Onderwerp: Bezoek-historie

Werktijden in de initiële opleiding aan de KMA

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Werktijden in de initiële opleiding aan de KMA

Door majoor mr. M.A.M. van Straalen

1 Inleiding

Tijdens de officiersopleiding aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) worden cadetten soms verplicht buiten diensttijd of tijdens weekenden werkzaamheden te verrichten. Denk bijvoorbeeld aan de speciale vlaggenparade1 in Breda, waarbij zij op Koningsdag verplicht worden om aanwezig te zijn bij de ceremonie, de Cadetten- en Adelborstenwedstrijden (C&A-wedstrijden) en de uitvoering van het 'peloton van dienst' (PVD). Hen wordt medegedeeld dat dit onderdeel is van de initiële opleiding. Regelmatig wordt hier verbaasd op gereageerd, want wie houdt toezicht op die werkzaamheden en beziet of die werkzaamheden inderdaad onderdeel zijn van het leerproces, wat zij betekenen voor de werkbelasting van de cadetten en welke financiële vergoeding hier tegenover staat?

De Arbeidstijdenwet geeft normen voor werktijden, pauzes en rusttijden van werknemers en heeft als doel een stelsel te creëren waarin enerzijds bescherming van de werknemers wordt gewaarborgd en anderzijds rekening wordt gehouden met de behoefte aan flexibiliteit voor de organisatie.2 Onderdeel van bescherming van de werknemer is het voorkomen van te lange werkdagen: verlangt de werkgever dat de werknemer overwerkt, dan dient dit voor de betreffende werknemers binnen de grenzen van de Arbeidstijdenwet te gebeuren.3 Daarnaast kan in sommige gevallen aanspraak gemaakt worden op een vergoeding voor het overwerken.4

In dit artikel wordt gekeken hoe de werk- en rusttijden, het overwerk en de vergoeding hierbij voor de officier in opleiding aan de KMA zijn geborgd en, indien noodzakelijk, hoe dit beter kan.

2 Juridisch kader werk- en rusttijden

De Arbeidstijdenwet bevat regels met betrekking tot werktijden, pauzes en rusttijden van werknemers. De werknemer in de zin van deze wet is 'degene die krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid'.5Aangezien de hoedanigheid van militair ambtenaar wordt verkregen door aanstelling, is de Arbeidstijdenwet in beginsel ook van toepassing op militairen.6 Artikel 2:4 van de Arbeidstijdenwet geeft echter ook een aantal uitzonderingssituaties, waarbij deze wet voor militairen buiten toepassing wordt verklaard. Dat is bijvoorbeeld het geval bij varen, vliegen en oefeningen of tijdens buitengewone omstandigheden.

De memorie van toelichting van de Arbeidstijdenwet geeft een verklaring voor deze uitzonderingen. Er kunnen omstandigheden zijn, waarin geheel of gedeeltelijke toepassing van de wet op gespannen voet staat met een goede uitoefening van defensietaken.7 Een algemeen kenmerk van de krijgsmacht is dat zij, wanneer nodig, inzetbaar moet zijn om de belangen van de staat te beschermen. Wanneer altijd gehoor dient te worden gegeven aan de arbeids- en rusttijden uit deze wet, wordt deze inzetbaarheid beperkt.

Ter regeling van de bijzondere positie van de militair is een aantal aanvullende bepalingen vastgelegd in de Wet Ambtenaren Defensie (WAD). Ter uitvoering van deze bepalingen is onder meer het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) vastgesteld.8 Met name hoofdstuk 7 van het AMAR geeft aanvullende regels over de werk- en rusttijden van de militair.

Het uitgangspunt is artikel 54b lid 1, waarin staat dat de militair de werkzaamheden in beginsel verricht gedurende vastgestelde werktijden. Daarnaast zegt het derde lid van deze bepaling dat de werktijd zoveel mogelijk dient te zijn gelegen tussen 07.00 en 18.00 uur. Bovendien bedraagt de arbeidsduur ten hoogste gemiddeld 38 uren per week.9 Naast het feit dat de werktijden dus redelijk strikt zijn geformaliseerd, moet ook het rooster met de werktijden ten minste 28 dagen vóór de datum van inwerkingtreding bekend te worden gemaakt aan de militair.10

Op het eerste gezicht lijkt het AMAR duidelijke grenzen te stellen aan de werktijden van de militair. Voor zowel de werktijden als de tijdige bekendmaking van het rooster geldt echter dat de commandant hiervan kan afwijken.11 Bijvoorbeeld 'indien de aard van de werkzaamheden of diensten' tijdige vaststelling van het rooster onmogelijk maakt. Zowel het AMAR als de memorie van toelichting geven geen verdere invulling aan deze werkzaamheden of diensten. Dit geeft de commandant dus speelruimte.

Daarnaast beperkt paragraaf 2 van hoofdstuk 7 AMAR het toepassingsbereik. In deze paragraaf worden specifieke groepen militairen uitgezonderd van de werk- en rusttijden bepalingen uit het AMAR12: 'de militair die een opleiding volgt als bedoeld in de artikel 13, 14, en 15 AMAR wordt uitgezonderd'.13 Het ambtenarengerecht te 's-Gravenhage en de minister delen de mening dat de werk- en rusttijdenregeling uit het AMAR slechts geldt, zolang werkzaamheden en/of diensten worden verricht en niet indien onderwijs wordt genoten in het kader van de opleiding.14 Dit betekent dat de bepalingen uit hoofdstuk 7 van het AMAR in beginsel niet van toepassing zijn op de initiële opleiding aan de KMA15.

De vraag is of deze regel ook toegepast moet worden op de militair in opleiding. Op de KMA wordt vrijwel geen onderscheid gemaakt tussen het arbeidsproces en het leerproces, een onderscheid dat in de jurisprudentie specifiek wordt benoemd als het gaat om de werkingssfeer van werk- en rusttijden voor studenten. Ook de Programma & Studiegids Officiersopleidingen KMA, het Onderwijs- en Examenreglement Officiersopleiding KMA en de studiegidsen van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) omschrijven niet welke activiteiten vallen onder het arbeidsproces en welke onder het leerproces. Daarnaast geldt voor militairen dat zij door de werkgever verplicht worden om deel te nemen aan de opleidingen.16 Dit is een wezenlijk verschil met andere studenten.

De commandant van de cadetten krijgt dus speelruimte bij de invulling van de werktijden, bij de bekendmaking van werktijden en bij de beantwoording van de vraag welke werkzaamheden vallen onder het leerproces in het kader van de opleiding. Dit betekent dat de militair in opleiding bijzonder weinig houvast heeft en extra belast kan worden. De vraag is of de balans tussen de bescherming van de werknemer en de behoefte aan flexibiliteit voor de organisatie er dan nog is.

De Rijksoverheid heeft voor arts-assistenten en overige artsen in opleiding een aparte regeling vastgelegd in het Arbeidstijdenbesluit, waarin duidelijke werk- en rusttijden staan omschreven.17 Een dergelijke uitbreiding in het AMAR is ook mogelijk en gezien de aard van de opleiding en werkzaamheden goed te rechtvaardigen.18

3 Vergoedingen

Een ander belangrijk punt is dat voor de militair in opleiding een uitzonderingspositie geldt met betrekking tot de vergoeding voor overwerk. Art. 4 lid 1 van de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid omschrijft het uitgangspunt dat militairen die de initiële opleiding volgen geen aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor overwerk. Een uitzondering hierop is wanneer hem diensten worden opgedragen die geen deel uitmaken van de opleiding(ssyllabus). De regeling verwijst voor de vergoeding bij overwerk dus naar de opleidingssyllabus die zou moeten aangeven wat valt onder diensten die onderdeel zijn van de opleiding. Aangezien de huidige opleidingssyllabus het onderscheid tussen het arbeidsproces en het leerproces niet omschrijft, komen de militairen in de initiële opleiding per definitie niet in aanmerking voor een vergoeding voor overwerk.

4 Conclusie

In dit artikel is gekeken naar het toepassingsbereik van de Arbeidstijdenwet op militairen. Voor zowel de vastgestelde werktijden als de tijdige bekendmaking van het rooster geldt dat de commandant hiervan onder bepaalde omstandigheden kan afwijken. Daarnaast beperkt paragraaf 2 van hoofdstuk 7 AMAR het toepassingsbereik van de werk- en rusttijden. Een belangrijke vraag is hoe en onder welke omstandigheden deze regel toegepast moet worden op de militair in opleiding, aangezien er geen duidelijk onderscheid te gemaakt wordt tussen het arbeidsproces en het leerproces. Daarnaast geldt voor militairen dat zij door de werkgever verplicht worden om deel te nemen aan de opleidingen.19 Een wezenlijk verschil met andere studenten.

In de praktijk blijkt dat bepaalde diensten worden geformuleerd als een wezenlijk onderdeel van de officiersopleiding, terwijl deze werkzaamheden van heel andere aard lijken te zijn. Om de militair in opleiding minder te belasten, is het noodzakelijk om in de opleidingssyllabus vast te leggen welke diensten daadwerkelijk van belang zijn in het kader van de opleiding. Het is nu onvoldoende duidelijk vastgelegd welke activiteiten binnen en welke activiteiten buiten het leerproces liggen. Een duidelijke opleidingssyllabus kan immers ook voorkomen dat militairen in opleiding vrijwel nooit aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor diensten buiten de syllabus of ander overwerk. Een aanvulling in het AMAR, zoals gedaan voor artsen in opleiding, kan zorgen voor meer duidelijkheid over de te werken uren en mogelijkheden bieden met betrekking tot vergoedingen.

Naar boven