Onderwerp: Bezoek-historie

Militair Rechtelijk Tijdschrift - Jaargang 119 - 2026 - aflevering 1

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

MRT 2026, editie 1

Inhoud

Bijdrage - Beschouwing
Titel: Militair-juridisch onderwijs in de initiële officiersopleidingen
Auteur: KTZ(LD) mr. dr. M.D. Fink

Bijdrage - Beschouwing
Titel: Bijzondere bevoegdheden op de grond en in de lucht: Staatsnoodrecht in de militaire luchtvaart
Auteur: mr. L. van Pelt

Bijdrage - Opinie
Titel: Werktijden in de initiële opleiding aan de KMA
Auteur: majoor mr. M.A.M. van Straalen

Militair-juridisch onderwijs in de initiële officiersopleidingen

Militair-juridisch onderwijs in de initiële officiersopleidingen

Door KTZ(LD) mr. dr. M.D. Fink1

Inleiding

Sinds enkele jaren bestaat de mogelijkheid voor militair juristen om geplaatst te kunnen worden bij de United States Army Academy West Point (West Point). Deze militaire academie verzorgt de initiële opleiding voor Amerikaanse landmacht-officieren. Luitenant-kolonel mr. Mehmet Ҫoban geeft in dit tijdschrift een mooie inkijk in de juridische opleidingen die West Point biedt, waar Nederlandse militair juristen onderdeel van zijn.2 Zijn bijdrage biedt mij gelegenheid ook eens de militair-juridische opleidingen voor (aspirant)officieren binnen de Nederlandse krijgsmacht onder de aandacht te brengen. Aangezien het militair-juridisch onderwijs in de Nederlandse opleidingen voor aspirant-officieren zich moeilijk laat vergelijken met dat van West Point, is mijn opzet geen vergelijking, maar een uiteenzetting van de Nederlandse opleidingen.

De Nederlandse krijgsmacht kent verschillende soorten opleidingen voor officieren waarbinnen militair-juridisch onderwijs wordt gegeven. Eén wijze van indelen is een onderverdeling in drie categorieën: 1) de initiële opleidingen voor aspirant-officieren aan de opleidingsinstituten van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA), 2) de loopbaanopleidingen voor officieren, en 3) de militair-juridische opleiding voor militair juristen. Ik beperk mij tot de eerste categorie en schets het huidige militair-juridisch onderwijs in de initiële officiersopleidingen. Ook sta ik stil bij de Sectie Militair Recht van de Faculteit Militaire Wetenschappen van de NLDA, die het militair-juridisch onderwijs in deze opleidingen verzorgt.

De Nederlandse Defensie Academie

De NLDA verzorgt zowel initiële- als loopbaanopleidingen.3 De initiële opleidingen voor cadetten en adelborsten vinden plaats aan het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM), de Koninklijke Militaire Academie (KMA) en de Faculteit Militaire Wetenschappen (FMW). Het KIM en de KMA verzorgen de militaire opleidingen tot officier bij de vier krijgsmachtsdelen. De FMW verzorgt het wetenschappelijk deel van de opleiding tot officier. De FMW verzorgt daarnaast ook meerdere universitaire master-programma's (Military Strategic Studies, Military Technology, Processes & Systems en Defence Management of Compliance and Innovation).4 Aangezien deze primair bedoeld zijn voor officieren5 die zich in een verder stadium van hun loopbaan bevinden terwijl dit artikel focust op initiële opleidingen, worden deze hier niet verder besproken.

Er bestaan verschillende manieren om officier in de krijgsmacht te worden. Dat varieert van de militair wetenschappelijke opleiding (MWO), ook wel het lang model genoemd, tot de korte opleidingen tot officier (KOO), opleidingen voor specialisten (SPEC), de specialistische opleidingen en de opleiding voor reservisten.

De MWO is een vierjarige opleiding, die bestaat uit een opleiding tot militair en een wetenschappelijk traject dat leidt tot het behalen van een bachelor graad in één van de drie studierichtingen: Krijgswetenschappen (KW), Militaire Bedrijfswetenschappen (MBW) of Militaire Systemen & Technologie (MST). Voor de aspirant-officier die deze opleiding volgt, is het bachelortraject van de FMW verweven met officiersopleiding aan het KIM of de KMA.

De korte opleidingen tot officier vinden aan het KIM of de KMA plaats. Deze staan open voor personen die al een hbo- of wo-opleiding hebben afgerond. De vier operationeel commando's hebben elk hun eigen opleiding. Momenteel wordt gewerkt aan het samenvoegen van opleidingen tot een gezamenlijke Defensiebrede Korte Officiers Opleiding (DKOO). De duur van de korte opleidingen verschilt van twintig weken tot twee jaar, afhankelijk van het krijgsmachtsdeel. De opkomstmomenten voor de korte opleidingen verschillen en kunnen meerdere keren per jaar plaatsvinden.

De opleiding voor specialisten is een korte opleiding van tien weken en is bedoeld voor bijvoorbeeld medisch en religieus personeel of andere officieren met een specialisme, zoals communicatieadviseur, fysiotherapeut of redacteur. Een specialistische opleiding is een opleiding voor groepen officieren waarvoor een bijzonder curriculum is samengesteld. De enige specialistische opleiding op dit moment is de postacademische opleiding Militair Juridische Dienst Krijgsmacht (PAO-MJDK). Ten slotte is er de initiële opleiding voor reserveofficieren (IRO).

De Sectie Militair Recht

In alle genoemde officiersopleidingen wordt militair recht6 onderwezen door medewerkers van de Sectie Militair Recht.7 De Sectie valt binnen de Vakgroep Krijgswetenschappen van de FMW. Tot voor kort bestond de sectie voornamelijk uit militairen. Tegenwoordig kent de sectie ook meerdere posities voor burgerjuristen. De sectie is opgebouwd uit de gebruikelijke academische functies met (militaire) docenten, universitair docenten, universitair hoofddocenten en een hoogleraar.8 Bovendien maakt de sectie ten behoeve van het onderwijs in het lang model gebruik van de militaire leden van de militaire kamer van de rechtbank in Arnhem om als gastsprekers op te treden in het vak militair straf- en tuchtrecht. Ten slotte is momenteel een promotieonderzoeker als reservist verbonden aan de sectie.

De docenten richten zich primair op de korte opleidingen aan het KIM en de KMA en de specialistenopleidingen. De universitair docenten, hoofddocenten en de hoogleraar hebben, gelijk bij een civiele universiteit, twee hoofdtaken: onderwijs in de bachelor- en masteropleidingen van de FMW en het doen van wetenschappelijk onderzoek. De universitair docenten, hoofddocenten en de hoogleraar dienen in beginsel gepromoveerd te zijn. Dat betekent dat aan de militaire functies zowel een rang als een wetenschappelijke functie-eis is verbonden. Het CLAS9 en het CZSK10 vullen een universitaire functie. De militaire universitair hoofddocent (kolonel) kan rouleren tussen de krijgsmachtsdelen. Naast genoemde kwalificaties zijn alle leden van de sectie verplicht hun basiskwalificatie onderwijs (BKO) te behalen. Deze opleiding in didactische bekwaamheid is een vereiste voor het mogen geven van universitair onderwijs.

Bachelors

Voor het lang model is het juridisch onderwijs verweven in de drie bacheloropleidingen (KW, MBW en MST). Het aanbod van juridische vakken voor de aspirant-officier is afhankelijk van de gekozen bachelor. Voor elke student is het vak humanitair oorlogsrecht (HOR) verplicht. Dit vak wordt in het eerste jaar van de bachelor gegeven. Daarnaast komt staatsrecht in relatie tot de krijgsmacht in het vak Krijgsmacht, Politiek en Staat (KPS) aan de orde, dat ook voor iedereen verplicht is. Na een gezamenlijke periode, kiezen de aspirant-officieren een bachelor-richting en is het aanbod militair recht afhankelijk van de gekozen richting.

De bachelor Krijgswetenschappen heeft het grootste aanbod. Militair recht is één van de vijf leerlijnen op grond waarvan het curriculum is opgebouwd. In KW wordt het vak Internationaal Recht onderwezen en in het derde jaar kan voor een minor Militair Recht worden gekozen. De minor bestaat uit vijf vakken: militair straf- en tuchtrecht, militair ambtenarenrecht, rechtsbases, rechtsregimes (HOR en mensenrechten) en een (mini)scriptie, waarbij de studenten zelf hun juridisch onderwerp mogen kiezen. Aangezien de studenten kunnen kiezen uit drie minor-richtingen en ook de mogelijkheid hebben een minor aan een andere universiteit te volgen, volgt hieruit dat niet elke KW-student de minor militair recht volgt. De minor staat ook open voor studenten van een civiele universiteit. Naast de juridische vakken wordt in afzonderlijke colleges in andere vakken (zoals militaire operaties en strategie11) stilgestaan bij recht.

Voor bachelor studenten in de studierichting MBW is naast HOR en KPS, militair straf- en tuchtrecht en militair ambtenarenrecht verplicht in het vierde jaar. MBW heeft daarmee het grootste aantal verplichte studiepunten dat voor militair recht behaald moet worden. Met uitzondering van de adelborsten die een aantal juridische vakken in het officiersopleidingsgedeelte verplicht krijgt gesteld, heeft MST na de gezamenlijke bachelor periode geen juridische vakken meer in het verdere curriculum. Voor adelborsten die MST doen, zijn de juridische vakken van de korte opleiding aan het KIM verplicht.

In het vierde jaar kunnen studenten kiezen een juridische eindscriptie te schrijven. Voor wie de minor militair recht en een juridisch eindscriptie succesvol heeft afgerond, bestaat de mogelijkheid een master internationaal publiekrecht aan de universiteit Utrecht of Amsterdam te volgen.

Korte opleidingen

In elk van de korte opleidingen wordt militair recht verzorgd. Dit bestaat uit een vak waarin alle standaardaspecten van het militair recht aan bod komen. Het KIM heeft het meest uitgebreide curriculum militair recht voor het kort model.12 Daar behoren vier vakken tot het curriculum: nationaal militair recht,13 internationaal publiekrecht,14 HOR, en voor de logistieke dienst wordt een aantal praktische lessen gedraaid dat adelborsten laat kennismaken met verschillende juridische organisaties binnen en buiten de krijgsmacht waar zij in de toekomst mee te maken kunnen krijgen. Deze vakken zijn ook voor de adelborsten officieren van het lang model verplicht. Hiermee wordt ondervangen dat ook de adelborsten die de technische bachelor kiezen nog vakken militair recht moeten volgen (zie schema 1). Voor de korte opleidingen van het CLAS, CLSK en Koninklijke Marechaussee (KMar) wordt militair recht in één vak van een aantal colleges gegeven.

De vakken van de korte opleiding worden verschillende keren per jaar gedraaid. Dit heeft onder meer te maken met de meerdere opkomstmomenten en met het feit dat het KIM daarnaast ook differentieert in opleidingen voor de verschillende korpsen, zoals de zeedienst, logistieke dienst en mariniers. Naast de juridische vakken komen sommige juridische aspecten nog als leerdoel in een ander vak naar voren, waar invulling aan wordt gegeven door een colleges in die vakken. Zo worden in de opleiding voor de KMar de werking van de Politiewet en de taken van de marechaussee onder de aandacht gebracht.

Master en specialistische opleidingen

In de Master Security Studies (MSS) maakt het vak International Law of Military Operations (ILMO) deel uit van de studierichting War Studies. In enkele andere vakken binnen deze opleiding worden ook colleges over het recht gegeven. Zo wordt in het vak Europees Stratego ingegaan op het recht van internationale organisaties. Voor de opleidingen voor specialisten en reservisten bestaan ook colleges militair recht die alle aspecten van het militair recht (in een notendop) aanstippen.

Onderzoek

Zoals hierboven genoemd, is onderzoek de tweede hoofdtaak van de Sectie Militair Recht.15 Sinds het lange model officiersopleiding in 2005 een universitaire bacheloropleiding is geworden,16 zijn er voor militair juristen geplaatst bij de FMW twee verplichtingen bijgekomen: 1) Voor een aantal functies zijn aanvullende academische kwalificaties vereist. En 2) van degenen die op deze functies zijn geplaatst, wordt verlangd dat zij zich naast onderwijs ook richten op het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek.

Wetenschappelijke functie-eis

De universitair (hoofd)docenten moeten in beginsel in het bezit zijn van een doctorstitel. Dit maakt dat er dus drie militair-juridische functies binnen het militair juristen bestand bestaan waarvoor een afgerond promotieonderzoek is vereist. Tezamen met de drie burgerfuncties binnen de sectie, maakt dat er zes gepromoveerde juristen nodig zijn. De FMW heeft (nog) geen promotierecht, zodat de doctorstitel aan een civiele universiteit behaald moet worden.

De militair-juridische scholing voor militair juristen kent, kort genomen, vier soorten scholing: Initiële, bijscholing, brevettering en specialistische scholing. De Richtinggevende Kaders MJDK (2006) geeft aan dat onder specialistische scholing zowel de scholing voor diegenen die als militair lid gaan functioneren bij de militair kamer van de rechtbank in Arnhem, als de opleiding voor militair juristen die als U(H)D aan de FMW worden geplaatst wordt verstaan. Voor de rechtbankfuncties bestaat een (civiel) opleidingstraject waar kandidaat-militaire leden voor worden aangemeld alvorens op functie te starten. Het voorbereidingstraject voor de FMW wordt mogelijk gemaakt door het promotiebeleid van de krijgsmachtsdelen. Zo wijst het CZSK-beleid specifiek naar de UD-functie voor een gepromoveerde militair jurist aan de FMW.

Tot op heden wordt aan de functie-eis doorgaans invulling gegeven door het promotieonderzoek te starten op het moment dat de militair aan de functie begint. De huidige realiteit is namelijk dat de academische aansluiting via het promotiebeleid van de krijgsmachtsdelen slechts sporadisch door militair juristen wordt gebruikt. Dit betekent dat voor de universitair docenten functies (LTZ1 en LKOL) er meestal geen academisch gekwalificeerde officier-juristen binnen het gehele bestand bestaan. Het 'PhD-treintje', zoals BGEN Paul Ducheine dit noemde, mist daarmee enkele wagons.17 Sinds de evolutie naar een universitaire bachelorsopleiding die twintig jaar geleden gestart is, is er tot op heden geen gepromoveerde militair jurist18 geweest voor de universitair docenten functies. Voor de universitair hoofddocent was er tot nu toe altijd wel iemand die zowel was gepromoveerd als de rang van kolonel mocht bereiken. Het huidige bestand militair juristen kent momenteel vier gepromoveerden.19

Het onderzoeksgedeelte van de functie wordt daarmee ingevuld met de start van een promotietraject. Ofschoon dit voor het onderwijs geen enkel issue oplevert, kan dit (nog los van meer organisatorische onderwerpen, zoals accreditatienormen), minder ideaal zijn voor zowel de invulling van het onderzoeksgedeelte, als de militair jurist zelf. Promotieonderzoek, het genereren van inhoudelijk rendement en het ontwikkelen van een wetenschappelijk netwerk zijn doorgaans lange trajecten. Het is daarmee ook een uitdaging om dit binnen een normale militaire functieduur af te ronden. Voor de militaire promovendus persoonlijk ontstaat dan de uitdaging een promotie in een vervolgfunctie te moeten afronden. Actievere aansluiting bij de mogelijkheden van het promotiebeleid zou een toekomstige kandidaat beter op voorhand voorbereiden, meer inhoudelijk rendement geven en in staat stellen het promotietraject binnen redelijke termijnen af te ronden.

Wetenschappelijk onderzoek

Naast de functie-eis wordt wetenschappelijk personeel van de FMW geacht om, naast het verzorgen van onderwijs, wetenschappelijk onderzoek te verrichten. Militair juristen die op een academische functie zijn geplaatst zullen zich op een wetenschappelijke wijze op het gebied van militair recht dienen te verdiepen. Dit vertaalt zich concreet naar onder meer verschillende vormen van output, zoals publicaties over het hele palet van vak- tot lekenpublicaties, het organiseren van, spreken bij en deelname aan relevante congressen en workshops, geven van gastcolleges en het geven van duiding (aan bijvoorbeeld de media, politiek of andere interesse groepen, waaronder academische studieverenigingen) over militair-juridische onderwerpen. Zo is bijvoorbeeld de duiding van professor Zwanenburg over humanitair oorlogsrechtelijke aspecten van het Gaza en Oekraïne-Rusland met grote regelmaat in verschillende media te vinden, waren leden van sectie betrokken bij de duiding over internationaalrechtelijke aspecten van de Gaza voor de Vaste Kamercommissie, en (mede)organiseerde de sectie conferenties over diversification of civilian agency, het gebruik van biometrie in militaire operaties20 (tezamen met het CCDCOE in Tallinn, waar ook een Nederlandse militair jurist is geplaatst), het Oekraïne conflict en de bescherming van krijgsgevangenen.21 Naast de studie van het militair recht is het uiteraard ook de bedoeling dat onderzoek terugvloeit in de bachelor- en masteropleidingen voor de aspirant-officieren.

De onderzoekagenda van de Sectie komt in grote lijnen op drie wijzen tot stand. In de eerste plaats door een focus op nieuwe ontwikkelingen op juridisch gebied die van belang zijn voor de krijgsmacht (zoals ruimte, artificial intelligence en het gebruik van data in militaire operaties). Eén van de factoren voor het doen van onderzoek is beleidsrelevantie voor defensie, dat onder meer kan blijken uit beleidsstukken zoals een strategische kennis en innovatieagenda of de defensievisie. Twee onderzoekers van de sectie doen momenteel promotieonderzoek op militair ruimterechtelijke onderwerpen. In de tweede plaats kan de onderzoekagenda geleid worden door actualiteiten. Zoals de militair-rechtelijke aspecten van conflicten in Gaza en Oekraïne, maar ook de huidige focus van de krijgsmacht op hoofdtaak en het effect ervan op het militaire recht. En in de derde plaats wordt onderzoek geleid door de specifieke expertise van de aan sectie verbonden onderzoekers. Hier kan gewezen worden op onderwerpen zoals staatsaansprakelijkheid, repressief en restoratief juridisch defensieoptreden na ongewenst gedrag van militairen, militair tuchtrecht en maritiem-rechtelijke onderwerpen.

Als onderdeel van de Vakgroep Krijgswetenschappen is de sectie onderdeel van het War Studies Research Centre (WSRC); het onderzoekscentrum van de Vakgroep Krijgswetenschappen. Naast een interdisciplinaire focus van krijgswetenschappen, kan het WSCR kan onder meer zorgen voor budget en organisatorische ondersteuning. Het onderzoek van de sectie is daarnaast ook genetwerkt met andere externe onderzoekkringen. In dit verband kan het Law of armed conflictand military operations onderzoeksprogramma aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) genoemd worden. Dit programma is een autonoom onderzoekprogramma binnen het Amsterdam Center for International Law (ACIL) van de UvA. Dit programma staat ook onder leiding van professor Zwanenburg, in de hoedanigheid van hoogleraar Militair Recht aan de UvA. In het kader van het onderzoeksprogramma worden regelmatig bijeenkomsten georganiseerd van het Law of Armed Conflict and Peace Operations (LACPO) research forum. Dit forum is een netwerk dat bestaat uit vakgenoten van verschillende universiteiten, instituten en relevante ministeries. Netwerken met andere academische instituten of militair-rechtelijke studieverenigingen komt onder meer tot stand door het netwerk dat de militair-jurist zelf meebrengt en toevoegt aan de sectie. Zo zijn onderzoekers onder meer verbonden aan verschillende projecten, zoals de update het San Remo Manual project en het West Point Manual over AI, als redacteur betrokken bij de Articles of War blog van het Lieber Institute van West Point of betrokken als cursusleiders bij het Institute of international humanitiarian law (IIHL) te San Remo.

Ter conclusie

Elke aspirant-officier wordt in de initiële opleidingen aan militair recht blootgesteld. Uit de uiteenzetting hierboven mag geconcludeerd worden dat door verschillende factoren zoals de langere en kortere duur, niveaus en bachelor-richtingen en daaraan gekoppelde eindtermen, het aantal uren en onderwerpen dat aan militair recht wordt besteed in de initiële opleidingen voor aspirant-officieren verschilt.

Sinds de oprichting van de FMW in 2005 hebben er veranderingen plaatsgevonden in het militair-juridisch onderwijs aan de initiële officiersopleidingen. Dit ligt bij de aanvullende wetenschappelijke functie-eisen voor militair juristen en in hun taakuitvoering, waar naast er een onderzoekstaak bij is gekomen. Er bestaat ruimte om militair juristen beter voor te bereiden voor hun taak door actiever gebruik te maken van het promotiebeleid van de krijgsmachtsdelen. Het beperkt aantal functies die dit vereisen betekent overigens ook dat er geen 'volksstammen' nodig zijn, maar dat een dergelijk pad voor enkele enthousiastelingen gestimuleerd zou kunnen worden.

Hoewel ik mij in deze bijdrage heb beperkt tot het militair-juridisch onderwijs in de initiële officiersopleidingen, is dit onderwerp mijns inziens een aspect van een breder onderwerp over het volledige militair rechtelijke opleidings- en kennislandschap, waarover geen overkoepelende verantwoordelijkheid lijkt te zijn. Dit houdt, zoals ik in de inleiding aangaf, onder meer het militair juridisch onderwijs in de loopbaanopleidingen in, alsook de opleiding en inrichting van het kennislandschap voor militair juristen zelf. In dit perspectief zouden onderwerpen aan de orde kunnen komen die bijvoorbeeld ingaan op aansturing van leerlijnen in loopbaanopleidingen, opleidingen voor militair juristen (waaronder de PAO-MJDK en de MOR-J22), de inhoud van en selectie voor het brevet militair juridisch vorming, het beter afstemmen van (de facto) vier studieverenigingen militair recht,23 coördineren en inzetten van juridische kennisteams, of de inbedding van het Militair Rechtelijk Tijdschrift of misschien wel de Nederlandse Militair Juridische Bibliotheek. In ieder geval is het wel zo dat de MJD alle elementen in huis heeft dat benodigd is voor een robuust opleidings- en kennisnetwerk dat zowel onze primaire klanten (de krijgsmacht) als onszelf (militair juristen) kan bedienen.

Bijzondere bevoegdheden op de grond en in de lucht: Staatsnoodrecht in de militaire luchtvaart

Bijzondere bevoegdheden op de grond en in de lucht: Staatsnoodrecht in de militaire luchtvaart

Door mr. L. van Pelt

1 Inleiding

De internationale veiligheidssituatie is de afgelopen jaren aanzienlijk verslechterd. De Russische agressie tegen Oekraïne vormt niet alleen een directe bedreiging voor de oostflank van Europa, maar werpt ook een schaduw over de veiligheid van andere NAVO-lidstaten, waaronder Nederland. In dit geopolitieke krachtenveld neemt het risico toe dat ons land in een situatie wordt geplaatst waarin snelle militaire inzet noodzakelijk is, via artikel 5 van het NAVO-verdrag of anderszins.1 In het licht van deze dreiging bestaat de mogelijkheid dat grootschalige verplaatsingen van bondgenootschappelijke troepen en materieel door Europa vereist worden.

Dergelijke operaties vereisen niet alleen militaire capaciteit, maar ook een juridisch kader dat het mogelijk maakt om in korte tijd de benodigde middelen beschikbaar te stellen. Als deze normale voorbereidingen en bevoegdheden ontoereikend blijken, komt in het uiterste geval het staatsnoodrecht in beeld als juridisch instrumentarium dat buitengewone bevoegdheden kan bieden.

Nederland is strategisch gelegen en voorzien van een hoogwaardig logistiek netwerk, waardoor het een centrale rol kan vervullen als doorvoerland in het militaire logistieke systeem van de NAVO.2 Het Nederlandse 'National Plan Military Mobility' noemt Nederland daarin een 'Gateway to Europe'. Een titel die in militaire zin zeer betekenisvol is.3 In dit kader streeft Nederland ernaar om in 2035 koploper te zijn op het gebied van militaire mobiliteit, en volledig ingericht te zijn om succesvol te functioneren als zowel doorvoerland als gastland.4

Host Nation Support (HNS) vormt binnen deze context een belangrijk kader waarbinnen de ondersteuning van bondgenootschappelijke strijdkrachten door Nederland als gast- en doorvoerland plaatsvindt. HNS wordt gedefinieerd als 'civiele en militaire bijstand verleend in vredestijd, tijdens crisissituaties of oorlog door een Host Nation aan NAVO- en/of andere strijdkrachten en NAVO-organisaties die zich bevinden op, opereren op/vanaf of in transit zijn door het grondgebied van een Host Nation'.5 Het leveren van zulke bijstand moet op basis van nationale wetgeving, nationale prioriteiten en de feitelijke mogelijkheden, in de grootst mogelijke mate worden geleverd.6 In dat kader is door de NAVO een voorbeeld Memorandum of Understanding (MoU) opgesteld. Hierin is vastgelegd dat de Host Nation bijstand verleent binnen haar maximale capaciteit, afhankelijk van de beschikbaarheid en met inachtneming van de praktische beperkingen die de op dat moment bestaande omstandigheden met zich brengen.7 De te leveren bijstand omvat niet alleen militaire ondersteuning, maar kan ook civiele en commerciële middelen betreffen.8 De precieze uitwerking van de te leveren bijstand kan per operatie verschillen en wordt per nadere overeenkomst vastgesteld.9 De omvang van de te leveren HNS is afhankelijk van de schaal van de betreffende militaire operatie. Binnen deze context neemt de militaire luchtvaart een belangrijke positie in.

Een grootschalige militaire verplaatsing zoals beschreven heeft veel baat bij de mogelijkheid om personen, materieel en eenheden via de lucht te verplaatsen. Dit vereist beheersing van het nationale luchtruim en de inzet van luchtverkeersdienstverlening en luchtvaartinfrastructuur. Deze functies worden in Nederland grotendeels door civiele organisaties vervuld. Tegelijkertijd kunnen zij in een noodsituatie een directe betekenis krijgen voor de uitvoering van militaire operaties. In het geval van een noodsituatie is het aannemelijk dat de bestaande militaire capaciteiten onder druk komen te staan.10 De Nederlandse Doctrine voor Air & Space Operations geeft aan dat nu al in aanloop naar een operatie een piekbelasting ontstaat waarvoor de eigen luchttransportcapaciteit onvoldoende is.11 In een situatie waarin de grootschalige verplaatsingen zoals hiervoor beschreven vereist worden zal deze belasting alleen nog maar toenemen, waardoor een grotere afhankelijkheid van aanvullende civiele middelen ontstaat. Echter wordt in de doctrine geen woord gerept over de inzet van civiele luchtvaartcapaciteiten. De Nederlandse Defensie Doctrine geeft daarentegen ook aan dat HNS zich niet beperkt tot militaire hulp, en dat Nederland als gastland ervoor moet zorgen dat HNS op alle niveaus wordt geleverd.12 Juist in een noodsituatie waarin grootschalige troepenverplaatsing nodig is ligt het voor de hand dat in het kader van HNS in de militaire luchtvaart ook civiele luchthavens, luchtverkeersleiding en luchtvaartuigen worden ingezet ter ondersteuning van de militaire verplaatsingen. In zo'n situatie zullen tijdsdruk en capaciteitsgebrek immers een grote rol kunnen spelen. Dit vereist wel een gedegen bestuurlijke en juridische voorbereiding, zodat de noodzakelijke ondersteuning ook daadwerkelijk snel en effectief kan worden geleverd. De voorbereidingen moeten in de eerste plaats op de normale manier vooraf worden uitgevoerd, waarbij het van belang is dat het Ministerie van Defensie reeds in normale omstandigheden, dus vóór een noodtoestand, afspraken maakt met civiele partijen zoals luchtverkeersleiding, luchthavenexploitanten en luchtvaartmaatschappijen.

Als deze bestuurlijke en juridische voorbereiding echter ontoereikend blijven, kan het staatsnoodrecht uitkomst bieden. Daarbij rijst de vraag welke bevoegdheden het staatsnoodrecht precies biedt voor de ondersteuning van militaire luchtvaartoperaties in noodsituaties, en welke juridische knelpunten zich voordoen bij het gebruik van de bevoegdheden. Deze vraag zal in dit artikel beantwoord worden in het licht van een situatie waarbij een snelle en grootschalige militaire verplaatsing richting het oosten geboden is. Daarmee worden de mogelijkheden voor Defensie in kaart gebracht. Tevens beoogt dit artikel een bijdrage te leveren aan de modernisering die nu gaande is en de toekomstbestendigheid van het staatsnoodrecht in relatie tot de militaire luchtvaart.13

Dit artikel is als volgt opgebouwd. Na deze inleiding schetst paragraaf 2 het juridische kader van het staatsnoodrecht, met aandacht voor de constitutionele grondslag, de systematiek van de uitzonderingstoestand en de inzet van afzonderlijke noodbevoegdheden. Vervolgens worden in Paragraaf 3 de bevoegdheden besproken die zien op het gebruik en de regulering van het luchtruim, in paragraaf 4 de bevoegdheden met betrekking tot het inzetten van luchthavens en bijbehorende infrastructuur, en in paragraaf 5 de bevoegdheden die betrekking hebben op militaire luchtvaartoperaties. Het artikel wordt afgesloten met enkele laatste opmerkingen over het staatsnoodrecht.

2 Het staatsnoodrecht

Het staatsnoodrecht is het recht dat de overheid in staat stelt om in alle mogelijk denkbare noodsituaties snel en doeltreffend op te treden.14 Het kent buitengewone bevoegdheden toe die afwijken van de normale wet- en regelgeving, zodat de nationale veiligheid en openbare orde ook in uitzonderlijke situaties beschermd kunnen worden. Deze bevoegdheden staan verspreid over verschillende wetten en kunnen bijvoorbeeld worden ingezet in het kader van rampenbestrijding, volksgezondheid en militaire spanningen.15

2.1 Inwerkingstelling van het staatsnoodrecht

De grondwettelijke basis voor het staatsnoodrecht wordt gevormd door artikel 103 Grondwet (Gw). In dit artikel is bepaald dat de wet voorschrijft in welke gevallen, ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid, bij koninklijk besluit een uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd. In de Coördinatiewet Uitzonderingstoestanden (CWU) is de wijze van afkondiging van een uitzonderingstoestand in de zin van artikel 103 Gw verder uitgewerkt.

De CWU voorziet in twee vormen van uitzonderingstoestand: de beperkte en de algemene noodtoestand.16 Beide noodtoestanden worden afgekondigd bij koninklijk besluit op voordracht van de Minister-President waarna dit direct wordt medegedeeld aan de Staten-Generaal.17 Tijdens de beperkte noodtoestand kunnen ingevolge artikel 7 lid 1 CWU de bepalingen op Lijst A in werking worden gesteld. Wanneer de algemene noodtoestand ingevolge artikel 8 lid 1 CWU is afgekondigd komen ook de meer verstrekkende bepalingen op lijst B daarvoor in aanmerking, inclusief bevoegdheden die in de artikel 103 lid 2 Gw opgenomen grondrechten kunnen beperken.18

In de wettelijke uitwerking van artikel 103 Gw is ook rekening gehouden met het feit dat crisissituaties zich in uiteenlopende gradaties kunnen voordoen. Niet elke bijzondere omstandigheid bereikt een niveau dat de afkondiging van een noodtoestand noodzakelijk maakt. Tegelijkertijd kan zich wel een situatie voordoen waarin het gebruik van specifieke noodbevoegdheden onvermijdelijk wordt geacht. Daarom is voorzien in de mogelijkheid om dergelijke bevoegdheden zelfstandig in te zetten, zonder dat een algemene of beperkte noodtoestand wordt uitgeroepen. Dit wordt separate toepassing genoemd.19

De CWU regelt het formele proces voor het inwerkingtreden van een uitzonderingstoestand. De lijsten A en B bevatten echter geen inhoudelijke bevoegdheden. De lijsten verwijzen naar de wettelijke bepalingen waarin deze bevoegdheden zijn neergelegd. De noodbevoegdheden zijn zelf opgenomen in de afzonderlijke wetten, zoals de Oorlogswet voor Nederland (OWN), de Vorderingswet en de luchtvaartwetgeving. De plaatsing van een bepaling op lijst A of B bepaalt uitsluitend in welke vorm van uitzonderingstoestand de betreffende bevoegdheid kan worden toegepast. Daarnaast is in de desbetreffende wetsartikelen zelf geregeld of en onder welke voorwaarden separate toepassing mogelijk is.

Binnen het staatsnoodrecht is zo een stelsel ontwikkeld waarin de inzet van noodbevoegdheden langs een escalatieladder kan worden opgeschaald. Afhankelijk van de ernst van de omstandigheden kan worden volstaan met de separate toepassing van noodbepalingen, dan wel worden overgegaan tot de afkondiging van een beperkte of, in het uiterste geval, de algemene noodtoestand. Zo komt een steeds ruimer pakket aan bevoegdheden beschikbaar.20

2.2 Voorwaarden voor inzet van staatsnoodrecht

Het staatsnoodrecht kan alleen worden ingezet indien buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken. Volgens de Memorie van Toelichting bij de CWU is sprake van buitengewone omstandigheden wanneer zich feitelijke omstandigheden voordoen die tot toepassing van noodwettelijke bevoegdheden nopen omdat de normale wettelijke bevoegdheden te kort schieten. Daarnaast moet de situatie van dusdanige aard zijn dat de uitwendige of inwendige veiligheid die zonder gebruik van buitengewone bevoegdheden niet gehandhaafd kan worden.21 De juridische vakliteratuur distileerd hieruit twee criteria: er sprake van buitengewone omstandigheden wanneer (1) een vitaal belang wordt bedreigd, en (2) de normale wettelijke bevoegdheden niet toereikend zijn om de dreiging het hoofd te bieden.22 Vitale belangen kunnen worden onderverdeeld in de volgende belangen: nationale rechtsorde (waaronder de openbare orde), internationale rechtsorde, openbare veiligheid en economische veiligheid.23 Met normale bevoegdheden worden de bevoegdheden bedoeld die het recht biedt wanneer sprake is van normale omstandigheden.24

Het feit dat het staatsnoodrecht alleen aangewend mag worden als sprake is van buitengewone omstandigheden brengt met zich mee dat de toepassing van het noodrecht niet onbeperkt is. Zij wordt gebonden door de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.25 De proportionaliteitstoets beoordeelt of een genomen maatregel daadwerkelijk nodig is om het beoogde doel te bereiken. De subsidiariteitstoets richt zich op de vraag of er geen minder ingrijpend alternatief beschikbaar is dat hetzelfde doel kan verwezenlijken.26 Het noodrecht geeft derhalve geen carte blanche aan de overheid.

2.3 Samenloop van grondslagen

Hoewel in dit artikel de nadruk ligt op de staatsnoodrechtelijke bevoegdheden uit de luchtvaartwetgeving, is het van belang te onderkennen dat vergelijkbare bevoegdheden ook te vinden zijn in andere wetten, zoals de OWN en de Vorderingswet. Deze wetten kunnen alternatieve juridische grondslagen bieden voor de specifieke bevoegdheden. Zo kent de OWN in artikel 18 een algemene vorderingsbevoegdheid, die het militair gezag in staat stelt om in geval van een formeel afgekondigde noodtoestand roerende en onroerende zaken te vorderen die nodig zijn voor de uitvoering van militaire taken. De reikwijdte van deze bevoegdheid is ruim en dekt functioneel grotendeels dezelfde situaties als de vorderingsbevoegdheden uit de Luchtvaartwet en de Wet luchtvaart. Een dergelijke bevoegdheid is ook te vinden in artikel 3a van de Vorderingswet. Deze grondslag is procedureel gezien aanzienlijk zwaarder: zo vereist zij onder meer overeenstemming van de Minister van Economische Zaken en Klimaat.27 Hierdoor is de Vorderingswet in praktische zin minder snel inzetbaar bij acute situaties waarin directe besluitvorming vereist is. In situaties waarin tijd en zorgvuldigheid ruimte laten kan zij een minder ingrijpend instrument zijn, juist vanwege die zwaardere waarborgen.

Welke grondslag in een concrete situatie het best passend is hangt af van diverse factoren, waaronder de aard van de dreiging, de gewenste snelheid van optreden, of sprake is van een uitzonderingstoestand, en zo ja, welke van de uitzonderingstoestanden. Een uitputtende analyse van de hiërarchie of prioriteit tussen deze grondslagen valt buiten de reikwijdte van dit artikel. Wel is het van belang te onderkennen dat meerdere juridische routes bestaan om vergelijkbare operationele doelen te bereiken. Voor dit artikel zal de nadruk liggen op de noodbevoegdheden uit de luchtvaartwetgeving, en, voor zover deze noodbevoegdheden niet in de luchtvaartwetgeving terug te vinden zijn, de OWN.

2.4 Bevoegd gezag

De noodbevoegdheden die via het staatsnoodrecht geactiveerd kunnen worden, komen toe aan specifieke bestuursorganen. In het kader van de militaire luchtvaart zijn de Minister van Defensie, het militair gezag en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) van belang. Afhankelijk van de aard van de crisis en het toepasselijke rechtsregime (normale wetgeving, separate toepassing of een formeel afgekondigde noodtoestand) verschuift het bevoegd gezag.

Luchtvaartwetgeving

In lijn met het subsidiariteitsbeginsel geldt dat voor de noodbevoegdheden uit de luchtvaartwetgeving dat de Minister van Defensie geen bevoegdheden mag uitoefenen met betrekking tot de burgerluchtvaart, zonder eerst een verzoek te hebben gericht aan de Minister van IenW om in de behoefte te voorzien.28 Pas wanneer de Minister van IenW aangeeft niet aan het verzoek te kunnen voldoen, mag de Minister van Defensie zelf handelen.29 Alleen in dringende omstandigheden kan de Minister van Defensie direct gebruikmaken van de bevoegdheden, waarbij de Minister van IenW onmiddellijk op de hoogte moet worden gesteld. Zodra de situatie het naar mening van beide ministers toelaat, geeft de Minister van Defensie het stokje weer over aan de Minister van IenW, die vervolgens aan de door de Minister van Defensie gestelde behoefte zal voldoen.30

Oorlogswet voor Nederland

De bevoegdheden die toegekend kunnen worden op basis van de Oorlogswet voor Nederland worden toegekend aan de Minister van Defensie of het 'militair gezag'. In geval van separate toepassing komen de bevoegdheden toe aan de Minister van Defensie.31 Slechts bij uitroeping van de noodtoestand kunnen de bevoegdheden ook aan het militair gezag toekomen. De bevoegdheden die aan het militair gezag zijn toegekend worden uitgevoerd door de militaire autoriteiten, die door de Minister van Defensie als militaire gezagsdragers zijn aangewezen.32 Deze militaire autoriteiten zijn aangewezen in de Regeling aanwijzing militaire gezagsdragers. Dit zijn de Commandant der Strijdkrachten (CDS), de Commandant Landstrijdkrachten (C-LAS) en de regionale militaire commandanten; en de Commandant Zeestrijdkrachten (C-ZSK).33 Deze militaire autoriteiten hebben allen hun eigen gezagsgebied. Voor de CDS en C-LAS is dat heel Nederland, voor de regionale commandanten een gedeelte van Nederland en voor C-ZSK de wateren en de havens.34 Als andere commandanten gebruik willen maken van de buitengewone bevoegdheden moeten zij zich wenden tot het desbetreffende militair gezag.35

De wijze waarop het militair gezag de toegekende bevoegdheden mag uitoefenen is uitgewerkt per algemene maatregel van bestuur (AMvB).36 Dit betreft de 'Instructie voor het militair gezag'. De instructie omvat aanwijzingen voor de wijze waarop gebruik moet worden gemaakt van de bevoegdheden en aanwijzingen omtrent de verhouding tussen het militair en het burgerlijk gezag.37 Zo moet het militair gezag zo veel mogelijk gebruikmaken van de mogelijkheid de uitoefening van zijn bevoegdheden op te dragen aan organen van burgerlijk gezag, wanneer de wet dit voor de desbetreffende bevoegdheid toestaat.38 Daarnaast moet het militair gezag in de uitoefening van zijn buitengewone bevoegdheden, wanneer mogelijk, eerst overleggen met het burgerlijke gezag voordat zij uitvoering geven aan de bevoegdheid.39 Het militair gezag oefent zijn buitengewone bevoegdheden uit onder verantwoordelijkheid van de Minister van Defensie.40 De Minister is dan ook bevoegd tot het geven van aanwijzingen ter uitvoering van de instructie.41

2.5 Modernisering van het staatsnoodrecht

Het staatsnoodrecht kent een lange historische traditie.42 Echter is het staatsnoodrecht slechts beperkt up to date gehouden, waardoor zijn huidige vormgeving niet meer aansluit bij de realiteit van de moderne tijd. Om deze reden heeft het kabinet in 2018 enkele eerste voorstellen gedaan voor de modernisering van het staatsnoodrecht.43 Zo is een interdepartementale routekaart opgesteld, waarin de verschillende ministeries duidelijk maken welke noodwetgeving en de daarbij behorende noodbevoegdheden zij willen veranderen en aan het veranderen zijn.44

De modernisering betreft niet alleen de inhoud van de noodwetgeving, maar ook de structuur waarlangs deze bevoegdheden in werking kunnen treden. Hiertoe staat herziening van de CWU op de planning. In dit wetsvoorstel wordt de beperkte noodtoestand, samen met lijst A, in zijn geheel geschrapt. Het idee daarachter is dat de beperkte noodtoestand te weinig toegevoegde waarde op de escalatieladder heeft, omdat bijna alle noodbepalingen op lijst A ook door middel van separate toepassing kunnen worden toegepast.45 Zo blijft alleen de algemene noodtoestand bestaan, die van naam verandert en 'de noodtoestand' gaat heten. In de noodtoestand kunnen vrijwel alle noodbevoegdheden in werking worden gesteld, inclusief de bevoegdheden die inbreuk kunnen maken op de grondrechten genoemd in artikel 103 Gw. Afkondiging van deze noodtoestand ligt in de rede wanneer een crisis een dusdanige omvang krijgt dat separate toepassing van één of enkele noodbepalingen niet langer volstaat.46 Voor deze verandering is begin 2025 een wetsvoorstel aangeboden voor advies bij de Raad van State.47 Inmiddels heeft de Raad van State hierover een advies uitgebracht. Hij acht het schrappen van de beperkte noodtoestand begrijpelijk, maar adviseert ook het wetsvoorstel ingrijpend aan te passen door het staatsnoodrecht coherenter te maken, het schrappen van de beperkte noodtoestand beter te motiveren, de inzet van separate toepassing te begrenzen en de bijlage met noodbevoegdheden te actualiseren.48

3 Luchtruim

De hiervoor geschetste werking van het staatsnoodrecht krijgt pas concrete betekenis wanneer zij wordt geplaatst in een operationele context. De bespreking verschuift daarmee van het bovenliggende juridische kader naar de afzonderlijke noodbevoegdheden en de wijze waarop deze in concrete situaties kunnen worden ingezet. Het eerste domein dat besproken wordt waarin deze bevoegdheden tot uitdrukking komen is het luchtruim. Toegang tot en controle over het luchtruim zijn essentieel voor het uitvoeren van militaire taken. In een noodtoestand moet Defensie de ruimte en faciliteiten hebben waardoor operaties in het luchtruim kunnen worden uitgevoerd. De bestaande luchtvaartregelgeving voorziet in een aantal noodbevoegdheden om dit mogelijk te maken.

3.1 Aanwijzingsbevoegdheid met betrekking tot de luchtverkeersbeveiliging

Op grond van artikel 9.4 van de Wet luchtvaart heeft de Minister van Defensie de bevoegdheid om in een uitzonderingstoestand aanwijzingen te geven aan Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL), waardoor de luchtverkeersbeveiliging geregeld kan worden. Om operaties effectief en veilig te laten verlopen moet de luchtverkeersbeveiliging op orde zijn. Onder luchtverkeersbeveiliging vallen de verzameling van functies in de lucht en op de grond die nodig zijn om de veiligheid en de doeltreffendheid van de vliegtuigbewegingen in alle fasen te waarborgen.49 Deze bevoegdheid stelt de overheid in staat om binnen het bestaande civiele luchtverkeerssysteem, instructies te geven die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van militaire operaties. Deze instructies kunnen bijvoorbeeld zien op de toekenning van luchtruim, de prioritering van bepaalde vluchten, of de inrichting van verkeersstromen. Bij een tekort aan militaire luchtverkeersleiding kan LVNL ook geïnstrueerd worden om directe luchtverkeersleiding te bieden bij militaire vluchten. Zo biedt deze bevoegdheid in HNS-context de mogelijkheid om civiele luchtverkeersdiensten snel en gericht in te zetten ter ondersteuning van bondgenootschappelijke inzet.

Ook wanneer geen sprake is van een formeel afgekondigde uitzonderingstoestand in de zin van de CWU, bestaat de mogelijkheid om aanwijzingen te geven aan LVNL. In dat geval zijn aanwijzingen aan luchtverkeersdiensten mogelijk via de Minister van IenW. Wanneer de binnenlandse openbare orde of veiligheid ernstig wordt verstoord, kan de Minister van IenW, in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie, aanwijzingen geven aan LVNL met betrekking tot de luchtverkeersbeveiliging.50 Daarnaast kan hij, in overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie, soortgelijke aanwijzingen geven in bijzondere omstandigheden die verband houden met de handhaving van de internationale rechtsorde of de internationale betrekkingen.51 Hierbij valt te denken aan een situatie waarin de veiligheidssituatie aan de oostflank van het NAVO-grondgebied verslechtert en Nederland op korte termijn bondgenootschappelijke militaire vluchten moet faciliteren, terwijl nog geen uitzonderingstoestand is afgekondigd. In overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel bieden deze bevoegdheden de mogelijkheid om eerst gebruik te maken van minder ingrijpende bevoegdheden, voordat wordt overgegaan tot de directe inzet van de bevoegdheid door de Minister van Defensie.

3.2 Bevoegdheid om toegang tot het luchtruim te regelen

De Minister van Defensie, en in geval van een noodtoestand in de zin van de CWU het militair gezag, heeft de bevoegdheid om de toegang tot, het verkeer binnen en het verlaten van bepaalde gebieden te reguleren.52 Hiermee is het mogelijk om binnen gebieden die van cruciaal belang zijn voor de militaire taakuitvoering, de verplaatsing van verkeer te beperken en aan bepaalde tijden te binden.53 Deze bevoegdheid is van toepassing op al het verkeer en kan daarom ook betrekking hebben op het verkeer in de lucht.

Zo kunnen no-fly zones in bepaalde gebieden worden ingesteld, bijvoorbeeld boven militaire basissen en kritieke infrastructuur. Ook kunnen luchtcorridors worden ingesteld om snelle verplaatsingen te faciliteren. Daarnaast zullen bij een escalerend conflict de luchtverdedigingssystemen ter bescherming van luchthavens worden geactiveerd. Gebieden waarin luchtafweer mogelijk actief is, kunnen worden afgesloten van de civiele luchtvaart, zodat de kans op misidentificatie wordt verkleind.

Hoewel de Wet luchtvaart zelf al voorziet in de mogelijkheid tot het aanwijzen van gebieden met luchtruimbeperkingen in een normale situatie, biedt deze bredere bevoegdheid extra handelingsruimte. Zo gelden bij inzet van deze bevoegdheid in een noodtoestand geen vormvereisten aan hoe de luchtruimbeperkingen tot stand dienen te komen, waardoor sneller gehandeld kan worden. Over het algemeen zal deze bevoegdheid vooral interessant zijn voor de Commandant Lucht- en Ruimtestrijdkrachten (C-LRS). C-LRS is echter niet benoemd als militair gezag, waardoor hij geen bevoegdheden heeft op basis van de OWN. Om gebruik te maken van deze bevoegdheid zal C-LRS dit volgens de huidige wetgeving via de CDS moeten doen.54

Volgens Nooijen en Van der Kruit worden in de Regeling aanwijzing militaire gezagsdragers slechts die commandanten aangewezen, die in het bijzonder in aanmerking komen op grond van hun operationele functie in hun gebied en de relaties die zij met civiele instanties onderhouden.55 Vanuit dit uitgangspunt ligt het voor de hand om ook de C-LRS onder het militair gezag te brengen voor luchtvaartgerelateerde bevoegdheden. De C-LRS onderhoudt immers ook relaties met civiele instanties, zoals LVNL, IL&T en de verschillende burger luchthavens, waarop hij een beroep kan doen voor de uitvoering van de bevoegdheden uit de OWN. Daarnaast is het gezien het belang van snelle en deskundige besluitvorming ook voor de hand liggend om de C-LRS op te nemen in de Regeling aanwijzing militaire gezagsdragers. Hiermee wordt gewaarborgd dat ook in tijden van noodtoestand effectief en zonder vertraging kan worden opgetreden in het luchtruim.

3.3 Bevoegdheid tot opdrachtgeving aan personen

Een andere relevante bevoegdheid is de bevoegdheid van de Minister van Defensie om opdrachten te geven aan personen die in het bezit zijn van een krachtens de Luchtvaartwet verleend bewijs van bevoegdheid. Ook kan de Minister van Defensie opdrachten geven aan personeel dat werkzaam is in de luchtvaart en behoort tot bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën.56 Hiermee wordt Defensie in staat gesteld rechtstreeks aansturing te geven aan gekwalificeerd luchtvaartpersoneel, wanneer dat noodzakelijk is voor de uitvoering van defensietaken. De bevoegdheid betreft zowel het luchtruim als de later besproken domeinen luchthavens en luchtvaartoperaties.57

Momenteel heeft deze bevoegdheid een zeer beperkt bereik. De reden hiervoor is een juridisch-technisch probleem. Artikel 61 Luchtvaartwet is inmiddels verouderd. Bewijzen van bevoegdheid worden niet meer afgegeven op basis van de Luchtvaartwet. De afgifte van bewijzen van bevoegdheid valt nu voor een beperkt deel onder de Wet luchtvaart58, maar voornamelijk onder het bereik van de Europese regelgeving. Hiervoor zijn bepalingen opgenomen in de zogenoemde basisverordening59 en de daaronder hangende uitvoeringsverordeningen 1178/201160 (piloten), 2015/34061 (luchtverkeersleiding) en 1321/201462 (onderhoudstechnici). Om in een noodtoestand effectief gebruik te kunnen maken van deze bevoegdheid dienen de bewijzen van bevoegdheid, afgegeven krachtens de Europese regelgeving en de Wet luchtvaart, ook onder het bereik van artikel 61 Luchtvaartwet te vallen.

Daarnaast bestaat de mogelijkheid om opdrachten te geven aan luchtvaartpersoneel dat geen bewijs van bevoegdheid heeft, bijvoorbeeld grond- en cabinepersoneel, slechts indien dit personeel uitdrukkelijk bij AMvB is aangewezen. Aangezien een dergelijke AMvB op dit moment ontbreekt, is de reikwijdte van deze bevoegdheid in de praktijk beperkt. Rekening houdende met mogelijke toekomstige crisissituaties is het aan te bevelen om deze lacune te ondervangen door op voorhand een AMvB op te stellen waarin relevante beroepsgroepen in de luchtvaart worden aangewezen. Zo kan de opdrachtbevoegdheid in een noodsituatie direct effectief worden ingezet, zonder vertraging door regelgevingstrajecten.

Tegen de achtergrond van de hiervoor geschetste reikwijdte en beperkingen van de opdrachtbevoegdheid kan worden bezien welke betekenis deze bevoegdheid heeft voor het domein luchtruim. Met deze bevoegdheid kunnen in een noodtoestand de luchtverkeersleiders en vluchtinformatieverstrekkers ingezet worden in voor de belangen van Defensie. Luchtverkeersleiders hebben op basis van Europese regelgeving een bewijs van bevoegdheid, voor vluchtinformatieverstrekkers is dat de Wet luchtvaart.63 Hierdoor vallen zij beiden binnen het bereik van de bevoegdheid. Veel luchtverkeersleiders en vluchtinformatieverstrekkers zouden al ter beschikking staan van Defensie via de aanwijzingsbevoegdheid richting LVNL, maar door middel van deze bevoegdheid tot opdrachtgeving zijn zij ook op persoonlijke titel inzetbaar. Wanneer de uitzonderingstoestand actief is, kunnen hierdoor tekorten in militaire luchtverkeersleiders worden opgevangen.

4 Luchthavens

Luchthavens vormen een essentieel onderdeel van de luchtvaartinfrastructuur. Het staatsnoodrecht biedt Defensie mogelijkheden om civiele luchthavens tijdelijk in te zetten voor militaire doeleinden.

4.1 Vorderingsbevoegdheid van luchtvaartterreinen

De Minister van Defensie heeft de bevoegdheid om de terbeschikkingstelling te vorderen van luchtvaartterreinen, inclusief bijbehorende gebouwen, inrichtingen en de zich daarin bevindende roerende goederen.64 Wanneer de Minister van Defensie een luchtvaartterrein ter beschikking heeft gekregen, wordt het luchtvaartterrein beschouwd als militair luchtvaartterrein. Dit duurt voor zolang het als zodanig gebruikt wordt.65 Gedurende die tijd is het luchtvaartterrein dan ook een legitiem doelwit in het kader van het humanitair oorlogsrecht.

De bevoegdheden ten aanzien van luchtvaartterreinen beperken zich niet tot het louter vorderen van het terrein. De Minister van Defensie kan ook aan rechthebbenden ten aanzien van luchtvaartterreinen, zoals de eigenaars of huurders, aanwijzingen geven die betrekking hebben op het beheer en gebruik van het terrein.66 Ook kan de Minister van Defensie werken laten uitvoeren op luchtvaartterreinen.67 In de praktijk houdt dit in dat de Minister bijvoorbeeld tijdelijke infrastructuur laat aanleggen, of de indeling van het terrein aanpast naar operationele behoeften. Ook aan rechthebbenden ten aanzien van roerende en onroerende zaken die zich op de luchtvaartterreinen begeven, zoals vliegtuigen, voertuigen, containers of bedrijfsgebouwen, kan de Minister van Defensie aanwijzingen geven met betrekking tot het beheer en gebruik daarvan.68 Ook aan deze zaken kan de Minister van Defensie voorzieningen laten uitvoeren.69

Hoewel deze bevoegdheden in operationele zin goed toepasbaar zijn, wringt het juridisch gezien op een punt enigszins. Sinds 2008 worden geen luchtvaartterreinen meer aangewezen en zijn vrijwel alle luchtvaartterreinen overgegaan in luchthavens.70 Dit terwijl de wetgeving waarin de bevoegdheden van de Minister van Defensie zijn vastgelegd nog steeds het verouderde begrip "luchtvaartterrein" gebruikt. Hierdoor lijken de bevoegdheden betrekking te hebben op iets wat officieel niet meer bestaat. Om dit op te lossen is modernisering van de wet nodig, zodat deze in lijn is met de huidige terminologie. Tot die tijd is het belangrijk om de wet zo uit te leggen dat onder "luchtvaartterrein" ook "luchthaven" wordt verstaan. Dit voorkomt juridische onduidelijkheid en zorgt ervoor dat de Minister van Defensie zijn taken nog steeds kan uitvoeren zoals oorspronkelijk bedoeld.

4.2 Bevoegdheid tot opdrachtgeving aan personen

De eerder besproken bevoegdheid van de Minister van Defensie om opdrachten te geven aan luchtvaartpersoneel is ook van belang binnen het domein luchthavens.71 Deze bevoegdheid kan ook betrekking hebben op grondpersoneel op luchthavens, bijvoorbeeld bagageafhandelaars, beveiligers en tankmedewerkers. Dit personeel is onmisbaar voor het operationeel houden van luchthavens en het afhandelen van luchtverkeer, ook wanneer dit verkeer in dienst staat van militaire operaties. In de huidige praktijk valt deze groep echter buiten het bereik van de opdrachtbevoegdheid, omdat zij niet beschikken over een bewijs van bevoegdheid. Toepassing van de bevoegdheid op deze groep is daarom alleen mogelijk als zij uitdrukkelijk worden aangewezen bij AMvB, maar deze AMvB bestaat nog niet.

5 Luchtvaartoperaties

Militaire luchtvaartoperaties vormen de kern van de militaire inzet in de luchtvaart. In noodsituaties kan deze inzet op gespannen voet staan met de eisen die gesteld worden in normale luchtvaartwetgeving, waardoor toepassing van staatsnoodrechtelijke bevoegdheden in beeld komt.

5.1 Beperking werking Wet luchtvaart ten aanzien van luchtverkeer en luchtverkeersbeveiliging

De Wet luchtvaart voorziet in een afwijkingsbevoegdheid waarmee voor luchtvaartuigen die worden gebruikt ten behoeve van de defensie en de bemanningsleden van die luchtvaartuigen, de normale wet- en regelgeving inzake luchtverkeer en luchtverkeersbeveiliging buiten werking kan worden gesteld.72 Hieronder vallen hoofdstuk 5, titel 5.1 en 5.2 van de Wet luchtvaart, inclusief de bepalingen die daarop gebaseerd zijn in lagere regelgeving, waaronder het Besluit luchtverkeer 2014 en diverse regelingen. Dit betekent dat de verplichtingen die normaal gesproken gelden, bijvoorbeeld verplichtingen omtrent vliegplannen, minimum en maximum vlieghoogtes, het voeren van lichten en transponders, tijdelijk geen belemmering vormen voor het militair optreden.

Het is echter wenselijk dat de afwijkingsbevoegdheid betrekking heeft op meer bepalingen van de Wet luchtvaart dan thans het geval is. De huidige reikwijdte is beperkt tot een deel van de regels inzake luchtverkeer en luchtverkeersbeveiliging, terwijl de andere bepalingen van de Wet luchtvaart onverkort van toepassing blijven. Ook deze andere wettelijke voorschriften kunnen in een noodsituatie een belemmering vormen voor effectief militair optreden.

Hoofdstuk 3 van de Wet luchtvaart is hiervoor illustratief. Hierin is de plicht tot het hebben van een bewijs van luchtwaardigheid geregeld. Het militair bewijs van luchtwaardigheid betreft een bewijs dat afgegeven wordt door de Militaire Luchtvaart Autoriteit, waarin verklaard wordt dat een luchtvaartuig voldoet aan alle eisen om ermee te vliegen. Het is verboden om een vlucht uit te voeren met een luchtvaartuig dat niet luchtwaardig is of geen geldig bewijs van luchtwaardigheid heeft.73 Het bewijs van luchtwaardigheid moet worden ingetrokken wanneer het luchtvaartuig niet meer voldoet aan de vastgestelde eisen van luchtwaardigheid.74 Juist in een noodsituatie kan zich de situatie voordoen dat een luchtvaartuig beschadigd raakt en daardoor niet langer volledig voldoet aan de geldende luchtwaardigheidseisen, terwijl het operationeel nog inzetbaar is. Ook kan het noodzakelijk zijn dat een luchtvaartuig voor een specifieke missie in een afwijkende configuratie wordt ingezet die niet vooraf is goedgekeurd. In een normale situatie kunnen dergelijke vluchten vaak geen doorgang vinden vanwege de daarmee samenhangende veiligheidsrisico's. Het huidige wettelijke kader biedt hiervoor in beginsel slechts de mogelijkheid van een ontheffing op grond van artikel 3.21 van de Wet luchtvaart. Een dergelijke ontheffing kan worden verleend wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Juist in een noodsituatie kan het echter noodzakelijk zijn om te vliegen, ook wanneer dit gepaard gaat met een verhoogd risico voor de veiligheid van het luchtverkeer. Die ruimte biedt het huidige wettelijke kader niet, omdat hoofdstuk 3 van de Wet luchtvaart ook in een noodsituatie onverkort van toepassing blijft. Daarom zal per artikel van de Wet luchtvaart moeten worden beoordeeld of het onder de reikwijdte van de bevoegdheid van artikel 9.5 van de Wet luchtvaart moet vallen.

5.2 Bevoegdheid tot aanwijzing voor bijzonder vervoer met luchtvaartuigen

Een ander instrument dat binnen het staatsnoodrecht beschikbaar is, betreft de bevoegdheid om houders van luchtvaartuigen te verplichten om personen of zaken te vervoeren. Zowel de minister van IenW als de minister van Defensie kunnen hier gebruik van maken. Hiermee kunnen civiele luchtvaartuigen worden aangewezen voor het uitvoeren van transport in opdracht van Defensie, waarbij zij op een bepaalde plaats en volledig uitgerust ter beschikking moeten worden gesteld. De plaats van de terbeschikkingstelling en de bestemming van de vlucht kan ook buiten Nederland gelegen zijn.75 Wanneer een luchtvaartuig wordt aangewezen ten behoeve van de krijgsmacht wordt dit beschouwd als militair luchtvaartuig.76 Deze kwalificatie heeft verstrekkende gevolgen. Zo valt het toestel binnen de werkingssfeer van het humanitair oorlogsrecht en is het in beginsel een legitiem militair doelwit.

De vervoersbevoegdheid sluit functioneel aan bij de hiervoor genoemde afwijkingsbevoegdheid met betrekking tot de Wet luchtvaart. De luchtvaartregels die betrekking hebben op het luchtverkeer en luchtverkeersbeveiliging, die normaliter op het toestel en de bemanning van toepassing zouden zijn, gelden niet wanneer het luchtvaartuig wordt gebruikt ten behoeve van defensietaken.77

Binnen het kader van HNS kan deze bevoegdheid van grote waarde zijn. In scenario's waarin NAVO-bondgenoten snel moeten worden verplaatst, of wanneer er sprake is van een acute behoefte aan luchttransportcapaciteit, bijvoorbeeld voor medische evacuatie, troepentransport of materieel verplaatsing, biedt deze bevoegdheid de mogelijkheid om onmiddellijk civiele capaciteit in te zetten. Dat is met name relevant in situaties waarin militaire luchttransportmiddelen tekortschieten of reeds elders zijn ingezet. De civiele luchtvaartvloot vormt daarmee een reserve die, indien nodig, juridisch afdwingbaar geactiveerd kan worden.

5.3 Bevoegdheid tot opdrachtgeving aan personen

De daadwerkelijke uitvoering van de vervoersopdracht op basis van bovengenoemde bevoegdheid vereist vanzelfsprekend ook de inzet van gekwalificeerd luchtvaartpersoneel, waarbij de eerder besproken opdrachtbevoegdheid van pas komt.78 De bevoegdheid maakt het in een noodtoestand mogelijk om rechtstreeks opdrachten te geven aan personeel in en rond het luchtvaartuig, mits zij onder de wettelijke reikwijdte vallen. In de eerste plaats betreft dit piloten. Piloten zijn in bezit van een bewijs van bevoegdheid dat vereist is voor het uitvoeren van vluchten. Deze bewijzen van bevoegdheid zijn uitgegeven op basis van Europese wetgeving.79 Zo kunnen zij bijvoorbeeld ingezet worden om de vlucht uit te voeren met het luchtvaartuig dat op basis van de hiervoor genoemde bevoegdheid aangewezen is voor het uitvoeren van bijvoorbeeld troepentransport of medische evacuatie. Daarnaast is de bevoegdheid ook van belang voor onderhoudspersoneel die verantwoordelijk zijn voor het luchtwaardig houden van toestellen. Ook zij beschikken over een Europees bewijs van bevoegdheid.80 In een noodtoestand kan dit personeel ingezet worden om het functioneren van de civiele vloot die ingezet wordt voor defensie, maar eventueel ook de militaire vloot te garanderen.

6 Afsluitende opmerkingen

De huidige geopolitieke dreiging stelt hoge eisen aan de gereedheid van Nederland als gast- en doorvoerland. In dat kader is het essentieel dat ook het staatsnoodrecht op orde is. Het staatsnoodrecht biedt de militaire luchtvaart een breed scala aan bevoegdheden om in een noodtoestand slagvaardig te kunnen optreden. Tegelijkertijd is het staatsnoodrecht verouderd en kent het enkele juridische tekortkomingen. Actualisering van het staatsnoodrecht kan deze tekortkomingen verhelpen.

Tot slot is het belangrijk om te benadrukken dat het staatsnoodrecht een ultimum remedium is. Dwangmiddelen zijn in beginsel niet het startpunt van crisisbeheersing, maar slechts gerechtvaardigd wanneer normale juridische en bestuurlijke processen tekortschieten. Dit vraagt om een zorgvuldige voorbereiding in vredestijd. Alleen dan kan Nederland in een noodsituatie snel, proportioneel en rechtmatig handelen, en daarmee de veiligheid van het bondgenootschap en de eigen bevolking effectief beschermen.

Werktijden in de initiële opleiding aan de KMA

Werktijden in de initiële opleiding aan de KMA

Door majoor mr. M.A.M. van Straalen

1 Inleiding

Tijdens de officiersopleiding aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) worden cadetten soms verplicht buiten diensttijd of tijdens weekenden werkzaamheden te verrichten. Denk bijvoorbeeld aan de speciale vlaggenparade1 in Breda, waarbij zij op Koningsdag verplicht worden om aanwezig te zijn bij de ceremonie, de Cadetten- en Adelborstenwedstrijden (C&A-wedstrijden) en de uitvoering van het 'peloton van dienst' (PVD). Hen wordt medegedeeld dat dit onderdeel is van de initiële opleiding. Regelmatig wordt hier verbaasd op gereageerd, want wie houdt toezicht op die werkzaamheden en beziet of die werkzaamheden inderdaad onderdeel zijn van het leerproces, wat zij betekenen voor de werkbelasting van de cadetten en welke financiële vergoeding hier tegenover staat?

De Arbeidstijdenwet geeft normen voor werktijden, pauzes en rusttijden van werknemers en heeft als doel een stelsel te creëren waarin enerzijds bescherming van de werknemers wordt gewaarborgd en anderzijds rekening wordt gehouden met de behoefte aan flexibiliteit voor de organisatie.2 Onderdeel van bescherming van de werknemer is het voorkomen van te lange werkdagen: verlangt de werkgever dat de werknemer overwerkt, dan dient dit voor de betreffende werknemers binnen de grenzen van de Arbeidstijdenwet te gebeuren.3 Daarnaast kan in sommige gevallen aanspraak gemaakt worden op een vergoeding voor het overwerken.4

In dit artikel wordt gekeken hoe de werk- en rusttijden, het overwerk en de vergoeding hierbij voor de officier in opleiding aan de KMA zijn geborgd en, indien noodzakelijk, hoe dit beter kan.

2 Juridisch kader werk- en rusttijden

De Arbeidstijdenwet bevat regels met betrekking tot werktijden, pauzes en rusttijden van werknemers. De werknemer in de zin van deze wet is 'degene die krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid'.5Aangezien de hoedanigheid van militair ambtenaar wordt verkregen door aanstelling, is de Arbeidstijdenwet in beginsel ook van toepassing op militairen.6 Artikel 2:4 van de Arbeidstijdenwet geeft echter ook een aantal uitzonderingssituaties, waarbij deze wet voor militairen buiten toepassing wordt verklaard. Dat is bijvoorbeeld het geval bij varen, vliegen en oefeningen of tijdens buitengewone omstandigheden.

De memorie van toelichting van de Arbeidstijdenwet geeft een verklaring voor deze uitzonderingen. Er kunnen omstandigheden zijn, waarin geheel of gedeeltelijke toepassing van de wet op gespannen voet staat met een goede uitoefening van defensietaken.7 Een algemeen kenmerk van de krijgsmacht is dat zij, wanneer nodig, inzetbaar moet zijn om de belangen van de staat te beschermen. Wanneer altijd gehoor dient te worden gegeven aan de arbeids- en rusttijden uit deze wet, wordt deze inzetbaarheid beperkt.

Ter regeling van de bijzondere positie van de militair is een aantal aanvullende bepalingen vastgelegd in de Wet Ambtenaren Defensie (WAD). Ter uitvoering van deze bepalingen is onder meer het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) vastgesteld.8 Met name hoofdstuk 7 van het AMAR geeft aanvullende regels over de werk- en rusttijden van de militair.

Het uitgangspunt is artikel 54b lid 1, waarin staat dat de militair de werkzaamheden in beginsel verricht gedurende vastgestelde werktijden. Daarnaast zegt het derde lid van deze bepaling dat de werktijd zoveel mogelijk dient te zijn gelegen tussen 07.00 en 18.00 uur. Bovendien bedraagt de arbeidsduur ten hoogste gemiddeld 38 uren per week.9 Naast het feit dat de werktijden dus redelijk strikt zijn geformaliseerd, moet ook het rooster met de werktijden ten minste 28 dagen vóór de datum van inwerkingtreding bekend te worden gemaakt aan de militair.10

Op het eerste gezicht lijkt het AMAR duidelijke grenzen te stellen aan de werktijden van de militair. Voor zowel de werktijden als de tijdige bekendmaking van het rooster geldt echter dat de commandant hiervan kan afwijken.11 Bijvoorbeeld 'indien de aard van de werkzaamheden of diensten' tijdige vaststelling van het rooster onmogelijk maakt. Zowel het AMAR als de memorie van toelichting geven geen verdere invulling aan deze werkzaamheden of diensten. Dit geeft de commandant dus speelruimte.

Daarnaast beperkt paragraaf 2 van hoofdstuk 7 AMAR het toepassingsbereik. In deze paragraaf worden specifieke groepen militairen uitgezonderd van de werk- en rusttijden bepalingen uit het AMAR12: 'de militair die een opleiding volgt als bedoeld in de artikel 13, 14, en 15 AMAR wordt uitgezonderd'.13 Het ambtenarengerecht te 's-Gravenhage en de minister delen de mening dat de werk- en rusttijdenregeling uit het AMAR slechts geldt, zolang werkzaamheden en/of diensten worden verricht en niet indien onderwijs wordt genoten in het kader van de opleiding.14 Dit betekent dat de bepalingen uit hoofdstuk 7 van het AMAR in beginsel niet van toepassing zijn op de initiële opleiding aan de KMA15.

De vraag is of deze regel ook toegepast moet worden op de militair in opleiding. Op de KMA wordt vrijwel geen onderscheid gemaakt tussen het arbeidsproces en het leerproces, een onderscheid dat in de jurisprudentie specifiek wordt benoemd als het gaat om de werkingssfeer van werk- en rusttijden voor studenten. Ook de Programma & Studiegids Officiersopleidingen KMA, het Onderwijs- en Examenreglement Officiersopleiding KMA en de studiegidsen van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) omschrijven niet welke activiteiten vallen onder het arbeidsproces en welke onder het leerproces. Daarnaast geldt voor militairen dat zij door de werkgever verplicht worden om deel te nemen aan de opleidingen.16 Dit is een wezenlijk verschil met andere studenten.

De commandant van de cadetten krijgt dus speelruimte bij de invulling van de werktijden, bij de bekendmaking van werktijden en bij de beantwoording van de vraag welke werkzaamheden vallen onder het leerproces in het kader van de opleiding. Dit betekent dat de militair in opleiding bijzonder weinig houvast heeft en extra belast kan worden. De vraag is of de balans tussen de bescherming van de werknemer en de behoefte aan flexibiliteit voor de organisatie er dan nog is.

De Rijksoverheid heeft voor arts-assistenten en overige artsen in opleiding een aparte regeling vastgelegd in het Arbeidstijdenbesluit, waarin duidelijke werk- en rusttijden staan omschreven.17 Een dergelijke uitbreiding in het AMAR is ook mogelijk en gezien de aard van de opleiding en werkzaamheden goed te rechtvaardigen.18

3 Vergoedingen

Een ander belangrijk punt is dat voor de militair in opleiding een uitzonderingspositie geldt met betrekking tot de vergoeding voor overwerk. Art. 4 lid 1 van de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid omschrijft het uitgangspunt dat militairen die de initiële opleiding volgen geen aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor overwerk. Een uitzondering hierop is wanneer hem diensten worden opgedragen die geen deel uitmaken van de opleiding(ssyllabus). De regeling verwijst voor de vergoeding bij overwerk dus naar de opleidingssyllabus die zou moeten aangeven wat valt onder diensten die onderdeel zijn van de opleiding. Aangezien de huidige opleidingssyllabus het onderscheid tussen het arbeidsproces en het leerproces niet omschrijft, komen de militairen in de initiële opleiding per definitie niet in aanmerking voor een vergoeding voor overwerk.

4 Conclusie

In dit artikel is gekeken naar het toepassingsbereik van de Arbeidstijdenwet op militairen. Voor zowel de vastgestelde werktijden als de tijdige bekendmaking van het rooster geldt dat de commandant hiervan onder bepaalde omstandigheden kan afwijken. Daarnaast beperkt paragraaf 2 van hoofdstuk 7 AMAR het toepassingsbereik van de werk- en rusttijden. Een belangrijke vraag is hoe en onder welke omstandigheden deze regel toegepast moet worden op de militair in opleiding, aangezien er geen duidelijk onderscheid te gemaakt wordt tussen het arbeidsproces en het leerproces. Daarnaast geldt voor militairen dat zij door de werkgever verplicht worden om deel te nemen aan de opleidingen.19 Een wezenlijk verschil met andere studenten.

In de praktijk blijkt dat bepaalde diensten worden geformuleerd als een wezenlijk onderdeel van de officiersopleiding, terwijl deze werkzaamheden van heel andere aard lijken te zijn. Om de militair in opleiding minder te belasten, is het noodzakelijk om in de opleidingssyllabus vast te leggen welke diensten daadwerkelijk van belang zijn in het kader van de opleiding. Het is nu onvoldoende duidelijk vastgelegd welke activiteiten binnen en welke activiteiten buiten het leerproces liggen. Een duidelijke opleidingssyllabus kan immers ook voorkomen dat militairen in opleiding vrijwel nooit aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor diensten buiten de syllabus of ander overwerk. Een aanvulling in het AMAR, zoals gedaan voor artsen in opleiding, kan zorgen voor meer duidelijkheid over de te werken uren en mogelijkheden bieden met betrekking tot vergoedingen.

Inhoudsopgave

Alles dichtklappenAlles openklappen

Bijlagen

Naar boven