Onderwerp: Bezoek-historie

Ontwerp besluit vergunning Wnb Gebiedsontwikkeling IJsseldelta Zuid project N307 Roggebot Kampen
Geldigheid:15-04-2020 t/m 01-01-2022Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

[Hier de titel van het document]

Geachte    ,

Op 13 maart 2020 heeft u een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) aangevraagd voor het project Gebiedsontwikkeling IJsseldelta Zuid project N307 Roggebot Kampen wat gaat worden uitgevoerd in en nabij de Natura 2000-gebieden (verder: N2000-gebieden) Veluwerandmeren en Ketelmeer en Vossemeer.

Bij brief van 2 april 2020 (kenmerk: DGNVLG/20076845) heb ik de ontvangst van uw aanvraag bevestigd.

Ik verleen u hierbij de gevraagde vergunning .

In dit besluit vindt u de voorschriften en inhoudelijke overwegingen die aan deze vergunning ten grondslag liggen. De aanvraag en de bijlagen maken onderdeel uit van dit besluit.

1 1. AANVRAAG

1.1. Onderwerp

Het project is onderdeel van de Gebiedsontwikkeling Ruimte voor de Rivier IJsseldelta. Deze gebiedsontwikkeling dient onder meer de waterveiligheid in de regio Zwolle-Kampen te borgen met de uitvoering van verschillende projecten. Binnen deze gebiedsontwikkeling vinden twee projecten plaats. Naast het reeds vergunde en uitgevoerde project Zomerbedverlaging is er het project IJsseldelta Zuid Fase I en Fase II. N307 Roggebot Kampen is onderdeel van IJsseldelta Zuid Fase II en bestaat zelf ook uit een aantal deelmaatregelen zoals de bouw/aanleg van een gewijzigde weg en vaarverbinding nabij Roggebot, de verwijdering van de Roggebotsluis, -dam en spuivoorziening en het realiseren van een nieuwe oeververbinding, de Roggebotbrug.

 

De bouw- en sloopfase start in 2020, de gebruiksfase start in 2022 en de bouw- en sloopfase is afgerond in 2023.

 

Voor een uitgebreidere beschrijving van de voorgenomen activiteit verwijs ik naar de aanvraag en de bijlagen daarbij.

1.2. Bevoegdheid

Op basis van artikel 1.3, lid 5, van de Wnb en de artikelen 1.2 en 1.3, lid 1 onder a ten eerste en letter c van het Besluit natuurbescherming ben ik, naast Gedeputeerde Staten van de Provincie Overijssel, mede bevoegd om te beslissen op uw vergunningaanvraag.

De exacte wetsteksten zijn te raadplegen op www.overheid.nl onder 'wet- en regelgeving'.

Binnen het project N307 Roggebot Kampen worden een aantal deelmaatregelen uitgevoerd:

  • Verwijdering van het Roggebotsluiscomplex

  • Wijzigen van de vaarweg

  • Het aanpassen en inrichten van de rietoevers

  • Uitbaggeren van de recreatiehaventjes met daarbij het vervangen van beschoeiingen en meerpalen

  • Aanleg/wijziging van de weginfrastructuur N307

  • Bouw van een nieuwe brug in de N307 over het Vossemeer ter hoogte van Roggebot

  • Aanpassen kleine recreatieve voorzieningen aan recreatielocaties

  • Verwijderen IJsseldijk Kamperstraatweg

  • Treffen hoogwatervoorziening recreatiegebied Roggebot

Voor een deel van deze deelmaatregelen is Gedeputeerde Staten van de Provincie Overijssel (met instemming van Gedeputeerde Staten van Provincie Flevoland) bevoegd gezag en voor een deel de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Deze vergunning ziet op de onderdelen waarvoor ik bevoegd gezag ben, te weten het verwijderen van het Roggebotsluiscomplex, het wijzigen van de vaarweg ter hoogte van de nieuw te bouwen brug, het aanpassen en inrichten van de rietoevers en het uitbaggeren/herstellen van de recreatiehaventjes.

1.3. Vergunningplicht

De aangevraagde activiteit kan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de N2000-gebieden Rijntakken, Veluwerandmeren en Ketelmeer en Vossemeer, significante gevolgen hebben voor de relevante habitats en habitats van soorten die voor deze gebied zijn aangewezen. Daarom geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, lid 2, Wnb.

1.4. Beoordeling van projecten en andere handelingen

1.4.1. Project met mogelijk significante gevolgen

De activiteit waarvoor u een vergunning aanvraagt, is een project in de zin van artikel 2.7, lid 2 van de Wnb dat, afzonderlijk of in cumulatie met andere plannen of projecten kan leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van één of meerdere N2000-gebieden. De door u voorgenomen deelmaatregelen zijn te beschouwen als één project omdat zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

1.4.2. Passende beoordeling

Voor een project dat afzonderlijk of in cumulatie kan leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen, kan alleen een vergunning verleend worden als de aanvrager een passende beoordeling (hierna: PB) heeft overgelegd, waaruit zonder redelijke wetenschappelijke twijfel kan worden geconcludeerd dat het project niet zal leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken N2000-gebieden. Deze moet rekening houden met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. De PB biedt de grondslag voor de vaststelling van de aard en omvang van de gevolgen of de cumulatieve gevolgen en de manier waarop in mitigatie van die gevolgen is voorzien. De PB toetst de effecten aan de instandhoudingdoelstellingen uit de aanwijzingsbesluiten van de N2000-gebieden Rijntakken, Veluwerandmeren en Ketelmeer en Vossemeer.

Bij de aanvraag voegde u de PB Passende Beoordeling N307 Roggebot Kampen d.d. 11 maart 2020,met kenmerk 1264867.

In de periode 13 maart 2020 tot en met 3 april voegde u ter aanvulling nog een aantal stukken toe. Daaronder het document Stikstofdepositieberekening aanleg en gebruiksfase N307 Roggebot d.d. 11 maart 2020 en kenmerk 117403/20-003868 (verder: Stikstofberekening) en de benodigde stikstofberekeningen met het instrument Aerius Calculator versie 2019A. Ik beschouw deze stukken als onderdeel van de PB en heb deze daarom mede in mijn beoordeling betrokken.

Onderstaand volgt mijn beoordeling van de effectenanalyse zoals die is neergelegd in de PB en daartoe behorende stukken.

2 2. BEOORDELING

2.1 Afbakening

Gebied

De voorgenomen activiteiten vinden plaats in en nabij de N2000-gebieden Veluwerandmeren en Ketelmeer en Vossemeer. Voor de als gevolg van het project optredende stikstofdepositie is er een effect op instandhoudingsdoelen van het N2000-gebied Rijntakken.

Gevolgen

Voor de beoordeling van de gevolgen inventariseert de PB welke in redelijkheid denkbare typen effecten kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen activiteit. Dit zijn:

  • stikstofdepositie

  • verstoring als gevolg van trilling, geluid, licht, extra vaarbewegingen en menselijke aanwezigheid

  • vertroebeling van water bij de aanleg

Natuurwaarden

De natuurwaarden die door de genoemde gevolgen beïnvloed kunnen worden, zijn:

  • Habitattypen:

  • Habitatrichtlijnsoorten:

  • Vogelrichtlijnsoorten

  • Broedvogels:

  • Niet-Broedvogels:

De beschermde waarden en de relevante instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken N2000-gebieden staan vermeld op www.rijksoverheid.nl/lnv ('Onderwerpen' >'Natuur en Biodiversiteit' > 'Natura 2000'). In de PB en daartoe behorende stukken heeft de effectbeoordeling plaatsgevonden.

Conclusie afbakening

Ik ben van oordeel dat de afbakening van het gebied, de inventarisatie van mogelijke gevolgen van het project op de natuurwaarden en de in aanmerking genomen natuurwaarden in de PB en daartoe behorende stukken op een juiste wijze hebben plaatsgevonden.

2.2 Mogelijke effecten en mitigatie

Alle werkzaamheden voortvloeiend uit het project, met uitzondering van het verleggen van een deel van de vaargeul en het uitbaggeren van de recreantenhaventjes, vinden plaats buiten de betreffende N2000-gebieden. Ongeveer 200m ten noorden van het plangebied begint het N2000-gebied Ketelmeer en Vossemeer en ongeveer 200m ten zuiden van het plangebied begint het N2000-gebied Veluwerandmeren. Bij het verleggen van de vaargeul raken de werkzaamheden de N2000-gebieden. Er is derhalve voornamelijk sprake van externe werking van de projecteffecten.

Van alle habitattypen, habitats van soorten en vogelsoorten die een instandhoudingsdoel hebben in de aanwijzingsbesluiten Veluwerandmeren en Ketelmeer en Vossemeer is er een mogelijk significant effect als gevolg van verstoring op de niet broedvogels, de broedvogel grote karekiet en de soorten kleine modderkruiper, meervleermuis en rivierdonderpad.

Stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden in de N2000-gebieden Veluwerandmeren en Ketelmeer en Vossemeer is berekend op maximaal 0,03 mol/ha/jr. Stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitattypen en leefgebied in het N2000-gebied Rijntakken is berekend op maximaal 0,08 mol/ha/jr. Deze effecten kunnen plaatsvinden in de gebruiksfase.

Uit de PB blijkt dat op alle andere instandhoudingsdoelen er met zekerheid geen significant zal optreden als gevolg van de voorgenomen maatregelen.

De in het N2000-gebied Veluwerandmeren aanwezige habitattypen Kranswierwateren en Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden zijn al eerder beoordeeld in de PB en Wnb-vergunning behorend bij Fase I en die beoordeling verandert niet met de uitvoering van onderhavig project.

2.2.1 Habitattypen

Uit de PB en daartoe behorende documenten blijkt dat met zekerheid significant negatief effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de N2000-gebieden Veluwerandmeren en Ketelmeer en Vossemeer zijn uit te sluiten. De mogelijke effecten als gevolg van stikstofdepositie worden hierna besproken.

2.2.2. Habitatrichtlijnsoorten

Meervleermuis

Het gebied tussen Veluwerandmeren en Ketelmeer en Vossemeer ter hoogte van het plangebied is een belangrijke verbindingszone voor deze soort. In de gebruiksfase is de situatie gunstiger door een verhoging van de nieuwe brug ten opzichte van de huidige brug, de verwijdering van de sluis en een verbreding van de doorvliegruimte. In de aanlegfase is de situatie (tijdelijk) ongunstiger vanwege aanwezigheid van machines, mensen, uitstraling van licht en geluid. Met het nemen van mitigerende maatregelen en opleggen van voorschriften (nummers 12 en 15) worden significante effecten uitgesloten.

Rivierdonderpad en Kleine modderkruiper

Deze soorten zijn gevoelig voor trilling als gevolg van de sloop- en heiwerkzaamheden in het water. De werkzaamheden vinden weliswaar voornamelijk plaats buiten de N2000-gebieden maar de verspreiding van het geluid zal zich uitspreiden tot binnen de begrenzing. De trilling kan tot de dood of verwonding van beide soorten leiden als gevolg van verslechtering van het leefgebied. Door het nemen van mitigerende maatregelen en het opleggen van voorschriften (nummers 24 en 25) worden significante effecten uitgesloten.

2.2.3. Vogelrichtlijnsoorten

Broedvogels

Een van de broedvogels waarvoor een instandhoudingsdoel geldt is de grote karekiet. Deze heeft het leefgebied onder meer in de rietkragen langs de oevers. Aantasting van leefgebied in de zin van permanent areaalverlies is met zekerheid significant vanwege de ongunstige staat van instandhouding van deze soort. Het project voorziet er in dat een klein deel van de rietoever verloren gaat als gevolg van verbreding van de vaargeul. Daarvoor moet de huidige oever doorgetrokken en aangesloten worden op het bestaand blijvend deel van de rietoever. Areaalverlies vindt plaats buiten de begrenzing van het N2000-gebied het weer aansluiten op de bestaande rietoever gebeurt binnen de begrenzing van het N2000-gebied Veluwerandmeren. De oevers worden, naar verwachting, erg kwetsbaar als gevolg van de voorgenomen activiteit. Zonder aanvullende maatregelen is er de kans op verdwijning als gevolg van een verandering van stroming en golfslag van passerende schepen. Om aantasting en verdwijning van een deel van de rietoevers te voorkomen worden daarom mitigerende maatregelen genomen zoals het plaatsen van damwanden en ook voorschriften opgenomen. Nakoming van deze voorschriften (16, 20, 21, 22, 23) voorkomt aantasting van het leefgebied van deze beschermde soort en daarmee zal met zekerheid geen significant negatief effect optreden.

Tijdens de aanlegfase (sloop- en heiwerkzaamheden) is er een grote geluidbelasting die weliswaar buiten de Natura 2000-gebieden plaatsvindt maar die doordringt tot in het leefgebied van met name de grote karekiet in de oevers van het Drontermeer en Vossemeer.

Voor de aanvoer van grondstoffen/bouwmateriaal en (zware)machines zal gebruik gemaakt worden van schepen Een specifiek aandachtspunt zijn effecten door aanvoer van bouwmaterialen. Ook dit levert geluidbelasting op waarmee verstoring kan ontstaan op de diverse relevante (broed)vogelsoorten. Om te voorkomen dat dit geluid een significant effect op de kwaliteit van het leefgebied gaat hebben dienen mitigerende maatregelen te worden genomen, waaronder het rekening houden met het broedseizoen en het daartoe opstellen van een mitigatieplan. Voorschriften (nummers 18, 19, 21, 24, 25) hiertoe zijn in de vergunning opgenomen.

Niet-Broedvogels

Voor deze soorten geldt dat ze gevoelig zijn voor diverse soorten verstoring waaronder optische verstoring als gevolg van aanwezigheid en beweging van machines en mensen, licht, geluid, trilling en vertroebeling van water. Dat is op dit moment, behalve vertroebeling van water, ook het geval omdat de locatie in gebruik is door weg- en scheepvaartverkeer. In de sloop- en aanlegfase zullen er meer machines en bewegingen op en rond het water zijn. Ook trilling, geluid en licht kunnen verstorend kunnen verstorend werken op het leefgebied van de diverse soorten. Dit vindt voornamelijk plaats buiten de N2000-gebieden en op minimaal 200m afstand van de begrenzing daarvan. Buiten de relevante verstoringsafstanden en binnen de Natura 2000-gebieden is meer dan voldoende onverstoord gebied zodat er met zekerheid geen sprake is van een mogelijk significant effect. Voor mogelijke verstoring als gevolg van licht en geluid zullen maatregelen worden genomen door het opstellen van een uitvoeringsplan ten aanzien van licht en geluid. Hiertoe zijn voorschriften (12, 15 en 25) in de vergunning opgenomen.

Voor een eventuele tijdelijke afname van het voedselaanbod voor visetende vogels door deze verstoring geldt dat er in de directe omgeving en daarbuiten voldoende alternatief foerageeraanbod blijft bestaan en er met zekerheid geen sprake zal zijn van een relevant effect.

2.3. Stikstofdepositie

Voor de specifieke uitgangspunten van deze berekeningen verwijzen wij naar de berekeningen in het rapport Stikstofberekening. Uit deze Stikstofberekening, Hoofdstuk 3, pagina 13, blijkt dat in de aanlegfase de hoogst berekende stikstofbijdrage 0,03 mol/ha/jr bedraagt op het Natura 2000-gebied Rijntakken.

Ik constateer dat de ingezette mobiele werktuigen en de daaraan verbonden vervoersbewegingen van het bedienend personeel, verspreid over het geheel van Nederland op vrijwel continue basis actief zijn, op telkens wisselende locaties. Het gaat daarmee naar mijn mening om bestaande bronnen die onderdeel zijn van de al aanwezige achtergronddepositie zoals over het gehele land reeds aanwezig.

Deze depositie is opgenomen in de achtergronddepositie en hoeft daarom geen belemmering te zijn voor deze vergunning.

In de gebruiksfase is de hoogst berekende stikstofbijdrage 0,06 mol/ha/jr (2022) en 0,08 mol/ha/jr (2030) op het Natura 2000-gebied Rijntakken. Het betreft hier vooral depositie op niet voor stikstofgevoelige habitats. Deze depositie kan niet uitsluiten dat er een significant effect optreedt op stikstofgevoelige habitats of leefgebieden binnen dit Natura 2000-gebied en daarmee zou niet tot vergunningverlening kunnen worden overgegaan, tenzij uit een ecologische beoordeling blijkt dat deze depositie met zekerheid geen significant effect heeft.

Deze ecologische beoordeling is gemaakt en daaruit blijkt het volgende:

Emissie in de aanlegfase is de inzet van mobiele werktuigen voor de sloop en constructie, inclusief de aan/afvoer van gronden en bouwmaterialen. De werkzaamheden vangen aan in januari 2021 en lopen mogelijk door tot in 2023. De berekeningen zijn echter uitgevoerd alsof alle werkzaamheden in één kalenderjaar (2021) plaatsvinden (worst case).

De invoer van de berekeningen is gebaseerd op de verwachte inzet tijdens de verschillende werkzaamheden: de inzet van mobiele werktuigen (hydraulische kranen, shovels en dumpers) en overige bouwmaterieel (betonpomp, asfaltfreesmachine, wals, hijskraan, heistelling, grader en trilwals) ingezet voor het benodigde grondverzet, de aanleg van dijkbekleding, de bouw van de brug, het verleggen van de vaargeul, de sloop van de sluis, het verwijderen van het wegdek, het aanleggen van nieuwe asfaltlagen, het plaatsen van afmeervoorzieningen en het aanbrengen van bodembescherming. Daarnaast worden vrachtauto's en schepen ingezet voor de aan- en afvoer van materiaal. In de berekening is (worst case) met beide wijzen van aanvoer rekening gehouden.

Voor de uitgangspunten van de berekeningen is rekening gehouden met de inzet van een NoNox filter voor stilstaand of beperkt bewegend materieel (dit filter vangt NOx af en leidt tot een emissiereductie), Stage IV werktuigen en motoren met nabehandeling (equivalent met stage V) in de scheepvaart, hybride hydraulische kranen en elektrische shovels.

Wij hebben de invoer en de berekeningen geverifieerd. Voor de berekening van de emissies is gebruik gemaakt van het Emissiemodel Mobiele Machines1. Dit model ligt ook ten grondslag aan berekeningen met mobiele voertuigen in Aerius. Voor de invoer van het wegverkeer is gebruik gemaakt van het verkeersmodel van de gemeente Kampen. Ten opzichte van de standaard invoeren zijn keuzes gemaakt voor machines met minder emissie (Recentere stage-klasse) en de inzet van nageschakelde technieken zoals een NoNox filter. Alleen voor de autonome situatie zijn stagnatiefactoren gehanteerd, in de plansituatie wordt niet verwacht dat deze voorkomen.

De berekeningen resulteren in een toename van depositie, waarbij in de aanvraag ecologisch is onderbouwd dat deze niet tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen leiden. In hoofdlijnen onderschrijven wij deze conclusies. Hieronder gaan we in op de overwegingen per habitattype / leefgebied. Ten aanzien van de uitvoering van de werkzaamheden overeenkomstig de uitgangspunten zijn voorschriften (nummers 26 en 27) in de vergunning opgenomen.

Stroomdalgrasland

De depositie op het stroomdalgrasland in de uiterwaard Scherenwelle door het project is tijdelijk. Het habitattype bevindt zich in drie hexagonen, waarvan 1 hexagon nu is overbelast. De KDW wordt hier met ca 2-3 mol overschreden. Het stroomdalgrasland wordt hier door maaien en afvoer beheerd, en wordt gekenmerkt door soorten die een goede huidige kwaliteit indiceren. De locatie ligt op een zodanige hoogte dat deze regelmatig wordt overstroomd en gebufferd.

Door de regelmatige buffering is het risico op verzuring door atmosferische depositie met stikstof in dit geval afwezig. Wij onderschrijven de conclusie dat in deze situatie de voedselrijkdom van de bodem in hoofdzaak bepaald wordt door enerzijds de aanvoer van nutriënten via het rivierwater en de afzetting van vers zand en slib, en anderzijds de afvoer van nutriënten door het beheer van jaarlijks maaien met afvoer van maaisel. Atmosferische depositie van stikstof speelt in deze situatie geen rol van betekenis, ook cumulatief is er geen risico op significante effecten.

Glanshaverhooiland

Glanshaverhooiland komt in Scherenwelle verspreid voor, met een totale oppervlakte van enkele hectares. Op enkele locaties nadert de achtergronddepositie de KDW op ca 10 mol. Wij onderschrijven de conclusie dat een tijdelijke depositie van 0,01 mol niet zelfstandig of cumulatief leidt tot een overschrijding en daarmee tot een potentieel significant effect. Daarnaast gelden voor het Glanshaverhooiland soortgelijke overwegingen als voor stroomdalgrasland. Ook in dit habitattype is het beheer en de rivierdynamiek meer bepalend dan stikstofdepositie.

Watersnip

De leefgebieden Dotterbloemgrasland van veen en klei en Nat, matig voedselrijk grasland vormen onderdeel van het leefgebied voor watersnip. Volgens de gebiedsanalyse is de bijdrage van het deelgebied Rijntakken aan de instandhoudingsdoelen van het gehele Natura 2000-gebied gering (historisch 0-3 broedparen, op totaal doel van 17 broedparen). In goede omstandigheden kunnen dichtheden van 10 paar per 100 hectare worden bereikt, in minder goede omstandigheden <1 paar per 100 hectare grasland.

Stikstofdepositie is niet de belangrijkste oorzaak van een dalende trend, maar kan door verruiging het voedselaanbod verslechteren. Verdroging en intensief gebruik (verstoring) zijn de voornaamste knelpunten.

Depositie door het project vindt plaats in de uiterwaarden Scherenwelle en Koppelerwaard. In de overige uiterwaarden zijn alleen smalle stroken vochtige graslanden beschikbaar, waar door verstoring onvoldoende leefgebied aanwezig is voor broedgevallen van watersnip. In de Uiterwaarden Scherenwelle en Koppelerwaard zijn de grote oppervlakten van de voor watersnip geschikte leefgebieden niet naderend overbelast. In deze uiterwaarden is alleen sprake van een (naderende) overschrijding van de KDW langs de oever van de IJssel, langs wegen en dijken en (in de Koppelerwaard) bij een intensief gebruikt agrarisch gebied. Deze delen van het Natura 2000-gebied zijn door de bestaande verstoring niet geschikt als leefgebied voor watersnip.

De voor watersnip geschikte moerassige delen zijn nauwelijks (naderend) overbelast. Wij onderschrijven de conclusie dat deze moerassige delen niet gevoelig zijn voor stikstofdepositie. De moerassige delen in het gebied Rijntakken zijn van nature voedselrijk. De nutriëntenhuishouding wordt bepaald door het agrarische gebruik en de jaarlijkse overstroming met rivierwater, afzetting van zand en slib en het beheer van het gebied. Ook cumulatief is er geen risico op significante effecten.

Kwartelkoning

Ik onderschrijf de conclusie in de uitgevoerde analyse. De leefgebieden Dotterbloemgrasland van veen en klei, Nat, matig voedselrijk grasland en Kamgrasweide en bloemrijk weidevogelgrasland van het rivierengebied vormen onderdeel van het leefgebied voor kwartelkoning. Het instandhoudingsdoel voor het gebied Rijntakken is 160 broedparen. Dit aantal is vastgesteld op basis van het historische maximum van elk deelgebied, houdt een herstelopgave in. De doelstelling wordt alleen gehaald in topjaren.

Volgens de gebiedsanalyse zijn significant negatieve effecten door depositie op het leefgebied van de kwartelkoning uitgesloten. Het areaal extensief beheerd hooiland en het maaischema zijn in hoge mate bepalend voor de populatieomvang.

In het Natura 2000-gebied Rijntakken leidt stikstofdepositie niet tot een knelpunt voor kwartelkoning. Net als bij de habitattypen stroomdalgrasland en glanshaverhooiland (die ook als leefgebied voor kwartelkoning geschikt zijn), wordt de nutriëntenhuishouding bepaald door het agrarische gebruik en/of de jaarlijkse overstroming met rivierwater, afzetting van zand en slib en het beheer van het gebied.

In de uiterwaarden Scherenwelle en Koppelerwaard is alleen sprake van een (naderende) overschrijding van de KDW langs de oever van de IJssel, langs wegen en dijken en (in de Koppelerwaard) bij een intensief gebruikt agrarisch gebied. Deze delen van het Natura 2000-gebied zijn door de bestaande verstoring niet geschikt als leefgebied voor kwartelkoning.

Cumulatie met andere stikstofbronnen

De rivierdynamiek en het beheer vormen de voornaamste sturende factoren. Vanwege de beperkte gevoeligheid voor stikstofdepositie in deze specifieke situatie is er cumulatief geen risico op het ontstaan van een significant effect.

2.4. Wijziging (water)peil in noordelijk deel Drontermeer

Als gevolg van het verwijderen van de Roggebotsluis gaan het Vossemeer (N2000-gebied Vossemeer en Ketelmeer) en het noordelijk deel van het Drontermeer (N2000-gebied Veluwerandmeren), gelegen tussen de nieuw aangelegde Reevedam en de huidige Roggebotsluis, één watersysteem vormen. Dit betekent voor beide delen een gunstiger situatie door het ontstaan van meer dynamiek in de waterstand. Voor het Drontermeer betekent het ook een tegelijkertijd een daling van het gemiddeld waterpeil. Dit kan een effect hebben op de kwaliteit van de rietkragen aan de oevers en daarmee een effect op het leefgebied van onder meer de grote karekiet. De kwaliteit van het riet is van invloed op de kwaliteit van de mogelijkheid tot broeden voor deze soort. In Hoofdstuk 4.6 van de PB is uitgebreid aangegeven dat de wijziging van het gemiddeld waterpeil met zekerheid niet leidt tot een significant effect. Op de westelijke oever van het Drontermeer is het zelfs mogelijk om dikstengelig riet meer tot ontwikkeling te laten komen. Daarmee wordt de kwaliteit van het leefgebied verbeterd. Om het risico van ganzenvraat op te heffen, waardoor die ontwikkeling wordt tegengegaan, kunnen gerichte maatregelen worden genomen in de vorm van het toepassen van rasters. Een voorschrift (voorschrift 23) hiertoe is in de vergunning opgenomen waardoor er met zekerheid geen significant effect zal zijn voor het leefgebied van de grote karekiet.

2.5. Uitbaggeren recreantenhaventjes en vervangen beschoeiing en aanmeerpalen.

Deze werkzaamheden vinden plaats binnen N2000-gebied Veluwerandmeren. Ter plaatse bevinden zich geen beschermde habitattypen. Wel zijn de haventjes gelegen in de buurt van het leefgebied van de rivierdonderpad en kleine modderkuiper. Tijdens de werkzaamheden is er sprake van verstoring van hun leefgebied. Ter voorkoming van verstoring van het leefgebied is een voorschrift (nummer 20) in de vergunning opgenomen.

2.6. Cumulatie

Bij vergunningverlening voor een project moet een beoordeling plaatsvinden van de cumulatieve gevolgen als het project, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen, significante gevolgen kan hebben voor de betreffende N2000-gebieden. Een vergunning kan alleen verleend worden als het project afzonderlijk of in combinatie met andere projecten geen significante gevolgen heeft.

Ik heb hiervoor geconcludeerd dat door geluid, trilling, vertroebeling, licht en ganzenvraat effecten kunnen optreden op de instandhoudingsdoelen van de N2000-gebieden Veluwerandmeren en Ketelmeer & Vossemeer. Met toepassing van de genoemde mitigerende maatregelen en naleving van voorschriften opgenomen in deze vergunning zullen deze effecten met zekerheid niet significant zijn.

Ook is geconcludeerd dat de kleine hoeveelheden stikstof die een depositie zullen hebben op voor stikstofgevoelige natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in het N2000-gebied Rijntakken met zekerheid geen significant effect hebben.

Op dit moment is het project N306 Versterking Drontermeerdijk in uitvoering en dit traject sluit aan op de N307. Ook in de Wnb-vergunning voor dit project zijn voorschriften opgenomen die significante effecten op doelen van het N2000-gebied Veluwerandmeren moeten voorkomen. Aan het eind van het project N306 Versterking Drontermeerdijk loopt dit project samen op met het onderhavige project. In de PB is onderzocht en geconcludeerd dat de korte samenloop van beide projecten met zekerheid geen significante effecten zullen hebben op de instandhoudingsdoelen van de N2000-gebieden Ketelmeer en Vossemeer en Veluwerandmeren.

Ik concludeer dat in de aangeleverde PB een volledige en juiste cumulatietoetsing is uitgevoerd.

2.7. Conclusie

Met de door u uitgevoerde PB, de daarbij behorende rapportages en documenten, mitigerende maatregelen en vergunningvoorschriften is de zekerheid verkregen dat het project waarvoor de vergunning is aangevraagd, niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betreffende N2000-gebieden.

Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat de gevraagde vergunning, onder de opgenomen voorschriften en beperkingen, kan worden verleend.

3 3. VOORSCHRIFTEN

Ter bescherming van de in de N2000-gebieden Ketelmeer en Vossemeer, Veluwerandmeren en Rijntakken aanwezige beschermde natuurwaarden, verbind ik aan deze vergunning de volgende voorschriften en beperkingen.

Algemeen

  1. Deze vergunning staat op naam van Provincie Flevoland (hierna vergunninghouder) (of diens rechtsopvolger).

  2. Deze vergunning wordt uitsluitend gebruikt door (medewerkers van) de vergunninghouder of door (rechts)personen die aantoonbaar in opdracht van de vergunninghouder handelen. De vergunninghouder blijft daarbij verantwoordelijk voor de juiste naleving van deze vergunning.

  3. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen beschikken op de plaats waar de vergunde activiteit wordt uitgevoerd over een (digitaal) exemplaar van deze beschikking, inclusief alle daarbij behorende bijlagen.

  4. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen zijn aantoonbaar op de hoogte van de inhoud en het doel van deze voorschriften en beperkingen

  5. Het tijdstip waarop de vergunde activiteit daadwerkelijk wordt gestart, wordt minimaal 1 maand voor de aanvang ervan gemeld aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ter attentie van het Team Natuurvergunningen (hierna: het bevoegd gezag).

  6. De vergunde activiteit wordt uitgevoerd zoals aangegeven in de aanvraag, bijbehorende PB en Stikstofberekening en andere tot de PB behorende stukken en volgens de voorschriften en beperkingen die aan deze vergunning zijn verbonden. Bij eventuele strijdigheid van de aanvraag en de voorschriften en beperkingen van deze vergunning hebben de laatste voorrang.

  7. Als zich een incident voordoet, meldt de vergunninghouder dit met alle relevante gegevens onmiddellijk aan het bevoegd gezag. Een incident is in dit geval een onvoorziene gebeurtenis waardoor schade aan de natuurlijke kenmerken in het betrokken beschermde gebied is of kan worden toegebracht, bijvoorbeeld wanneer onbedoeld vrijgekomen schadelijke stoffen een habitattype of habitat- of vogelrichtlijnsoort bedreigen.

  8. Als zich een incident voordoet, is de vergunninghouder verplicht eventuele verontreinigingen zo mogelijk direct te verwijderen en de eventueel opgetreden schade voor zover mogelijk te herstellen, zulks ter beoordeling van het bevoegd gezag.

  9. De vergunninghouder volgt de aanwijzingen op die het bevoegd gezag geeft.

  10. Zodra de werkzaamheden met betrekking tot de vergunde activiteit feitelijk zijn beëindigd, meldt de vergunninghouder dit uiterlijk binnen een week bij het bevoegd gezag.

  11. Alle correspondentie met betrekking tot deze vergunning kan per reguliere post of per e-mail (wetnatuurbescherming@minlnv.nl) worden gedaan.

Nadere inhoudelijke voorschriften

  1. Ter bescherming van watervogels en de meervleermuis worden, tijdens de aanlegfase, de werkzaamheden bij daglicht uitgevoerd.

  2. In situaties waarin de werkzaamheden niet tijdens de periode van daglicht kunnen worden uitgevoerd dan is uitvoering met behulp van kunstlicht alleen toegestaan op basis van een Verlichtingsplan waar het bevoegd gezag mee heeft ingestemd.

  3. Het Verlichtingsplan wordt 2 maanden voorafgaand aan de start van de werkzaamheden bij het bevoegd gezag ingediend. De kunstverlichting wordt toegepast conform het Verlichtingsplan.

  4. In het Verlichtingsplan wordt in ieder geval opgenomen op welke manier rekening wordt gehouden met het voorkomen van significant negatieve effecten voor de relevante soorten watervogels en de meervleermuis. Ook wordt in het Verlichtingsplan opgenomen welke armaturen en soorten verlichting worden gebruikt.

  5. Ter bescherming van de soort grote karekiet tegen overmatig geluidsoverlast dat wordt veroorzaakt bij sloop- en heiwerkzaamheden en werkzaamheden aan damwanden, mogen deze werkzaamheden alleen plaatsvinden buiten de voor deze soort kwetsbare periode 1 april tot en met 31 augustus.

  6. Sloop- en heiwerkzaamheden en werkzaamheden aan damwanden worden geluidsarm uitgevoerd. Het maximale bronniveau na mitigatie bedraagt 118 dB(A) voor heiwerkzaamheden en 112 dB(A) voor damwanden. Voor de mobiele kraan geldt een maximaal bronniveau van 108 dB(A).

  7. Ten behoeve van de in de voorschriften 16 en 17 genoemde werkzaamheden wordt een zogeheten Mitigatieplan opgesteld en tenminste 2 maanden voorafgaande aan de start van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag ter instemming voorgelegd.

  8. In dit Mitigatieplan wordt onder meer de verstoring per bouwfase in detail uitgewerkt en wordt toegelicht hoe met de planning significante verstoring wordt voorkomen. De werkzaamheden worden uitgevoerd conform het Mitigatieplan waarop instemming is verleend.

  9. Ter bescherming van het leefgebied van de grote karekiet worden de werkzaamheden aan en rondom de recreatiehaventjes uitgevoerd buiten de voor deze soort kwetsbare periode van 1 april tot en met 31 augustus.

  10. Ter bescherming van het leefgebied van de grote karekiet dienen alle aanwezige rietoevers rondom het plangebied, met uitzondering van de smalle rietstrook bij het sluiscomplex, tot aan de Reevedam behouden te blijven. In het Mitigatieplan als genoemd in voorschrift 18 wordt onder meer opgenomen welke maatregelen worden getroffen om dit te realiseren.

  11. Om effecten op de rietoevers als gevolg van de peilverandering in het Drontermeer tegen te gaan worden maatregelen genomen tegen verbossing en ganzenvraat van de rietoevers. De mitigerende maatregelen als opgenomen in de PB in de paragraaf Behoud rietovers en verder (pagina 41 t/m 45) worden uitgevoerd.

  12. Ter borging van de bescherming van de rietovers tegen ganzenvraat dient gedurende 5 jaar de kwaliteit en het areaal gemonitord te worden. Hiertoe wordt een Monitoringsplan opgesteld waarin onder meer wordt opgenomen welke aanvullende maatregelen worden genomen als uit de monitoring blijkt dat bescherming niet afdoende is met de maatregelen voortvloeiend uit voorschrift 22.

  13. Ter bescherming van de soorten kleine modderkruiper en rivierdonderpad worden in het Mitigatieplan maatregelen, waaronder een verjagingsstrategie, opgenomen die voorkomen dat significante effecten optreden ten aanzien van deze soorten.

  14. Ter bescherming van de kleine modderkruiper, rivierdonderpad en op vis jagende vogelsoorten dient grootschalige vertroebeling van water als gevolg van trillingen te worden voorkomen. In het Mitigatieplan worden hiertoe maatregelen opgenomen.

  15. Uitvoering van de werkzaamheden vindt plaats volgens het rapport Stikstofberekening (Bijlage II Uitgangspunten aanlegfase en bijlage IV Aerius bijlage aanlegfase van het rapport Witteveen+Bos, 11 maart 2020.

  16. Vergunninghouder dient de inzet (capaciteit en gebruik) van de werktuigen en daardoor veroorzaakte emissie in de aanlegfase te registreren. Zie daarvoor ook voorschrift 29.

Rapportage, monitoring

  1. De vergunninghouder stuurt jaarlijks de monitoringsrapportage als genoemd in voorschrift 23 in aan het bevoegd gezag.

Toezicht

  1. De vergunninghouder voert een administratie met daarin alle documenten die betrekking hebben op deze vergunning en op naleving van de voorschriften,

  2. De vergunninghouder geeft alle medewerking aan de aangewezen toezichthouder en opsporingsambtenaren

  3. De vergunninghouder toont informatie en documenten op verzoek aan de bevoegde toezichthouder en opsporingsambtenaren.

Looptijd en geldigheid

  1. De vergunning is geldig tot en met het moment dat de vergunde activiteit wordt beëindigd (zie voorschrift 10), en uiterlijk tot en met 31 december 2025.

Hoogachtend,

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
namens deze:



C. den Hartog MSc

MT-lid Directoraat-Generaal Natuur, Visserij en Landelijk Gebied

4 TER INFORMATIE

Op grond van afdeling 4.1.1. Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een verzoek tot wijziging van de vergunning worden ingediend.

Op grond van artikel 5.4, lid 1 en lid 2, van de Wnb kan de verleende vergunning worden ingetrokken of gewijzigd.

Als de vergunninghouder handelt in strijd met de vergunning, kan op grond van artikel 7.2, lid 2, van de Wnb een last onder bestuursdwang worden opgelegd.

Conform artikel 5:32, lid 1, Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Coördinatieprocedure

Provinciale coördinatieregeling van toepassing

  • De voorbereiding en bekendmaking van de (ontwerp) besluiten ter uitvoering van het programma IJsseldelta-Zuid worden gecoördineerd. Deze coördinatie vindt plaats op basis van de besluiten van de Provinciale Staten van Overijssel en Flevoland tot toepassing van de provinciale coördinatieregeling (op grond van artikel 3.33 van de Wet ruimtelijke ordening). Deze provinciale coördinatie heeft onder andere betrekking op besluiten op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Waterwet, de Wet natuurbescherming en de Ontgrondingenwet. De provinciale coördinatie heeft tot gevolg dat op deze besluiten de procedure artikel 3.33 vierde lid Wet ruimtelijke ordening van toepassing is. De feitelijke werkzaamheden voor de worden door de provincie Flevoland verricht. Daarom wordt het (digitale) postadres van de provincie Flevoland gebruikt ook al betreft het soms ontwerpbesluiten van de provincie Overijssel.

Zienswijzen

Tijdens de periode van ter inzage legging, zoals aangegeven in de kennisgeving, kan een ieder schriftelijk, digitaal of mondeling een zienswijze naar voren brengen. Alle zienswijzen worden in een Nota van Beantwoording beantwoord. Persoonlijke gegevens worden niet bekend gemaakt in de Nota van Beantwoording. Alleen een belanghebbende die over het ontwerpbesluit een zienswijze naar voren heeft gebracht, kan later tegen dat besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (tenzij hem geen verwijt kan worden gemaakt van het niet naar voren brengen van een zienswijze).

Schriftelijk

Een schriftelijke zienswijze kan worden gestuurd naar:

Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland / Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel

t.a.v. Coördinator Procedures IJsseldelta-Zuid, de heer L. Haverkort

per adres:

Postbus 55

8200 AB Lelystad

Digitaal

Een digitale zienswijze kan ingediend worden via het coördinerend digitale postadres info@flevoland.nl, onder vermelding van 'IJsseldelta-Zuid' in de titel van de mail. Omdat u het inhoudelijke antwoord per post toegezonden krijgt, dient u in de e-mail ook uw naam en postadres te vermelden.

Mondeling

Een zienswijze kan ook mondeling ingediend worden. Om gebruik te maken van deze mogelijkheid dient binnen de periode van ter inzage legging contact te worden opgenomen met de heer L. Haverkort via telefoonnummer 06-4069 8625, zodat hiervoor een afspraak gemaakt kan worden. Van een mondelinge zienswijze wordt een bondig verslag gemaakt.

Iedereen die een zienswijze heeft ingediend, krijgt een ontvangstbevestiging. Alle zienswijzen worden doorgestuurd naar de desbetreffende bevoegd gezaginstanties, die de zienswijzen betrekken bij het nemen van de definitieve besluiten. Uiterlijk tegelijkertijd met het bekendmaken van de definitieve besluiten wordt iedere indiener geïnformeerd over hoe door de bevoegd gezagsinstanties met de zienswijze is omgegaan.

Beroep

Belanghebbenden die tijdig hun zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht of belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht, kunnen later beroep tegen het definitieve besluit indienen.

Bovendien kan iedere belanghebbende beroep indienen, ook wanneer geen zienswijze naar voren is gebracht, tegen alle wijzigingen in de definitieve besluiten ten opzichte van de ontwerpbesluiten.

Crisis- en herstelwet

De Gebiedsontwikkeling IJsseldelta-Zuid valt onder de Crisis- en herstelwet. Deze wet richt zich op versnelling van projecten en bevat onder andere bepalingen voor de beroepsprocedure.

Naar boven