Onderwerp: Bezoek-historie

Wnb-vergunning mosselzaadvisserij zuidwestelijke Delta 2019 tot en met 2022
Ondertekeningsdatum:23-05-2019Geldigheid:24-05-2019 t/m 31-12-2022Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

irectoraat-generaal Natuur, Visserij en Landelijk Gebied
Cluster Natuurvergunningen

Bezoekadres
Bezuidenhoutseweg 732594 AC Den Haag

Postadres
Postbus 20401
2500 EK Den Haag

 

 

Ons kenmerk

DGNVLG-NV / 19129725

Uw kenmerk

Bijlage(n)

KvK-nummer

BSN

Relatienummer

Banknummer

IBAN

BIC

1 Besluit

Geachte heer,

Op basis van uw aanvraag van 18 april 2019 namens diverse bedrijven en natuurlijke personen verleen ik hierbij op grond van artikelen 2.7, lid 2 , j°. 1.3, lid 5 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) een meerjarige raamvergunning voor de uitoefening van de mosselzaadvisserijen in de voor mosselzaadvisserij opengestelde gebieden in de Natura 2000-gebieden Oosterschelde, Westerschelde & Saeftinghe, Vlakte van de Raan en Voordelta.

Voor een weergave van de inhoud van de aanvraag en de relevante wet- en regelgeving alsmede het van toepassing zijnde beleid verwijs ik naar de bijlage bij dit besluit. In dezelfde bijlage treft u voorts mijn inhoudelijke overwegingen die aan dit besluit ten grondslag liggen aan. De aanvraag en de bijlagen maken onderdeel uit van dit besluit.

2 Voorschriften en beperkingen

2.1 Algemeen

  1. Deze vergunning staat op individuele naam van de in bijlage 3 genoemde personen c.q. bedrijven.

  2. Deze vergunning wordt uitsluitend gebruikt door (medewerkers van) de vergunninghouder of aantoonbaar in opdracht van de vergunninghouder handelende (rechts)personen. De vergunninghouder blijft daarbij verantwoordelijk voor de juiste naleving van deze vergunning.

  3. De in voorschrift 1 genoemde vergunninghouders beschikken op de plaats waar de vergunde activiteit wordt uitgevoerd over een kopie van deze beschikking en tonen deze op eerste vordering aan de daartoe bevoegde toezichthouders en opsporingsambtenaren.

  4. De in voorschrift 1 genoemde vergunninghouders zijn aantoonbaar op de hoogte van de inhoud en het doel van deze voorschriften en beperkingen, zodanig dat zij daar ook invulling en uitvoering aan kunnen geven.

  5. De vergunde activiteiten worden overeenkomstig de ingediende aanvraag en bijbehorende passende beoordeling (hierna: PB) uitgevoerd, met inachtneming van de aan deze vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. Bij eventuele strijdigheid van de aanvraag en/of PB met de voorschriften en beperkingen in onderhavige vergunning, prevaleren deze laatste.

  6. Bij een opgetreden incident wordt onverwijld melding gedaan aan het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of diens rechtsopvolger, hierna: het ministerie) over de aard en omvang van het incident, onder overlegging van alle relevante gegevens. Onder incident wordt in dit verband verstaan 'een onvoorziene gebeurtenis waardoor schade aan de natuurlijke kenmerken in het betrokken beschermde gebied is of kan worden toegebracht' (bijvoorbeeld wanneer onbedoeld vrijgekomen schadelijke stoffen een relevant habitattype of habitat- of vogelsoort bedreigen).

  7. Bij een opgetreden incident is de vergunninghouder verplicht eventuele verontreinigingen zo mogelijk direct te laten verwijderen en de eventueel opgetreden schade voor zover mogelijk te herstellen, zulks ter beoordeling van het ministerie.

  8. Alle door of namens het ministerie te geven aanwijzingen en/of uitvoeringsbepalingen worden binnen de in de aanwijzing bepaalde termijn opgevolgd.

  9. Alle correspondentie uit hoofde van deze vergunning gericht aan het ministerie kan per reguliere post of per e-mail (wetnatuurbescherming@minlnv.nl) worden gedaan.

2.2 Survey en visplan

10. Door de Producentenorganisatie van de Nederlandse Mosselcultuur (hierna: de P.O.). wordt, ter gezamenlijke uitvoering door de vergunninghouders, per individuele visserij een Visplan opgesteld.

11. Het aan het Visplan ten grondslag liggende surveyrapport dient inzicht te geven in de contouren en ligging van de aanwezige mossel(zaad)banken.

12. Het Visplan en bijbehorende surveyrapport worden per individuele visserij minimaal 3 werkdagen voorafgaand aan de beoogde start van de betreffende visserij per e-mail ter instemming voorgelegd aan het ministerie. De betreffende visserij mag niet eerder starten dan dat het ministerie het Visplan schriftelijk heeft goedgekeurd.

13. Het Visplan bevat tenminste een opgaaf van:

• geplande visdagen- en tijden (de visserij mag uitsluitend bij daglicht uitgevoerd worden) incl. de specificatie van een eventuele zoekdag onder opgaaf van de registratienummers van de vaartuigen die bij dit zoeken ingezet zullen worden;

• de exact te bevissen gebieden c.q. banken (op zowel kaartbeeld als in coördinaten weergegeven) met daarin een eenduidige aanduiding van de droogvallende platen alsmede het aanduiden van de begrenzing van de relevante TBB's en andere beperkende regimes onder benoeming van de concrete beperkingen die daaruit voortvloeien; zie daartoe ook voorschrift 17.

  • met het oog op mogelijke najaarsvisserij in de Voordelta en de voedselbeschikbaarheid van Zwarte zee-eenden: een met veldwaarneming te onderbouwen vastgestelde dreiging door zeesterrenvraat; deze waarnemingen zullen door de LNV toezichthouders opvolgend worden gestaafd;

    • het op te vissen quotum.

    14. Bij de in het voorgaand voorschrift benoemde eventuele 'zoekactiviteiten' is het slechts toegestaan met één kor per vaartuig te vissen en dienen de opgeviste mosselen onmiddellijk ter plekke weer overboord gezet te worden.

    15. Het is voorts niet toegestaan om met de bij het zoeken betrokken vaartuigen tijdens het zoeken en tussen het zoeken en de eerste opmeting, op de mosselpercelen te komen.

    16. Het opmeten van de vangsten geschiedt conform de 'standaardprocedure' zoals beschreven in paragraaf 2.3 van de PB.

    17. Het is niet toegestaan te vissen binnen de volgende gebieden:

  • binnen gebieden die op basis van artikel 2.5 van de Wet Natuurbescherming gesloten zijn waar deze sluiting (o.a.) gelding heeft voor de onderhavige vergunde activiteiten;

  • binnen gebieden van de Westerschelde die op basis van het Beleidsbesluit Schelpdiervisserij (kaart 2) zijn gesloten (met uitzondering van Het Zwin);

  • binnen gebieden van de Oosterschelde en Vlakte van de Raan die gesloten zijn op grond van de Uitvoeringsregeling Visserij, bijlage 3a en bijlage 5 (LNV, 2008);

  • het is niet toegestaan droogvallende platen te bevissen; dit zijn ten minste de gebieden die op de kaart van bijlage I van de PB zijn aangegeven als 'intergetijdegebied'; de begrenzing hiervan dient door de P.0. in het Visplan op kaartbeeld en in coördinaten aangeduid te worden. Dit verbod geldt ook voor het "zoeken".

    18. Verstoring van aanwezige fauna dient tot een minimum te worden beperkt. Er geldt een algemene verplichting die rechtstreeks voortvloeit uit de Wet natuurbescherming (artikel 1.11 van de Wnb). Specifiek geldt voor de Voordelta dat rustende zeehonden en vogels niet dichter dan tot op een afstand van 1.200 m., respectievelijk 500 m mogen worden genaderd.

    19. Het is in de Voordelta niet toegestaan om gedurende de visserij met de betrokken visserijvaartuigen met een hogere snelheid dan 20 kilometer per uur te varen.

    20. De vaartuigen dienen te beschikken over de wettelijk vereiste operationele volgapparatuur als mede over een black box ten behoeve van de handhaving.

    21. De individuele visplannen maken, vanaf het moment van instemming ermee door het ministerie (voor zover niet strijdig met de onderhavige vergunning), integraal onderdeel uit van deze onderhavige vergunning.

2.3 Uitvoering

22. Het moment van daadwerkelijke aanvang en beëindiging van de visserijactiviteiten als geheel dient door de P.O. minimaal één werkdag voor die beide momenten, per e-mail gemeld te worden aan het ministerie (wetnatuurbescherming@minlnv.nl).

23. Het bestuur van de P.O. informeert het ministerie zo spoedig mogelijk per e- mail na het voordoen van eventuele (vermeende) overtredingen van de bepalingen in het Visplan door één of meerdere vergunninghouders.

2.4 Rapportage en monitoring

24. Op basis van het vangstverloop wordt door het PO-bestuur wekelijks de voortgang van de visserij geëvalueerd. Dit kan aanleiding zijn om het visplan bij te stellen en bijvoorbeeld de daarin opgenomen weekquota aan te passen, waarbij overigens het totale quotum niet aangepast wordt. Bij aanpassingen worden de leden van de PO als ook het ministerie van LNV daarvan zo snel mogelijk in kennis gesteld. Waar relevant zullen noodzakelijk geachte maatregelen schriftelijk, als aanvullend besluit op de onderhavige vergunning, worden vastgelegd door het ministerie.

2.5 Toezicht

25. De vergunninghouders voeren een administratie waarin alle op deze vergunning betrekking hebbende documenten en bewijsstukken ten aanzien de naleving van de voorschriften en beperkingen van deze vergunning zijn opgenomen.

26. De vergunninghouders geven, overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht, alle medewerking aan de aangewezen toezichthouder(s).

27. Het ministerie kan de P.O. schriftelijk verzoeken om uitlezing van de black box van de vergunninghouders indien er aanwijzingen zijn dat er door een visser c.q. bedrijf welke het Visplan heeft ondertekend in strijd met het in deze vergunning bepaalde is gehandeld.

28. De P.O. zal het ministerie onverwijld schriftelijk informeren over de resultaten van voorgenoemde uitlezing.

2.6 Looptiid/geldigheid

29. Deze vergunning is tot en met 31 december 2022 geldig.

2.7 Ter informatie

Op grond van art. 5.1, lid 1 van de Wnb jo. afdeling 4.1.1. Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een verzoek tot wijziging van de vergunning worden ingediend.

Op grond van artikel 5.4, lid 1 en lid 2, van de Wnb kan de verleende vergunning worden ingetrokken of gewijzigd.

Op grond van artikel 7.2, lid 2, van de Wnb kan een last onder bestuursdwang worden opgelegd.

Conform artikel 5:32, lid 1, Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan, aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

namens deze:

Drs. S.P. Band

MT-lid Directoraat-generaal Natuur, Visserij en Landelijk Gebied

Bijlage 1: Inhoudelijke overwegingen

Bijlage 2: Passende beoordeling

Bijlage 3: Lijst van vergunninghouders

Bijlage 4: Aerius-calculaties

2.8 BEZWAAR

Tegen dit besluit staat op grond van de Algemene wet bestuursrecht voor een belanghebbende de mogelijkheid open een bezwaarschrift in te dienen. Een bezwaarschrift moet binnen zes weken na bekendmaking van dit besluit worden ingediend bij:

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Afdeling Juridische Zaken

Postbus 40219

8004 DE Zwolle

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

  4. de gronden van bezwaar.

Het is raadzaam een kopie van dit besluit bij het bezwaarschrift te voegen.

2.9 PUBLICATIE BESLUIT

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit maakt dit besluit openbaar op grond van artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur. Het zal onder anonimisering van de persoonsgegevens geplaatst worden op https://puc.overheid.nl/natuurvergunningen.

BIJLAGE 1 INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN

  1. ONDERWERP AANVRAAG

De aanvraag ziet op de vangst van mosselzaad in de Natura 2000-gebieden Voordelta, Vlakte van de Raan, Oosterschelde, en Westerschelde & Saeftinghe.

De aanvraag heeft uitsluitend betrekking op de voor mosselzaadvisserij opengestelde gebieden.

Concreet gaat het om de voorgenomen (eventuele) voor- en najaarsmosselzaadvisserijen in de jaren 2019, 2020, 2021 en 2022. De vangsten worden na opvissen overgebracht naar kweekpercelen op de Oosterschelde. Deze kweek betreft een activiteit die al jarenlang in dit gebied plaatsvindt; zij is, onder voorwaarden, vrijgesteld van de Wnb-vergunningplicht in het Natura 2000-beheerplan Deltawateren.

Er is een raamvergunning aangevraagd omdat de PO er belang bij heeft om bij bevisbare bestanden in voorgenoemde Natura 2000-gebieden zo spoedig mogelijk te kunnen starten. In de Passende Beoordeling (hierna: PB) zijn daarom algemene voorwaarden geformuleerd waaraan de voorgenomen visserijen moeten voldoen om te garanderen dat zij conform de vereisten van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zullen plaatsvinden.

De vergunningaanvraag is ingediend voordat de halfjaarlijkse bestandsopnames (surveys) voorafgaande aan de individuele halfjaarlijkse visserijen zijn afgerond. Deze surveys kunnen namelijk pas kort voorafgaand aan die visserijen uitgevoerd worden (voor het meest actuele beeld); de beoogde visserijen zijn zeer kort na deze surveys gepland.

De vergunning wordt aangevraagd voor de leden van de P.O. Mosselcultuur en voor mosselkwekers die geen lid van de P.O. zijn, maar wel de reglementen van de P.O. accepteren via het ondertekenen van een hierop betrekking hebbende verklaring. De lijst van leden en niet-leden waarvoor de vergunning wordt aangevraagd is als bijlage 3 bij de vergunningaanvraag gevoegd.

VISPLANNEN

Uitgaande van de uitgangspunten zoals vastgelegd in de onderhavige vergunning worden individuele visplannen opgesteld. Een dergelijk individueel Visplan wordt in aanvulling op de onderhavige vergunning door de P.O. ter goedkeuring aan het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV) voorgelegd. Opvolgend kan de betreffende individuele visserij daadwerkelijk van start gaan.

Na elke visdag wordt de lading van alle schepen op nader te bepalen locaties opgemeten door medewerkers van de PO mossel. De meting is verplicht en hierbij wordt een standaardprocedure gehanteerd zoals die ook wordt gehanteerd bij de mosselzaadvisserij in de Waddenzee.

De 'standaardprocedure' gaat over de wijze waarop volume en gewicht van de door iedere individuele vergunninghouder opgeviste hoeveelheid mosselzaad wordt vastgesteld. Aan de individuele visplannen zal de PO een beschrijving van de procedure toevoegen.

Deze toe te passen methodiek en de partij die deze methodiek toepast zijn voor de beoogde zaadvisserij in de Zuidwestelijke Delta gelijk aan die op de Waddenzee. Zij is van belang voor het correct bepalen van het volume waarvoor ieder maximaal gerechtigd is te vissen binnen het visplan als geheel.

Wekelijks wordt door het PO-bestuur op basis van het vangstverloop de voortgang van de visserij geëvalueerd. Op het moment dat uit de monitoring blijkt dat bij een voortgaande afvoer van mosselen, het gestelde minimum aan mosselbestand op kweekpercelen zou kunnen worden onderschreden, treden de P.0. en het ministerie daarover onverwijld in overleg. Waar relevant zullen noodzakelijk geachte maatregelen

schriftelijk, als aanvullend besluit op de onderhavige vergunning, worden vastgelegd door het ministerie.

De aangevraagde activiteit kan tot effecten leiden op de beschermde natuurwaarden van de Natura 2000-gebieden Voordelta; Vlakte van de Raan; Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe.

Voor een uitgebreidere beschrijving van de voorgenomen activiteit wordt kortheidshalve verwezen naar bijlage 2 van de aanvraag.

  1. PROCEDURE

De definitieve aanvraag heb ik op 18 april 2019 (uw kenmerk 20190417/AR/PH) ontvangen. Op 26 april 2019 heb ik de ontvangst van uw aanvraag per email bevestigd.

  1. WETTELIJK KADER

  2. Relevante artikelen Wet natuurbescherming

In relatie tot de betrokken Natura 2000-gebieden zijn in deze relevant artikel 2.7, lid 2, jo 1.3, lid 5 en artikel 2.8, lid 1 en artikel 2.9, lid 5 tot en met 8 van de Wnb; artikel 2.7, lid 1, sub b, en artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming (hierna: het Bnb).

De exacte wetsteksten zijn te raadplegen op www.overheid.nl onder 'wet- en regelgeving'.

  1. Bevoegdheid

De voorgenomen activiteit valt onder artikel 1.3, lid 1, onder f, 1°, van het Bnb, luidend: niet-handmatige schaal- en schelpdiervisserij, met inbegrip van het invangen van schelpdierenzaad en van schelpdiercultures en het uitzetten van schelpdieren.

Dit betekent dat ik bevoegd ben te beslissen op uw verzoek.

  1. Vergunningplicht

De aangevraagde activiteit kan mogelijk de kwaliteit doen verslechteren van of een significant verstorend effect hebben op de in hoofdstuk 4 genoemde relevante beschermde natuurwaarden.

Eerdere beoordeling

Een deel van de voorgenomen activiteit in de zuidwestelijke Delta is ca. 10 jaren eerder vergund in het kader van de Nb-wet 1998. Dit betrof de Voordelta1 en Oosterschelde2. De vergunningen geven niet expliciet aan of het voorjaars- of najaarsvisserij betrof. Uit de afgiftedata van de vergunningen meen ik af te kunnen leiden dat het waarschijnlijk is gegaan om respectievelijk voorjaarsvisserij en najaarsvisserij.

Voor de mosselzaadvisserij in de periode 2019-2022 is een nieuwe passende beoordeling (PB) gemaakt om de volgende redenen:

  • De huidige aanvraag betreft een raamvergunning voor meerdere jaren waarbij in nog op te stellen visplannen het vangstgebied en de visquota nader kenbaar zullen worden gemaakt.

  • De huidige aanvraag betreft zowel voorjaars- als najaarsvisserij.

  • De huidige aanvraag betreft ook de Natura 2000-gebieden Vlakte van de Raan en Westerschelde en Saeftinghe.

    1. De beoordeling van projecten en andere handelingen

      1. Project met mogelijk significante gevolgen

De door u voorgenomen activiteit is een project in de zin van artikel 2.7, lid 2 van de Wnb dat, afzonderlijk of in cumulatie met andere plannen of projecten kan leiden tot significante gevolgen (gevaar) voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-gebied. Het betreft de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of (materiële) werken en andere (materiële) ingrepen in het natuurlijke milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten. De door u voorgenomen activiteiten zijn te beschouwen als één project omdat zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

  1. Passende beoordeling

Voor een project dat, afzonderlijk of in cumulatie kan leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen, kan alleen een vergunning verleend worden als een passende beoordeling (hierna: PB) gemaakt is door de aanvrager, rekening houdend met instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. De bij de aanvraag gevoegde PB biedt de grondslag voor de (nadere) vaststelling van de aard en omvang van de gevolgen (mede gelet op de eventuele cumulatie van gevolgen) en de wijze waarop in mitigatie is voorzien. In de PB zijn de effecten getoetst aan de instandhoudingdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit betreffende Natura 2000 gebieden Voordelta, Vlakte van de Raan, Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe. Een PB is niet vereist wanneer sprake is van een project dat direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied. Een PB is evenmin vereist wanneer sprake is van de herhaling of voortzetting van een plan of project waarvoor al eerder een PB is gemaakt en wanneer een nieuwe PB geen nieuwe inzichten kan opleveren. Dit is beide niet aan de orde. Er is een noodzaak om op basis van de meest actuele gegevens en (wetenschappelijke) inzichten een PB uit te voeren.

De gevraagde vergunning kan slechts verleend worden, indien ik mij ervan heb kunnen verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied niet aangetast zullen worden. In het onderstaande volgt mijn beoordeling van de effectenanalyse zoals neergelegd in de PB.

  1. Beleid

Beleidsbesluit Schelpdiervisserij

In de Oosterschelde (exclusief de gesloten gebieden, volgens kaart 1 bij het beleidsbesluit), Westerschelde, Voordelta (exclusief accentnatuurgebieden) en Noordzee-kustzone is de mosselzaadvisserij toegestaan op de vrije gronden (niet verhuurde delen).

  1. INHOUDELIJKE BEOORDELING

  2. Afbakening

Gebied

De mosselzaadvisserij vindt volgens de aanvrager uitsluitend plaats in de voor mosselzaadvisserij opengestelde gebieden. In bijlage I van de PB zijn op kaart de verschillende gebiedscategorieën voor de visserij aangegeven die permanent gesloten zijn. Volgens bijlage IX van de PB is het niet toegestaan te vissen in de rustgebieden zoals die worden aangegeven in het beheerplan Voordelta en op droogvallende platen. Deze voorwaarde heb ik als mitigerende maatregel overgenomen in voorschriften 13 en 17 van de vergunning. De thans geldende zonering in de Voordelta is vastgelegd in het Toegangsbeperkend besluit Hinderplaat, Bollen van de Ooster, Bollen van het Nieuwe Zand (9 juni 2008) en het Toegangsbeperkingsbesluit Middelplaat en Slikken van Voorne (25 oktober 2016). Het aanvullend toegang beperkend besluit uit 2016 met betrekking tot de Bollen van de Ooster en de Bollen van het Nieuwe Zand is door een uitspraak van de rechtbank Utrecht op 29 november 2018 vernietigd ( UTR 17/5199, UTR 17/5291 en UTR 18/250).

De gebiedsdelen die op de kaart in bijlage I van de PB zijn gedefinieerd als 'Intergetijdegebied' maken mijns inziens geen deel uit van het visgebied, want de mosselzaadvisserij is beperkt tot de permanent onder water staande delen (sublitoraal) van de Oosterschelde, Westerschelde, Vlakte van de Raan en Voordelta (PB, uitgangspunten pagina 10).

Gevolgen

In de PB is aangegeven dat het visgebied is beperkt tot de onder water staande delen. En daarom is voor de habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten de effectbeoordeling beperkt tot het sublitoraal. Daarnaast is voor zeehonden en Vogelrichtlijnsoorten de effectbeoordeling beperkt tot verstoring naar droogvallende platen. Ten behoeve van de beoordeling van de gevolgen is nader geïnventariseerd welke in redelijkheid denkbare typen gevolgen onderzocht moeten worden. Ik neem dat over.

Natuurwaarden

De natuurwaarden die beïnvloed kunnen worden, zijn opgesomd in de PB; ik onderschrijf de juistheid van die selectie. Zie tabel 1 van de PB.3

Voor zover er in meerdere aanwijzingsbesluiten dezelfde soorten genoemd worden, zijn mogelijke effecten voor zover dit mogelijk is in de PB generiek (gebied overlappend) besproken. Dat gaat op voor zeehonden, bruinvissen, vissen en visetende vogels. Soms verschillen de aanwijzingsbesluiten met de daarin geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen tussen de gebieden. Daarom beperkt de effectenanalyse voor schelpdieretende vogels zich tot de Voordelta.

De diverse beschermde waarden en de relevante instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden staan vermeld op www.rijksoverheid.nl/lnv ('Onderwerpen' >'Natuur en Biodiversiteit' > 'Natura 2000').

Op enige afstand vanaf de mogelijke mosselzaadvisserij in het Oostgat (Westerschelde) is ook het Natura 2000-gebied, tevens PAS-gebied, Manteling van Walcheren gelegen. Gezien de afstand en de bij de aanvraag gevoegde inhoudelijke informatie in bijlage 4 bij de vergunning (Aerius-calculatie Westerschelde-Oostgat) zijn significante gevolgen en kwaliteitsverslechtering op de betreffende beschermde natuurwaarden met zekerheid uitgesloten. De hoogste bijdrage is 0.07 mol/ha/jaar en dat is lager dan de drempelwaarde van 1 mol/ha/jaar voor dit gebied. Dit gebied valt daarmee buiten de vergunning van dit project. Zie verder paragraaf 4.2.4 hierna.

Conclusie afbakening

Ik ben van oordeel dat de afbakening van het gebied, gevolgen en natuurwaarden dat door de aangevraagde activiteit beïnvloed zou kunnen worden in de PB op een juiste wijze heeft plaatsgevonden. Ik neem de verstoringsafstanden voor zeehonden en vogels die het uitgangspunt zijn voor de PB niet generiek over als mitigerende maatregel. Zie verder paragraaf 4.2.2 en 4.2.3 hierna.

  1. Mogelijke effecten en mitigatie

  2. Habitattypen

In de PB worden de effecten van de mosselzaadvisserij op relevante habitattypen als volgt beoordeeld:

Typische soorten

Zowel voor H1160 (Oosterschelde) als voor H1130 (Westerschelde en Saeftinghe) geldt dat de onderliggende problematiek bij de ongunstige beoordeling van de huidige staat van instandhouding buiten de invloedsfeer van de mosselzaadvisserij ligt. Bij H1110B ( Voordelta, Vlakte van de Raan en Westerschelde & Saeftinghe) is er momenteel sprake van een gunstige staat van instandhouding en geeft het profieldocument van dit habitattype geen aanleiding aan te nemen dat mosselzaadvisserij een rol speelt in zorgen over het toekomstperspectief.

Dynamiek mosselbanken

Mosselzaadvisserij staat in principe de ontwikkeling van meerjarig mosselbanken niet in de weg. Visserij reduceert niet zozeer het areaal van mosselbanken, maar dunt deze uit. Echter, sublitorale mosselbanken zijn in vergelijking met mosselkweekpercelen merendeels instabiel door effecten predatie en wegspoeling.

Biodiversiteit

Percelen hebben een hoge biodiversiteit, die niet minder rijk aan soorten is dan natuurlijke sublitorale banken. Het op percelen veilig stellen van mosselen afkomstig van locaties waar deze anders zullen verdwijnen, zal dus over het geheel genomen een positief effect hebben op de biodiversiteit van de (gecombineerde) systemen.

Substraatdynamiek

Mosselzaadvisserij zorgt voor vertroebeling door opwervelend substraat. Uit metingen blijkt dat dit effect zeer lokaal en kortdurend is.

Ik neem de in de PB vervatte beoordeling van mogelijke effecten van mosselzaadvisserij op de natuurwaarden van habitattypen H1110B, H1130 en H1160 over.

Een significant negatief effect van mosselzaadvisserij op de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen H1110B, H1130 en H1160 is uit te sluiten. Er is geen sprake van verslechtering van natuurlijk habitat in de betreffende Natura 2000-gebieden.

  1. Habitatrichtlijnsoorten: zeehonden

Bijvangst

In de PB (paragraaf 4.2.1.1) is over de mogelijke effecten van mosselzaadvisserij geconcludeerd dat bijvangst van de soorten niet voorkomt of is niet waargenomen, en er is geen merkbare invloed op de voedselbeschikbaarheid. De lage snelheid bij het vissen en de grootte van de mosselkorren geven zeehonden voldoende tijd en gelegenheid om de korren te ontwijken. Bijvangst van zeehonden is dan ook nooit waargenomen bij de mosselvisserij. Bijvangst van vis is zeer gering omdat ook vis de korren gemakkelijk kan ontwijken en de mosselvisserij heeft derhalve geen merkbare invloed op de voedselbeschikbaarheid voor zeehonden.

Verstoring zeehonden in de Voordelta

In de uitgangspunten van de PB staat over de Voordelta dat de voorwaarden in het Natura 2000-beheerplan voor vergunningverlening mosselzaadvisserij dienen als richtlijn voor toekomstige vergunningen. Deze voorwaarden staan in bijlage IX van de PB. In de PB wordt geconcludeerd dat in de rustgebieden van de Voordelta verstoring van zeehonden op voorhand is uitgesloten omdat binnen de relevante rustgebieden niet op schelpdieren mag worden gevist (pagina 24 PB).

Ik neem de conclusie van de PB over. Ik neem voor de Voordelta als mitigerende maatregel de voorwaarden uit het beheerplan over in de voorschriften 13, 17, 18en 19 van de vergunning.

Verstoring zeehonden in de Oosterschelde, Westerschelde en Vlakte van de Raan

Ook in de Oosterschelde, Westerschelde en Vlakte van de Raan zijn gesloten gebieden ingesteld waar (permanent of tijdelijk) niet mag worden gevist. Voor een overzicht van de niet bevisbare gebieden verwijs ik naar paragraaf 2.1 van de PB.

Daarnaast blijkt uit de verspreidingskaarten van Bijlage X van de PB dat zeehonden zich ophouden op vrijwel alle droogvallende platen en dat zijn locaties waar ze mogelijk gevoelig zijn voor verstoring.

Als uitgangspunt voor de verstoring van groepen rustende zeehonden die buiten de gesloten gebieden op drooggevallen platen rusten wordt in de PB uitgegaan van 500 meter waarbij binnen deze afstand van de platen niet wordt gevist. Daarmee zouden volgens de PB significante effecten op zeehonden via verstoring op voorhand onwaarschijnlijk zijn.

Recente studies zouden laten zien dat de relevante verstoringsafstanden in relatie tot zeehonden ligt tussen 150 m en 500 m en dat deze afstanden gegeven de omstandigheden (bijvoorbeeld: al dan niet zogende dieren, plaats in relatie tot gewenning) kunnen variëren.

In het verleden zijn er verschillende verstoringsafstanden aangehouden in Nbwet vergunningen voor de Oosterschelde. De afstand wisselde met de soort visserij en het bevoegde gezag.

Ik heb de verschillende verstoringsafstanden zoals vermeld in bijlage VI PB overwogen en deel de mening van de PB dat de afstanden gegeven de omstandigheden kunnen variëren (bijvoorbeeld activiteit en plaats in relatie tot gewenning en al dan niet zogende dieren). Daarnaast zijn de verstoringsafstanden uit onderzoeken niet algemeen toepasbaar. Bijvoorbeeld, het onderzoek van Bouma e.a. (2010) met langzaam varende baggerschepen bij Texel is bruikbaar als er geen pups of zogende volwassen dieren aanwezig zijn, wanneer dezelfdetype schepen in worden gezet en de afstand tot de zeehonden niet minder is dan deminimale afstand van 689 meter die in dit onderzoek is vastgesteld.

Het is dus niet exact van de voren aan te duiden onder welke specifieke omstandigheden en naar aanleiding van welke activiteiten er daadwerkelijk verstoring zal optreden. Hoe de specifieke omstandigheden ook mogen zijn, ik ga er vanuit dat er bij de uitvoering van de visserij de algemeen geldende verplichting van de Wet natuurbescherming (artikel 1.11 van de Wnb) in acht wordt genomen door de vergunninghouders. Ik sluit daarom aan bij het verstoringsbeleid van de laatste vergunning voor de mosselzaadvisserij in de Waddenzee.4 Ik zal derhalve voor de N2000-gebieden Oosterschelde, Westerschelde en Saeftinghe en Vlakte van de Raan geen specifiek voorschrift op dat vlak aan de vergunning verbinden.

Bruinvis

In de PB (paragraaf 4.2.1.2) wordt geconcludeerd dat door de aard van de activiteit bijvangst niet voorkomt en voedselonttrekking niet van betekenis is. Omdat mosselzaadvisserij in tijd en ruimte zeer beperkt is, vormt de visserij geen wezenlijke bron van verstoring.

Zeeprik, rivierprik, fint en elft

In de PB (paragraaf 4.2.1.3) is geconcludeerd dat de mosselzaadvisserij in de praktijk niet leidt tot bijvangst van de genoemde vissoorten.

Samenvattend

Een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Gewone zeehond, Grijze zeehond, Bruinvis, Zeeprik, Rivierprik, Fint en Elft is uit te sluiten. Er is geen sprake van verslechtering van de leefgebieden in de betreffende Natura 2000-gebieden en ook geen verstoring van de soorten.

  1. Vogelrichtlijnsoorten

Broedvogels

In de PB wordt geconcludeerd dat verstoring van broedvogels op voorhand kan worden uitgesloten gezien de grote afstand tot de broedgebieden. Ik neem deze conclusie over.

Effect op schelpdieretende Vogelrichtlijnsoorten A062 Topper, A067 Brilduiker en A065 Zwarte zee-eend in de Voordelta

Voedselonttrekking

De instandhoudingsdoelstellingen voor de schelpdiereters Toppereend, Brilduiker en Zwarte zee-eend in de Voordelta worden momenteel niet bereikt (zie bijlage XI PB).

In de PB (paragraaf 4.2.2.2) is geconcludeerd dat mosselen mogelijk een rol spelen als voedsel voor de Toppereend en Brilduiker. Zij kunnen, vanwege de grootte, uitsluitend op 0-jarig mosselzaad foerageren. Dit blijft ook na een individuele voor- of najaarsmosselzaadvisserij in voldoende mate beschikbaar. Mosselzaad dat de eerste winter overleeft, zal in de winter daarna te groot zijn om als voedsel voor deze soorten te dienen. Hiermee zijn nadelige gevolgen van de mosselzaadvisserij op de voedselvoorziening verwaarloosbaar.

Zwarte zee-eenden lijken niet specifiek op mosselzaad te foerageren, maar het is niet uit te sluiten dat in tijden van schaarste (kleine) mosselen een belangrijke voedselbron kunnen zijn. Volgens de uitgangspunten van de PB voor de Voordelta in paragraaf 2.1 is bij het opstellen van visplannen als uitgangspunt genomen dat in een situatie van directe dreiging van zeesterrenvraat de visserij in het winterregimegebied van de Voordelta in het najaar plaatsvindt. Door zeesterrenvraat zou het mosselzaad niet meer beschikbaar zijn als voedsel voor schelpdiereters. Ik merk hierbij op dat najaarsvisserij in het winterregimegebied plaats kan vinden tot 1 november gezien het andere uitgangspunt in paragraaf 2.1 van de PB dat de winterrustgebieden voor alle activiteiten gesloten zijn van 1 november tot 1 april. De PB geeft aan dat vaststelling van de dreiging dat het zaadbestand door zeesterrenvraat dreigt te verdwijnen zal gebeuren door een onafhankelijke wetenschappelijke partij tijdens de bestandopname. Deze waarnemingen zullen door de LNV toezichthouders opvolgend worden gestaafd. Ik heb deze voorwaarden met het oog op de Zwarte zee-eend overgenomen in voorschrift 13 van de vergunning over het Visplan.

Er zijn mij uit eerdere mosselzaadvisserijen in de Voordelta geen aanwijzingen gebleken die duiden op een tekort aan voedsel voor Zwarte zee-eenden in de Voordelta, noch dat de beoogde visserij (PB figuur VIII-4) in de Haringvlietmond bij Hinderplaat daartoe zou kunnen leiden.5

Als het zaadbestand geen risico loopt om te verdwijnen door zeesterrenvraat of door stormen, zal de visserij niet in het najaar maar in het daarop volgende voorjaar plaats vinden. Hiermee zijn mogelijke gevolgen van de mosselzaadvisserij op de voedselvoorziening van Zwarte zee- eenden volgens de PB onwaarschijnlijk.

Van Eidereenden wordt de instandhoudingsdoelstelling bereikt. In de PB wordt geconcludeerd dat het onwaarschijnlijk is dat mosselzaadvisserij de instandhoudingsdoelstelling van deze soort in de weg kan staan.

Verstoring Vogelrichtlijnsoorten in de Voordelta

Zoals hiervoor is aangegeven voor zeehonden in de Voordelta neem ik ook voor foeragerende en rustende groepen vogels zoals de Vogelrichtlijnsoorten Roodkeelduiker, Fuut, Kuifduiker, Aalscholver, Toppereend, Eidereend, Zwarte zee-eend, Brilduiker, Middelste zaagbek als uitgangspunt de voorwaarden over uit het beheerplan. Deze voorwaarden heb ik als mitigerende maatregelen overgenomen in de voorschriften13, 17, 18en 19 van de vergunning. De instandhoudingsdoelstellingen voor de schelpdiereters Toppereend, Brilduiker en Zwarte zee-eend in de Voordelta worden momenteel niet bereikt.

In 2016/2017 kwamen de Toppereend en de Brilduiker in dit gebied voor van november tot en met maart. De Zwarte zee-eend van november tot en met juni (bijlage VII).

Ter bescherming van de in de winter aanwezige populaties Zwarte zee-eenden, Eidereenden en Sterns in de Voordelta zijn gebiedsmaatregelen genomen waarbij gedeelten jaarrond dan wel alleen in de winter niet toegankelijk zijn (Toegangsbeperkingsbesluit (TBB) Hinderplaat, Bollen van de Ooster en de Bollen van het Nieuwe Zand (2008). De winterrustgebieden in de Voordelta zijn gesloten van 1 november tot 1 april. Ik verwacht dan ook geen significant negatieve effecten door verstoring van mosselzaadvisserij.

Verstoring Vogelrichtlijnsoorten in de Oosterschelde, Westerschelde en Vlakte van de Raan

Op basis van de in paragraaf 4.1 gegeven afbakening van effecten gaat het om verstoring van Vogelrichtlijnsoorten die in het visgebied voorkomen en duikend naar voedsel zoeken. In de Oosterschelde en Westerschelde gaat het dan om schelpdiereter Brilduiker en de viseters Middelste zaagbek, Dodaars, Fuut, Kuifduiker en Aalscholver. In de PB wordt geconcludeerd dat Brilduiker, Kuifduiker, Dodaars en Middelste zaagbek niet gevoelig zijn voor verstoring door geluid, trilling en/of optische verstoring. En dat significante verstoring van Futen niet aannemelijk is, want de soort heeft s' winters een voorkeur voor de Grevelingen en Veerse Meer die meer rust voor deze vogels bieden. Voor rustende aalscholvers dient er voldoende afstand tot zandplaten te worden gehouden. Daarnaast staat voor droogvallende platen buiten de gesloten gebieden in de uitgangspunten van de PB dat daar een verstoringsafstand wordt gehanteerd van minimaal 150 meter tot op drooggevallen platen foeragerende en/of rustende vogels. Ik neem de afstand van 150 meter niet over gezien de grote variatie in verstoringsafstanden. Het is dus niet exact van de voren aan te duiden onder welke specifieke omstandigheden en naar aanleiding van welke activiteiten er daadwerkelijk verstoring zal optreden. Hoe de specifieke omstandigheden ook mogen zijn, ik ga er vanuit dat er bij de uitvoering van de visserij de algemeen geldende verplichting van de Wet natuurbescherming (artikel 1.11 van de Wnb) in acht wordt genomen door de vergunninghouders. Ik sluit daarom aan bij het verstoringsbeleid van de laatste vergunning voor de mosselzaadvisserij in de Waddenzee.6 Ik zal derhalve voor de N2000-gebieden Oosterschelde, Westerschelde en Saeftinghe en Vlakte van de Raan geen specifiek voorschrift op dat vlak aan de vergunning verbinden.

Samenvattend

Een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Vogelrichtlijnsoorten is uit te sluiten. Er is geen sprake van verslechtering van leefgebied in de betreffende Natura 2000-gebieden en ook geen verstoring.

  1. Stikstofdepositie

Op 17 april 2019 heeft een berekening plaatsgevonden met AERIUS Calculator voor de mosselzaadvisserij in de Oosterschelde en Westerschelde. De Voordelta en Vlakte van de Raan zijn niet opgenomen in de Programmatische Aanpak Stikstof. De hoogste berekende depositie is 0,19 mol/ha/jaar in de Oosterschelde. Dat is lager dan de grenswaarde voor de Oosterschelde van 1 mol/ ha/jaar. Daarnaast is de hoogste depositie op het nabijgelegen N2000-gebied Manteling van Walcheren 0,07 mol/ha/jaar. Ook dat is lager dan de grenswaarde van 1 mol/ha/jaar voor dit gebied. Dit betekent dat de voorgenomen mosselzaadvisserij vergunningvrij is wat de stikstofdepositie betreft.

  1. Cumulatie

Bij vergunningverlening voor een project dient een beoordeling plaats te vinden van de cumulatieve gevolgen indien het project, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen, significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. Vergunning kan alleen verleend worden als het project afzonderlijk of in combinatie met andere projecten geen significante gevolgen heeft.

Ik heb hiervoor reeds geconcludeerd dat de uitvoering van de voorgenomen activiteit zelfstandig beschouwd, niet kan leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het betreffende Natura 2000-gebied of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.

Mogelijke resteffecten en cumulatie daarvan kunnen optreden met betrekking tot voedselbeschikbaarheid, verstoring en bodemberoering. De mosselzaadvisserij is echter zowel in tijd als in ruimte zeer beperkt. Visserijactiviteiten zijn beperkt tot een aantal dagen per jaar. Voor de Zuidwestelijke Delta komt dit, mede gezien de lage kans op visbare bestanden, in de praktijk neer op een aantal dagen per decennium. Daarbij zijn de activiteiten geconcentreerd in een relatief klein gebied.

Ik concludeer dat in de aangeleverde PB een volledige en juiste cumulatie-toetsing is uitgevoerd.

  1. CONCLUSIE VERGUNNINGVERLENING

Met de door u uitgevoerde PB als bedoeld in artikel 2.8, lid 1, van de Wnb, en de daarbij behorende rapportages en documenten, vergunningvoorschriften en mitigerende maatregelen, is de zekerheid verkregen dat met het uitvoeren van de aangevraagde activiteit, rekening houdend met de relevante instandhoudingsdoelstellingen en met inachtneming van de in de vergunning opgenomen voorschriften, waaronder mitigerende maatregelen, geen aantasting zal optreden van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebieden Voordelta, Vlakte van de Raan, Oosterschelde, Westerschelde & Saeftinghe.

Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat de gevraagde vergunning, onder de opgenomen voorschriften en beperkingen, kan worden verleend.

]

Naar boven