Onderwerp: Bezoek-historie

MZI's in de kustwateren 2019
Ondertekeningsdatum:18-02-2019Geldigheid:01-03-2019 t/m 31-10-2019Status: Niet meer geldig

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Geachte ,

Op basis van uw aanvraag van 8 februari 2019 namens diverse leden van de Producentenorganisatie van de Nederlandse Mosselcultuur (hierna: PO Mosselcultuur), om een vergunning op grond van artikelen 2.7, lid 2 , jo. 1.3, lid 5 Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) verleen ik hierbij vergunning voor het exploiteren van mosselzaadinvanginstallaties (hierna: MZI's) in de Natura 2000-gebieden Waddenzee, Voordelta en Oosterschelde.

Voor een weergave van de inhoud van de aanvraag en de relevante wet- en regelgeving alsmede het van toepassing zijnde beleid verwijs ik naar de bijlage bij dit besluit. In dezelfde bijlage treft u voorts mijn inhoudelijke overwegingen die aan dit besluit ten grondslag liggen aan. De aanvraag en de bijlagen maken onderdeel uit van dit besluit.

Voorschriften en beperkingen

Ter bescherming van de in de Natura 2000-gebieden Waddenzee, Voordelta en Oosterschelde aanwezige beschermde natuurwaarden, verbind ik aan deze vergunning de volgende voorschriften en beperkingen.

Algemeen

  1. Deze vergunning staat op naam van de leden van de Producenten Organisatie van de Nederlandse Mosselcultuur (hierna vergunninghouder) (of diens rechtsopvolger), welk staan vermeld op de bij deze vergunning gevoegde lijst (bijlage 2).

  2. Deze vergunning wordt uitsluitend gebruikt door (medewerkers van) de vergunninghouder of aantoonbaar in opdracht van de vergunninghouder handelende (rechts)personen. De vergunninghouder blijft daarbij verantwoordelijk voor de juiste naleving van deze vergunning.

  3. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen beschikken op de plaats waar de vergunde activiteit wordt uitgevoerd over een kopie van deze beschikking, inclusief alle daarbij behorende bijlagen.

  4. De in voorschrift 2 genoemde (rechts)personen zijn aantoonbaar op de hoogte van de inhoud en het doel van deze voorschriften en beperkingen, zodanig dat zij daar ook invulling en uitvoering aan kunnen geven.

  5. Het daadwerkelijke moment van plaatsing en verwijdering van een individuele MZI wordt minimaal 3 werkdagen voor aanvang ervan per mail (mailadres: wetnatuurbescherming@minez.nl) gemeld aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ter attentie van het Team Natuurvergunningen (hierna: het bevoegd gezag).

  6. De vergunde activiteit wordt overeenkomstig de ingediende aanvraag en bijbehorende passende beoordeling uitgevoerd, met inachtneming van de aan deze vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. Bij eventuele strijdigheid van de aanvraag en/of passende beoordeling met de voorschriften en beperkingen in onderhavige vergunning, prevaleren deze laatste.

  7. Bij een opgetreden incident wordt onverwijld melding over de aard en omvang van het incident gedaan aan het bevoegd gezag onder overlegging van alle relevante gegevens. Onder incident wordt in dit verband verstaan 'een onvoorziene gebeurtenis waardoor schade aan de natuurlijke kenmerken in het betrokken beschermde gebied is of kan worden toegebracht' (bijvoorbeeld wanneer onbedoeld vrijgekomen schadelijke stoffen een habitattype of habitat- of vogelsoort bedreigen.)

  8. Bij een opgetreden incident is de vergunninghouder verplicht eventuele verontreinigingen zo mogelijk direct te laten verwijderen en de eventueel opgetreden schade voor zover mogelijk te herstellen, zulks ter beoordeling van het bevoegd gezag.

  9. Alle door of namens het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en/of uitvoeringsbepalingen worden binnen de in de aanwijzing bepaalde termijn opgevolgd.

  10. Zodra de werkzaamheden met betrekking tot de vergunde activiteit feitelijk zijn beëindigd, wordt dit uiterlijk binnen een week bij het bevoegd gezag gemeld.

  11. Alle correspondentie uit hoofde van deze vergunning kan per reguliere post of per e-mail (wetnatuurbescherming@minez.nl) worden gedaan.

Nadere inhoudelijke voorschriften

  1. De vergunning geldt voor de hectares en locaties gekoppeld aan de specifieke

    leden van de PO Mosselcultuur zoals vermeld in de bijlagen 2 en 3.

  2. Controle-, oogst en onderhoudswerkzaamheden vallen binnen de werking van

    onderhavige vergunning.

  3. Geluidsapparatuur anders dan ten behoeve van communicatiedoeleinden ten

    aanzien van de veiligheid, is niet toegestaan.

  4. Verstoring van de in het gebied aanwezige fauna wordt tot een minimum

    beperkt: groepen vogels mogen niet dichter dan een afstand van 500 meter

    benaderd worden en zeehonden mogen niet dichter dan tot een afstand van

    1500 meter benaderd worden.

  5. Om te voorkomen dat zeehonden zich binnen MZI-constructies kunnen

    begeven, zijn de MZI's afgedicht.

  6. Tijdens elk controlebezoek door of vanwege de vergunninghouder, worden de

    MZI's gecontroleerd op vogel- en/of zeehondenslachtoffers. In geval van het

    aantreffen van slachtoffers door of vanwege de vergunninghouder doet de

    vergunninghouder hiervan onverwijld melding aan het bevoegd gezag.

  7. Alle aan het in werking hebben en houden van de MZI's gerelateerde

    werkzaamheden vinden uitsluitend bij daglicht plaats.

  8. De MZI-installaties worden voor 1 november (het stormseizoen) verwijderd.

    Plaatsing ervan is mogelijk vanaf 1 maart. De verankering van deze

    installaties kan in sommige gevallen met instemming van Rijkswaterstaat jaarrond aanwezig blijven.

  9. In het winterrustgebied Middelplaat vinden geen activiteiten plaats in de periode 1 november -1 april.

  10. De MZI's zijn deugdelijk van constructie: zij mogen niet los kunnen

    slaan van de bodem. Ook het invangmateriaal dient zo goed mogelijk

    bevestigd te worden. Losgelaten materiaal (zwerfvuil) moet traceerbaar zijn,

    dus gemerkt met visserijregistratietekens.

  11. Het is niet toegestaan afval of onderzoeksmaterialen in het gebied achter te

    laten. Restafval (bijv. losgesneden touw) wordt opgevangen en komt niet in

    het water terecht.

  12. De vergunninghouder doet conform het daartoe vanuit RVO.nl verstrekte

    formulier ieder jaar opgave van enkele, ook voor de geldigheid van de

    onderhavige toetsing, relevante gegevens in relatie tot onder andere het type

    van MZI-constructie en de behaalde oogst.

  13. Aan deze vergunning en het geheel of gedeeltelijk renderen van de MZI's

    kunnen geen rechten voor de toekomst worden ontleend met betrekking tot

    het op deze wijze in of nabij de betrokken Natura 2000-gebieden invangen en

    oogsten van mosselzaad.

    Toezicht

  14. De vergunninghouder voert een administratie waarin alle op deze vergunning betrekking hebbende documenten en bewijsstukken ten aanzien de naleving van de voorschriften en beperkingen van deze vergunning zijn opgenomen.

  15. De vergunninghouder geeft, overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht, alle medewerking aan de aangewezen toezichthouder(s).

  16. Gevraagde informatie en documenten, bijvoorbeeld met betrekking tot de voorschriften 3 en 29, worden op eerste vordering aan de daartoe bevoegde toezichthouders en opsporingsambtenaren getoond.

Looptijd/geldigheid

  1. De vergunning is geldig van 1 maart 2019 tot en met 31 oktober 2019.

Ter informatie

Op grond van art. 5.1, lid 1 van de Wnb jo. afdeling 4.1.1. Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een verzoek tot wijziging van de vergunning worden ingediend.

Op grond van artikel 5.4, lid 1 en lid 2, van de Wnb kan de verleende vergunning worden ingetrokken of gewijzigd.

Op grond van artikel 7.2, lid 2, van de Wnb kan een last onder bestuursdwang worden opgelegd.

Conform artikel 5:32, lid 1, Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan, aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
namens deze:



 

MT-lid bij het Directoraat-Generaal Natuur, Visserij en Landelijk Gebied

Bezwaar

Tegen dit besluit staat op grond van de Algemene wet bestuursrecht voor een belanghebbende de mogelijkheid open een bezwaarschrift in te dienen. Een bezwaarschrift moet binnen zes weken na bekendmaking van dit besluit worden ingediend bij:

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Afdeling Juridische Zaken

Postbus 40219

8004 DE Zwolle

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en moet ten minste de volgende elementen bevatten:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is, en

  4. de gronden van bezwaar.

Het is raadzaam een kopie van dit besluit bij het bezwaarschrift te voegen.

Publicatie besluit

Op grond van artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur zal het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onderhavig besluit openbaar maken. De besluiten op grond van de Wnb, waaronder onderhavige, zullen, onder anonimisering van de persoonsgegevens, geplaatst worden op http://vergunningenbank.overheid.nl/wet-natuurbescherming

BIJLAGE 1 OVERWEGINGEN

1 ONDERWERP AANVRAAG

Diverse individuele leden van de PO Mosselcultuur verzoeken via de PO Mosselcultuur (hierna: de aanvrager) om een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) voor het exploiteren van mosselzaadinvanginstallaties (hierna: MZI) in de Natura 2000-gebieden Waddenzee, Voordelta en Oosterschelde. Bij besluit van 3 maart 2015 (kenmerk DGAN-NB/15027397) is voor deze activiteit vergunning verleend tot

31 oktober 2018.


Constructie

De aanvrager maakt gebruik van één van de volgende typen MZI-systemen:

  • Systemen die drijven (off bodemconstructies) met als drijflichamen gespannen lijnen (long lines), buizen, vlotten, dobbers of boeien waaraan touwen of netten zijn bevestigd; de drijvende constructies zijn via lijnen met ankers of betonnen blokken verbonden met de bodem;

  • Systemen die met de bodem verbonden zijn: palen met horizontale touwen of netten;

  • Systemen die met de bodem verbonden zijn: kooiconstructies met (horizontaal of verticaal gespannen) touwen of netten, die op de bodem zijn geplaatst.

Locaties en ruimtebeslag

De aanvraag is gebaseerd het meest recente MZI-beleid vanuit het Ministerie van LNV. De huidige aanvraag ziet op het uitvoeren van de activiteit van 1 maart 2019 tot en met 31 oktober 2019.

In het voorgenoemde beleid zijn enkele MZI-locaties die in het vorige beleid waren vastgelegd, deels verplaatst en deels uitgebreid. Die uitbreiding betreft, meer specifiek, een uitbreiding in de Waddenzee met 60 ha. en een uitbreiding met 85 ha. in de Deltawateren.

In bijlage 3 bij dit besluit zijn de locaties inclusief de precieze coördinaten opgenomen.

De aangevraagde activiteit kan tot effecten leiden op de beschermde natuurwaarden het Natura 2000-gebieden Waddenzee, Voordelta en Oosterschelde.

Voor een uitgebreidere beschrijving van de voorgenomen activiteit wordt kortheidshalve verwezen naar bijlage 4 bij dit besluit.

2 PROCEDURE

Op 8 februari 2019 (uw kenmerk: 20190208/AR/PH) ontving ik uw aanvraag. Bij e-mail van 8 februari 2019 heb ik de ontvangst van uw aanvraag bevestigd.

3 WETTELIJK KADER

Relevante artikelen Wet natuurbescherming

In relatie tot de betrokken Natura 2000-gebieden zijn in deze relevant de artikelen 2.7, lid 2 , jo. 1.3,. lid 5, 2.8, lid 1 en 2.9, lid 5 tot en met 8  van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en artikel 2.7, lid 1, sub b, Besluit natuurbescherming (hierna: het Bnb).

De exacte wetsteksten zijn te raadplegen op www.overheid.nl onder 'wet- en regelgeving'.

Bevoegdheid

De voorgenomen activiteit valt onder artikel 1.3, lid 1, onder f, sub 1, van het Bnb, luidend: uitoefening van niet-handmatige schaal- en schelpdiervisserij, met inbegrip van het invangen van schelpdierenzaad en van schelpdiercultures en het uitzetten van schelpdieren.

Vergunningplicht

De aangevraagde activiteit kan mogelijk de kwaliteit doen verslechteren van of een significant verstorend effect hebben op de in hoofdstuk 4 genoemde beschermde natuurwaarden.

De beoordeling van projecten en andere handelingen

Project met mogelijk significante gevolgen

De door u voorgenomen activiteit is een project in de zin van artikel 2.7, lid 2 van de Wnb dat, afzonderlijk of in cumulatie met andere plannen of projecten kan leiden tot significante gevolgen (gevaar) voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-gebied. Het betreft de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of (materiële) werken en andere (materiële) ingrepen in het natuurlijke milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten. De door u voorgenomen activiteiten zijn te beschouwen als 1 project omdat zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Passende beoordeling

Voor een project dat, afzonderlijk of in cumulatie kan leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen, kan alleen een vergunning verleend worden als een passende beoordeling (hierna: PB) gemaakt is door de aanvrager, rekening houdend met instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. De bij de aanvraag gevoegde PB biedt de grondslag voor de (nadere) vaststelling van de aard en omvang van de gevolgen (mede gelet op de eventuele cumulatie van gevolgen) en de wijze waarop in mitigatie is voorzien. In de PB zijn de effecten getoetst aan de instandhoudingdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit betreffende Natura 2000-gebieden Waddenzee, Voordelta en Oosterschelde. Een PB is niet vereist wanneer sprake is van een project dat direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied.

Een PB is evenmin vereist wanneer sprake is van de herhaling of voortzetting van een plan of project waarvoor al eerder een PB is gemaakt en wanneer een nieuwe PB geen nieuwe inzichten kan opleveren. In dit geval is dat in relatie tot de MZI's aan de orde. U hebt dan ook volstaan met een verwijzing naar de reeds aangeleverde stukken. Wel is een update gemaakt in verband met wijzigingen ten aanzien van onder andere instandhoudingsdoelstellingen en beheerplannen.

De gevraagde vergunning kan slechts verleend worden, indien ik mij ervan heb kunnen verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied niet aangetast zullen worden. In het onderstaande volgt mijn beoordeling van de effectenanalyse zoals neergelegd in de PB.

Beleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR)

Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld, als opvolger van de Nota Ruimte. Volgens de structuurvisie is het Rijk verantwoordelijk voor en door de EU aanspreekbaar op het nakomen van de in internationaal verband aangegane verplichtingen, inclusief Biodiversiteitsverdrag en de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn.

Beleidsbesluit Schelpdiervisserij

Bij besluit van 1 oktober 2004 is het 'Beleidsbesluit Schelpdiervisserij 2005-2020: Ruimte voor een zilte oogst' vastgesteld. In dit beleidsbesluit is m.b.t. MZI's het volgende bepaald:

[.,.] Alternatieve mosselzaadbronnen kunnen leiden tot een verdere reductie van de vrije mosselzaadvisserij (planet) met behoud van een economisch rendabele visserijtak. Alternatieve bronnen voor mosselzaad kunnen een belangrijke aanvulling vormen op het soms schaarse mosselzaad en bijdragen aan meer continuïteit in de aanvoer. Welke mogelijkheden deze alternatieve bronnen daadwerkelijk bieden kan slechts blijken uit de ontwikkelingen in de praktijk. In het kader van het Innovatieplatform Aquacultuur is reeds een aantal aanvragen voor experimenten gedaan. Voor de aangevraagde experimenten, die kunnen voorzien in nog niet onderzochte lacunes in kennis wil het kabinet ruimte bieden. De experimenten moeten de potenties van de MZI's duidelijk maken en de ecologische en landschappelijke effecten in beeld brengen. Op basis van de uitkomst van het onderzoek zal het kabinet in 2007 besluiten of en onder welke voorwaarden in de Nederlandse kustwateren en/of de Noordzee ruimte gereserveerd kan worden voor commerciële toepassing van MZI's.

Als in 2008 blijkt dat deze vorm van mosselzaadwinning succesvol is dan zal de mosselsector een streefwaarde voor de productie van mosselzaad voor het jaar 2010 worden opgelegd. Het uiteindelijke doel is om de mosselsector minder afhankelijk te maken van de natuurlijke dynamiek en om de vrije mosselzaadvisserij in het waddensysteem terug te dringen. [...]

[...] Bij plaatsing van MZI's en mosselhangcultures komen andere dan bestandsbelangen (garnalenvisserij, natuur, scheepvaart en landschappelijk schoon) in het geding. Voor deze activiteiten dient een helder afwegingskader te worden ontwikkeld. Daarbij wordt met name gedacht aan landschappelijke en ruimtelijke inpassing. Een goede landschappelijke inpassing moet worden gerealiseerd, ook bij bestaande locaties. [...]

Beleidsnota 'Beleid voor mosselzaadinvanginstallaties periode 2015-2018'

Het vigerende MZI-beleid 2015-2018 zou in 2018 geëvalueerd worden, zodat vanaf 2019 nieuw MZI-beleid van kracht zou kunnen zijn. Deze evaluatie blijkt echter meer tijd nodig te hebben. Als gevolg daarvan is het vigerende MZI-beleid met één jaar wordt verlengd. De in 2018 gestarte evaluatie zal worden voortgezet in 2019 en uiterlijk in het najaar van 2019 worden afgerond. Op basis van de resultaten zal dan nieuw MZI-beleid voor de periode vanaf 2020 kunnen worden vastgesteld.

Het voortgezette beleid ten aanzien van MZI's voor de periode 2015-2018 is verwoord in deze beleidsnota die de randvoorwaarden voor de inzet van MZI's voor de komende jaren geeft.

De evaluatie van de beleidsperiode 2010-2013, alsmede de formulering van het beleid voor de periode 2015-2018, is tot stand gekomen op basis van onderzoeksrapportages over het gebruik van MZI's en gesprekken met de belangrijkste betrokkenen bij het MZI-beleid.

De belangrijkste conclusies van de evaluatie zijn o.a.:

  • Er zijn in de afgelopen periode geen aanwijzingen dat het gebruik van MZI's leidt tot nadelige effecten op de natuurwaarden van de Waddenzee, Oosterschelde en Voordelta die als significant zouden kunnen worden beoordeeld vanuit de doelstellingen voor Natura 2000;

  • Er zijn tot nu toe minder MZI-hectares nodig gebleken dan verwacht. Ook zijn negen locaties (deels) niet geschikt gebleken en dienen te vervallen. Voor de nieuwe beleidsperiode zijn daarom enkele nieuwe locaties nodig: een locatie in de Waddenzee (Burgzand) en twee kleinere locaties in de Oosterschelde.;

  • Er zijn beduidend minder MZI's op kweekpercelen geplaatst dan werd verwacht, onder meer vanwege (vermeende) negatieve effecten van MZI's op de mosselkweek op naburige percelen;

  • De huidige uitvoering van het beleid in termen van het toewijzen van locaties en verdelen van rechten heeft naar tevredenheid gewerkt en kan worden gecontinueerd.

Voor de komende periode tot 2018 wordt ingezet op het vergunnen van maximaal 410 ha.

Als het gaat om landschappelijke inpassing [...] is bij de keuze voor locaties gekozen voor de volgende uitgangspunten [...]:

  • Zoveel mogelijk clustering van locaties en clustering binnen MZI-vakken;

  • Zoveel mogelijk parallel aan vaargeulen;

  • Zoveel mogelijk harmonisatie van vorm, materiaal, kleur van alle elementen binnen een locatie;

  • geen MZI's meer op kweekpercelen.

Het behoud van de landschappelijke weidsheid van de Waddenzee is reeds in voorgaande rondes van vergunningverlening op grond van de Nb-wet getoetst in relatie tot de plaatsing en het in werking hebben van MZI's. vanuit die toetsing is het effect van MZI's op de landschappelijke kwaliteit als niet significant aangemerkt onder de voorwaarde van een specifieke kleurstelling van de installatie en haar verankering.

De volgende locaties in de Waddenzee worden vastgesteld voor de transitiebedrijven: Vogelzand, Zuidmeep, Gat van Stompe en Burgzand (nieuwe locatie).

Van de bestaande locatie in de Oosterschelde blijven de volgende locaties voor de transitiebedrijven in gebruik: Neeltje Jans, Vondelingenplaat-west en –noord en Vuilbaard-zuid, met daaraan toegevoegd de nieuwe locaties: Schaar van Colijnsplaat en Oosterschelde Westelijk deel (OSWD).

In de Voordelta blijft de locatie Brouwershavense Gat/Schaar van Renesse gehandhaafd, al verschuift de locatie enigszins naar het westen. De totale oppervlakte van de locaties blijft gelijk aan de situatie in de vorige beleidsperiode.

Structuurvisie Waddenzee (voorheen: Planologische Kernbeslissing Waddenzee (hierna: PKB))

In de PKB is aangegeven dat zowel voor de kokkel- als mosselzaadvisserij door technische en beheersmaatregelen wordt gestreefd naar vermindering van effecten op ecologische waarden van de Waddenzee. Uitwerking van dit PKB-beleid inzake de schelpdiervisserij in de Waddenzee en Oosterschelde voor de jaren 1993-2003 heeft vorm gekregen in de Structuurnota Zee- en kustvisserij (regeringsbeslissing januari 1993). In deze nota zijn onder meer de volgende beleidspunten opgenomen:

  • Gestreefd wordt naar een efficiënter gebruik van het opgeviste mosselzaad zodat in de toekomst minder mosselzaad nodig is voor de kweek van consumptiemosselen. Daarom wordt prioriteit gelegd bij onderzoek naar de verbetering van zaai-, vangst- en transporttechnieken;

  • Aanvragen voor de uitoefening van hangcultures zullen beoordeeld worden binnen de randvoorwaarden die vanuit andere visserijbelangen, natuurbelangen en belangen van andere functies (onder andere scheepvaart, recreatie) van de kustwateren worden gesteld. Voor wat betreft de relatie met de bodemkweek van schelpdieren speelt zowel de concurrentie in de ruimte als voedselconcurrentie een rol. Waar deze concurrentie zich voordoet zal de voorkeur uitgaan naar bodemkweek. Met het oog op de afweging van bovengenoemde belangen wordt in het algemeen terughoudend omgegaan met de ontwikkeling van hangcultures in open water.

Beheerplan Waddenzee 2016-2022

In het beheerplan is het volgende opgenomen ten aanzien van MZI's:

Het gebruik van MZI's is een vergunningplichtige activiteit die afzonderlijk

vergunningplichtig blijft. Het toetsingskader is als volgt:

  • De MZI's zijn gebonden aan een in omvang beperkt areaal.

  • In het winterhalfjaar moeten de MZI's om veiligheidsreden zo nodig worden verwijderd.

  • Werkzaamheden dienen overdag plaats te vinden.

  • Het aantal vaarbewegingen dient zoveel als mogelijk beperkt te blijven.

  • Op deze activiteit zijn ook van toepassing de relevante opmerkingen in de eerder genoemde 'Beschrijving en algemeen toetsingskader mosselzaadvisserij, mosselzaadimport en mosselzaadinvanginstallaties.

Beheerplan Voordelta 2015-2021

In het beheerplan is het volgende opgenomen ten aanzien van MZI's:

De algemene lijn is dat het gebruik van mzi's in de gehele Voordelta, maar buiten

de rustgebieden, is toegestaan, mits:

  • Er een vergunningenprocedure is doorlopen in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 waarbij eventuele voorschriften aan een Nb-wet vergunning zijn gekoppeld die ervoor zorgen dat verslechtering van leefgebieden en habitattypen en/of significante verstoring van soorten niet plaatsvindt.

  • In de Nb-wet vergunning wordt opgenomen dat in het winterrustgebied Middelplaat geen activiteiten (zoals opbouw) plaatsvinden in de periode

    1 november -1 april.

Beheerplan Natura 2000 Deltawateren Oosterschelde 2016-2022

In het beheerplan is het volgende opgenomen ten aanzien van MZI's:

De volgende vergunningplichtige activiteiten blijven afzonderlijk Nb-wet

vergunningplichtig: plaatsen en onderhouden mosselzaadinvanginstallatie (MZI).

4 INHOUDELIJKE BEOORDELING

Afbakening

Gebied

Het plaatsen en gebruik van MZI's vindt plaats in Natura 2000-gebieden Waddenzee, Voordelta en Oosterschelde.

Gevolgen

Ten behoeve van de beoordeling van de gevolgen is geïnventariseerd welke in redelijkheid denkbare typen gevolgen onderzocht moeten worden.

Dit betreft:

  • Effecten op draagkracht

  • Effecten op beschermde habitats (de bodem)

  • Effecten voor beschermde vissoorten

  • Effect van verstoring op zeehonden

  • Effect van verstoring op vogels

  • Zwerfvuil

  • Stikstofdepositie

Natuurwaarden

De natuurwaarden die, naast de reeds in de eerdere PB beoordeelde soorten (bijlage 6 bij dit besluit), beïnvloed kunnen worden zijn:

Waddenzee:

Habitattypen: H2170 Kruipwilgstruwelen

Habitatrichtlijnsoorten: Noordse woelmuis, bruinvis en groenknolorchis

Voordelta

Habitattypen: H2120 Witte duinen

Habitatrichtlijnsoorten: Bruinvis

Oosterschelde:

Habitattypen: H1310B Zilte pionierbegroeiingen en H2130 Grijze duinen kalkrijk,

H2160 Duindoornstruwelen, H7210 Galigaanmoerassen

Habitatrichtlijnsoorten: Fint, bruinvis en grijze zeehond

De diverse beschermde waarden en de relevante instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied staan vermeld op www.rijksoverheid.nl/lnv ('Onderwerpen' >'Natuur en Biodiversiteit' > 'Natura 2000').

Conclusie afbakening

Ik ben van oordeel dat de afbakening van het gebied, gevolgen en natuurwaarden dat door de aangevraagde activiteit beïnvloed zou kunnen worden in de PB op een juiste wijze heeft plaatsgevonden.

Mogelijke effecten en mitigatie

Door IMARES Wageningen UR is op 11 december 2014 een PB opgesteld die de basis vormde van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbwet)-vergunning van 3 maart 2015 (kenmerk DGAN-NB/15027397).

Voor de onderhavige vergunningaanvraag is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Het betreft een update van de PB, waarbij de wijzigingen ten opzichte van de PB uit 2014 centraal staan. Om een effectinschatting te maken zijn de mogelijke effecten van de eventuele wijzigingen in kaart gebracht en is specifiek gekeken naar de natuurdoelen, met inbegrip van hun staat van instandhouding.

  1. Habitattypen

Op basis van de inschatting van effecten uit de originele PB met de nieuwe kennis uit de update, wordt voor geen enkel instandhoudingsdoel een significant negatief effect verwacht.

Een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen is uit te sluiten. Er is geen sprake van verslechtering van natuurlijk habitat in het betreffende Natura 2000-gebied.

Om te waarborgen dat er geen negatieve effecten van activiteit op de genoemde habitattypen plaatsvinden, verbind ik aan de vergunning nadere voorschriften (voorschriften 21 en 22).

  1. Habitatrichtlijnsoorten

Op basis van de inschatting van effecten uit de originele PB met de nieuwe kennis uit de update, wordt voor geen enkel instandhoudingsdoel een significant negatief effect verwacht.

Een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen is uit te sluiten. Er is geen sprake van verslechtering van het leefgebied in het betreffende Natura 2000-gebied en ook geen verstoring van de soort. Om te waarborgen dat er geen negatieve effecten van activiteit op de genoemde habitatsoorten plaatsvinden, verbind ik aan de vergunning nadere voorschriften (voorschriften 14 tot en met 20).

  1. Vogelrichtlijnsoorten

Niet-Broedvogels

Op basis van de inschatting van effecten uit de originele PB met de nieuwe kennis uit de update, wordt voor geen enkel instandhoudingsdoel een significant negatief effect verwacht.

Een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen is uit te sluiten. Er is geen sprake van verslechtering van leefgebied in het betreffende Natura 2000-gebied en ook geen verstoring van de soort. Om te waarborgen dat er geen negatieve effecten van activiteit op de genoemde vogelrichtlijnsoorten plaatsvinden, verbind ik aan de vergunning nadere voorschriften (voorschriften 14, 15, 18 tot en met 20).

 

  1. Stikstofdepositie

De MZI's in de Waddenzee, Voordelta en Oosterschelde waren reeds aanwezig in 2012-2014, hetgeen betekent ze geen beroep op de ontwikkelingsruimte doen, omdat die reeds passend beoordeeld is binnen het PAS.

Ten opzichte van de reeds in het kader van de PAS passend beoordeelde depositie is geen toename te verwachten, waardoor een berekening met AERIUS niet nodig is.

Cumulatie

Bij vergunningverlening voor een project dient een beoordeling plaats te vinden van de cumulatieve gevolgen indien het project, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen, significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. Vergunning kan alleen verleend worden als het project afzonderlijk of in combinatie met andere projecten geen significante gevolgen heeft.

Ik heb hiervoor reeds geconcludeerd dat de uitvoering van de voorgenomen activiteit zelfstandig beschouwd, niet kan leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het betreffende Natura 2000-gebied of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.

Cumulatieve effecten van het gebruik van MZI's op de geselecteerde locaties kunnen zich voordoen door interactie tussen de locaties in een bepaald gebied voor de verschillende criteria (draagkracht en verstoring) en door interactie van MZI's met ander gebruik in de nabijheid van de locaties.

Wat betreft cumulatie van effecten op verschillende locaties kan vastgesteld worden dat deze binnen de relevante gebieden zo ver uit elkaar liggen dat cumulatie niet zal optreden. Wat cumulatieve effecten op draagkracht betreft, is er uitgegaan van een beoordeling op het schaalniveau van de stroomgebieden. Effecten op dat niveau zijn als niet significant aangemerkt.

In de PB is voor de verschillende visserijvormen en recreatie gekeken of deze activiteiten mogelijk een effect hebben op dezelfde aspecten als MZI's (draagkracht en verstoring).

Ik concludeer dat in de aangeleverde PB een volledige en juiste cumulatie-toetsing is uitgevoerd.

5 AFWEGINGSKADER SVIR

Aangezien in dit geval het afwegingskader van de SVIR het afwegingskader van de Vogel- en Habitatrichtlijn volgt, is met het doorlopen daarvan, conform artikel 2.8, lid 1, Wnb, materieel aan de vereisten van het afwegingskader van de SVIR voldaan.

6 CONCLUSIE VERGUNNINGVERLENING

Met de door u uitgevoerde PB als bedoeld in artikel 2.8, lid 1, van de Wnb, is de zekerheid verkregen dat met het uitvoeren van de aangevraagde activiteit, rekening houdend met de relevante instandhoudingsdoelstellingen en met inachtneming van de in de vergunning opgenomen voorschriften, waaronder mitigerende maatregelen, geen aantasting zal optreden van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Waddenzee, Voordelta en Oosterschelde.

Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat de gevraagde vergunning, onder de opgenomen voorschriften en beperkingen, kan worden verleend.

Naar boven