traceerbaar zijn, dus gemerkt met visserijregistratietekens.

  7. Het is niet toegestaan afval of onderzoeksmaterialen in het gebied achter te laten. Restafval (bijvoorbeeld losgesneden touw) dient te worden opgevangen en niet in het water terecht te komen.

  8. Verstoring van de in het gebied aanwezige fauna dient tot een minimum te worden beperkt: groepen vogels mogen niet dichter dan tot een afstand van 500 meter benaderd worden en zeehonden mogen niet dichter dan tot een afstand van 1200 meter benaderd worden.

  9. Geluidsapparatuur anders dan ten behoeve van communicatiedoeleinden is niet toegestaan.

  10. Tijdens elk controlebezoek door of vanwege de vergunninghouder, dient de gecombineerde MZI en MHC te worden gecontroleerd op vogel- en zeehondenslachtoffers. Ingeval van aantreffen van slachtoffers door of vanwege de vergunninghouder dient de vergunninghouder hiervan onverwijld schriftelijk of per e-mail (wetnatuurbescherming@minlnv.nl) melding te doen aan het bevoegd gezag.

  11. Alle aan de gecombineerde MZI en MHC gerelateerde werkzaamheden dienen bij daglicht plaats te vinden.

  12. De gehele technische infrastructuur van de gecombineerde MZI en MHC, inclusief de paalankers dient na afloop van de vergunning (indien deze niet wordt verlengd), te worden verwijderd.

  13. Het moment van verwijdering van de gecombineerde MZI en MHC dient minimaal een werkdag van tevoren schriftelijk of per e-mail (wetnatuurbescherming@minlnv.nl) gemeld te worden aan het bevoegd gezag.

  14. Aan het geheel of gedeeltelijk slagen van deze activiteit kunnen geen rechten voor de toekomst worden ontleend met betrekking tot het op deze specifieke wijze in of nabij het Natura 2000-gebied Oosterschelde kweken van mosselen. Een eventueel vervolg van deze activiteit zal zelfstandig dienen te worden beoordeeld op grond van de Wnb.

Toezicht

  1. De vergunninghouder voert een administratie met daarin alle documenten die betrekking hebben op deze vergunning en op de naleving van de voorschriften.

  2. De vergunninghouder geeft alle medewerking aan de aangewezen toezichthouder en opsporingsambtenaren

  3. De vergunninghouder toont informatie en documenten op verzoek aan de bevoegde toezichthouder en opsporingsambtenaren.

Looptijd en geldigheid

  1. De vergunning is geldig tot en met het moment dat de vergunde activiteit wordt beëindigd (zie voorschrift 10), en uiterlijk tot en met 31 mei 2013.

TER INFORMATIE

Op grond van afdeling 4.1.1. Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een verzoek tot wijziging van de vergunning worden ingediend.

Op grond van artikel 5.4, lid 1 en lid 2, van de Wnb kan de verleende vergunning worden ingetrokken of gewijzigd.

Als de vergunninghouder handelt in strijd met de vergunning, kan op grond van artikel 7.2, lid 2, van de Wnb een last onder bestuursdwang worden opgelegd.

Conform artikel 5:32, lid 1, Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
namens deze:


C. den Hartog MSc

MT-lid Directoraat-Generaal Natuur, Visserij en Landelijk Gebied

BEZWAAR

Tegen dit besluit staat op grond van de Algemene wet bestuursrecht voor een belanghebbende de mogelijkheid open een bezwaarschrift in te dienen. Een bezwaarschrift moet binnen zes weken na bekendmaking van dit besluit worden ingediend bij:

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Afdeling Juridische Zaken

Postbus 40219

8004 DE Zwolle

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

  4. de gronden van bezwaar.

Het is raadzaam een kopie van dit besluit bij het bezwaarschrift te voegen.

PUBLICATIE BESLUIT

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit maakt dit besluit openbaar op grond van artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur. Het zal onder anonimisering van de persoonsgegevens geplaatst worden op https://puc.overheid.nl/natuurvergunningen.

Naar boven