Onderwerp: Bezoek-historie

Bescherming van de privacy van krijgsgevangenen tijdens gewapend conflict

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Bijdrage - Beschouwing

Bescherming van de privacy van krijgsgevangenen tijdens gewapend conflict

Door prof. mr. M.C. Zwanenburg 1

1 Inleiding

In januari van dit jaar postte president Zelensky van Oekraïne een bericht op Telegram en X over Noord-Koreaanse militairen die door Oekraïne gevangen zouden zijn genomen.2 Hij

deelde ook vier foto's, waaronder twee foto's waarop gevangenen herkenbaar waren afgebeeld en een foto van een militair identiteitsdocument. Onder juristen riep dit de vraag op, of het delen van deze informatie was toegestaan onder het internationaal recht.3 Of was dit een schending van de privacy van de betrokken militairen en een overtreding van het humanitair oorlogsrecht (HOR)?

Met name door de verspreiding van digitale technologie en sociale media komen dit soort vragen over bescherming van de privacy van personen, die zijn gedetineerd tijdens een gewapend conflict, steeds vaker naar voren. Ook het enorm toegenomen belang van informatie en specifiek digitale data tijdens oorlogvoering speelt hierbij een rol.

De mogelijkheid dat de Nederlandse krijgsmacht krijgsgevangenen zou nemen was lange tijd vooral een theoretische mogelijkheid. De gewapende conflicten waarbij Nederland betrokken was, waren vooral niet-internationaal van aard. In niet-internationale gewapende conflicten bestaan geen krijgsgevangenen: deze status, die nauw is verbonden met de categorie combattant, is beperkt tot gewapende conflicten tussen staten. De detainees die Nederland nam tijdens de ISAF-operatie in Afghanistan, bijvoorbeeld, waren dan ook geen krijgsgevangenen. Recent is de kans dat Nederland betrokken raakt bij een grootschalig conflict met een andere staat sterk toegenomen, met name door de dreiging vanuit Rusland.4 Er moet daarom nu wel degelijk rekening worden gehouden met de mogelijkheid, dat de krijgsmacht geconfronteerd zal worden met krijgsgevangenen.

Tegen deze achtergrond is het belangrijk dat binnen de krijgsmacht duidelijkheid bestaat over welke regels van toepassing zijn, wanneer het gaat om de persoonlijke informatie van krijgsgevangenen en welke verplichtingen hieruit voortvloeien. Op basis daarvan kunnen duidelijke instructies worden gegeven aan degenen die daadwerkelijk te maken krijgen met krijgsgevangenen.

Dit artikel beoogt een bijdrage te leveren aan het scheppen van deze duidelijkheid. Een uitdaging daarbij is dat het humanitair oorlogsrecht niet of nauwelijks regels bevat die expliciet gaan over de privacy van krijgsgevangenen.5 Het is daarom van belang om ook te kijken naar andere rechtsgebieden die meer duidelijkheid kunnen bieden, met name mensenrechten en gegevensbeschermingsrecht.

Dit artikel zal eerst stilstaan bij relevante regels uit deze rechtsgebieden. Vervolgens zullen enkele voorbeelden worden besproken van situaties waarin de privacy van krijgsgevangenen aan de orde is. Het betreft een drietal situaties, te weten: het gebruik van biometrie voor de registratie van gevangenen; het gebruik van bewakingscamera's in een detentiefaciliteit; en het delen van foto's van krijgsgevangenen, zoals gedaan door president Zelensky. Het artikel sluit af met een aantal concluderende opmerkingen.

2 Toepasselijk recht

Deze paragraaf zal stilstaan bij verschillende rechtsregimes die mogelijk relevant zijn voor de bescherming van de privacy van krijgsgevangenen. Allereerst wordt naar het HOR gekeken. Zoals in de inleiding al aangegeven, bevat dit rechtsregime nauwelijks regels die expliciet zien op privacy. Een aantal regels kan mogelijk wel op zo'n manier worden geïnterpreteerd dat deze ook bijdragen aan de bescherming van privacy. Een tweede relevant rechtsgebied is mensenrechten, met name het recht op privacy. Het derde rechtsgebied dat wordt besproken is het gegevensbeschermingsrecht. Hoewel dit recht tot voor kort nauwelijks relevant werd geacht voor militaire operaties, kan het ook richtlijnen bieden voor de bescherming van persoonsgegevens van krijgsgevangenen.

2.1 Humanitair oorlogsrecht

Het humanitair oorlogsrecht is het rechtsregime dat het meest relevant is tijdens een gewapend conflict. Het bevat een groot aantal regels over krijgsgevangenen, in het bijzonder het gehele derde verdrag van Genève (GC III). Dat verdrag bevat echter weinig regels die specifiek zien op de bescherming van privacy. Die bescherming kan wel worden afgeleid uit meer algemeen geformuleerde regels over de bescherming van krijgsgevangenen. In dit verband zijn met name de artikelen 13 en 14 GC III van belang. Artikel 13 bepaalt onder andere dat krijgsgevangenen te allen tijde menslievend moeten worden behandeld. Ook moeten zij volgens dit artikel te allen tijde worden beschermd, in het bijzonder tegen iedere daad van geweld of vreesaanjaging, tegen beledigingen en de nieuwsgierigheid van het publiek. Volgens het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) moet het gebod om krijgsgevangenen te beschermen tegen nieuwsgierigheid van het publiek breed worden opgevat. Het blootgesteld worden aan het publiek is volgens het ICRC beledigend op zichzelf, ook als dit niet samengaat met beledigende opmerkingen op handelingen.6 Onder 'publiek' moet worden verstaan, iedereen die niet direct betrokken is bij het omgaan met krijgsgevangenen.7 Dit betreft ook personeel van de gevangenhoudende mogendheid dat hier niet een directe betrokkenheid bij heeft.

Artikel 14 GC III bepaalt, dat krijgsgevangenen onder alle omstandigheden recht hebben op eerbiediging van hun persoon en van hun eer. Volgens het ICRC moet de 'eer' worden opgevat als ook persoonlijke informatie van krijgsgevangenen omvattend.8 Het ICRC verwijst in dit verband onder andere naar het Nederlandse Voorschrift 27-412 (HOR) van de Koninklijke Landmacht, dat bepaalt dat een verbod om strikt persoonlijke gegevens openbaar te maken, voortvloeit uit de verplichting om de eer van krijgsgevangenen te eerbiedigen.9

Het HOR bevat daarnaast nog een aantal meer specifieke regels die gerelateerd zijn aan de privacy van krijgsgevangenen. Hieronder vallen onder meer de regels over het censureren van correspondentie en speciaal toezicht op gevangenen die een onsuccesvolle ontsnappingspoging hebben gedaan.10

2.2 Mensenrechten

In tegenstelling tot het HOR bevatten mensenrechten specifieke regels over bescherming van privacy. Het recht op privacy is onder meer vastgelegd in artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke rechten (BUPO-verdrag) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De vraag is wel of deze artikelen ook van toepassing zijn tijdens een gewapend conflict buiten Nederlands grondgebied. Wat betreft het eerste: lange tijd was er brede overeenstemming dat tijdens gewapend conflict mensenrechten niet relevant zijn. Dat is tegenwoordig echter niet meer het geval. Er is nu brede steun voor het uitgangspunt dat mensenrechten niet alleen gelden in vredestijd, maar in beginsel ook tijdens een gewapend conflict.11 Dit komt onder andere tot uiting in jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof (IGH). In zijn 'Nuclear Weapons' advies stelde het IGH dat 'the protection of the International Covenant on Civil and Political Rights does not cease in times of war, except by operation of Article 4 of the Covenant whereby certain provisions may be derogated from in a time of national emergency.'12 Andere mensenrechtelijke toezichtsorganen hebben soortgelijke uitspraken gedaan. Zo stelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Hassan v. Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld dat 'even in situations of international armed conflict, the safeguards under the Convention continue to apply, albeit interpreted against the background of the provisions of international humanitarian law'.13

Het bovengenoemde citaat van het IGH wijst op de mogelijkheid voor staten om, in specifieke omstandigheden en onder strikte voorwaarden, af te wijken van sommige mensenrechten. Dit wordt 'derogatie' genoemd. Zowel het BUPO-verdrag als het EVRM bieden deze mogelijkheid, in artikel 4 respectievelijk artikel 15. Het EVRM vereist daarvoor dat er sprake is van 'tijd van oorlog of in geval van enig andere algemene noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt'. Van bepaalde mensenrechten mag nooit worden afgeweken, maar het recht op privacy is daar niet een van. Wel is het zo dat derogatie aan strikte voorwaarden is gebonden. Zo mag onder het EVRM alleen worden gederogeerd 'voor zover de ernst van de situatie deze maatregelen strikt vereist en op voorwaarde dat deze niet in strijd zijn met andere verplichtingen die voortvloeien uit het internationale recht.' Het laatste betekent onder andere, dat derogatie het niet mogelijk maakt om af te wijken van toepasselijke bepalingen uit het HOR, nu dat andere verplichtingen zijn die voortvloeien uit het internationaal recht. Er is enige discussie over de vraag of derogatie ook mogelijk is ten aanzien van handelingen van een staat buiten zijn eigen grondgebied. Die vraag moet echter bevestigend worden beantwoord.14

De toepassing van het HOR kan ook invloed hebben op de toepassing van mensenrechten zonder dat een staat gebruik maakt van de mogelijkheid om te derogeren. Het EHRM bepaalde in de zaak Hassan v. het Verenigd Koninkrijk dat bij het interpreteren van het artikel over het recht op vrijheid (artikel 5 EVRM), op basis van de internationaalrechtelijke regels over interpretatie van verdragen, rekening moet worden gehouden met bepalingen uit het HOR over detentie.15 Dat leidde er in die zaak toe dat het EHRM een extra rechtsbasis voor detentie inlas in artikel 5 EVRM. Op basis van de redenering die het Hof gebruikte in die zaak, zou de toepassing van het HOR ook gevolgen kunnen hebben voor de interpretatie van andere rechten onder het EVRM, waaronder het recht op privacy in artikel 8.

Wanneer de Nederlandse krijgsmacht krijgsgevangenen maakt, is de kans groot dat dit buiten Nederland gebeurt. Dit roept de vraag op in hoeverre Nederland de mensenrechten van personen buiten Nederland moet respecteren. Het EVRM bijvoorbeeld bepaalt in artikel 1 dat de partijen bij dat verdrag de rechten van iedereen moet verzekeren 'die ressorteert onder haar rechtsmacht'. Er is discussie over de vraag wanneer hiervan sprake is in geval een staat optreedt buiten zijn eigen grenzen.16 Hier valt veel meer over te zeggen, maar voor het doel van dit artikel volstaat de opmerking dat in ieder geval sprake is van uitoefening van rechtsmacht wanneer een staat iemand fysiek vasthoudt, zoals in het geval van krijgsgevangenen.17

Het recht op privacy is geen absoluut recht. Dat wil zeggen dat inmenging in de privacy van een persoon is toegestaan, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Kort gezegd moet er in ieder geval een wettelijke basis zijn voor dergelijke inmenging. Artikel 8 EVRM bepaalt in dit verband dat inmenging is toegestaan:

'voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.'

Hieruit volgt dat de inmenging ook noodzakelijk en proportioneel moet zijn voor het doel waarvoor deze is bedoeld. Het moge duidelijk zijn dat er tijdens een gewapend conflict in beginsel meer ruimte is voor een dergelijke inmenging dan in vredestijd. Dat wil niet zeggen dat het recht op privacy helemaal opzij kan worden gezet: er blijft altijd een minimumniveau aan bescherming over.

2.3 Gegevensbeschermingsrecht

Het gegevensbeschermingsrecht is nauw verbonden met de mensenrechten maar vormt een separaat rechtsgebied. Gegevensbeschermingsrecht is het recht dat ziet op de bescherming van persoonsgegevens. Dit recht is enerzijds breder dan het recht op privacy als mensenrecht, omdat gegevensbescherming niet alleen betrekking heeft op informatie die te maken heeft met het privéleven van personen. Anderzijds is het meer beperkt, omdat het recht op privacy niet alleen betrekking heeft op (persoons-)gegevens.18

Dit recht is in de meeste landen vastgelegd in nationale wetgeving. In Europa bestaan daarnaast internationale instrumenten. De bekendste hiervan is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van de Europese Unie (EU).19 De AVG is, kort gezegd, niet van toepassing op inzet van de krijgsmacht.20 Nederland heeft echter in de uitvoeringswetgeving van de AVG, de zogenaamde Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG), de AVG van overeenkomstige toepassing verklaard op dergelijke inzet.21 Wel is de mogelijkheid gecreëerd om hier in bepaalde gevallen tot op zekere hoogte van af te wijken. Deze mogelijkheid is uitgewerkt in de Regeling Gegevensbescherming Militaire Operaties (RGMO). De gedachte hierachter is, dat het wenselijk is dat er duidelijke richtlijnen zijn voor gegevensbescherming tijdens operaties, en dat de AVG in beginsel dergelijke richtlijnen biedt. Een aantal regels van de AVG blijft hoe dan ook van (overeenkomstige) toepassing, waaronder het vereiste van een rechtsgrondslag voor de verwerking van persoonsgegevens en eisen ten aanzien van de beveiliging van informatie.

3 Toepassing van het recht op specifieke situaties

Voor wat betreft de privacy van krijgsgevangenen kan dus worden geconcludeerd dat zowel het HOR, het recht op privacy en het gegevensbeschermingsrecht relevant zijn. In de rest van dit artikel zal ik enkele voorbeelden bespreken van situaties waarin de privacy van krijgsgevangenen aan de orde is. Ik zal daarbij stilstaan bij de toepassing van de verschillende relevante rechtsregimes in die situaties.

3.1 Gebruik biometrie bij registratie

Een van die situaties is het registreren van krijgsgevangenen met behulp van biometrie. Biometrie is, volgens de definitie van de NAVO, 'the automated recognition of individuals based on their behavioural and biological characteristics.' Biometrie maakt voor de herkenning van individuen gebruik van unieke fysieke, fysiologische of gedragskenmerken van personen.22 Een voorbeeld van gebruik van biometrie is gezichtsherkenning. Het biometrisch registreren van detainees tijdens een gewapend conflict – zij het in dat geval niet krijgsgevangenen omdat het een niet-internationaal gewapend conflict betrof –gebeurde bijvoorbeeld in het geval van detainees genomen door Nederland tijdens de ISAF-operatie in Afghanistan. Het ligt voor de hand dat in geval van een internationaal gewapend conflict krijgsgevangenen ook biometrisch zouden worden geregistreerd. Omdat biometrie draait om unieke kernmerken van een individu, biedt deze technologie een manier om detainees goed te kunnen identificeren en registreren. Zo kan er bijvoorbeeld veel minder snel verwarring ontstaan als gevolg van verschillende schrijfwijzen van een naam, of tussen personen die dezelfde naam hebben. In beginsel lijkt dit goed aan te sluiten bij het derde verdrag van Genève. Dat verdrag vereist dat krijgsgevangenen moeten worden geregistreerd en bepaalde informatie ter beschikking moet worden gesteld aan een zogenaamd nationaal informatiebureau.23 Deze informatie moet het mogelijk maken om de verwanten van krijgsgevangen in te lichten. In beginsel zou dit pleiten voor gebruik van alles wat bijdraagt aan het snel en accuraat identificeren van personen. Regels uit de drie rechtsregimes die zijn besproken stellen hier echter grenzen aan. Zo vloeit uit het recht op privacy bijvoorbeeld voort, dat het afnemen van biometrische gegevens alleen is toegestaan wanneer dit voor een duidelijk omschreven doel wordt gedaan, en minder vergaande middelen niet afdoende zijn om dat doel te behalen. De inbreuk op privacy moet ook proportioneel zijn ten opzichte van het nagestreefde doel. Dit betekent in de praktijk dat zo min mogelijk biometrische kenmerken moeten worden afgenomen en opgeslagen.24 Het houdt ook in dat de minst privacygevoelige soort biometrische gegevens moet worden afgenomen. Zo is het afnemen van DNA bijvoorbeeld verdergaand dan het gebruik van irisscans.25 Een ander vereiste is dat gegevens in beginsel alleen worden gebruikt voor het doel waarvoor ze zijn afgenomen.26 Dit volgt ook uit het gegevensbeschermingsrecht. Een van de kernbeginselen daarvan is doelbinding. Dit wil zeggen dat persoonsgegevens alleen mogen worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden en alleen verder mogen worden verwerkt op een met die doeleinden verenigbare wijze. Uit het gegevensbeschermingsrecht vloeit ook voort dat passende maatregelen moeten worden genomen, om de gegevens te beveiligen tegen verlies en diefstal. Dat dit belangrijk is bleek bij de terugtrekking van Westerse troepen uit Afghanistan, waarbij biometrische apparatuur in handen viel van de Taliban.27 In het HOR is met name artikel 17 GC III relevant, dat bepaalt dat krijgsgevangenen slechts gehouden zijn hun geslachtsnaam, voornamen en rang, geboortedatum en leger- of stamboeknummer te geven. De vraag is of het onvrijwillig afnemen van biometrische kenmerken is strijd is met deze bepaling. Deze vraag heb ik in een eerdere bijdrage in het MRT uitgebreid behandeld, waarbij ik concludeerde dat de praktijk van staten zal moeten uitwijzen welke interpretatie staten die partij zijn bij het derde Verdrag van Genève geven aan dit artikel in de context van het gebruik van biometrie.28

3.2 Gebruik van beveiligingscamera's in detentiefaciliteiten

Een tweede situatie is het gebruik van beveiligingscamera's in detentiefaciliteiten. In beginsel kan het gebruik van zulke technologie bijdragen aan de veiligheid in zo'n faciliteit, zowel van de gevangenen als van de bewakers. Het kan ook helpen bij het voorkomen van ontsnappingen. Daarnaast draagt het bij aan 'accountability' van zowel de gedetineerden als de bewakers. Om deze redenen wordt er in het 'reguliere' gevangeniswezen ook op grote schaal gebruik gemaakt van beveiligingscamera's.

Volgens het ICRC is het gebruik van camera's in krijgsgevangenkampen niet per se in strijd met het recht op eerbiediging van de persoon en eer van krijgsgevangenen. Beperkte, goed gereguleerde en gemanagede videosurveillance van een krijgsgevangenkamp is in beginsel niet in strijd met artikel 14 van het derde Verdrag van Genève.29 Het ICRC erkent dat zulk gebruik bepaalde humanitaire doeleinden kan hebben, zoals het voorkomen van geweld tussen gevangenen. Of gebruik van camera's rechtmatig is, moet per geval worden beoordeeld. Het hangt af van een veelheid aan factoren, waaronder het aantal camera's en hoe deze zijn afgesteld, of ook opnames worden gemaakt en welke veiligheidsrisico's er zijn. Deze, en andere factoren, moeten volgens het ICRC worden meegewogen bij de beoordeling of gebruik, in de woorden van het ICRC, 'excessief' is of niet. Volgens het ICRC zou het filmen van familiebezoeken of het plaatsen van camera's in toiletten of badkamers waarmee het hele lichaam van krijgsgevangenen kan worden gezien dat wel zijn.30 Minder vergaande middelen zullen normaal gesproken immers volstaan om dezelfde doeleinden te bereiken. Daarnaast zou volgens het ICRC continue videosurveillance op alle plaatsen van alle krijgsgevangenen ongepast en disproportioneel zijn. In dit verband benadrukt het ICRC dat krijgsgevangenschap geen vorm van bestraffing is, maar slechts een manier om combattanten van het strijdveld te houden.31

De toepassing van het mensenrechtelijke recht op privacy leidt ook tot de conclusie dat continue surveillance in strijd met het recht zou zijn. In dit verband kan worden verwezen naar jurisprudentie van het EHRM. De zaak Gorlov en anderen v. Rusland betrof drie gevangenen in Russische gevangenissen, wiens cel onder constant toezicht van camera's stond.32 Volgens hen was dit in strijd met artikel 8 EVRM. Het EHRM was het eens met de eisers, en stelde vast dat de Russische wetgeving die de basis bood voor de surveillance vrijwel geen garanties bood tegen misbruik.33 Het Hof onderscheidde dit geval van de zaak die Volkert van der Graaf had aangespannen tegen Nederland in verband met zijn continue videosurveillance in de Extra Beveiligde Inrichting. In die zaak bepaalde het EHRM dat de klacht niet-ontvankelijk was, nu er in dat geval onder andere gedetailleerde wetgeving was, die een uitputtende lijst bevatte van gronden voor permanente surveillance en de toepasselijke procedure voor het goedkeuren daarvan vastlegde. Op basis daarvan waren in het geval van Van der Graaf herhaaldelijk individuele besluiten genomen voor een duur van steeds twee weken.34

Hieruit blijkt dat een vereiste dat voortvloeit uit het recht op privacy is, dat er duidelijke voorschriften moeten zijn, waaruit blijkt wanneer en voor welke doeleinden mag worden gefilmd. Deze moeten ook kenbaar zijn voor de krijgsgevangenen, zodat zij weten waar ze aan toe zijn.

Uit het gegevensbeschermingsrecht vloeit onder andere voort dat wanneer ook opnames worden gemaakt, de bewaringstermijn zo kort mogelijk is. Dit volgt uit het beginsel van proportionaliteit binnen dit rechtsregime. Ook moeten passende maatregelen worden genomen, om te voorkomen dat onbevoegden toegang krijgen tot deze opnames. Dit vloeit voort uit het beginsel van data-integriteit. Op basis van dit beginsel moeten gegevens, en met name gevoelige gegevens zoals biometrische gegevens, en de infrastructuur die gebruikt wordt om deze gegevens te bewaren, worden omgeven met veiligheidsmaatregelen, om te beschermen tegen onder andere verlies en ongeautoriseerde toegang. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen als het beperken van fysieke en virtuele toegang tot de opnames en het versleutelen ervan.

3.3 Delen van foto's van krijgsgevangenen

De derde en laatste situatie die in dit artikel wordt besproken is het delen van foto's en video's van krijgsgevangenen, zoals is gedaan door president Zelensky. Op deze situatie is artikel 13 GC III van toepassing. Zoals eerder besproken vat het ICRC deze regel ruim op. Volgens die organisatie verbiedt artikel 13 in beginsel het vrijgeven van foto's of video's en andere persoonlijke gegevens, ongeacht het communicatiemiddel dat daarvoor wordt gebruikt.35 Het voorschrift HOR van de Landmacht lijkt hierbij aan te sluiten waar dit stelt dat krijgsgevangenen niet herkenbaar mogen zijn in nieuwsmedia. Het ICRC erkent dat het delen van beelden in uitzonderlijke gevallen kan bijdragen aan bijvoorbeeld het blootleggen van mishandeling, of het voorkomen dat krijgsgevangenen verdwijnen. Het stelt dat een redelijke balans moet worden gevonden tussen de voordelen die eventueel zijn verbonden aan het delen van beelden en de risico's die daaraan zijn verbonden. In beginsel zouden volgens het ICRC beelden van krijgsgevangen niet mogen worden gedeeld, tenzij sprake is van een 'dwingend publiek belang'.36 Wanneer de krijgsgevangenen zich in vernederende situaties bevinden op beelden, mogen deze beelden zelfs wanneer er een dwingend publiek belang is alleen openbaar worden gemaakt wanneer de identiteit van de gevangenen niet prijs wordt gegeven. In de literatuur lijkt er steun te zijn voor een lezing van artikel 13 waarin krijgsgevangenen niet herkenbaar in beeld mogen worden gebracht. Zo stellen Vermeer, Pieters en de Bruin eenvoudigweg; 'het tonen van krijgsgevangenen voor het oog van de media is dan ook ten strengste verboden', waarbij ze het 'herkenbaar tonen' in gedachten lijken te hebben.37 Risius en Meyer stellen voor dat de test moet zijn, 'whether the prisoners can be individually identified. Only if the prisoners' features cannot be recognized would it be permissible to publish or transmit.'38

Er is statenpraktijk die een dergelijke interpretatie steunt. Eerder werd al gewezen op het voorschrift HOR van de Landmacht. Het Verenigd Koninkrijk publiceerde in 2007 richtlijnen over dit onderwerp, die eenzelfde standpunt bevatten als het (later gepubliceerde, en mogelijk door het Britse standpunt geïnspireerde) standpunt van het ICRC. Deze richtlijnen stellen onder andere dat:

Any image of Prisoners of War (POWs) as identifiable individuals should normally be regarded as subjecting such individuals to public curiosity and should not be transmitted, published or broadcast. Where the specific circumstances of a case make it necessary in the public interest to reveal the identity of a POW (e.g. because of the person's seniority, or because the person is a fugitive from international justice) great care should be taken to protect the person's human dignity.39

Het Duitse handboek HOR bepaalt dat verslaggeving, waarin krijgsgevangenen individueel herkenbaar zijn, meestal in strijd is met internationaal recht.40

In deze lezing van artikel 13 is van groot belang wat mag worden verstaan onder een 'dwingend publiek belang'. Het ICRC noemt in dit verband in het commentaar op artikel 13 twee voorbeelden, namelijk de senioriteit van gevangenen en het feit dat ze verdachte van een misdrijf zijn.41 De vraag is of het bewijzen dat militairen uit een derde land deelnemen aan het conflict ook een dwingend publiek belang kan zijn. In mijn opvatting zal dat in ieder geval doorgaans niet zo zijn, omdat het voor dat doel normaal gesproken niet nodig zal zijn dat gevangenen herkenbaar in beeld worden gebracht. Het is echter niet uit te sluiten dat dit in uitzonderlijke omstandigheden anders zal zijn.

Tegenover de hierboven besproken interpretatie van artikel 13 staat de Law of War Manual van het Amerikaanse Department of Defense, die een beperktere betekenis lijkt te geven aan het verbod in artikel 13, nu dit stelt dat 'Displaying POWs in a humiliating fashion on television or on the internet' verboden is.42 De woorden 'in a humiliating fashion' suggereren dat het herkenbaar in beeld brengen van krijgsgevangenen niet per se vernederend is, zoals het ICRC stelt. De interpretatie van de VS vindt enige steun in de literatuur. Met name een recent artikel van Rachel VanLandingham ondersteunt de VS lezing en valt de interpretatie van het ICRC aan.43 Volgens haar lezing van artikel 13 GC III is het toegestaan om beelden van krijgsgevangen openbaar te maken, zolang de beelden de krijgsgevangen niet tonen in vernederende omstandigheden. Zo zou bijvoorbeeld het openbaar maken van beelden van krijgsgevangenen die worden mishandeld wel een schending zijn, maar andere beelden niet. Dit zou te rechtvaardigen zijn op basis van militaire noodzaak. VanLandingham lijkt te beargumenteren dat het tonen van Russische, (en vermoedelijk ook Noord-Koreaanse) krijgsgevangenen, een essentieel onderdeel uitmaakt van 'cognitieve oorlogvoering'. Waarom het tonen van krijgsgevangenen daar zo'n belangrijke bijdrage aan zou vormen, wordt in haar artikel niet geheel duidelijk. In ieder geval lijkt VanLandingham geen beoordeling per geval voor ogen te hebben of er een dwingend publiek belang is. In mijn ogen is een dergelijke beoordeling wel nodig.

Deze opvatting vindt ook steun in het feit dat in deze situatie naast het HOR het mensenrechtelijke recht op privacy van toepassing is. Op basis van de internationaalrechtelijke regels over de interpretatie van verdragen kunnen andere internationale rechtsregels, die van toepassing zijn tussen de partijen, een rol spelen bij de interpretatie van een specifieke verplichting. Dit geldt voor het recht op privacy, dat is vastgelegd in verschillende mensenrechtenverdragen en ook internationaal gewoonterecht vormt. Net als in het HOR is bij de toepassing van dit recht noodzakelijkheid een belangrijk element. Openbaarmaking moet noodzakelijk zijn om een gerechtvaardigd doel te bereiken. Dat doel kan het belang van de nationale veiligheid zijn, zoals blijkt uit artikel 8 EVRM. Het recht op privacy vereist ook dat openbaarmaking proportioneel is ten opzichte van het nagestreefde doel. Bij een dergelijke afweging spelen onder andere mee het gevaar dat openbaarmaking meebrengt voor de gevangene, of er sprake is van vrijwilligheid, en of er minder vergaande manieren zijn om het doel te bereiken. In het geval van de Noord-Koreaanse krijgsgevangenen kan men in dit verband bijvoorbeeld beargumenteren dat hun gezicht ook onherkenbaar had kunnen worden gemaakt.

4 Conclusie

In het dreigingsbeeld militaire en hybride dreigingen van december vorig jaar stellen de AIVD en MIVD dat voor het eerst in lange tijd de mogelijkheid reëel is, dat Nederland direct betrokken raakt bij een grootschalig gewapend conflict met een partij of machtsblok.44 Het is dan ook niet gek dat er momenteel grote inspanningen worden geleverd door Defensie om de krijgsmacht voor te bereiden op een dergelijk conflict. Daar is veel voor nodig. Het voorbereiden op de mogelijkheid dat de krijgsmacht met een groot aantal krijgsgevangenen zal worden geconfronteerd, is daar maar een klein deel van, maar wel een belangrijk deel. Bij het omgaan met krijgsgevangenen is het toepasselijk recht de basis. Gelukkig biedt het derde verdrag van Genève op veel vlakken een duidelijk kader voor de omgang met krijgsgevangenen. In dit artikel lag de focus op een aspect van die omgang waar het HOR minder houvast biedt, namelijk de privacy van krijgsgevangenen. Dit rechtsgebied bevat nauwelijks regels, die dat aspect expliciet reguleren. Een aantal regels kan zo gelezen worden dat ze ook zien op privacy, maar er bestaat lang niet altijd consensus over hoe die regels moeten worden geïnterpreteerd. De oorlogsrechtelijke verplichting om krijgsgevangenen te beschermen tegen nieuwsgierigheid van het publiek is daar een voorbeeld van. Gepoogd is duidelijk te maken dat het recht op privacy en gegevensbeschermingsrecht ook behulpzaam kunnen zijn bij het identificeren van richtlijnen voor de omgang met krijgsgevangenen. Uiteraard moet daarbij wel rekening worden gehouden met de omstandigheden. Wat noodzakelijke en proportionele inbreuken op privacy en gegevensbescherming zijn tijdens een gewapend conflict, is immers niet hetzelfde als in vredestijd.

Naar boven