Onderwerp: Bezoek-historie

Voortzetting Commerciële schelpdierkweek Veerse Meer
Ondertekeningsdatum:12-06-2019Geldigheid:01-05-2019 t/m 20-04-2022Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Geachte heer ,

Bij brief van 19 april 2019 namens Palinghandel Kees van de Kreeke & Zn, Visserijbedrijf Wim De Ridder, de Nederlandse Oestervereniging (NOV) en Stichting Zeeschelp, verzoekt u om een verlenging van de op 28 juni 2016 op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleende vergunning (kenmerk: DGANNB/16095023) van 1 mei 2019 tot en met 20 april 2022.

Bij deze verleen ik hierbij op grond van artikelen 2.7, lid 2, jo. 1.3, lid 5 Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) vergunning ten behoeve van:

  • het opvissen van oesterbroed, kokkelbroed en tapijtschelpen uit de voor de visserij opengestelde delen van het Veerse Meer als uitgangsmateriaal voor de kweek;

  • het opkweken van mosselen in hangcultures;

  • het opkweken van oesters, kokkels, tapijtschelpen en venusschelpen afkomstig uit het Veerse meer in bodemcultures;

  • het oogsten van bovengenoemde schelpdiersoorten en

  • alle handelingen die bij opvissen, opkweken en oogsten nodig zijn.

De activiteiten vinden plaats in het Natura 2000-gebied Veerse Meer.

Voor een weergave van de inhoud van de aanvraag en de relevante wet- en regelgeving alsmede het van toepassing zijnde beleid verwijs ik naar de bijlage bij dit besluit. In dezelfde bijlage treft u voorts mijn inhoudelijke overwegingen die aan dit besluit ten grondslag liggen aan. De aanvraag en de bijlagen maken onderdeel uit van dit besluit.

Voorschriften en beperkingen

Ter bescherming van de in het Natura 2000-gebied Veerse Meer aanwezige beschermde natuurwaarden, verbind ik aan deze vergunning de volgende voorschriften en beperkingen.

Algemeen

  1. Deze vergunning staat op naam van Palinghandel Kees van de Kreeke & Zn, Visserijbedrijf Wim De Ridder, de Nederlandse Oestervereniging (NOV) en Stichting Zeeschelp(hierna vergunninghouder) of diens rechtsopvolger.

  2. Deze vergunning wordt uitsluitend gebruikt door (medewerkers van) de vergunninghouder of aantoonbaar in opdracht van de vergunninghouder handelende (rechts)personen. De vergunninghouder blijft daarbij verantwoordelijk voor de juiste naleving van deze vergunning.

  3. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen beschikken op de plaats waar de vergunde activiteit wordt uitgevoerd over een kopie van deze beschikking, inclusief alle daarbij behorende bijlagen.

  4. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen zijn aantoonbaar op de hoogte van de inhoud en het doel van deze voorschriften en beperkingen, zodanig dat zij daar ook invulling en uitvoering aan kunnen geven.

  5. De vergunde activiteit wordt overeenkomstig de ingediende aanvraag en bijbehorende passende beoordeling uitgevoerd, met inachtneming van de aan deze vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. Bij eventuele strijdigheid van de aanvraag en/of passende beoordeling met de voorschriften en beperkingen in onderhavige vergunning, prevaleren deze laatste.

  6. Bij een opgetreden incident wordt onverwijld melding over de aard en omvang van het incident gedaan aan het bevoegd gezag onder overlegging van alle relevante gegevens. Onder incident wordt in dit verband verstaan 'een onvoorziene gebeurtenis waardoor schade aan de natuurlijke kenmerken in het betrokken beschermde gebied is of kan worden toegebracht' (bijvoorbeeld wanneer onbedoeld vrijgekomen schadelijke stoffen een habitattype of habitat- of vogelsoort bedreigen.)

  7. Bij een opgetreden incident is de vergunninghouder verplicht eventuele verontreinigingen zo mogelijk direct te laten verwijderen en de eventueel opgetreden schade voor zover mogelijk te herstellen, zulks ter beoordeling van het bevoegd gezag.

  8. Alle door of namens het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en/of uitvoeringsbepalingen worden binnen de in de aanwijzing bepaalde termijn opgevolgd.

  9. Zodra de werkzaamheden met betrekking tot de vergunde activiteit op perceelniveau feitelijk zijn beëindigd, wordt dit uiterlijk binnen een week bij het bevoegd gezag gemeld.

  10. Alle correspondentie uit hoofde van deze vergunning kan per reguliere post of per e-mail (wetnatuurbescherming@minlnv.nl) worden gedaan.

Nadere inhoudelijke voorschriften

Locatie

  1. De schelpdierkweek beslaat een oppervlakte van maximaal 46,6 ha. en is gelegen in het Veerse Meer, zoals weergegeven in bijlage 4 van deze vergunning.

Activiteit

  1. De op te kweken schelpdieren betreffen uitsluitend:

    • Japanse oester (Crassostrea gigas);

    • venusschelp (Mercenaria mercenaria);

    • tapijtschelp (Venerupis decussata);

    • kokkel (Cerastoderma edule);

    • mossel (Mytilus edulis).

  2. De te kweken schelpdieren zijn uitsluitend afkomstig uit het Veerse Meer of uit gecertificeerde hatcheries.

  3. De venusschelp mag alleen gekweekt worden met broed uit de hatchery waar venusschelpen uit het Veerse Meer worden gebruikt om broed te verkrijgen.

  4. De visserij op gebiedseigen uitgangsmateriaal voor de kweek (broed en jonge schelpdieren) heeft betrekking op Japanse oester (Crassostrea gigas), kokkel (Cerastoderma edule) en tapijtschelp (Venerupis decussata).

  5. De te kweken schelpdieren betreffen enkel diploïde exemplaren.

  6. Er dient door gekwalificeerd personeel voor te worden gezorgd dat er geen uitzaaiïng en vermeerdering van de Filippijnse tapijtschelp (Ruditapes philippinarum) plaatsvindt.

  7. De voor de winning van oesterbroed te gebruiken strandschelpen zijn afkomstig van een grinthandel en hebben minimaal drie maanden droog gelegen alvorens te worden gebruikt voor de invang van oesterbroed.

  8. De opgeviste en opnieuw uit te zaaien oesters, kokkels en tapijtschelpen dienen minimaal een jaar op de kweeklocatie te blijven liggen.

  9. Er mag met maximaal vier verschillende schepen tegelijk worden gevaren, waarbij er één schip per locatie wordt ingezet.

  10. Bij de voor de oesterkweek in te zetten vaartuigen die zijn voorzien van een zogenaamde blackbox, dient deze in werking te zijn bij de werkzaamheden met betrekking tot de oesterkweek.

Voorkomen vervuiling

  1. De kweeksystemen dienen deugdelijk van constructie te zijn: zij mogen niet los kunnen slaan van de bodem. Ook het invangmateriaal dient zo goed mogelijk bevestigd te worden. Losgelaten materiaal (zwerfvuil) moet traceerbaar zijn, dus gemerkt met visserijregistratietekens.

  2. Het is niet toegestaan afval of materialen in het gebied achter te laten. Restafval (bijvoorbeeld losgesneden touw) mag niet in het water terecht komen, maar dient te worden opgevangen en afgevoerd conform de daartoe geldende wet- en regelgeving.

  3. Lozingen mogen niet plaatsvinden.

  4. Indien bij kunststof onderdelen van de installaties zichtbare slijtage wordt geconstateerd, dienen deze binnen een maand te worden vervangen. Dit ter beperking van de verspreiding van microplastics in het ecosysteem.

  5. Indien een schip uit de Oosterschelde wordt ingezet, dient er zorg voor te worden gedragen dat er geen insleep van oesterboorders plaatsvindt. Hiertoe dienen de ruimen en verwerkingsinstallaties gereinigd en schoon (oesterboordervrij) te zijn, alvorens het Veerse Meer op wordt gevaren.

Voorkomen verstoring

  1. Verstoring van de in het gebied aanwezige fauna dient tot een minimum te worden beperkt; groepen vogels [>100 exemplaren] mogen niet dichter dan tot een afstand van 500 meter benaderd worden.

  2. Tijdens elk controlebezoek door of vanwege de vergunninghouder, dienen de installaties te worden gecontroleerd op vogelslachtoffers. Ingeval van aantreffen van slachtoffers door of vanwege de vergunninghouder dient de vergunninghouder hiervan onverwijld melding te doen aan het bevoegd gezag.

  3. Er mogen geen activiteiten (zoals kweek, visserij of inventarisaties) plaatsvinden in de rustgebieden en kwetsbare gebieden voor vogels.

Indien er toch moet worden gewerkt in een 's winters kwetsbaar gebied voor vogels, zoals bijvoorbeeld bij de Schotsman, dan mogen in dat deel (= het overlappende deel van de locatie met het kwetsbare gebied) geen activiteiten plaatsvinden van 1 november tot 1 maart.

  1. Het gebruik van geluidsapparatuur, anders dan ten behoeve van communicatie betreffende de veiligheid, is niet toegestaan.

  2. Alle werkzaamheden dienen bij daglicht, dus tussen zonsopkomst en zonsondergang, plaats te vinden. Er mag geen gebruik worden gemaakt van kunstlicht.

  3. Bij het oogsten van de schelpdieren dient bijvangst, anders dan de in deze vergunning te kweken soorten, terug te worden gezet.

  4. Bij de aanleg van de MHC/MZI's worden de daartoe benodigde palen de bodem ingetrild in augustus, na het broedseizoen en voor de aankomst van grote groepen overwinterende vogels.

  5. De gehele technische infrastructuur van de installaties dient binnen een maand na afloop van de vergunning (indien deze niet wordt verlengd) te worden verwijderd en de locatie dient zo veel mogelijk in de oude staat te worden teruggebracht.

  6. Het moment van verwijdering van de installaties dient minimaal een werkdag van tevoren gemeld te worden aan het bevoegd gezag.

Planning

  1. De activiteiten worden uitgevoerd conform de planning zoals opgenomen in figuur 18 in bijlage 3.

  2. De inventarisaties om te kijken waar kokkel- en tapijtschelpbroed ligt, vinden gedurende maximaal twee dagen in oktober plaats.

  3. Het opvissen en vervolgens uitzaaien van jonge kokkels en tapijtschelpen vindt maximaal drie á vier keer per week gedurende vier uur plaats in maart-april. Indien er onvoldoende gebiedseigen uitgangsmateriaal is, vindt het uitzaaien van kokkels en tapijtschelpen uit een hatchery plaats in oktober-november.

Rapportage

  1. De vergunninghouder stuurt jaarlijks vóór 30 mei het bevoegd gezag een rapportage over de afgevoerde hoeveelheden aan Japanse oesters, venusschelpen, tapijtschelpen, kokkels, mossels van het voorgaand kalenderjaar. In deze rapportage wordt tevens per soort aangegeven welke hoeveelheid in het jaar van verslaglegging is uitgezaaid. Hierbij dient per soort te worden aangegeven welk deel van het uitgezaaide broed is opgevist in het Veerse Meer en welk deel afkomstig is van kweek in een hatchery. Van de soorten waarvan broed is opgevist in het Veerse meer wordt op basis van de meest recente beschikbare bestandsschatting aangegeven welk percentage van het totale bestand in het Veerse meer is verplaatst naar de percelen.

  2. Het bevoegd gezag kan in aanvulling op voorschrift 20 schriftelijk verzoeken om uitlezing van de black box van de vergunninghouders indien er aanwijzingen zijn dat er door een visser, dan wel bedrijf in strijd met het in deze vergunning bepaalde is gehandeld.

  3. De betreffende vergunninghouder zal het bevoegd gezag onverwijld schriftelijk informeren over de resultaten van voorgenoemde uitlezing.

Toezicht

  1. De vergunninghouder voert een administratie waarin alle op deze vergunning betrekking hebbende documenten en bewijsstukken ten aanzien de naleving van de voorschriften en beperkingen van deze vergunning, zijn opgenomen.

  2. De vergunninghouder geeft, overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht, alle medewerking aan de aangewezen toezichthouder(s).

  3. Gevraagde informatie en documenten, bijvoorbeeld met betrekking tot de voorschriften 3 en 29, worden op eerste vordering aan de daartoe bevoegde toezichthouders en opsporingsambtenaren getoond.

Looptijd/geldigheid

  1. De vergunning is geldig van 1 mei 2019tot en met het moment dat de vergunde activiteit wordt beëindigd (zie voorschrift 10), doch uiterlijk tot en met 20 april 2022.

Ter informatie

Op grond van art. 5.1, lid 1 van de Wnb jo. afdeling 4.1.1. Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een verzoek tot wijziging van de vergunning worden ingediend.

Op grond van artikel 5.4, lid 1 en lid 2, van de Wnb kan de verleende vergunning worden ingetrokken of gewijzigd.

Op grond van artikel 7.2, lid 2, van de Wnb kan een last onder bestuursdwang worden opgelegd.

Conform artikel 5:32, lid 1, Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan, aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
namens deze:

 


drs. S.P. Band

MT-lid directie Natuur en Biodiversiteit

Bezwaar

Tegen dit besluit staat op grond van de Algemene wet bestuursrecht voor een belanghebbende de mogelijkheid open een bezwaarschrift in te dienen. Een bezwaarschrift moet binnen zes weken na bekendmaking van dit besluit worden ingediend bij:

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Afdeling Juridische Zaken

Postbus 40219

8004 DE Zwolle

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

  4. de gronden van bezwaar.

Het is raadzaam een kopie van dit besluit bij het bezwaarschrift te voegen.

Publicatie besluit

Op grond van artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur zal het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onderhavig besluit openbaar maken. De besluiten op grond van de Wnb, waaronder onderhavige, zullen, onder anonimisering van de persoonsgegevens, geplaatst worden op https://puc.overheid.nl/natuurvergunningen.


BIJLAGE 1

1 ONDERWERP AANVRAAG

Bij besluit van 28 juni 2016 is aan Palinghandel Kees van de Kreeke & Zn, Visserijbedrijf Wim De Ridder, de Nederlandse Oestervereniging (NOV) en Stichting Zeeschelp een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend (kenmerk: DGANNB/16095023).

Vergunning is verleend voor de volgende activiteiten:

Schelpdierkweek:

- Opschaling:

  • Uitbreiding van de bestaande gecombineerde mosselhangcultures en mosselzaadinvanginstallaties (hierna: MHC/MZI's) bij Geersdijk (van 0,4 naar 1,4 ha., van Van de Kreeke) en uitbreiding van de MHC/MZI's bij de Haringvreter (een extra lijn binnen de huidige 0,4 ha., van De Ridder) en uitbreiding van twee locaties met MHC/MZI's nabij de Polredijk (een extra lijn binnen de huidige 0,4 ha., van De Ridder en van 0,2 naar 0,4 ha., van De Ridder);

  • twee nieuwe locaties met MHC/MZI's bij de Katse Heule Noord en Zuid (van respectievelijk 0,75 en 0,35 ha., van Van de Kreeke).

- Opschaling:

  • Uitbreiding van het bestaande bodemkweekperceel van kokkels en tapijtschelpen bij de Schotsman (van 2 naar 10 ha., van Stichting Zeeschelp en Van de Kreeke);

  • een nieuwe locatie met een bodemkweekperceel kokkels en tapijtschelpen bij de Piet (van 10 ha., van Stichting Zeeschelp en Van de Kreeke).

- Pilot:

Een bodemkweekperceel van venusschelpen bij de Schotsman (van 1 ha. binnen de 10 ha. van het bodemkweekperceel van kokkels en tapijtschelpen, van Stichting Zeeschelp en Van de Kreeke).

- Pilot:

  • Een bodemkweekperceel van oesters bij de Schutteplaat (van 5 ha., van Van de Kreeke en de NOV);

  • een bodemkweekperceel van oesters bij de Mosselplaat (van 6,7 ha., van De Ridder en de NOV);

  • een bodemkweekperceel van oesters bij de Bastiaan de Langeplaat (van 8,3 ha. , van Van de Kreeke en de NOV);

  • een bodemkweekperceel van oesters bij Wolphaartsdijk (van 1 ha., van Van de Kreeke);

  • een bodemkweekperceel van oesters bij de Katse Heule (van 1,9 ha., van Van de Kreeke).

De op te kweken schelpdieren betreffen:

- Japanse oester (Crassostrea gigas);

- venusschelp (Mercenaria mercenaria);

- tapijtschelp (Venerupis decussata);

- kokkel (Cerastoderma edule);

- mossel (Mytilus edulis).

Het opvissen van uitgangsmateriaal voor de kweek:

Dit betreft het opvissen van broed en jonge oesters, kokkels en tapijtschelpen in het Veerse Meer. De inventarisaties om te kijken waar kokkel- en tapijtschelpbroed ligt, vinden gedurende maximaal twee dagen in oktober plaats.

Het opvissen van jonge kokkels en tapijtschelpen (en het inzaaien op plot) vindt drie á vier keer per week gedurende vier uur plaats in maart-april. Het opvissen van oestercollecteurs (en uitzaaien op percelen) vindt drie á vier keer gedurende vier uur plaats in maart-april.

Dit besluit is geldig tot en met 30 april 2019. Voor de bovengenoemde activiteiten wordt verlenging van de vergunning gevraagd van 1 mei 2019 tot en met 20 april 2022. De activiteiten zullen ongewijzigd plaatsvinden, met uitzondering van het verplaatsen van locatie De Piet.

De aangevraagde activiteit kan tot effecten leiden op de beschermde natuurwaarden het Natura 2000-gebied Veerse Meer.

Voor een uitgebreidere beschrijving van de voorgenomen activiteit wordt kortheidshalve verwezen naar de als bijlage toegevoegde actualisatie van de passende boordeling.

2 PROCEDURE

Per e-mail van 19 april 2019 ontving ik uw aanvraag.

3 WETTELIJK KADER

  1. Relevante artikelen Wet natuurbescherming

In relatie tot het betrokken Natura 2000-gebied zijn in deze relevant de artikelen 2.7, lid 2, jo 1.3, lid 5 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en 2.8, lid 1, de Wnb, artikel 2.7, lid 1, sub b, Besluit natuurbescherming (hierna: het Bnb).

De exacte wetsteksten zijn te raadplegen op www.overheid.nl onder 'wet- en regelgeving'.

  1. Bevoegdheid

De voorgenomen activiteit valt onder artikel 1.3, lid 1, onder f, sub 1, van het Bnb, luidend: uitoefening van de volgende vormen van visserij: niet-handmatige schaal- en schelpdiervisserij, met inbegrip van het invangen van schelpdierenzaad en van schelpdiercultures en het uitzetten van schelpdieren.

  1. Vergunningplicht

De aangevraagde activiteit kan mogelijk de kwaliteit doen verslechteren van of een significant verstorend effect hebben op de in hoofdstuk 4 genoemde beschermde natuurwaarden.

  1. De beoordeling van projecten en andere handelingen

  2. Project met mogelijk significante gevolgen

De door u voorgenomen activiteit is een project in de zin van artikel 2.7, lid 2 van de Wnb dat, afzonderlijk of in cumulatie met andere plannen of projecten kan leiden tot significante gevolgen (gevaar) voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-gebied. Het betreft de totstandbrenging van andere installaties of (materiële) werken en andere (materiële) ingrepen in het natuurlijke milieu of landschap. De door u voorgenomen activiteiten zijn te beschouwen als 1 project, omdat zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

  1. Passende beoordeling

Voor een project dat, afzonderlijk of in cumulatie kan leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen, kan alleen een vergunning verleend worden als een passende beoordeling (hierna: PB) gemaakt is door de aanvrager, rekening houdend met instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. De bij de aanvraag gevoegde PB biedt de grondslag voor de (nadere) vaststelling van de aard en omvang van de gevolgen (mede gelet op de eventuele cumulatie van gevolgen) en de wijze waarop in mitigatie is voorzien. In de PB zijn de effecten getoetst aan de instandhoudingdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit betreffende Natura 2000 gebied Veerse Meer. Een PB is niet vereist wanneer sprake is van een project dat direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied. Een PB is evenmin vereist wanneer sprake is van de herhaling of voortzetting van een plan of project waarvoor al eerder een PB is gemaakt en wanneer een nieuwe PB geen nieuwe inzichten kan opleveren. Dit laatste is deels aan de orde.

Op de nieuwe locatie van de Piet na zijn er geen wijzigingen in de activiteiten. In de bij de aanvraag gevoegde 'Actualisatie van de Passende Beoordeling' wordt specifiek ingegaan op de activiteiten op deze nieuwe locatie.

Ten aanzien van de overige locaties is voor wat betreft de activiteiten zal een nieuwe PB geen nieuwe inzichten opveren. Wel zijn eventuele wijzigingen in de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Vogelrichtlijnsoorten beoordeeld.

De gevraagde vergunning kan slechts verleend worden, indien ik mij ervan heb kunnen verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied niet aangetast zullen worden. In het onderstaande volgt mijn beoordeling van de effectenanalyse zoals neergelegd in de PB.

  1. Beleid

    1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld, als opvolger van de Nota Ruimte. Volgens de structuurvisie is het Rijk verantwoordelijk voor en door de EU aanspreekbaar op het nakomen van de in internationaal verband aangegane verplichtingen, inclusief Biodiversiteitsverdrag en de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn.

  1. Beleidsbesluit Schelpdiervisserij 2005-2020

In dit beleidsbesluit is m.b.t. MZI's en MHC's het volgende bepaald:

'De mosselhangcultuur blijkt een rendabele en verantwoorde aanvulling van de maricultures in de Zeeuwse Delta […].

[…] Bij de plaatsing van MZI´s en mosselhangcultures komen andere dan bestandsbelangen (garnalenvisserij, natuur, scheepvaart en landschappelijk schoon) in het geding. Voor deze activiteiten dient een helder afwegingskader te worden ontwikkeld. Daarbij wordt met name gedacht aan landschappelijke en ruimtelijke inpassing. Een goede landschappelijke inpassing moet worden gerealiseerd, ook bij bestaande locaties. [...]'

Met betrekking tot schelpdierkweek zijn er kaders gesteld waarbinnen experimenten naar de kweek van schelpdieren plaats kunnen vinden. Deze kaders zijn niet specifiek voor het Veerse Meer. Het beleidsbesluit stelt: '[…] Initiatieven om ook andere soorten zoals St. Jacobsschelpen, venusschelpen en Japanse oesters te kweken zullen op hun inpasbaarheid binnen de bestaande kaders worden beoordeeld. Op voorhand wordt vanuit een positieve grondhouding naar dit soort initiatieven gekeken. Nieuwe kweekvormen zullen vooraleerst alleen onder experimentele omstandigheden (kleinschalig en begeleid door onderzoek) mogen plaats vinden. Een koppeling met het innovatieve traject ligt in deze voor de hand. […]'

  1. Beheerplan Veerse Meer

In het beheerplan is het volgende opgenomen ten aanzien van schelpdiervisserij:

'Ook wordt op kreeft gevist en vinden er proeven plaats met mosselzaadinvanginstallaties, oesterbroed- en oesterkweekinstallaties,

bodemcultuur (kokkels en tapijtschelpen) en mosselhangcultures.'

De activiteit is vergunningplichtig, want staat niet genoemd onder vrijgestelde activiteiten met specifieke voorwaarden.

4 INHOUDELIJKE BEOORDELING

  1. Afbakening

Gebied

De kweek, en daarmee samenhangende activiteiten, vindt plaats in het Natura 2000-gebied Veerse Meer.

Gevolgen

Ten behoeve van de beoordeling van de gevolgen is geïnventariseerd welke in redelijkheid denkbare typen gevolgen onderzocht moeten worden. Dit betreft:

De nieuwe locatie van De Piet:

  • Verstoring (visueel, of door geluid of trillingen);

  • Vervuiling/uitstoot/stikstofdepositie;

  • Effecten op de draagkracht van het ecosysteem,

  • Verstoring door mechanische effecten;

  • Effecten op de instandhoudingsdoeltelingen ten aanzien van relevante vogels.

Algemeen: Effecten op de instandhoudingsdoeltelingen ten aanzien van relevante vogels.

Natuurwaarden

De natuurwaarden die door de genoemde gevolgen beïnvloed kunnen worden zijn:

  • Vogelrichtlijnsoorten

  • Broedvogels: aalscholver, kleine mantelmeeuw en lepelaar

  • Niet-Broedvogels: aalscholver, brandgans, brilduiker, dodaars, fuut, goudplevier, kleine zilverreiger, kleine zwaan, kluut, kolgans, krakeend, kuifeend, lepelaar, middelste zaagbek, meerkoet, pijlstaart, rotgans, slobeend, smient en wilde eend.

De diverse beschermde waarden en de relevante instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied staan vermeld op www.rijksoverheid.nl/lnv ('Onderwerpen' >'Natuur en Biodiversiteit' > 'Natura 2000').

Conclusie afbakening

Ik ben van oordeel dat de afbakening van het gebied, gevolgen en natuurwaarden dat door de aangevraagde activiteit beïnvloed zou kunnen worden in de PB op een juiste wijze heeft plaatsgevonden.

  1. Mogelijke effecten en mitigatie

Vogelrichtlijnsoorten

-Broedvogels en niet-broedvogels

Op basis van de inschatting van effecten uit de originele PB met de nieuwe kennis uit de actualisatie, wordt voor geen enkele instandhoudingsdoelstelling een significant negatief effect verwacht.

Een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen is uit te sluiten. Er is geen sprake van verslechtering van leefgebied in het betreffende Natura 2000-gebied en ook geen verstoring van de soort. Om te waarborgen dat er geen negatieve effecten van activiteit op de genoemde vogelrichtlijnsoorten plaatsvinden, verbind ik aan de vergunning nadere voorschriften (voorschriften 16 tot en met 41).

Voortschrijdend inzicht

Rapportage

Ten opzichte van de eerdere vergunning is het voorschrift ten aanzien van de rapportage gewijzigd (voorschrift 39). Door deze aangepaste rapportage kan beter inzicht worden gekregen op hoeveel van nature in het Veerse Meer voorkomend broed wordt opgevist voor kweek en hoeveel gekweekte schelpen wordt afgevoerd.

Black box

In de te verlengen vergunning is in voorschrift 35 het volgende opgenomen:

'Bij de voor de oesterkweek in te zetten vaartuigen die zijn voorzien van een zogenaamde blackbox, dient deze in werking te zijn bij de werkzaamheden met betrekking tot de oesterkweek.' Er waren echter geen voorschriften opgenomen ten aanzien van het uitlezen van de black box. Deze zijn in het kader van een effectief toezicht toegevoegd in vergunningvoorschriften 40 en 41.

Venusschelp

Vergunning was verleend voor de kweek van Venus mercenaria. Dit is echter de verkeerde naam. De wetenschappelijk correcte naam is Mercenaria mercenaria.

  1. Cumulatie

Bij vergunningverlening voor een project dient een beoordeling plaats te vinden van de cumulatieve gevolgen indien het project, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen, significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. Vergunning kan alleen verleend worden als het project afzonderlijk of in combinatie met andere projecten geen significante gevolgen heeft.

Ik heb hiervoor reeds geconcludeerd dat de uitvoering van de voorgenomen activiteit zelfstandig beschouwd, niet kan leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het betreffende Natura 2000-gebied of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.

Ik concludeer dat in de aangeleverde PB een volledige en juiste cumulatie-toetsing is uitgevoerd.

5 CONCLUSIE VERGUNNINGVERLENING

Met de door u uitgevoerde PB als bedoeld in artikel 2.8, lid 1, van de Wnb is de zekerheid verkregen dat met het uitvoeren van de aangevraagde activiteit, rekening houdend met de relevante instandhoudingsdoelstellingen en met inachtneming van de in de vergunning opgenomen voorschriften, waaronder mitigerende maatregelen, geen aantasting zal optreden van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Veerse Meer.

Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat de gevraagde vergunning, onder de opgenomen voorschriften en beperkingen, kan worden verleend.

Naar boven