Onderwerp: Bezoek-historie

Trintelzand B
Geldigheid:08-11-2019 t/m 31-03-2020Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Geachte ,

Op 17 mei 2019 heeft u een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) aangevraagd voor de aanleg en het gebruik van Trintelzand B in en in relatie tot de Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer en IJsselmeer.

Op 8 augustus 2019 heb ik u verzocht de aanvraag aan te vullen. De gevraagde aanvulling heb ik op 1 oktober 2019 van u ontvangen.

In dit besluit vindt u de inhoudelijke overwegingen die eraan ten grondslag liggen. De aanvraag en de bijlagen maken onderdeel uit van dit besluit.

1. AANVRAAG

1.1. Onderwerp

Het project Trintelzand B is een natuurontwikkelingsproject en bestaat uit de volgende activiteiten:

  • Het aanleggen van een vooroeverdam en een beschermde kaap met harde bekleding aan de Markermeerzijde;

  • Het aanleggen van zandplaten en luwtestructuren door middel van het opspuiten van zand;

  • Het winnen van zand.

De voor dit project benodigde zandwinning is al vergund door provincie Flevoland in het kader van het project Versterking Houtribdijk.

Met het project Trintelzand B wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het halen van de Natura 2000-instandhoudingsdoelen en de KRW-doelen. Tevens draagt het project bij aan de visie van Rijk en provincies ten behoeve van een volledig, goed functionerend ecologisch systeem in het Markermeer-IJmeer (TBES-opgave).1

De vergunning is aangevraagd voor de periode van 1 oktober 2019 tot 1 april 2020 (aanlegfase) en voor het gebruik voor onbepaalde tijd.

Voor een uitgebreidere beschrijving van de voorgenomen activiteit verwijs ik naar de aanvraag en de bijlagen daarbij.

1.2. Bevoegdheid

Op basis van artikel 1.3, lid 5, van de Wnb en de artikelen 1.2 en 1.3, eerste lid sub c, van het Besluit natuurbescherming ben ik bevoegd om te beslissen op uw vergunningaanvraag.

De exacte wetsteksten zijn te raadplegen op www.overheid.nl onder 'wet- en regelgeving'.

1.3. Vergunningplicht

De aangevraagde activiteit kan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer en IJsselmeer, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in het gebied verslechteren of een significant verstorend effect hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Daarom geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, lid 2, van de Wnb.

1.4. Beoordeling van projecten en andere handelingen

1.4.1. Project met mogelijk significante gevolgen

De activiteit waarvoor u een vergunning aanvraagt, is een project in de zin van artikel 2.7, lid 2, van de Wnb dat, afzonderlijk of in cumulatie met andere plannen of projecten kan leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-gebied. De door u voorgenomen activiteiten zijn te beschouwen als één project omdat zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

1.4.2. Ecologische beoordeling

Het project Trintelzand B is een natuurproject dat, zoals al aangeduid in paragraaf 1.1, onder meer tot doel heeft bij te dragen aan de realisatie van de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen. In dat geval is artikel 2.7, lid 3, van de Wnb van toepassing en hoeft voor dit project geen passende beoordeling worden gemaakt, maar kan worden volstaan met een ecologische beoordeling. Deze maakt de gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen inzichtelijk en biedt tevens meer ruimte om belangen af te wegen van verlies en winst voor de betrokken habitattypen en soorten. De ecologische beoordeling zoals opgesteld door Witteveen & Bos toetst de effecten van het project Trintelzand B aan de instandhoudingdoelstellingen uit de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer en IJsselmeer.

In het onderstaande volgt mijn beoordeling van de effectenanalyse zoals die is neergelegd in de ecologische beoordeling.

2. BEOORDELING

2.1 Afbakening

Gebied

Uitvoering van het project Trintelzand B vindt plaats nabij de Houtribdijk in het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer en heeft mogelijke gevolgen op dit Natura 2000-gebied en op het Natura 2000-gebied IJsselmeer.

Gevolgen

Voor de beoordeling van de gevolgen inventariseert de ecologische beoordeling welke in redelijkheid denkbare typen gevolgen kunnen optreden. Dit zijn:

Aanlegfase

  • Tijdelijk verlies van oppervlak leefgebied door vertroebeling (Markermeer);

  • Tijdelijk verstoring door licht, geluid en beweging (Markermeer en IJsselmeer);

  • Tijdelijke verhoging stikstofdepositie (diverse Natura 2000-gebieden).

Gebruiksfase

  • Permanent verlies van oppervlak leefgebied door vernietiging leefgebied of foerageergebied (Markermeer);

  • Permanente verandering (dynamiek) substraat (Markermeer).

Natuurwaarden

De natuurwaarden die door de genoemde gevolgen beïnvloed kunnen worden, zijn:

  • Habitattypen: meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, ruigten en zomen, overgangs- en trilvenen (IJsselmeer), kranswierwateren en meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (Markermeer & IJmeer);

  • Habitatrichtlijnsoorten: noordse woelmuis en groenknolorchis (IJsselmeer), rivierdonderpad en meervleermuis (Markermeer & IJmeer en IJsselmeer);

  • Vogelrichtlijnsoorten

  • Broedvogels: aalscholver, visdief (Markermeer & IJmeer);

  • Niet-Broedvogels: kuifeend, wilde eend (Markermeer & IJmeer)

De beschermde waarden en de relevante instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden staan vermeld op www.rijksoverheid.nl/lnv ('Onderwerpen' >'Natuur en Biodiversiteit' > 'Natura 2000').

Conclusie afbakening

Ik ben van oordeel dat de afbakening van het gebied en de inventarisatie van mogelijke gevolgen van het project op de natuurwaarden in de ecologische beoordeling op een juiste wijze hebben plaatsgevonden.

2.2 Mogelijke effecten en mitigatie

Hoofstuk 5 van de ecologische beoordeling beschrijft de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Hieronder worden de conclusies van de ecologische beoordeling per habitattype respectievelijk per soort weergegeven. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de aanlegfase en de gebruiksfase waar het gaat om de tijdelijke effecten en de permanente effecten van het project Trintelzand B.

2.2.1 Habitattypen

Aanlegfase

Tijdelijk verlies aan oppervlak (Markermeer en IJsselmeer)

Volgens de ecologische beoordeling zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen in de Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer en IJsselmeer bij voorbaat uitgesloten, omdat ter hoogte van het plangebied geen habitattypen voorkomen waarvoor instandhoudingsdoelen gelden.

Gebruiksfase

Permanente verandering (dynamiek) substraat (Markermeer)

Volgens de ecologische beoordeling zijn negatieve effecten tijdens de gebruiksfase op beschermde habitats in de Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer en IJsselmeer door de aanwezigheid van Tintelzand B bij voorbaat uitgesloten, omdat de Habitatrichtlijngebieden en daarin beschermde habitattypen in beide Natura 2000-gebieden tientallen kilometers van Trintelzand B liggen.

Volgens de ecologische beoordeling draagt Trintelzand B mogelijk wel bij aan het versterken van H3140 (kranswierwateren) en H3150 (meren met fonteinkruiden en krabbenscheer) alsmede – in afgeleide daarvan – aan een versterking van het systeem Markermeer en de ecologische diversiteit en waarde van het Markermeer, omdat na bezinking van het opgespoten zand er luw water kan ontstaan waar zich vegetaties van onder andere kranswieren en fonteinkruiden kunnen ontwikkelen.

2.2.2. Habitatrichtlijnsoorten

Aanlegfase

Tijdelijke verstoring door geluid, beweging en licht

Noordse woelmuis, groenknolorchis (IJsselmeer)

Volgens de ecologische beoordeling zijn negatieve effecten tijdens de aanlegfase op de habitatsoorten noordse woelmuis en groenknolorchis bij voorbaat uitgesloten, omdat beide soorten niet rond de Houtribdijk voorkomen.

Rivierdonderpad (Markermeer & IJmeer en IJsselmeer)

Volgens de ecologische beoordeling zijn negatieve effecten tijdens de aanlegfase op de habitatsoort rivierdonderpad in Markermeer & IJmeer en IJsselmeer bij voorbaat uitgesloten, omdat Trintelzand B niet wordt aangelegd in het IJsselmeer en de soort in de directe omgeving van de dijk op het deel Enkhuizen – Trintelhaven (Markermeer) afwezig is.

Meervleermuis (Markermeer & IJmeer en IJsselmeer)

Volgens de ecologische beoordeling zijn negatieve effecten tijdens de aanlegfase op de habitatsoort meervleermuis in Markermeer & IJmeer en IJsselmeer bij voorbaat uitgesloten, omdat de meervleermuis alleen is aangewezen voor de Habitatrichtlijngebieden (deze liggen op meer dan 10 kilometer van de Houtribdijk; meervleermuizen foerageren tot 10 kilometer van hun dagverblijven) en de Houtribdijk niet als migratieroute voor de meervleermuis gebruikt wordt.

Gebruiksfase

Permanent verlies oppervlak leefgebied

Noordse woelmuis, groenknolorchis (IJsselmeer)

Volgens de ecologische beoordeling zijn negatieve effecten tijdens de gebruiksfase op de instandhoudingsdoelstellingen van de noordse woelmuis en de groenknolorchis van het Natura 2000-gebied IJsselmeer door de aanwezigheid van Trintelzand B bij voorbaat uitgesloten om dezelfde redenen als die zijn genoemd in relatie tot mogelijke negatieve effecten in de aanlegfase.

Rivierdonderpad (Markermeer & IJmeer en IJsselmeer)

Volgens de ecologische beoordeling zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de rivierdonderpad door de aanwezigheid van Trintelzand B bij voorbaat uitgesloten, eveneens om dezelfde redenen als die zijn genoemd ten aanzien van mogelijke negatieve effecten in de aanlegfase.

De ecologische beoordeling geeft verder aan dat als gevolg van de aanwezigheid van Trintelzand B het geschikte leefgebied voor de rivierdonderpad door de nieuwe vooroeverdam en de steenbestorting van de kaap toeneemt en er dus sprake is van een positief effect.

Meervleermuis (Markermeer & IJmeer en IJsselmeer)

Volgens de ecologische beoordeling zijn negatieve effecten tijdens de gebruiksfase op de instandhoudingsdoelstelling van de meervleermuis in Markermeer & IJmeer en IJsselmeer door de aanwezigheid van Trintelzand B bij voorbaat uitgesloten. Ter onderbouwing noemt de ecologische beoordeling dezelfde argumenten als die zijn genoemd in relatie tot mogelijke negatieve effecten tijdens de aanlegfase.

2.2.3. Vogelrichtlijnsoorten

Broedvogels

Aanlegfase

Verstoring door geluid, beweging en licht (Markermeer)

Aalscholver

Volgens de ecologische beoordeling worden significant negatieve effecten tijdens de aanlegfase op broedende aalscholvers door verstoring van broedgevallen op de nieuw aangelegde broedlocatie van aalscholvers in telvak 81 niet op voorhand uitgesloten tijdens het broedseizoen - mits vogels daar in de toekomst broeden – omdat aalscholvers in hun broedkolonie verstoringsgevoelig zijn en de nog ongebruikte broedlocatie in telvak 81 zo dicht bij de activiteiten ligt dat verstoring tijdens het broedseizoen kan optreden. Significant negatieve effecten tijdens de aanlegfase op de oude broedlocatie in telvak 80 worden wel bij voorbaat uitgesloten, omdat het plangebied van Trintelzand B op enkele honderden meters van de oude broedkolonie in telvak 80 ligt.

Om te waarborgen dat er geen negatieve effecten van de aanleg van Trintelzand B op de genoemde broedvogel plaatsvinden, verbind ik aan de vergunning een nader voorschrift (voorschrift 12).

Visdief

Volgens de ecologische beoordeling zijn significant negatieve effecten tijdens de aanlegfase op broedende visdieven op voorhand uitgesloten gezien de grote afstand (meer dan 10 kilometer) van de bestaande twee broedlocaties nabij Lelystad en de maximale verstoringsafstand van de visdief op broedplaatsen (300 meter).

Gebruiksfase

Permanent verlies oppervlak leefgebied (Markermeer)

Aalscholver

Volgens de ecologische beoordeling zijn negatieve effecten in de gebruiksfase op de instandhoudingsdoelstelling van broedende aalscholvers door de aanwezigheid van Trintelzand B bij voorbaat uitgesloten, omdat de aalscholvers de nieuwe broedlocatie in telvak 812 niet in gebruik hebben genomen (ze zijn teruggekeerd naar hun oude nestplaats in telvak 80) en de aanwezigheid van Trintelzand B geen invloed heeft op beide broedlocaties.

Volgens de ecologische beoordeling levert Trintelzand B extra broedlocaties voor de aalscholver op indien er bomenopslag op de opgespoten delen plaatsvindt.

Visdief

Volgens de ecologische beoordeling levert Trintelzand B extra geschikte broedlocaties voor grondbroeders, zoals de visdief, omdat de broedbiotoop niet bereikbaar is voor landpredatoren en ook niet voor mensen.

Niet-Broedvogels

Aanlegfase

Tijdelijk verlies oppervlak leefgebied door vertroebeling (Markermeer)

Volgens de ecologische beoordeling zijn negatieve effecten tijdens de aanlegfase op de instandhoudingsdoelstellingen van beschermde Vogelrichtlijnsoorten in het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer door vertroebeling als gevolg van het opspuiten van pleistoceen zand voor de aanleg van Trintelzand B bij voorbaat uitgesloten, omdat het aangebrachte zand door de grove korrel (210 – 300 mu) op de locatie achterblijft en de vertroebeling verwaarloosbaar is in vergelijking met de van nature al zeer troebele huidige situatie.

Tijdelijke verstoring door geluid, beweging en verlichting (Markermeer en IJsselmeer)

Kuifeend

Volgens de ecologische beoordeling zijn significant negatieve effecten tijdens de aanlegfase op de kuifeend in de dijkvakken 80, 81 en 82 in de maanden augustus tot en met september aan de Markermeerzijde zonder mitigerende maatregelen niet bij voorbaat uit te sluiten, omdat de telvakken 80, 81 en 82 binnen het worstcasebereik van zowel verstoring door beweging (800 meter) als verstoring door geluid (1.300 meter) liggen en de werkzaamheden aan Trintelzand B binnen deze telvakken een verstorend effect hebben op ruiende en rustende kuifeenden in de maanden augustus en september. Volgens de ecologische beoordeling zijn significant negatieve effecten op kuifeenden aan de IJsselmeerzijde bij voorbaat uitgesloten gezien de fysieke aanwezigheid van de Houtribdijk en de reeds aanwezige geluidsverstoring door het verkeer.

Wilde eend

Volgens de ecologische beoordeling zijn significant negatieve effecten tijdens de aanlegfase op de wilde eend in telvak 80 in september zonder mitigerende maatregelen niet bij voorbaat uitgesloten, omdat wilde eenden in relatief grote aantallen voorkomen (overdag op minder dan 100 meter van de Houribdijk), de werkzaamheden in de maand september zullen leiden tot verstoring van ruiende wilde eenden in telvak 80 en de wilde eend nu al onder het doelaantal zit.

Om te waarborgen dat er geen negatieve effecten van de aanleg van Trintelzand B op de genoemde niet-broedvogels plaatsvinden, verbind ik aan de vergunning nadere voorschriften (voorschriften 13 en 14).

Gebruiksfase

Oppervlakteverandering waterplanten/foerageergebied voor waterplant etende vogels (Markermeer)

Volgens de ecologische beoordeling zin negatieve effecten tijdens de gebruiksfase op de instandhoudingsdoelstellingen van vogels in Markermeer & IJmeer die afhankelijk zijn van waterplantrijke habitats3, bij voorbaat uitgesloten, omdat er als gevolg van de aanwezigheid van Trintelzand B geen bestaande waterplant vegetaties verdwijnen en er geen sprake is van oppervlakteverlies waterplanten areaal/foerageergebied voor waterplant etende vogels.

De ecologische beoordeling geeft verder aan dat door de aanleg van ondieptes en luwtes het areaal waterplanten rijke milieus en groeiplaatsen voor fonteinkruid en diverse kranswieren in het Markermeer & IJmeer netto toeneemt waardoor positieve effecten op vogelsoorten met een instandhoudingsdoel kunnen optreden.

Oppervlakteverlies mosselhabitat/foerageergebied voor mossel etende vogels (Markermeer)

Volgens de ecologische beoordeling zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van mossel etende vogels4 in het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer door permanent verlies aan mosselhabitat bij voorbaat uitgesloten, omdat in het gebied waar Trintelzand B wordt aangelegd, nauwelijks mosselen aanwezig zijn en belangrijk mosselhabitat (vooral aanwezig op hard substraat tussen breukstenen en diepere mosselgronden op grotere afstand van de Houribdijk) wordt ontzien.

Volgens de ecologische beoordeling kan de aanwezigheid van een nieuwe vooroeverdam en kaap bij Trintelzand B zelfs een positief effect hebben op de instandhoudingsdoelstelling van mossel etende vogels als gevolg van een netto toename in mosselhabitat.

Oppervlakteverandering vishabitat/foerageergebied voor visetende vogels (Markermeer)

Volgens de ecologische beoordeling zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van visetende vogels (visdief en fuut) in het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer door oppervlakteverandering vishabitat bij voorbaat uitgesloten, omdat het plangebied van Trintelzand B niet van groot belang is voor paaiende spieringen.

Verder spreekt de ecologische beoordeling de verwachting uit dat de aanwezigheid van een nieuwe (met breuksteen beklede) vooroeverdam en kaap, en de toename in areaal paai- en opgroeigebied binnen Trintelzand B een positief effect zal hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van visetende vogels.

Oppervlakteverandering luwtegebied/rustgebied voor ruiende vogels (Markermeer)

Volgens de ecologische beoordeling zijn negatieve effecten in de gebruiksfase op de instandhoudingsdoelstellingen van ruiende vogels5 in het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer door een permanente oppervlakteverandering luwtegebied bij voorbaat uitgesloten, omdat Trintelzand B net buiten de nieuw aangelegde vooroeverdammen in het open water wordt aangelegd en er hierdoor geen rustgebied verloren gaat.

Volgens de ecologische beoordeling kan het extra luwe gebied dat door Trintelzand B ontstaat, een positief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van ruiende vogels.

2.3. Stikstofdepositie

Op 22 september 2019 heeft een berekening plaatsgevonden met AERIUS Calculator (versie 2019.0). De uitkomst van deze berekening is een maximale bijdrage aan stikstofdepositie van 0,02 mol/ha/j op de Natura 2000-gebieden Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving en Weerribben en 0,01 mol/ha/j (maximaal) op de Natura 2000-gebieden Rottige Meenthe & Brandemeer, Wieden, IJsselmeer, Rijntakken, Veluwe, Drents-Friese Wold & Leggelerveld, Holtingerveld en Schoorlse Duinen.

Volgens de ecologische beoordeling is directe schade aan individuele planten, en daarmee aan vegetatietypen en habitattypen, als gevolg van dergelijke kleine en tijdelijke deposities met zekerheid uitgesloten. Dergelijke kleine en tijdelijke deposities leiden – volgens de ecologische beoordeling – niet tot een significante toename van de hoeveelheid stikstof in de plant, gerelateerd aan de hoeveelheid die een plant nodig heeft om te groeien. De conclusie van de ecologische beoordeling is dat een eenmalige kleine toename van maximaal 0,021 mol/ha/j de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden in alle berekende Natura 2000-gebieden niet meetbaar aantast.

2.4. Conclusie

Met de door u uitgevoerde ecologische beoordeling, de daarbij behorende rapporten en documenten, de vergunningvoorschriften en mitigerende maatregelen is de zekerheid verkregen dat het project waarvoor de vergunning is aangevraagd, niet kan leiden tot verslechtering van de kwaliteit van habitats of significante verstoring van soorten die niet gerechtvaardigd is gelet op de gemaakte belangenafweging.

Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat de gevraagde vergunning, onder de opgenomen voorschriften en beperkingen, kan worden verleend.

3. VOORSCHRIFTEN

Ter bescherming van de in de Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer en IJsselmeer aanwezige beschermde natuurwaarden, verbind ik aan deze vergunning de volgende voorschriften en beperkingen.

Algemeen

  1. Deze vergunning staat op naam van Rijkswaterstaat Midden-Nederland (hierna: vergunninghouder) (of diens rechtsopvolger).

  2. Deze vergunning wordt uitsluitend gebruikt door (medewerkers van) de vergunninghouder of door (rechts)personen die aantoonbaar in opdracht van de vergunninghouder handelen. De vergunninghouder blijft daarbij verantwoordelijk voor de juiste naleving van deze vergunning.

  3. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen beschikken op de plaats waar de vergunde activiteit wordt uitgevoerd over een kopie van dit besluit, inclusief alle daarbij behorende bijlagen.

  4. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen zijn aantoonbaar op de hoogte van de inhoud en het doel van deze voorschriften en beperkingen

  5. Het tijdstip waarop de vergunde activiteit daadwerkelijk wordt gestart, wordt minimaal aantal weken voor de aanvang ervan gemeld aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ter attentie van het Team Natuurvergunningen (hierna: het bevoegd gezag).

  6. De vergunde activiteit wordt uitgevoerd zoals de aangegeven in de aanvraag en bijbehorende ecologische beoordeling en volgens de voorschriften en beperkingen die aan deze vergunning zijn verbonden. Bij eventuele strijdigheid van de aanvraag en de voorschriften en beperkingen van deze vergunning hebben de laatste voorrang.

  7. Als zich een incident voordoet, meldt de vergunninghouder dit met alle relevante gegevens onmiddellijk aan het bevoegd gezag. Een incident is in dit geval een onvoorziene gebeurtenis waardoor schade aan de natuurlijke kenmerken in het betrokken beschermde gebied is of kan worden toegebracht, bijvoorbeeld wanneer onbedoeld vrijgekomen schadelijke stoffen een habitattype of habitat- of vogelrichtlijnsoort bedreigen.

  8. Als zich een incident voordoet, is de vergunninghouder verplicht eventuele verontreinigingen zo mogelijk direct te verwijderen en de eventueel opgetreden schade voor zover mogelijk te herstellen, zulks ter beoordeling van het bevoegd gezag.

  9. De vergunninghouder volgt de aanwijzingen op die het bevoegd gezag geeft.

  10. Zodra de werkzaamheden met betrekking tot de vergunde activiteit feitelijk zijn beëindigd, meldt de vergunninghouder dit uiterlijk binnen een week bij het bevoegd gezag.

  11. Alle correspondentie met betrekking tot deze vergunning kan per reguliere post of per e-mail (wetnatuurbescherming@minlnv.nl) worden gedaan.

Nadere inhoudelijke voorschriften

  1. Voorafgaand aan de werkzaamheden moet worden onderzocht of broedende aalscholvers zich inmiddels hebben gevestigd op de nieuwe broedlocatie in telvak 81. Indien dit het geval is mogen gedurende de broedperiode van de aalscholver (1 februari tot en met juli) geen werkzaamheden plaatsvinden op een afstand van 100 meter of minder ten opzichte van broedende aalscholvers.

  2. Ter voorkoming van significant negatieve effecten op ruiende kuifeenden mogen er in de maanden augustus en september geen werkzaamheden plaatsvinden in de telvakken 80, 81 en 82.

  3. Om significant negatieve effecten op de wilde eend te voorkomen mogen er in de maand september geen werkzaamheden plaatsvinden in telvak 80.

Toezicht

  1. De vergunninghouder voert een administratie met daarin alle documenten die betrekking hebben op deze vergunning en op de naleving van de voorschriften, in het bijzonder de voorschriften 12 tot en met 14.

  2. De vergunninghouder geeft alle medewerking aan de aangewezen toezichthouder en opsporingsambtenaren

  3. De vergunninghouder toont informatie en documenten op verzoek aan de bevoegde toezichthouder en opsporingsambtenaren.

Looptijd en geldigheid

  1. De vergunning is geldig tot en met het moment dat de vergunde activiteit wordt beëindigd (zie voorschrift 10), en uiterlijk tot en met 31 maart 2020.

TER INFORMATIE

Op grond van afdeling 4.1.1. Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een verzoek tot wijziging van de vergunning worden ingediend.

Op grond van artikel 5.4, lid 1 en lid 2, van de Wnb kan de verleende vergunning worden ingetrokken of gewijzigd.

Als de vergunninghouder handelt in strijd met de vergunning, kan op grond van artikel 7.2, lid 2, van de Wnb een last onder bestuursdwang worden opgelegd.

Conform artikel 5:32, lid 1, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Hoogachtend,

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
namens deze:


MT-lid Directoraat-Generaal Natuur, Visserij en Landelijk Gebied

BEZWAAR

Tegen dit besluit staat op grond van de Algemene wet bestuursrecht voor een belanghebbende de mogelijkheid open een bezwaarschrift in te dienen. Een bezwaarschrift moet binnen zes weken na bekendmaking van dit besluit worden ingediend bij:

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Afdeling Juridische Zaken

Postbus 40219

8004 DE Zwolle

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

  4. de gronden van bezwaar.

Het is raadzaam een kopie van dit besluit bij het bezwaarschrift te voegen.

PUBLICATIE BESLUIT

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit maakt dit besluit openbaar op grond van artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur. Het zal onder anonimisering van de persoonsgegevens geplaatst worden op https://puc.overheid.nl/natuurvergunningen.

BIJLAGEN:

  1. Ecologische beoordeling Trintelzand B

  2. Stikstofberekeningen Trintelzand B

Naar boven