Onderwerp: Bezoek-historie

Ceremonieel & protocol
Geldigheid:15-08-2015 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Hoofdstuk 1 Inleiding en begrippen

1. Inleiding

Ceremonieel en protocol vormen belangrijke onderdelen van het maatschappelijk leven. Het protocol legt de rol van een autoriteit vast. Dit is echter geen doel op zich maar een middel om een ceremonie of bezoek goed te laten verlopen. In deze defensiepublicatie wordt het ceremonieel en protocol voor de krijgsmacht behandeld en vastgesteld.

Militair ceremonieel draagt bij aan de publieke presentatie van de krijgsmacht en symboliseert tevens de permanente bescherming die geboden wordt aan de handhaving van de internationale rechtsorde en aan onze constitutionele monarchie en parlementaire democratie. Militair ceremonieel en het daarmee gepaard gaande eerbetoon zijn in dit kader tevens een uitstekend middel om internationaal goede vreedzame relaties op te bouwen en te onderhouden.

Het leveren van militairen voor ceremonieel is een onderdeel van de dagelijkse bedrijfsvoering. Binnen de krijgsmacht speelt dit ceremonieel meestal in de vorm van een militaire parade een belangrijke rol voorbeelden hiervan zijn: commando overdracht, beëdiging en uitreiking van onderscheidingen.

Ook bij Nationale ceremonieën is de inzet van militairen vanzelfsprekend. Voorbeelden hiervan zijn: de inhuldiging van een nieuwe Koning of Koningin, de opening van de Staten-Generaal (Prinsjesdag), de Nationale herdenking op de Dam, de staatsbegrafenis en het aanbieden geloofsbrieven door nieuwe ambassadeurs. Voor elke ceremonie geldt: het kan niet worden overgedaan, op het moment van uitvoering moet het er perfect uitzien. Een ceremonie kan pas worden uitgevoerd na een intensieve voorbereiding zodat het voor de betrokken autoriteiten en voor de ingedeelde militairen duidelijk is wat hun rol of taak is.

2. Algemeen

  1. Wanneer in deze publicatie mannelijke naamwoorden en persoonlijke voornaamwoorden worden gebruikt, zijn deze tevens van toepassing op de vrouwelijke vorm van deze woorden.
  2. Voor onderwerpen die slechts van toepassing zijn voor één krijgsmachtdeel, wordt op de betrokken alinea, pagina of bij de betrokken paragraaf steeds het krijgsmachtdeel vermeld.
  3. In deze publicatie wordt verwezen naar de DP 20-20: Handboek exercitie voor de krijgsmacht en de DP 20-30: Vaandels en Standaarden bij de Nederlandse Krijgsmacht.
  4. Het muzikaal eerbetoon en de bijzonderheden zijn cursief vermeld. Waarschuwings- en uitvoeringscommando’s worden steeds in HOOFDLETTERS geschreven.
  5. In het buitenland kunnen de bepalingen van deze publicatie zo nodig worden aangepast aan de gewoonten van het land waarin men zich bevindt.
  6. Bij de protocollaire volgorde van de krijgsmachtdelen dient zoveel mogelijk de volgorde KM, KL, KLu, KMar aangehouden te worden. De gastheer bepaalt of bepaalde functionarissen, los van de logische volgorde vanwege de aard van de bijeenkomst, hoger in het protocol moeten worden geplaatst.
  7. Bij internationale samenwerking gelden de voorschriften van betrokken landen. Bij de uitvoering van het ceremonieel en protocol dient van alle landen evenveel (h)erkenning van de eigen waarden en gebruiken aanwezig te zijn.
  8. Voor bijzondere gelegenheden (zoals een staatsbegrafenis) zullen er conform het CP-100: Staatsbegrafenis van leden van het Koninklijk Huis, aanvullende richtlijnen volgen, bijvoorbeeld versobering of niet laten doorgaan van evenementen, recepties enz.
  9. Periode van rouw: tijd gedurende welke men rouwt. Een (door of namens de minister-president) afgekondigde periode waarin in Nederland de nationale vlag halfstok wordt gehesen. Op zondag wordt er niet halfstok gevlagd.
  10. Voor informatie of assistentie kan een beroep worden gedaan op de protocolofficieren van de krijgsmachtdelen of het Bureau Ceremonieel (van Ststcie 11 Luchtmobiele Brigade) te Den Haag.
  11. In gevallen waarin deze publicatie niet voorziet, dient in de geest hiervan te worden gehandeld. Houd hierbij rekening met plaatselijke gebruiken en bijzondere omstandigheden. 

3. Uitgangspunten

  1. Eenduidigheid in presentatie staat bij iedere plechtigheid voorop. Zowel genodigden als gasten, maar ook de deelnemers, moeten een plechtigheid ervaren als een stijlvolle, waardige en professionele gebeurtenis.
  2. De plechtigheid moet begrijpelijk en duidelijk zijn voor alle aanwezigen. Wanneer de ceremonie niet wordt verstoord, kan, indien noodzakelijk dan wel gewenst, uitleg omtrent het protocol worden gegeven door een spreker.
  3. Genodigden dienen te worden begeleid en direct voorafgaande aan een ceremonie op de hoogte te worden gesteld van het verloop, zoals vermeld in onderdeel b.
  4. Indien tijdens een militaire plechtigheid uitsluitend de vaandelwacht / standaardwacht of groep gewapend is, worden de commando’s door de paradecommandant aan de eenheid gegeven als zijnde ongewapend.
  5. C-vaandelwacht of C-vaandelgroep geeft de overeenkomstige herhaalcommando’s, steeds voorafgegaan door het commando: VAANDELWACHT of VAANDELGROEP.
  6. Eenheden die uitsluitend zijn gewapend met pistool, dienen bij de voorgeschreven geweerbewegingen de commando’s te volgen als bij een ongewapend optreden.
  7. In beginsel vinden ceremoniële activiteiten plaats in DT, tenzij het CT is voorgeschreven. Bij extreme weersomstandigheden of anderszins uitzonderlijke situaties kan men, met toestemming van de protocolofficier van het desbetreffende krijgsmachtdeel, afwijken van het in hoofdstuk 6 voorgeschreven tenue.
  8. Indien burgerfunctionarissen, b.v. bewakingspersoneel, zijn belast met de uitvoering van in deze DP omschreven activiteiten (b.v. de vlaggenparade), dienen zij te handelen conform het bepaalde voor militairen. 

4. Begrippen

(zie ook bijlage G: Trefwoorden en afkortingen)

  1. T.b.v. een verkorting in de schrijfwijze, dienen onderstaande begrippen tevens gelezen te worden zoals de omschrijving of verwijzing erachter. 

AT

avondtenue

bataljon

een (vergelijkbare) eenheid ter grootte van c.a. 300-800 militairen onder bevel van een kolonel , kapitein ter zee, luitenant-kolonel, kapitein-luitenant ter zee / opleidingscentrum of onderwijsinstelling bestaande uit meerdere compagnieën / afdelingen

begrafenis

teraardebestelling, crematie

belofte

eed (zie aldaar)

compagnie

batterij /eskadron, KLu: squadron

complex

enig militair terrein, kazerne, basis, schip enz.

dagelijks-/daagse tenue

DT, (KM: tenue 6 of 3 / KMar: DT of Dienst-T…/KMar) overeenkomstig de in hoofdstuk 6 vermelde interservicestaat tenuen

dirigent

kapelmeester, muzikaal leider, (tamboer-maître)

eed

belofte eed: verklaring, waarbij God als getuige wordt aangeroepen

eenheid

staf, inrichting der zeemacht, vliegbasis, oorlogsschip, brigade, bataljon, compagnie enz.

ereroffel

signaal geeft acht (KM: tevens attentieroffel)

getuigde mast

een mast met steng, gaffel en ra

GLT

gelegenheidstenue

IN DEN ARM - GEWEER

BRENGT - GROET

kerk

geloofshuis / kapel / moskee / tempel

klaroen

signaalhoorn in bes

militair

tevens een geestelijke verzorger, ingedeeld bij de krijgsmachtdelen

militaire (ere)groet

zoals in DP 20-20 bepaald

modeldecoraties

versierselen, militair opgemaakt: op het lint bevestigd / de model opgemaakte medailles

muziek(korps)

kapel, fanfarekorps, trompetterkorps, drumfanfare, tamboerkorps, tamboers en pijpers

muzikant (muziek)

tamboer, klaroenblazer (bes), trompetter (es), trompettist, pijper enz.

opperofficier

vlagofficier (KM)

PRESENTEERT - GEWEER / SABEL

BRENGT ERE - GROET

sabel

klewang

standaard

vaandel

standaardgroep

vaandelgroep

taptoe (signaal)

taptoe infanterie (bes), - bereden wapens (es) en KM

trompettist

klaroenblazer (bes) / trompetter (es)

vaandel

standaard

vaandelgroep*

standaardgroep** (bereden eenheden) * vaandelgroep: indien meer vaandels dan standaarden; ** standaardgroep: indien meer standaarden dan vaandels; (bereden eenheden) bij een gelijk aantal vaandels en standaards bepaalt het ‘oudste’ vaandel / standaard hoe de groep wordt genoemd / gecommandeerd

vaandelstok

vaandelstang bij de KM

vaandelvoerend commandant

C-OPCO, korpscommandant of regimentscommandant van een vaandelvoerende eenheid

vaandelvoerende eenheid

een krijgsmachtdeel, korps of regiment dat een vaandel dan wel standaard voert

vaandelwacht

standaardwacht, bereden standaardwacht: indien te paard

vlaggencatalogus

MG65

vlaggenmast

getuigde mast en gaffelmast

vlaggen van top (KM)

bij overige eenheden: vlaggen met wimpel

vlagofficier

opperofficier (KL / KLu / KMar) of aangewezen burgerfunctionaris

wimpel (KM)

de oorlogswimpel, (zie hoofdstuk 3, § 3)

ZET AF - GEWEER

IN DE HOUDING - STAAT

 

  1. De vermelding van commando's bij de diverse plechtigheden is niet volledig. Het commando NAAR RECHTS - RICHTEN is nergens vermeld, terwijl bij de vaandelexercitie alleen de herhaalcommando’s zijn aangegeven. De vaandel-exercitie wordt uitgevoerd conform DP 20-20, hoofdstuk 9.
  2. Daar waarin deze publicatie het commando PRESENTEERT - GEWEER / IN DEN ARM - GEWEER wordt voorgeschreven, wordt door de ongewapende militair alsmede door de met een pistool of opgestoken sabel gewapende militair het eerbewijs BRENGT ERE - GROET / BRENGT - GROET gebracht.
  3. Daar waar in deze publicatie het commando PRESENTEERT - GEWEER wordt voorgeschreven, wordt door de militair met getrokken sabel het eerbewijs PRESENTEERT - SABEL gebracht. In een aantal gevallen zijn beide of alle drie de commando’s weergegeven om de keuze van gewapende dan wel ongewapende deelname aan een ceremonie weer te geven.
  4. Daar waar in deze publicatie GEEFT - ACHT wordt voorgeschreven nemen bereden militairen met getrokken sabel de houding DRAAGT - SABEL aan, wordt het commando OP DE PLAATS - RUST gecommandeerd, dan nemen zij de houding GEREED - SABEL aan.
  5. Het uitreiken van brevetten, getuigschriften, diploma’s, certificaten, alsmede onthullingen enz. kan analoog aan een beëdigingceremonie (zie hoofdstuk 18) worden vastgesteld.
  6. Tijdens een ceremonie dient het aantal toespraken beperkt te worden tot de bij de ceremonie betrokken autoriteiten, en kort en kernachtig te zijn. Na vertrek van de parade-inspecteur kan zo nodig het woord aan anderen worden verleend.
  7. Burgers dienen niet te worden ingedeeld in militaire detachementen.
  8. Applaus tijdens de uitvoering van ceremonieel is ongepast, evenals het dragen van een zonnebril en het meezingen van het Wilhelmus, indien geüniformeerd, tijdens het brengen van de eregroet.

Hoofdstuk 2 Bijzondere bepalingen

Bepalingen ten aanzien van het Koninklijk Huis

1. Algemeen

  1. Een lid van het Koninklijk Huis ontvangt, ongeacht de door hem beklede militaire rang of functie, steeds de eerbewijzen die zijn voorgeschreven voor leden van het Koninklijk Huis. De militair die een lid van het Koninklijk Huis vergezelt, brengt geen eerbewijzen behalve in voorkomend geval de eregroet.
  2. Een vertegenwoordiger van Z.M. de Koning of van een ander lid van het Koninklijk Huis ontvangt geen andere eerbewijzen dan die, welke aan militairen (of burgers) van zijn rang worden bewezen. Overigens geniet hij de voorrang, verschuldigd aan de vorstelijke persoon die hij vertegenwoordigt. 

2. Aanspreekvormen

  1. Z.M. de Koning wordt aangesproken met majesteit.
  2. H.M. de Koningin wordt aangesproken met majesteit
  3. Met koninklijke hoogheid worden aangesproken:
  1. prinses Beatrix;
  2. De Prinses van Oranje;
  3. prinses Alexia;
  4. prinses Ariane;
  5. prins Constantijn;
  6. prinses Laurentien;
  7. prinses Margriet;
  1. Prof.mr. Pieter van Vollenhoven wordt aangesproken met: meneer Van Vollenhoven
  2. De volgende personen zijn geen lid van het Koninklijk Huis, maar worden desondanks toch met koninklijke hoogheid aangesproken:
  1. prinses Irene;
  2. prinses Christina;
  3. prinses Mabel;
  4. prins Maurits;
  5. prinses Marilène;
  6. prins Bernhard;
  7. prinses Annette;
  8. prins Pieter-Christiaan.
  9. prinses Anita;
  10. prins Floris;
  11. prinses Aimée.

3. Opwachting

Wanneer een militair aan Z.M. de Koning of aan een ander lid van het Koninklijk Huis wordt voorgesteld of zijn opwachting maakt, wordt voor een kort moment de houding aangenomen. De militaire groet blijft achterwege (zie ook § 10 ‘Het dragen van handschoenen’).

4. Rangschikking van naast elkaar lopende militairen tijdens ceremoniële plechtigheden

  1. De militair laat de meerdere in rang rechts van zich lopen.
  2. Indien drie militairen naast elkaar lopen, verplaatst degene met de hoogste rang zich in het midden en de laagste in rang zich links van hem*.
  3. Bij een ceremoniële inspectie en bij de inspectie van een erewacht wordt van het hierboven gestelde afgeweken om de parade-inspecteur in de gelegenheid te stellen zo dicht mogelijk langs de door hem te inspecteren eenheden te lopen.
  4. De plaats van een paradecommandant is rechts van de parade-inspecteur 1. Andere autoriteiten verplaatsen zich achter de parade-inspecteur en paradecommandant.
  5. Een officier-adjudant loopt twee pas linksachter de autoriteit aan wie hij is toegevoegd. 

5. Aanspreekvormen algemeen

In het algemeen gelden de burgerlijke vormen van beleefdheid. De volgende richtlijnen dienen in acht te worden genomen:

  1. ministers, staatssecretarissen en ambassadeurs worden aangesproken met excellentie tenzij anders is bekendgemaakt;
  2. een militair wendt zich tot de hoogste in rang, indien hij een militair in diens gezelschap wil spreken; hij maakt zich bekend door duidelijk te zeggen wie hij is en wat hij wenst; bijvoorbeeld: ”Goedemorgen kolonel, kapitein Pieters; zou ik majoor Jansen mogen spreken?”;
  3. is degene die hij wenst te spreken in gesprek, dan wacht hij tot het gesprek is beëindigd; indien dringend, vraagt hij of hij mag storen. 

6. Eerbewijzen aan / door militairen met een bijzondere taak

  1. Door de aan een autoriteit als adjudant toegevoegde officier en door de overige tot zijn gevolg behorende militairen worden, wanneer zij zich in de onmiddellijke nabijheid van de autoriteit bevinden, geen eerbewijzen gebracht, behalve in de volgende gevallen:
    1º. indien de autoriteit optreedt als commandant van een eenheid, brengen zij dezelfde eerbewijzen als voor de bij de eenheid ingedeelde officieren is voorgeschreven;
    2º. indien de autoriteit de eregroet brengt, brengen zij die eveneens, behalve indien zij tijdens het eerbewijs een taak moeten verrichten, zoals het voorlezen van een KB.
  2. Een als adjudant aan een autoriteit toegevoegde officier verplaatst zich bij officiële plechtigheden op twee passen links achter de autoriteit aan wie hij is toegevoegd.
  3. Indien de aan een autoriteit als adjudant toegevoegde officier of een tot zijn gevolg behorende militair zich niet in de onmiddellijke nabijheid van zijn chef bevindt, brengt hij de eerbewijzen van de individuele militair.
  4. Militairen die afzonderlijk staan opgesteld voor het afzetten van een ruimte, brengen de voorgeschreven eerbewijzen, tenzij een goede vervulling van hun taak dat niet toelaat. 

7. Het melden en groeten door de commandant van een eenheid

  1. De commandant die het bevel voert over militairen en zich als zodanig bij een meerdere in rang meldt, doet dit zoals voorgeschreven in de DP 20-20, Handboek exercitie voor de krijgsmacht.
  2. Alvorens de hem onder bevel staande militairen te melden, laat hij hen de houding aannemen en in voorkomend geval de (ere)groet brengen (zie ook hoofdstuk 7).
  3. Van oefenende, onderricht ontvangende of rustende eenheden meldt alleen de commandant zich. Indien de (ere)groet moet worden gebracht, dient de eenheid eerst te worden opgesteld, waarna zowel de commandant als de eenheid, tijdens het melden, de (ere)groet brengen.
  4. De commandant van een stilstaande of marcherende eenheid brengt de militaire groet aan zijn commandant of aan een commandant die het hogere bevel over de eenheid voert, indien zij elkaar passeren. 

8. Appèls (KM: Baksgewijs)

Appèls worden gehouden naar regels door de commandant van de eenheid te stellen, op voorwaarde dat het opstellen van de eenheid, het in- en uittreden van de commandanten en ook het verplaatsen van de commandanten gebeurt op de wijze zoals aangegeven in de DP 20-20, Handboek exercitie voor de krijgsmacht. 

9. Betreden van een oorlogsschip

Alle militairen die aan boord van een oorlogsschip komen, maken front naar de vlag en brengen de eregroet. De onderofficier van de wacht brengt de groet aan de militair indien deze de rang heeft van sergeant of hoger, zoals voorgeschreven in hoofdstuk 9, § 8, onderdeel d.

10. Het dragen van handschoenen

Wanneer het dragen van handschoenen is voorgeschreven, worden deze niet uitgetrokken, indien de inspecterende autoriteit door het geven van een handdruk overgaat tot een persoonlijke begroeting van de militair, zelfs al heeft die autoriteit de handen ontbloot. Deze regel is eveneens van kracht, indien een vorstelijk persoon overgaat tot het geven van een handdruk.

Hoofdstuk 3 Vlaggen

De Nederlandse vlag

1. Algemeen

  1. Onder de koninkrijksvlag of Nederlandse vlag (hierna ook te noemen: vlag) wordt verstaan de bij Koninklijk Besluit van 19 februari 1937, nummer 93, en Beschikking Minister van Marine van 16 augustus 1949, nummer 182503/142779, vastgestelde vlag voor het Koninkrijk der Nederlanden. De vlag is het symbool van de eenheid en de onafhankelijkheid van het koninkrijk. Daar waar de vlag wordt ontplooid, dient daartoe een ereplaats te worden ingeruimd.
  2. De vlag bestaat uit vlaggendoek van drie even hoge banen in de kleuren helder vermiljoen, wit, en kobalt blauw. Langs één van de hoogtezijden is de vlag voorzien van een stevige, witte linnen band (de broeking) waardoor een korte vlaggenlijn loopt. Deze vlaggenlijn, aan de bovenzijde voorzien van een lus of musketon, wordt bevestigd (aangeslagen) aan de lange vlaggenlijn.
  3. Een vlag die slijtage vertoont, gescheurd is, of in ernstige mate verkleurd is, dient te worden vervangen.
  4. Het bevestigen van de vlag aan de korte vlaggenlijn gebeurt met een dubbele schootsteek.
  5. Optredende vlaggendragers c.s. is het niet toegestaan om de specifieke vaandelwachtexercitie uit te voeren. 

2. De maten van de vlag en vlaggenstok

  1. De verhouding van het vlaggendoek (hoogte t.o.v. de lengte*) bedraagt 2:3. In gevallen waar een schuin tegen de gevel bevestigde vlaggenstok wordt gebruikt, verdient een vlag de voorkeur, waarvan hoogte en lengte zich verhouden als ten minste 2:3. In gevallen waar een vlag wordt uitgestoken met de stok in horizontale richting, verdient het aanbeveling een verhouding in hoogte en lengte te kiezen van ten minste 3:5. 
    * Hoogte: de broeking; Lengte: de afmeting langs de zijde haaks op de broeking; Bij nationaal gebruik: 1.50 x 2.25 meter;
  2. bij internationaal gebruik: NL, 2.00 x 3.00 meter, de overige vlaggen: 1.50 x 2.25 meter.
  3. De lengte van de vlaggenstok moet altijd zodanig zijn dat de vlag, ook als zij halfstok is gehesen, de grond niet raakt en niets of niemand hindert.
  4. De vlaggenstok is wit van kleur en heeft een oranjekleurige knop (kloot). Indien de vlag is bevestigd aan een horizontaal geplaatste vlaggenstok, mag de afstand van de gestrekt hangende vlag tot de begane grond niet minder dan vier meter bedragen.
  5. De verschillende maten van vlaggen en wimpels zoals in gebruik bij de Koninklijke Marine zijn opgenomen als bijlage H. 

3. De oranje wimpel

De oranje wimpel is van oranjekleurig doek, even lang of iets langer als de diagonaal van de gehesen of uitgestoken vlag, variërend in de breedte van 15 tot 30 centimeter, uitlopend in een zwaluwstaart. De bovenzijde van de wimpel is voorzien van een oranje broeking waardoor een horizontale, net uitstekende stok wordt gestoken. Aan de uiteinden wordt een koord gestoken, zodanig dat bij het aanhechten van de wimpel aan de bovenkant van de vlag, de stok horizontaal hangt. De oranje wimpel wordt samen met de Nederlandse vlag uitgestoken (zoals in § 6 omschreven) op verjaardagen van leden van het Koninklijk Huis en op Koningsdag. De KM voert geen oranje wimpel, maar vlagt van top. Bij alle andere gelegenheden wordt de vlag zonder wimpel gevoerd. Wanneer hier wordt gesproken over "wimpel" wordt de oranje wimpel bedoeld. Wanneer het de oorlogswimpel betreft zal "oorlogswimpel" voluit worden geschreven.

4. Wijze van vlaggen

We onderscheiden de volgende manieren van vlaggen 1:

  1. aan een verticaal, schuinstaand of horizontaal geplaatste vlaggenstok;20_10_h3_6
  2. zonder vlaggenstok, verticaal tegen de muur of wand; in dit geval moet de vlag geheel zijn uitgespreid, het rood aan de rechterzijde en de broeking aan de bovenzijde;20_10_h3_7
  3. zonder vlaggenstok, horizontaal tegen een muur of wand, geheel uitgespreid en de broeking aan de rechterzijde;
  4. aan een gaffelmast (KLu) of aan de gaffel van een getuigde mast (KM). 

5. Het gebruik van de vlag

  1. Op complexen en schepen met permanente bezetting wordt dagelijks gevlagd; de vlag wordt gehesen en neergehaald zoals bepaald in hoofdstuk 15.
  2. Op andere complexen en schepen wordt eveneens dagelijks gevlagd met uitzondering van de dagen wanneer er geen personeel werkzaam is op het object; de vlag wordt gehesen en neergehaald zoals bepaald in hoofdstuk 15. Ook burgerpersoneel kan de vastgestelde ceremonie uitvoeren.
  3. De vlag behoort niet tussen zonsondergang en zonsopgang te worden gehesen of te blijven. Het hijsen van de vlag vindt uiterlijk om 09.00 uur plaats, op zondagen en algemeen erkende christelijke feestdagen om 09.30 uur. Uitzondering hierop: als de vlag zodanig verlicht wordt, dat de kleuren duidelijk te onderscheiden zijn, kan de vlag s-nachts gehesen blijven.

Uit oogpunt van instructie kan op de opleidingseenheden afgeweken worden van de hier genoemde tijdstippen. (Vóór 09.00 uur, doch nooit na zonsondergang).

Bijzonderheden:

  1. Buitengewone vlaggenparade KL: uiterlijk te 10.30 uur;
  2. In een buitenlandse haven of rede en in de nabijheid van buitenlandse oorlogsschepen worden de tijdstippen van vlag hijsen en vlag neerhalen aangepast aan lokaal gebruik.
  3. Bij de KM is vlaggenparade om 09.00 uur en zonsondergang. Op zondagen en algemeen erkende christelijke feestdagen om 09.30 uur en zonsondergang.

 

  1. Op complexen en schepen zonder (troepen)legering kan het neerhalen van de vlag reeds te 17.00 uur plaatsvinden.
  2. Op militaire complexen wordt in de regel de vlag gevoerd aan een vlaggenmast, aan een standaard gaffelmast of aan de gaffel van een getuigde mast. In beginsel is een mast centraal dan wel nabij de hoofdingang van een militair complex geplaatst.
  3. Een vlag die nat of vochtig is, mag niet worden opgeborgen maar moet, geheel ontvouwd, te drogen worden gehangen op een zo min mogelijk in het oog lopende plaats. 

6. Vaste data / gelegenheden voor het vlaggen

De data waarop voor rijksgebouwen uitgebreid vlaggen (UV)* of beperkt vlaggen (BV)* is bepaald, met tussen haakjes de data indien een datum op een zondag of een algemeen erkende christelijke feestdag valt:
* UV: vlag uitsteken van alle rijksgebouwen, zoals gebruikelijk op Koningsdag.
* BV: vlag uitsteken van de hoofdgebouwen van de departementen, benevens van de hoofdgebouwen van de niet (rechtstreeks) onder de departementen vallende instellingen. zoals die van de Kamers der Staten-Generaal, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, het Kabinet der Koningin en de Hoge Raad der Nederlanden: 

31 jan (1 feb) 27 apr (28 apr)

Verjaardag van H.K.H. prinses Beatrix

verjaardag van Zijne Majesteit de Koning (‘Koningsdag’) (1967)*

BV

BV

04 mei (04 mei)

nationale dodenherdenking met halfstok vlaggen van 18.00 u tot zonsondergang

UV

05 mei (05 mei)

nationale bevrijdingsdag

UV

17 mei (18 mei)

verjaardag van Koningin Máxima (1971)*

BV

Laatste zaterdag in juni

Veteranendag

UV

15 aug (16 aug)

formeel einde Tweede Wereldoorlog

UV

3e dinsdag in september:

opening van de Staten-Generaal (alleen in Den Haag)

UV

07 dec (08 dec)

Verjaardag van H.K.H. prinses Catharina-Amalia (2003)*

BV

15 dec (16 dec)

Koninkrijksdag

BV

* Gelegenheden, waarbij de vlag wordt gehesen met oranje wimpel: op Koningsdag en op de hierboven vermelde verjaardagen van leden van het Koninklijk Huis.

Bijzonderheden:

  1. De vlag wordt zonder oranje wimpel gehesen bij alle andere gelegenheden.
  2. Tijdens officiële bezoeken van vreemde staatshoofden wordt alleen gevlagd in de plaatsen die worden bezocht.
  3. Het te volgen patroon bij het vlaggen tijdens eenmalige, bijzondere gebeurtenissen* of gelegenheden, wordt steeds door of namens de minister bekend gemaakt.

* Bij voorbeeld: geboorte, huwelijk, overlijden in de koninklijke familie. 

 

7. Het vouwen van de vlag

De vlag wordt als volgt gevouwen:

  1. twee vlaggendragers pakken de vlag vast in de lengterichting met één hand op de scheiding van rood en wit, en met de andere hand aan het einde van het blauw;
  2. de vlag wordt nu overlangs dichtgevouwen zodanig, dat wit opgesloten wordt tussen rood en blauw;
  3. met rood boven, wordt de vlag vervolgens tweemaal dubbelgeslagen zodanig, dat het blauw boven komt te liggen (lus en touw aan de broekingzijde bovenop). 

Het vouwen van de vlag op de Amerikaanse manier:

  1. De vlag wordt opgetild door de draagploeg en strak boven de kist gehouden.
  2. De buitenste twee die het rode gedeelte vasthebben pakken de vlag, met de buitenste hand, bij de overgang rood naar wit.
  3. Als dit gebeurd is, laat de rest rood los en pakt de vlag ook bij deze overgang om vervolgens in een vloeiende beweging de vlag over te brengen naar blauw.
  4. Blauw neemt de vlag over en de personen die aan de kant van rood stonden pakken de vlag weer onderaan vast en trekken hem weer strak.

Uitgangspositie rood boven, blauw beneden

  1. De vlag wordt vanaf het hoofdeinde in een driehoek opgevouwen en steeds doorgegeven. Personen die niets meer vasthouden nemen de houding aan.
  2. De commandant draagploeg stopt het laatste stukje in de opening van de vlag en neemt hem dan over. Hierdoor is de driehoek aan de buitenkant blauw. 

20_10_h3_22

8. Halfstok vlaggen

  1. Het halfstok vlaggen* gebeurt met de Nederlandse vlag en bij de KM ook met de geus. De wimpel en alle overige vlaggen worden daarbij niet gehesen. 
    * Op zondag wordt er niet halfstok gevlagd, m.u.v. 04 mei.
  2. Alvorens de vlag halfstok te hijsen, is of wordt de vlag in top gehesen; vervolgens langzaam neergehaald totdat het midden van de vlag op de helft van de vlaggenmast is gekomen, waarna de vlaggenlijn wordt vastgemaakt.
  3. Bij het neerhalen van een halfstok gehesen vlag, wordt deze eerst in top gehesen en vervolgens langzaam neergehaald. Procedures halfstok vlaggen:
    1°. Bij het overlijden van een Defensiemedewerker in werkelijke dienst: Er wordt halfstok gevlagd op het complex waar overledene werkte van het moment van bekendmaken tot en met de dag van de uitvaart. Op andere Defensiecomplexen wordt niet halfstok gevlagd.
    2°. Bij het omkomen van een Defensiemedewerker tijdens oefening of door de dienst: Er wordt halfstok gevlagd op het complex van het onderdeel waar overledene werkte van het moment van bekendmaken tot en met de dag van de uitvaart. C-OPCO of hoofd van een Defensieonderdeel kan beslissen dat op de dag van de uitvaart op alle complexen van het krijgsmacht- of Defensieonderdeel, waartoe de overledene behoorde, halfstok wordt gevlagd. Op andere Defensiecomplexen wordt niet halfstok gevlagd.
    3°. Bij het omkomen van een Defensiemedewerker ten gevolge van operationele inzet in een operatiegebied: Er wordt halfstok gevlagd op het ministerie van Defensie en alle Defensiecomplexen van het moment van bekendmaken tot en met de dag van de uitvaart.
    Noot 1: Op andere Defensiecomplexen in de directe omgeving van een complex waar halfstok gevlagd wordt kan ook halfstok worden gevlagd (bv door een Brigade KMar).
    Noot 2: Op het complex waar de overledene aankomt vanuit het buitenland wordt bij de aankomst halfstok gevlagd (bv een vliegbasis).
    *KM: zie hoofdstuk 22, § 9.
  4. Indien halfstok zou moeten worden gevlagd op één van de vaste data voor het vlaggen, wordt die dag niet halfstok gevlagd tenzij door of namens de minister anders wordt bepaalt.
  5. Bovendien wordt de vlag halfstok gehesen ten teken van rouw:
    1º. bij overlijden van een lid van het Koninklijk Huis, vanaf de dag van het bericht van overlijden tot en met de dag van de begrafenis, behalve op zondag;
    2º. als daartoe door of vanwege de minister opdracht wordt gegeven bij het overlijden van een militair, een oud militair of burgerambtenaar, die niet valt onder het gestelde in onderdeel d, op door of vanwege de minister aan te wijzen complexen;
    3º. bij een nationale herdenkingsdag* overeenkomstig door of vanwege de regering te stellen regels;
    * 04 mei Nationale Herdenking: van 18.00 uur tot zonsondergang;
    4º. bij gelegenheden van een officiële dodenherdenking volgens door het betrokken krijgsmachtdeel te stellen regels.
  6. Tijdens het halfstok hijsen en neerhalen van een halfstok gehesen vlag wordt geen Wilhelmus gespeeld. De signalen geeft acht (tijdstip aanvang vlag hijsen) en doorgaan (vlag gehesen / neergehaald) kunnen desgewenst wel worden gespeeld. 

9. Het opstellen van meer dan één vlag

  1. Wanneer twee vlaggen zijn ontplooid, is de plaats van de Nederlandse vlag rechts (voor de toeschouwer links).
  2. Bij het ontplooien van drie vlaggen wordt de Nederlandse vlag in het midden geplaatst.20_10_h3_8
  3. In een groep vlaggen wordt de Nederlandse vlag in het midden en op het hoogste punt van de groep geplaatst.
  4. Wanneer de Nederlandse vlag en vlaggen van andere naties naast elkaar hangen, is de plaats van de Nederlandse vlag op de rechtervleugel (voor de toeschouwer links). De vlaggenstokken moeten even hoog reiken en de vlaggen dienen zoveel mogelijk van gelijke afmeting te zijn, doch nooit groter dan de Nederlandse vlag.20_10_h3_9
  5. De onderlinge rangorde van vlaggen van andere naties is afhankelijk van de eerste letter van de namen van de desbetreffende landen in de Franse taal. Bij vlaggen in NAVO-verband is de volgorde die van de eerste letter van de namen van de desbetreffende landen in de Engelse taal. De plaats van de NAVO vlag is uiterst rechts (voor de toeschouwer links).
  6. Wordt de Nederlandse vlag met een vlag van een andere natie tegen een muur of wand geplaatst, zodanig dat de vlaggenstokken elkaar kruisen, dan hangt de Nederlandse vlag rechts (voor de toeschouwer links) en loopt de vlaggenstok van de Nederlandse vlag over die van de andere vlag.
  7. Wanneer de vlag wordt ontplooid bij een bijeenkomst waar een podium is voor de spreker, is de plaats van de vlag rechts van de spreker (voor de toeschouwer links) indien de vlag op het podium staat. Dit geldt voor zowel binnen als buiten.
  8. Indien de vlag in een zaal staat, staat deze rechts van het auditorium (voor de toeschouwer links). Is de vlag tegen de achterwand geplaatst, dan moet de vlag achter het katheder worden gehangen op een zodanige wijze, dat de onderkant van de vlag boven de spreker uitkomt.
  9. Bij het hijsen van de provinciale en gemeentelijke vlag naast de Nederlandse vlag is de opstelling: provinciale vlag (links voor de toeschouwer), Nederlandse vlag, gemeentelijke vlag (rechts voor de toeschouwer), waarbij de Nederlandse vlag hoger wordt geplaatst.20_10_h3_11
  10. De volgorde van de provincievlaggen (voor de toeschouwer van links naar rechts, is als volgt: 

1º. Noord-Brabant;

5º. Zeeland;

9º. Groningen;

2º. Gelderland;

6º. Utrecht;

10º. Drenthe;

3º. Zuid-Holland;

7º. Friesland;

11º. Limburg;

4º. Noord-Holland;

8º. Overijssel;

12º. Flevoland.

 

20_10_h3_21

10. Overige bijzonderheden

  1. Wanneer de Nederlandse vlag naast* een of meer vlaggen van andere naties komt te hangen, wordt de Nederlandse vlag het eerst gehesen, óf de vlaggen worden allemaal tegelijkertijd gehesen. Bij het neerhalen van de vlaggen gebeurt dit gelijktijdig en anders wordt de Nederlandse vlag als laatste neergehaald. 
    * Indien de Nederlandse vlag separaat gehesen of neergehaald wordt, kan dit eveneens conform de ceremonie van een (buitengewone) vlaggenparade.
  2. Uitgezonden eenheden, vallend onder VN, NAVO, of EU-commando, voeren naast de VN-, NAVO- of EU-vlag tevens de NL-vlag.
  3. Het gebruik van de NL-vlag als versiering (anders dan drapering) is een ernstig gebrek aan eerbied en is daarom niet toegestaan.
  4. Aan vlaggen van andere naties wordt hetzelfde respect betoond als aan de Nederlandse vlag.
  5. Aan krijgsmachtdeel-, onderdeel- en oefenvlaggen, fanions enz. wordt geen eerbetoon toegekend. Bij een functionele inzet tijdens een plechtigheid, bijvoorbeeld bij de overgave van een commando, wordt slechts de houding gecommandeerd.
  6. Bij bijzondere gebeurtenissen zal er een speciale regeling komen. Tijdens de officiële bezoeken van vreemde staatshoofden wordt alleen gevlagd in de plaatsen die worden bezocht. 

11. Gebruik en aanvraag krijgsmachtdeelvlag

Op alle militaire complexen, waar dagelijks de Nederlandse vlag is gehesen, mag tevens de vlag van het krijgsmachtdeel worden gehesen. Deze vlag wordt direct na de Nederlandse vlag gehesen en direct voor de Nederlandse vlag weer neergehaald als tegelijkertijd hijsen en neerhalen niet mogelijk blijkt. De afmetingen dienen gelijk of kleiner te zijn dan de Nederlandse vlag. De krijgsmachtdeelvlag mag ook bij publiekspresentaties buiten de militaire objecten worden gebruikt.

De krijgsmachtdeelvlaggen zijn opgenomen in de vlaggencatalogus. Het is toegestaan de oude krijgsmachtdeelvlag te gebruiken; echter alléén op militaire complexen.

Krijgsmachtdeelvlaggen

 

 

Huisstijl Defensie

Ministerie van Defensie, Bestuursstaf, CDC en DMO

 

20_10_h3_2

Koninklijke Marine

 

20_10_h3_6

Koninklijke Landmacht

20_10_h3_3

20_10_h3_4

Koninklijke Luchtmacht

20_10_h3_4

20_10_h3_5

Koninklijke Marechaussee

20_10_h3_5

20_10_h3_7

12. De uitzendvlag

Algemeen:
1º. aan een (samengestelde) eenheid, die in het kader van internationale vredesoperaties wordt uitgezonden, kan door de Commandant van het desbetreffende krijgsmachtdeel een uitzendvlag worden toegekend en uitgereikt. Hiervoor komen in aanmerking brigadestaven, bataljons en zelfstandige compagnieën, danwel compagnieën die zelfstandig worden uitgezonden;
2º. de uitzendvlag wordt uitgereikt door of namens de betrokken Commandant; indien de eenheid uit personeel van twee of meer krijgsmachtdelen is samengesteld, kan de uitzendvlag worden uitgereikt door of namens de CDS óf door of namens de Commandant van het krijgsmachtdeel dat het overgrote deel van het personeel levert;
3º. de uitreiking vindt plaats aan de commandant van de uit te zenden eenheid en wel zo kort mogelijk vóór vertrek naar het gebied van inzet, tijdens het laatste (grote) appel. Dit laatste geldt voor samengestelde eenheden, organieke verbanden beschikken standaard over een uitzendvlag;
4º. de uitzendvlag wordt door de eenheid naar het uitzendgebied meegevoerd, de commandant van de eenheid bepaalt het gebruik van de vlag ter plaatse;
5º. aan de uitzendvlag worden geen eerbewijzen gebracht;
6º. na beëindiging van de uitzending kan tijdens de uitreiking van de persoonlijke herinneringsmedailles een grote vlaggenband met een opschrift* van het inzetgebied of land van inzet (voorzien van het jaartal) aan de uitzendvlag worden bevestigd;
*Het opschrift bestaat uit, in deze volgorde: naam van het land van inzet, naam van de operatie eventueel aangevuld met rotatienummer, tijdvak in maanden waarin de eenheid is ingezet, jaartal. Bijvoorbeeld: Bosnië-Herzegovina SFOR-12 mei-november 2002;
7º. aan de uitzendvlag kan een buitenlandse onderscheiding worden gehangen;
8º. na ontbinding van de eenheid, wordt de vlag beheerd in het museum van het krijgsmachtdeel;
9º. de uitzendvlag wordt op verzoek door het betrokken krijgsmachtdeelmuseum beschikbaar gesteld t.b.v. een reünie, een herdenking of een veteranenactiviteit;
10º. een eenheid verkrijgt in principe eenmalig een uitzendvlag, waarop uitsluitend de naam van de eenheid (bij KL: met toevoeging van het regiment of korps) vermeld staat. Bijvoorbeeld B-CIE 17 PAINFBAT GFPI of 13 INFBAT LMBL (AASLT) RSPB. Bij alle volgende uitzendingen wordt deze vlag meegenomen en de vlaggenbanden voor de diverse missies worden aan deze vlag gehecht.

De (uitzend)vlag:
1º. de (uitzend)vlag is dubbeldoeks uitgevoerd in de nationale kleuren, 80 cm vierkant en is omzoomd met oranje franje; in het midden is het embleem van het desbetreffende krijgsmachtdeel aangebracht, zodanig dat het grootste deel van het embleem op de witte baan en een klein deel op de rode baan is geplaatst; op de blauwe baan is in goudgeel de naam van de eenheid of zoals deze in het uitzendgebied wordt genoemd (samengestelde eenheid van meerdere krijgsmachtdelen, zie ook hieronder pt. b.2º t/m 4º), in een deel van een cirkelvorm aangebracht;
2º. wanneer de eenheid is samengesteld uit in aantal vergelijkbare componenten van twee krijgsmachtdelen, bevinden de emblemen zich naast elkaar in het midden (zie ook onderdeel f, onder 2º);
3º. wanneer de eenheid is samengesteld uit componenten van drie krijgsmachtdelen, bevinden de emblemen van twee krijgsmachtdelen zich naast elkaar en boven het midden van de vlag, waarbij het grootste deel van de beide emblemen zich in de witte baan en een kleiner deel zich in de rode baan bevindt; het embleem van het derde krijgsmachtdeel bevindt zich midden onder en tussen de hierboven genoemde emblemen, voor een kleiner deel in de blauwe baan;
4º. wanneer de eenheid is samengesteld uit componenten van vier krijgsmachtdelen, zijn de emblemen paarsgewijs naast en boven elkaar geplaatst, steeds boven en onder het midden, waarbij het grootste deel zich steeds in de witte baan bevindt; vanaf de broekingzijde gerekend worden de emblemen in de volgorde KM, KL, KLu en KMar geplaatst;
5º. bij samenstelling van een binationale eenheid t.b.v. uitzending, kan de desbetreffende commandant een voorstel doen voor aanmaak van een binationale uitzendvlag, waarbij de afmetingen overeenkomen zoals beschreven bij de onderdeelsvlag, § 14, onderdeel b, onder 1º; dit voorstel dient ter goedkeuring aan de Commandant van het krijgsmachtdeel te worden aangeboden.

De stok:
De stok is zwart van kleur met een diameter van 3,5 centimeter en heeft een lengte van ± 2,5 meter. Boven het doek is de stok voorzien van een metalen punt.

De bandelier:
De bandelier is uitgevoerd in zwart leder met een witmetalen gesp en is aan de onderzijde voorzien van een zwartlederen schoen. De bandelier wordt over de rechterschouder gedragen.

De vlaggenband:
1º. de grote vlaggenband is uitgevoerd in nassausblauw, 6 cm hoog en 100 cm lang en wordt uitgevoerd met een opschrift als bedoeld in onderdeel a, onder 6º; de vlaggenband wordt ná de ceremonie medaille-uitreiking door of namens de Commandant aan de uitzendvlag bevestigd;
2º. een kleine vlaggenband is uitgevoerd in nassausblauw, 4 cm hoog en 60 cm lang, deze wordt zonder militair ceremonieel in de vredeslocatie aan de onderdeelsrichtvlag of het onderdeelsvaantje bevestigd van iedere eenheid die minimaal met een compagnie deel uitmaakte van de uitgezonden eenheid. Deze wordt uitgevoerd met een opschrift als de grote vlaggenband echter met de maanden afgekort, bijv. Bosnië-Herzegovina SFOR-12 mei-nov 2002;
3º. voor een grote vlaggenband komt de eenheid in aanmerking als het stafelement en tenminste 1/3 van de troepen geleverd is. Dit geldt voor een bataljon of (zelfstandige) compagnie, die zelfstandig op uitzending gaat;
4º. voor een kleine vlaggenband komt de eenheid in aanmerking als deze als onderdeel van bataljon of vergelijkbare eenheid (battlegroup, taskforce, etc.) is uitgezonden. Voor de sterkte geldt ook dat tenminste het stafelement en 1/3 van de organieke sterkte is ingezet;
5º. bij specialistische eenheden die gefaseerd over meerdere rotaties worden uitgezonden wordt voor de toekenning van een vlaggenband de periode gehanteerd waarover de eenheid totaal is uitgezonden.
Bijv. 105 Cotrcie levert aan drie opeenvolgende rotaties ISAF van 4 maanden telkens ca. 1/3 van haar sterkte, de vlaggenband vermeld in dat geval: “Afghanistan ISAF nov 2006-okt 2007”
6º. aan andere hier niet genoemde vlaggen worden geen vlaggenbanden gevoerd;
7º. het bevestigen van een vlaggenband aan de uitzendvlag, zie hoofdstuk 20, § 9;
8º. het bevestigen van een buitenlandse vlaggenband behoeft toestemming van de bevelhebber.

Overig:
1º. de uitzendvlag wordt alleen door de KL gevoerd;
2º. op de uitzendvlag zal, naast het embleem van de KL, een embleem van een ander krijgsmachtdeel worden opgenomen, indien de toegevoegde component een organieke eenheid ter sterkte van ongeveer een compagnie betreft; op de uitzendvlag wordt eveneens het embleem van een ander krijgsmachtdeel opgenomen, indien de totale sterkte van dat krijgsmachtdeel meer dan tien procent van de samengestelde eenheid uitmaakt;
3º. de uitzendvlag en vlaggenbanden, stok en bandelier worden aangevraagd bij het kabinet van Commandant Landstrijdkrachten (Bureau Ceremonieel & Protocol) en voor rijksrekening verstrekt aan de desbetreffende eenheden.

20_10_h3_1

De (achterzijde van de) uitzendvlag van 42 (NL) MECHBAT LJ in Bosnië (1998) 

13. Vlaggebruik KM

De koninkrijksvlag:
1º. onverminderd datgene wat elders in deze publicatie is bepaald, voeren oorlogsschepen in dienst de koninkrijksvlag aan de vlaggenstok en wel:
(a) in de vaart en buiten een haven of rede ten anker liggende, dag en nacht;
(b) in een haven of op een rede gemeerd of ten anker liggende, vanaf vlaggenparade tot zonsondergang; vóór het hijsen van de vlag en na zonsondergang wordt die vlag ook gevoerd, maar alleen bij daglicht:
(1) in een druk bevaren haven of op een druk bevaren rede des morgens tot vijf minuten voor het tijdstip van vlaggeparade en des avonds van vijf minuten na zonsondergang af;
(2) in een niet druk bevaren haven of op een niet druk bevaren rede gedurende het voorbijvaren van koopvaardijschepen, die hun natie of koopvaardijvlag voeren en ook vanaf het tijdstip dat er buitenlandse oorlogsschepen in zicht komen, totdat deze voorbij zijn;

2º. indien de omstandigheden het onmogelijk maken de koninkrijksvlag aan de vlaggenstok te voeren, moet zij worden gehesen: (a) op schepen met één mast aan een stok, opgesteld op een passende plaats op het achterschip, of, zo ook dat niet mogelijk is, aan de gaffel; (b) op schepen met twee masten aan de achtergaffel;
3º. sloepen en andere vaartuigen van de KM voeren de koninkrijksvlag uitsluitend zolang zij bemand zijn en wel aan de vlaggenstok, alleen tussen zonsopkomst en zonsondergang;
4º. gedurende het verblijf op een rede of in een haven in het buitenland worden de tijdstippen van het hijsen en neerhalen van de vlag aangepast aan die welke zijn vastgesteld voor de zeemacht van het land dat wordt bezocht;
5º. zijn twee of meer oorlogsschepen en/of inrichtingen der zeemacht in de onmiddellijke nabijheid van elkaar gelegen, dan worden de tijdstippen van hijsen en neerhalen van de vlag aangegeven door een vlaggensein, gehesen op het vlaggenschip dan wel op het oorlogsschip of bij de inrichting der zeemacht van de oudste commandant.
6°. in de vaart en buiten een haven of rede ten anker liggende, dag en nacht aan de zeepositie.

De oorlogswimpel:

20_10_h3_13
1º. de oorlogswimpel is een lange, zeer smalle, gespleten scheepsvaan in de kleuren van de koninkrijksvlag;
2º. oorlogsschepen voeren, zolang zij in dienst zijn, steeds de oorlogswimpel met uitzondering van het bepaalde onder 3º; zij voeren de oorlogswimpel aan de top van de voormast; de oorlogswimpel blijft dag en nacht waaien;
3º. alleen wanneer een commandovlag of de standaard moet worden gevoerd, wordt de oorlogswimpel neergehaald;
4º. sloepen voeren de oorlogswimpel voorop aan de wimpelstok, doch alleen indien zich aan boord bevindt een officier met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang die het bevel voert over een of meer oorlogsschepen, squadrons maritieme vliegtuigen, mariniersformaties of inrichtingen der zeemacht, en dan nog uitsluitend bij bijzondere gelegenheden van militair ceremoniële aard;
5º. inrichtingen der zeemacht voeren geen oorlogswimpel.

De geus:

20_10_h3_12
1º. de geus is een rechthoekige vlag, waarvan de lengte zich verhoudt tot de breedte als 3:2, verdeeld in sectoren in de kleur van de koninkrijksvlag;
2º. de geus wordt uitsluitend door oorlogsschepen in dienst gevoerd en wel aan de geusstok;
3º. zij voeren de geus alleen wanneer zij in een haven of op een rede gemeerd of ten anker liggen en wel, behalve in de gevallen aangegeven in hoofdstuk 9 (§ 5, onderdeel a, § 7, onderdeel c en § 29, onderdeel a), eveneens:
(a) vanaf het hijsen van de vlag tot zonsondergang; op zondagen en algemeen erkende christelijke feestdagen; op de dag waarop het bevel wordt overgegeven*;
op de dag waarop Z.M. de Koning, een lid van het Koninklijk Huis, dan wel een staatshoofd of een lid van een regerend vorstenhuis van een bevriende soevereine staat een officieel bezoek brengt aan de plaats waar het schip ligt;
* Tijdens een bevelsoverdracht / overdracht C-ZSK dient de geus te worden gehesen;
(b) gedurende een inspectie van het schip als eenheid door of namens de Commandant Zeestrijdkrachten, de CZMCARIB of COMNLMARFOR en gedurende ceremoniële plechtigheden, maar niet vóór het hijsen van de vlag en niet ná zonsondergang;
(c) gedurende de aanwezigheid van buitenlandse oorlogsschepen, maar niet vóór het hijsen van de vlag en niet na zonsondergang;
(d) gedurende het verblijf op een rede of in een haven in het buitenland, maar niet vóór het hijsen van de vlag en niet na zonsondergang;
(e) op de dag van hun indienststelling vanaf het ogenblik, waarop zij in dienst worden gesteld tot zonsondergang en op een dag van hun uitdienststelling van het hijsen van de vlag tot het ogenblik waarop zij uit dienst worden gesteld.

Buitenlandse natievlaggen:
1º. buitenlandse natievlaggen worden uitsluitend gevoerd in de gevallen, aangegeven in dit voorschrift en wel aan de top van de voormast;
2º. bij het luchten en drogen van buitenlandse natievlaggen moet worden voorkomen, dat de ene natievlag boven de andere waait; in de nabijheid van buitenlandse oorlogsschepen worden zij bij voorkeur binnen boord gelucht en gedroogd.

De onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis:

20_10_h3_14
1º. de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis wordt gevoerd bij inrichtingen der zeemacht (alleen indien daar een getuigde mast is), op motorrijtuigen, en aan boord van oorlogsschepen aan de top van de voormast; op een sloep aan de wimpelstok;
2º. zij blijft dag en nacht waaien, zolang Z.M. de Koning aan boord van het schip of de sloep is, bij de inrichting der zeemacht verblijft, of zich in het motorrijtuig bevindt; zodra Z.M. de Koning van boord is of de inrichting heeft verlaten, wordt de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis neergehaald; zodra Z.M. de Koning het motorrijtuig heeft verlaten, wordt de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis opgerold en wordt er een zwarte hoes over geschoven. 

14. Vlaggebruik KL

Algemeen:

20_10_h3_15
1º. bij de KL kunnen (brigade-)staven, opleidingseenheden, inrichtingen, eenheden van bataljonsgrootte en zelfstandige compagnieën beschikken over een onderdeelsvlag;
2º. (sub)eenheden van ten minste compagniesgrootte kunnen beschikken over een onderdeelsrichtvlag;
3º. cavalerie eenheden van eskadronsgrootte kunnen beschikken over een lansierlans met onderdeelsvaantje, dit geldt tevens voor van oorsprong traditionele volledig rijdende eenheden: het Cavalerie Ere-escorte en het Korps Rijdende Artillerie;(N.B. dit geldt niet voor het Korps Veldartillerie, dit is een bereden eenheid)
4º. de onderdeelsvlag, onderdeelsrichtvlag (of het onderdeelsvaantje), de vlaggenstok en bandelier, dienen te worden aangevraagd bij het kabinet van Commandant Landstrijdkrachten (Bureau Ceremonieel & Protocol) en worden voor rijksrekening verstrekt; het aanvragen dient te geschieden conform de procedure aanvraag vlaggen (zie ook intranetsite ST CLAS/KAB C-LAS/Bur C&P);
5º. eenheden die reeds beschikken over een eenheidsvlag, hoeven de hieronder beschreven onderdeelsvlag niet te voeren;
6º. er worden op vlaggen en vaantjes uitsluitend door de Commandant Landstrijdkrachten goedgekeurde afbeeldingen of emblemen aangebracht.

De onderdeelsvlag:

20_10_h3_20
1º. de onderdeelsvlag bestaat uit een vierkant oranje doek van 80 cm omrand door een wit kader van 2,5 cm; in het midden van het doek bevindt zich het gekroonde initiaal van het staatshoofd in wit, in dezelfde vorm als op een vaandel; in vier hoekpunten van de vlag is het embleem van de eenheid in zwart aangebracht met daaronder het tactisch eenheidnummer, het eenheidsembleem is in dit geval gelijk aan het kraagspiegelembleem; in de broekhoek (onderzijde) kan in plaats van het hiervoor omschreven embleem een afbeelding worden aangebracht van een object dat voor de eenheid uit oogpunt van traditiebeleving van waarde is, bijvoorbeeld het bataljons- of regimentsembleem; indien de vlag wordt gevoerd door een gemengde eenheid, worden de diagonaal tegenoverliggende hoekpunten gesierd met de emblemen van de desbetreffende wapens of dienstvakken; bij staven, brigades, opleidingseenheden worden in plaats van de kraagspiegelemblemen het embleem van de betreffende staf, brigade of opleidingseenheid gevoerd. Als de eenheid geen tactische nummering kent wordt de gebruikelijke naamsafkorting aangebracht;
2º. beide zijden van de vlag zijn gelijk;
3º. de houten stok is 2.20 m lang en voorzien van een metalen punt, de bandelier is van zwart leder met een metalen gesp;
4º. bij samenstelling van een binationale eenheid kan de desbetreffende commandant een voorstel doen voor aanmaak van een binationale onderdeelsvlag, waarbij de afmetingen overeenkomen zoals beschreven bij de onderdeelsvlag; dit voorstel dient ter goedkeuring aan Commandant Landstrijdkrachten te worden aangeboden.

De onderdeelsrichtvlag:
1º. de onderdeelsrichtvlag bestaat uit een vierkant oranje doek van 40 cm, omrand door een wit kader van 2,5 cm; in het midden van het doek bevindt zich het gekroonde initiaal van het staatshoofd in wit, in dezelfde vorm als op het vaandel; in drie hoekpunten van de vlag is het embleem van de eenheid in zwart aangebracht met daaronder het tactisch eenheidsnummer, dit is het kraagspiegelembleem van het bataljon; de vierde hoekpunt (broekzijde onder) heeft het eenheidsembleem met daaronder de compagniesaanduiding of kan worden voorzien van een compagniesembleem en -aanduiding in zwart; voor subeenheden van opleidingseenheden geldt hetzelfde onder toepassing van het gestelde onder pt. b.; indien de richtvlag wordt gevoerd door een gemengde eenheid, worden de diagonaal tegenoverliggende hoekpunten gesierd met de emblemen van de desbetreffende wapens of dienstvakken;
2º. de onderdeelsrichtvlag is bevestigd op een metalen richtvlaghouder met punt en kraag, die op de loop van een geweer (Colt) kan worden bevestigd.

Het onderdeelsvaantje:
1º. het onderdeelsvaantje bestaat uit een doek van 60 cm lang en 40 cm hoog waarvan de bovenste helft oranje is en de onderste helft wit; het uiteinde is ingesneden met twee punten; in het midden van het oranje deel is het gekroonde initiaal van het staatshoofd aangebracht in wit; in het midden van het witte deel is het embleem van de eenheid met daaronder het tactisch eenheidsnummer in zwart aangebracht;
2º. het onderdeelsvaantje wordt gevoerd aan de Lans nr. 2, gemodificeerd model, die aan de bovenzijde is voorzien van een metalen punt.

Het gebruik:
1º. aan de onderdeelsvlag, de onderdeelsrichtvlag en het onderdeelsvaantje worden geen eerbewijzen gebracht en wordt geen speciaal geleide uitgebracht;
2º. indien bij een plechtigheid een vaandel is ingedeeld, kan aan een onderdeelsvlag geen specifieke functie worden toegekend;
3º. aan een onderdeelsrichtvlag en -vaantje wordt zonder enig ceremonieel een kleine vlaggenband ter herinnering aan deelname aan vredesoperaties vastgemaakt. 4º. bij functioneel gebruik van een onderdeelsrichtvlag en -vaantje als zodanig door eenheden die normaliter het voorgeschreven ceremonieel niet met de gehele eenheid in gesloten verband uitvoeren, wordt voor de losse verbanden een aparte richtvlag of vaan toegekend. Voorbeelden hiervan zijn Kabinet C-LAS, Cavalerie Ere-escorte, Bereden Escorte Korps Rijdende Artillerie. 

15. Vlaggebruik KLu

Algemeen: 
1º. op zelfstandige onderdelen van de KLu mag samen met de Nederlandse vlag en de vlag van de KLu een onderdeelsvlag worden gevoerd aan de standaard gaffelmast of aan afzonderlijke vlaggenmasten; de Nederlandse vlag wordt bevestigd aan de mast, de vlag van de KLu aan de rechtergaffel en de onderdeelsvlag aan de linkergaffel;
2º. het is niet toegestaan alleen de vlaggen van de KLu of het onderdeel te voeren;
3º. ook kan aan een afzonderlijke vlaggenmast op een centrale plaats of bij het stafgebouw van een squadron een squadronvlag worden gevoerd;
4º. bij bezoeken van leden van het Koninklijk Huis aan een onderdeel van de KLu wordt gedurende het bezoek de onderscheidingsvlag van het desbetreffende onderdeel gehesen aan de rechtergaffel; de vlag van de KLu wordt dan aan de linkergaffel gevoerd;
5º. onder de rechtergaffel wordt verstaan:
(a) bij een vrijstaande vlaggenmast: de gaffel die zich voor de vlaggenhijsers, met het front naar de mast gekeerd, aan de linkerzijde van de mast bevindt;
(b) bij een vlaggenmast voor een gebouw: de gaffel die zich, gezien vanuit dat gebouw, aan de rechterzijde van de mast bevindt;
(c) indien bij de vlaggenmast eenheden zijn opgesteld: de gaffel die zich, gezien vanaf de opstellingsplaats van de eenheden, aan de linkerzijde van de vlaggenmast bevindt.

Onderdeelsvlaggen:

20_10_h3_17

1º. de onderdeelsvlag is een rechthoekige vlag van 135 x 202,5 cm en als volgt opgedeeld in drie kleuren: een witte driehoek van broeking tot waaiend, in de hoeken voorzien van twee rechthoekige driehoeken in oranje (boven) en blauw (onder) bedrukt; in het midden van de witte driehoek is het onderdeelembleem zonder de vaste omlijsting gedrukt met een maximale diameter van 70 cm;
2º. deze vlag kan ook worden uitgevoerd als stormvlag met de afmeting 67 x 101 cm en als verkleind model (afmeting 30 x 45 cm) o.a. voor gebruik tijdens de jaarlijkse Internationale Vierdaagse Afstandsmarsen te Nijmegen;
3º. het standmodel van deze vlag is bij de firma Shipmate te Vlaardingen geregistreerd onder codenummer 40303 1450 15 03.

Squadronvlaggen:

20_10_h3_18
1º. de squadronvlag is een rechthoekige vlag van 135 x 202,5 cm evenals de onderdeelsvlag opgedeeld in drie kleuren, echter met een witte gelijkzijdige driehoek van broeking tot ongeveer halverwege het waaiend; in het midden van de witte driehoek is het squadronembleem zonder de vaste omlijsting gedrukt met een maximale diameter van 60 cm;
2º. deze vlag kan ook worden uitgevoerd als stormvlag met de afmeting 67 x 101 cm;
3º. het standmodel van deze vlag is bij de firma Shipmate te Vlaardingen geregistreerd onder codenummer 40303 1450 15 07.

Het fanion wordt met een zwarte broeking aan een sponton (hellebaard / onderofficierswapen) bevestigd.

20_10_h3_19

Hoofdstuk 4 Onderscheidings- en commandovlaggen

Algemeen

Definitie onderscheidingsvlag: “Een vlag, vastgesteld bij Koninklijk Besluit ingeval het een vlag betreft van leden van het Koninklijk Huis, dan wel vastgesteld bij beschikking van de minister van Defensie, indien het een vlag betreft van een militaire autoriteit, dan wel vlaggen van burgerautoriteiten, vastgesteld bij beschikking van de desbetreffende minister, dan wel officiële vlaggen van buitenlandse vorstelijke en burger, of militaire autoriteiten, waarmee de aanwezigheid van het desbetreffende lid van het Koninklijk Huis dan wel de militaire of burger autoriteit wordt aangegeven”.

De onderscheidingsvlaggen van leden van het Koninklijk Huis worden in vier vlakken (kwartieren) verdeeld door een vierarmig kruis met in het midden het Rijkswapen tevens Koninklijk wapen. Alleen op de Koninklijke standaard is het wapen omgeven door het kruis en het lint van de Militaire Willems-Orde. Voor vrouwelijke leden is de vlag ingesneden. Geboren leden van het Koninklijk Huis voeren een oranje vlag met een blauw kruis, aangehuwde leden een blauwe vlag met een oranje kruis. Bij de Koninklijke standaard zijn alle kwartieren beladen met de jachthoorn van het Huis Oranje. In alle andere vlaggen is deze wapenfiguur van het Huis Oranje altijd linksboven (in het broektopkanton) en die uit het persoonlijke familiewapen linksonder (in het broekhoekkanton) geplaatst. Bij de mannelijke leden zijn dezelfde wapenfiguren in de schuin tegenover gelegen kwartieren geplaatst, terwijl deze bij de vrouwelijke leden leeg blijven. De vlaggen zijn gebaseerd op de gevierendeelde wapens van de leden van het Koninklijk Huis, die steeds in het eerste en vierde kwartier het Rijkswapen en in het tweede en derde kwartier de jachthoorn van het Huis van Oranje voeren. In een hartschild staat doorgaans het persoonlijke familiewapen. Uit de beschrijving volgt dat de broers en zussen van de leden van het Koninklijk Huis dezelfde onderscheidingsvlag mogen voeren.

Koningin Máxima

Koningin Máxima voert een ingehoekte Nassaublauwe vlag met een oranje kruis en in het midden het gekroonde Rijkswapen. Linksboven staat de jachthoorn uit het wapen van het Huis Oranje, linksonder staat de burcht uit het wapen Zorreguieta.

Prinses Beatrix en haar zusters

Prinses Beatrix en haar zusters voeren een ingehoekte oranje vlag met een Nassaublauw kruis en in het midden het gekroonde Rijkswapen. Linksboven staat de jachthoorn uit het wapen van het Huis Oranje, linksonder de roos uit het wapen van het Huis Lippe. Prinses Beatrix voert deze vlag die in 1938 voor haar als prinses werd vastgesteld weer sinds haar abdicatie.

De Prinses van Oranje en haar zusters

Voor de Prinses van Oranje en haar zusjes is nog geen onderscheidingsvlag vastgesteld. Dit gebeurt pas als de Prinses van Oranje de leeftijd van achttien jaar bereikt.

Prins Constantijn

Prins Constantijn, voert een oranje vlag met een Nassaublauw kruis en in het midden het gekroonde Rijkswapen. Linksboven en rechtsonder staat de jachthoorn uit het wapen van het Huis Oranje, rechtsboven en linksonder de witte burcht uit het wapen Van Amsberg. Koning Willem-Alexander voerde deze vlag tot zijn troonsbestijging.

Prinses Laurentien

Prinses Laurentien voert een ingehoekte Nassaublauwe vlag met een oranje kruis en in het midden staat het gekroonde Rijkswapen. Linksboven staat de jachthoorn uit het wapen van het Huis Oranje, linksonder staat de gele ruit uit het wapen Brinkhorst.

1. Onderscheidingsvlaggen van een lid van het Koninklijk Huis

  1. Indien een lid van het Koninklijk Huis een officieel bezoek brengt aan of inspectie houdt bij een eenheid van een der krijgsmachtdelen, wordt de desbetreffende koninklijke onderscheidingsvlag gehesen.
  2. Het hijsen en neerhalen van de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis geschiedt vlak voor het moment van aankomst en direct na vertrek van de vorstelijke persoon, aan de hoogste of meest vrijstaande vlaggenstok/mast (bij de KM alleen indien aldaar een getuigde mast aanwezig is) bij voorkeur in de nabijheid van het voornaamste gebouw.
  3. Indien het bezoek door meer dan een vorstelijke persoon wordt gebracht, wordt alleen de onderscheidingsvlag van de hoogst aanwezige gehesen.
  4. Van koninklijke onderscheidingsvlaggen kan een klein model (standaard) worden gevoerd boven het rechtervoorwiel van de auto waarin de vorstelijke persoon zich bevindt.
  5. In opdracht van de chef van het militaire huis van Z.M. de Koning kan aan de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis een zwarte wimpel worden bevestigd ten teken van rouw.
  6. De vlag van de regerende vorst wordt vanwege de vorm (vierkant in plaats van langwerpig en nooit ingesneden) ook Koninklijke standaard genoemd. Een onderscheidingsvlag en de Koninklijke standaard worden nooit halfstok gehesen.

2. Overige onderscheidingsvlaggen

De gouverneurs van Curaçao, Aruba en Sint Maarten, de minister (en staatssecretaris) van Defensie, alsmede aan de CDS en IGK zijn onderscheidingsvlaggen toegekend.

3. Afbeeldingen

20_10_h4_1

De Koninklijke onderscheidingsvlag.

Vastgesteld bij koninklijk besluit van 27 augustus 1908, nummer 87

20_10_h4_6a

De onderscheidingsvlag van H.M. Koningin Máxima.

Vastgesteld bij koninklijk besluit van 25 januari 2002, Staatsblad 42. 

20_10_h4_7

H.K.H. Prinses Beatrix, H.K.H. Prinses Irene, H.K.H. Prinses Margriet en H.K.H. Prinses Christina.

Vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 september 1980, nummer 386

 

 

De onderscheidingsvlag van Prins Constantijn.

Vastgesteld bij koninklijk besluit van 26 april 1985, nummer 259

 

20_10_h4_6b

De onderscheidingsvlag van H.K.H. Prinses Laurentien.

Vastgesteld bij koninklijk besluit van 15 januari 2003, Staatsblad 36.

 

 

20_10_h4_9

De onderscheidingsvlag van de gouverneur van Curaçao

20_10_h4_10

De onderscheidingsvlag van de gouverneur van Aruba.

Vastgesteld bij koninklijk besluit van 29 oktober 1985, nummer 7

 

sint maarten

De onderscheidingsvlag van de gouverneur van Sint Maarten. Vastgesteld bij koninklijk besluit van 20 september 2010

20_10_h4_11

De onderscheidingsvlag van de minister van defensie.

Vastgesteld bij koninklijk besluit van 10 april 1957, nummer 1

 

20_10_h4_12

De onderscheidingsvlag van de staatssecretaris van defensie.

Vastgesteld bij koninklijk besluit van 10 april 1957, nummer 1

 

20_10_h4_13

De onderscheidingsvlag van de Commandant der Strijdkrachten.

Vastgesteld bij beschikking van de minister van defensie, nummer 389.229/E.3 van 13 december 1974

 

20_10_h4_14

De onderscheidingsvlag van de Inspecteur-Generaal van de krijgsmacht.

Vastgesteld bij beschikking van de minister van defensie, nummer D 81/930/3035.4 van 26 maart 1982

 

4. Rangorde onderscheidingsvlaggen

Onderscheidingsvlaggen kennen onderstaande volgorde van belangrijkheid:
1º. koninklijke onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis;
2º. onderscheidingsvlaggen van de gouverneurs van Curaçao, Aruba en Sint Maarten;
3º. persoonlijke onderscheidingsvlaggen van staatshoofden en leden van regerende vorstenhuizen van bevriende soevereine staten;
4º. onderscheidingsvlag van de minister van Defensie;
5º. onderscheidingsvlag van de staatssecretaris van Defensie;
6º. onderscheidingsvlag van de CDS;
7º. onderscheidingsvlag van de IGK.

De KM kent tevens de volgende onderscheidingsvlaggen voor vlagofficieren:
1º. onderscheidingsvlag van een luitenant-admiraal;
2º. onderscheidingsvlag van een vice-admiraal;
3º. onderscheidingsvlag van een schout-bij-nacht;
4º. onderscheidingsvlag van een commandeur.

De KMar kent de volgende onderscheidingsvlaggen:
1º. onderscheidingsvlag van een luitenant-generaal;
2º. onderscheidingsvlag van een generaal-majoor;
3º. onderscheidingsvlag van een brigadegeneraal. Deze vlaggen zijn qua uitvoering gelijk aan de onderscheidingsvlaggen van vlagofficieren van de KM.

De KL kent geen onderscheidingsvlaggen.

De C-LSK voert de onderscheidingsvlag als vastgesteld bij MB van 4 juni 1955, nummer 200.518B. Het is een kobaltblauwe vlag met een oranje rand ter breedte van 1/6e van de hoogte van de vlag; in het midden de gekroonde luchtmachtadelaar omgeven door een flikkerende zon, alles geborduurd in gouddraad.

20_10_h4_15

Hoofdstuk 5 Het meevoeren van vaandels

1. Algemeen

  1. Een vaandel wordt bij de bereden wapens een standaard* genoemd; het vaandel wordt bewaard bij de betrokken vaandelvoerend commandant.
    * Bij de bereden wapens wordt een standaardwacht te paard een bereden standaardwacht genoemd. Bij de Luchtdoelartillerie: vaandel (-wacht, zie § 12).
  2. Waar in dit hoofdstuk het woord vaandel wordt gebruikt, wordt tevens een (bereden) standaard bedoeld, tenzij uit de desbetreffende tekst blijkt dat alleen het woord vaandel van toepassing is.
  3. In de defensiepublicatie DP 20-30: Vaandels en standaarden bij de Nederlandse krijgsmacht worden alle materiële gegevens van vaandels en standaarden behandeld, alsmede de procedure voor verwerving, vervanging, onderhoud enz.
  4. In de defensiepublicatie DP 20-20: Handboek exercitie voor de krijgsmacht wordt in hoofdstuk 9 de exercitie van de vaandelwacht behandeld.
  5. Deze specifieke exercitie mag uitsluitend worden gevoerd door een vaandelwacht of -groep.

2. Meevoeren van het vaandel

Het vaandel wordt bij de eenheid ingedeeld en meegevoerd in de onderstaande gevallen:

  1. bij een inspectie door Z.M. de Koning of door een lid van het Koninklijk Huis;
  2. bij een erewacht voor Z.M. de Koning of voor een lid van het Koninklijk Huis, een buitenlands staatshoofd of een lid van een regerend buitenlands vorstenhuis;
  3. bij een parade of defilé van een vaandelvoerende eenheid;
  4. bij een beëdiging voor het front van de aangetreden eenheden;
  5. bij een commando-overdracht voor het front van de aangetreden eenheden, indien de betrokken (regiments)commandanten het vaandel functioneel overdragen;
  6. bij bijzondere plechtigheden, wanneer de betrokken vaandelvoerend commandant dat noodzakelijk en wenselijk acht, zonder dat de waardigheid van het vaandel wordt aangetast, na toestemming van C-OPCO;
  7. bij bijzondere gelegenheden in opdracht van C-OPCO;
  8. bij aangelegenheden van vorming, traditie, voorlichting en training om de militair vertrouwd te laten worden met het vaandel, na toestemming van C-OPCO.

Bijzonderheden:

Bij elk van de hierboven genoemde ceremonies moet ten minste een compagnie, eskadron of batterij van de vaandelvoerende eenheid aanwezig zijn, tenzij C-OPCO anders beslist. (Bijvoorbeeld bij de overdracht van het bevel over een krijgsmachtdeel, waarbij alle vaandels van de eenheden van dat krijgsmachtdeel in één vaandelgroep optreden).

3. Draagwijze van het vaandel

  1. Het vaandel wordt gedragen door de vaandeldrager , die daartoe een lederen bandelier, aan de onderkant voorzien van een lederen koker, schoen genaamd, over de linkerschouder draagt. De onderkant van de vaandelstok rust in de schoen.
    20_10_h5_1
  2. Te paard wordt de standaard gedragen door de standaarddrager, die daartoe een lederen riem met schoen aan het zadel bevestigd heeft waarin de onderkant van de standaardstok rust. Deze wordt met de volle rechterhand ter hoogte van de borst vastgehouden, waarbij de standaard in een zoveel mogelijk rechtstandige positie wordt gehouden.
    h7_4
    De standaarddrager draagt over de linkerschouder een lederen bandelier waaraan een ketting met aan het einde een musketonhaak die wordt gehaakt aan een oog dat zich juist beneden het standaarddoek aan de standaardstok bevindt.
  3. Marcheert de vaandelwacht in rust*, dan wordt het vaandel bij voorkeur met foedraal over de rechterschouder gedragen. Indien geen foedraal beschikbaar is, wordt het doek om de stok gedraaid en met de koorden vastgezet. Ieder lid van de vaandelwacht kan worden aangewezen om het vaandel op deze wijze te verplaatsen.
    * Zie DP 20-20: Handboek exercitie voor de krijgsmacht, hoofdstuk 3, § 6.
  4. Indien een vaandel aanwezig is bij een plechtigheid in een gebouw, wordt het vaandel door de vaandeldrager met de vaandelstang op de grond geplaatst, vóór en tegen de punt van de rechtervoet, waarbij de vaandelstang iets naar voren helt en met één hand wordt vastgehouden. De vaandeldrager blijft tijdens de duur van de plechtigheid in de houding staan. 

4. Ontplooid vaandel

  1. Een vaandel wordt geacht te zijn ontplooid wanneer het vaandeldoek is ontdaan van het foedraal, de stang in de schoen van de bandelier is geplaatst en het vaandel in de vaandelwacht is ingetreden.
  2. Indien een vaandel wordt gebruikt als hierboven bedoeld in een gebouw, is het vaandel ontplooid zonder te zijn ingetreden in de vaandelwacht.
  3. Indien de vaandelwacht de eerste rust heeft aangenomen (vaandelstang bij de voet), worden geen eerbewijzen aan het vaandel gegeven.

5. De groet met het vaandel

De groet met een vaandel wordt gebracht door het vaandel te neigen conform het gestelde in DP 20-20: Handboek exercitie voor de krijgsmacht. De groet met het vaandel wordt gebracht voor:

  1. Z.M. de Koning;
    20_10_h5_4
  2. leden van het Koninklijk Huis;
  3. de gouverneurs van Curacao, Aruba of Sint Maarten;
  4. buitenlandse staatshoofden;
  5. leden van buitenlandse regerende vorstenhuizen.

Tijdens het spelen van het Wilhelmus en bij andere gelegenheden dan hierboven omschreven, wordt nimmer met het vaandel gegroet.

6. De vaandelwacht

  1. De vaandelwacht bestaat uit:
    1º. de commandant: een officier in de rang van luitenant, luitenant ter zee der tweede klasse;
    2º. de vaandeldrager: een onderofficier in de rang van adjudant-onderofficier;
    3º. overig personeel: vijf militairen beneden de rang van adjudant-onderofficier, waarvan ten minste één onderofficier.
  2. De vaandeldrager wordt rechts geflankeerd door een onderofficier, terwijl aan zijn linkerzijde en in het achterste gelid, de vier overige militairen zijn opgenomen. De commandant van de vaandelwacht staat / marcheert rechts van de rechtervleugelman in het voorste gelid.
    20_10_h5_3
  3. De samenstelling van een vaandelwacht op de officiers- en onderofficiersopleidingen mogen hiervan afwijken. 

7. De bereden standaardwacht

  1. De bereden standaardwacht bestaat uit:
    1º. de commandant: een officier in de rang van luitenant;
    2º. de standaarddrager: een onderofficier in de rang van adjudant-onderofficier;
    3º. overig personeel: vier militairen beneden de rang van adjudant-onderofficier, waarvan ten minste een onderofficier.
  2. De standaarddrager wordt links geflankeerd door de commandant, de oudste militair beneden de rang van onderofficier is rechtervleugelman, terwijl in het gelid daarachter de drie overige militairen zijn opgenomen. 

8. De vaandelgroep

  1. De vaandelgroep bestaat uit:
    1º. de commandant: een officier in de rang van kapitein of luitenant, luitenant ter zee der 2e klasse (oudste categorie);
    2º. de vaandeldrager: het aantal onderofficieren in de rang van adjudant-onderofficier; gelijk aan het aantal vaandels dat wordt meegevoerd, op te stellen in een, twee, drie, vier of vijf gelederen;
    3º. overig personeel: het aantal militairen beneden de rang van adjudant-onderofficier, waarvan minimaal twee in de rang van onderofficier, benodigd om alle vaandels (met uitzondering van het front) links, rechts en achter te beschermen.
  2. De samenvoeging van meer vaandelwachten tot een of meer vaandelgroepen geschiedt op aanwijzing van de parade-inspecteur. De opstelling van de vaandels gebeurt overeenkomstig de voorrang van de vaandelvoerende eenheden, waarbij de standaarden zoveel mogelijk in één gelid worden geplaatst.
    20_10_h5_2
  3. Indien vaandelwachten / vaandelgroepen van meer dan een krijgsmachtdeel zijn ingedeeld, wordt de volgorde aangehouden van KM, KL, KLu en KMar.
  4. De commandant van de vaandelgroep staat / marcheert rechts van de rechtervleugelman van de voorste vaandelwacht.
  5. De oudste onderofficier beneden de rang van adjudant-onderofficier, marcheert als rechtervleugelman; de rechtervleugelman van het laatste gelid dient eveneens ten minste een onderofficier te zijn.
  6. Een bereden standaardgroep wordt op overeenkomstige wijze geformeerd met dien verstande, dat de commandant in het eerste gelid links naast de linker standaarddrager is ingetreden.

9. Tenue en bewapening

  1. Algemeen: conform de voorschriften van de krijgsmachtdelen.
  2. De vaandelvoerend commandant kan, na toestemming van (het kabinet van) C-OPCO, uit oogpunt van traditie het tenue, de bewapening of de exercitie wijzigen of aanvullen. Optredend in (interservice) troepenverband (b.v. tijdens een defilé) dient integraal de reguliere exercitie van de krijgsmacht te worden uitgevoerd.
  3. Een bereden standaardwacht is in beginsel bewapend met een sabel, ook indien de standaardwacht in DT is gekleed.

Bijzonderheden:

1. Indien bij een militaire plechtigheid uitsluitend de vaandelwacht is bewapend, worden de commando’s door de paradecommandant aan de eenheid gegeven als zijnde ongewapend. De commandant vaandelwacht geeft (herhaalt) t.b.v. de gewapende vaandelwacht de overeenkomstige commando’s.

2. Bij eenheden met pistool als (persoonlijk) wapen voor de standaardwacht dienen de commando’s overeenkomstig te worden gegeven door C-standaardwacht.

10. Meevoeren van een vaandel tijdens een defilé

  1. Te voet:
    1º. de vaandelwacht verplaatst zich als eerste onderdeel van de deelnemende eenheden direct achter het ingedeelde muziekkorps;
    2º. de commandant van de vaandelwacht volgt, om de cadans van het defilé niet te verstoren, de reguliere door de paradecommandant te geven bevelen.
  2. Bereden:
    De bereden standaardwacht verplaatst zich als eerste onderdeel van de deelnemende eenheden.
  3. Gemotoriseerd / gemechaniseerd:
    1º. als het een gemechaniseerde eenheid betreft, staat de commandant van de vaandelwacht op de plaats van de voertuigcommandant en de vaandeldrager op de plaats van de boordschutter, terwijl de overigen zich in het achterste deel van het voertuig bevinden;
    2º. in het geval van een verkenningsbataljon zal de standaardwacht zich zo mogelijk in één pantserrupsvoertuig verplaatsen
    3º. in alle overige gevallen beslist de betrokken C-OPCO.

11. Overige bepalingen

  1. Voor oefendoeleinden wordt nooit het vaandel gebruikt maar een fanion of een oefenvaandel. Voor dit als zodanig geldend vervangend vaandel worden geen eerbewijzen gebracht, tenzij die worden gebracht uit oefenoverwegingen.
  2. Voor het uitvoeren van het ceremonieel waarbij vaandels zijn ingedeeld, wordt verwezen naar hoofdstuk 16.  

12. Overzicht vaandels krijgsmacht

Indien aan een parade of defilé wordt deelgenomen, wordt zoveel mogelijk binnen de groeperingen, incl. de vaandelgroep, de rangschikking en volgorde aangehouden als hieronder aangegeven. De vaandels worden door de desbetreffende eenheden meegevoerd.

Rangschikking per krijgsmachtdeel

  1. KM:
    1º. Korps Adelborsten;
    2º. Korps Mariniers;
    3º. Onderzeedienst;
    4º. Marineluchtvaartdienst;
    5º. Mijnendienst;
    6º. Eskader.
  2. KL:
    1º. Instituten van militair onderwijs:
    (a) Koninklijke Militaire Academie *)
    (b) Koninklijke Militaire School *)
    2º. Infanterie:
    (a) Garderegiment Grenadiers en Jagers *)
    (b) Garderegiment Fuseliers Prinses Irene *)
    (c) Regiment Van Heutsz *)
    (d) Regiment Stoottroepen Prins Bernhard *)
    (e) Regiment Infanterie Johan Willem Friso *)
    (f) Regiment Limburgse Jagers *)
    (g) Korps Commandotroepen *)
    (h) Regiment Oranje Gelderland *)
    3º. Cavalerie:
    (a) Regiment Huzaren van Boreel **)
    4º. Artillerie:
    (a) Korps Veldartillerie **)
    (b) Korps Rijdende Artillerie **)
    (c) Korps Luchtdoelartillerie *)
    5º. Regiment Genietroepen *)
    6º. Logistiek:
    (a) Regiment Bevoorradings- en Transporttroepen *)
    (b) Regiment Geneeskundige Troepen *)
    (c) Regiment Technische Troepen *)
    7º. Regiment Verbindingstroepen *)
    8º. Korps Nationale Reserve *)
    *) = een vaandelvoerende eenheid;
    **) = een standaardvoerende eenheid.
  3. KLu:
    Vaandel van de Koninklijke Luchtmacht.
  4. KMar:
    Standaard van de Koninklijke Marechaussee. 

Hoofdstuk 6

1. Interservicestaat tenuen

Hieronder vindt u een aantal algemene aanduidingen van tenuen welke voor alle krijgsmachtdelen gelden. 

Algemene aanduiding

KM

KL

KLu

KMar

DT1

Tenue 3

DT
Batons

DT
Batons

DT1
Batons

DT2

Tenue 3a
Modeldecoraties
(Dam tenue)

DT
Modeldecoraties

DT
Modeldecoraties

DT2
Modeldecoraties

GT1

Tenue 3

GLT met Batons

GLT met Batons

GLT1 met Batons

GT2

Tenue 2
Zonder sabel, met koppel

GLT
Modeldecoraties
Zonder sabel

GLT
Modeldecoraties
Zonder sabel

GLT2
Modeldecoraties
Zonder sabel

GT3

Tenue 2

GLT
Modeldecoraties
Sabel/sjerp

GLT
Modeldecoraties
Sabel/sjerp

GLT3
Modeldecoraties
Sabel/sjerp

CT1

Tenue 2
Zonder sabel, met koppel.

CT
Modeldecoraties
(incl sterren/linten)

CT
Modeldecoraties
(incl sterren/linten)

CT
Modeldecoraties
(incl sterren/linten)

CT2

Tenue 2/20

CT
Modeldecoraties
(incl sterren/linten)
Sabel

CT
Modeldecoraties
(incl sterren/linten)
Sabel

CT
Modeldecoraties
(incl sterren/linten)
Sabel

CT3

Tenue 2/20
Klein modeldecoraties
Sabel afhangen, met koppel

CT
Klein modeldecoraties

CT
Klein modeldecoraties

CT3
Klein modeldecoraties

AT1

Tenue 5
 

AT
Klein modeldecoraties

Klein AT
Klein modeldecoraties

AT-1 KMar
Klein modeldecoraties

AT2

Tenue 4

 

Groot AT
Klein modeldecoraties
Ster met ordelint

Groot AT
Klein modeldecoraties
Ster met ordelint

AT-2 KMar
Klein modeldecoraties
Ster met ordelint

 

  1. De voorgeschreven tenuen en vermelde toevoegingen worden alleen gedragen door militairen, die volgens de bepalingen in het tenuevoorschrift van het eigen krijgsmachtdeel daartoe gerechtigd zijn.
  2. Diverse combinaties van tenuen en decoraties (hierboven cursief aangegeven) komen niet voor in de respectievelijke tenuevoorschriften. Desondanks kunnen deze tenuen in bijzondere gevallen voorgeschreven worden door de Chef van het Militaire Huis van Z.M. de Koning, CDS en C-OPCO's.
  3. Wanneer men ten hove dient te verschijnen, dient er met de protocolofficier van de CDS gecoördineerd te worden over het te dragen tenue.
  4. Het dragen van handschoenen bij de tenues is in de tenuevoorschriften van het eigen krijgsmachtdeel vastgelegd. Onder modeldecoraties en klein modeldecoraties, worden tevens halskruisen verstaan (uitzondering: bij de herdenkingen op 4 mei worden geen halskruisen gedragen). Daarenboven worden bij het tenue CT2 & AT2 tevens orde-sjerp en maximaal 3 plaques gedragen. 

2.  Tenueoverzicht per gelegenheid

 

Gelegenheid

Algemene aanduiding

1.

Officiële aankomst en vertrek van burger- en militaire autoriteiten

CT2

2.

Opwachtingbezoeken bij Z.M. de Koning, ministers, bewindslieden bij bevordering tot vlag-, of opperofficier en bij benoeming van een vlag-, of opperofficier in een hoge functie, waarbij deze rechtstreeks onder de minister is gesteld

DT1

3.

Aan- en afmelden bij de commandant alsmede dienstreizen* en werkbezoeken waarbij het uniform moet worden gedragen
*tenzij anders bepaald

DT1

4.

(Militaire) dodenherdenkingen
(Zie ook noot a.)

DT2

5.

Cocktails en recepties

DT1 (tenzij anders bepaald, zie i)

6.

Avondevenementen (smoking) 

AT1

7.

Avondevenementen (rok)

AT2

8.

Staatsbezoeken, avondontvangsten ten hove, ontvangsten ministerraad

Als vermeld op de uitnodiging

9.

Verschijnen voor een militair rechtscollege of militaire justitiële autoriteiten

DT1

10.

Beëdigingen

Conform order

11.

Parades

Conform order

12.

Uitvaart van leden van het Koninklijk Huis en Staatsbegrafenis

Conform order

13.

Uitvaarten met (beperkt) militair eerbetoon

Conform order (wens nabestaanden)

14.

Uitvaarten zonder militair eerbetoon, waarbij men officieel in de stoet of als lid van een deputatie aanwezig is, of individueel 

DT1

15.

Bij huwelijksplechtigheden, waarbij de bruid en/of bruidegom in uniform trouwt.

GT3*

16.

Genodigden Verenigde Vergadering der Staten-Generaal op de derde dinsdag in september

CT2

17.

Uitreiking van onderscheidingen

DT2

18.

Erewacht in aanwezigheid van Hare Majesteit de Koningin

CT2

19.

Erewacht in aanwezigheid van de Minister-president, de Minister van Defensie of de CDS

GT3*

  1. Bij Nederlandse herdenkingen op 4 mei wordt geen halskruis gedragen.
  2. Bij functionele deelname aan evenementen, waarbij de uitnodiging uitgaat van een burgerinstantie, wordt het uniform gedragen, tenzij dit niet gepast is.
  3. Bij gelegenheden vóór 18.00 uur wordt in principe geen AT1 of AT2 gedragen, tenzij de uitnodiging of order uitdrukkelijk anders vermeld.
  4. Wanneer AT1 of AT2 worden voorgeschreven en men beschikt hier niet over, dient men de civiele variant van de uitnodiging aan te doen. (tenzij het om strikt militaire aangelegenheden gaat, zoals een diner de corps, dan is GT2 toegestaan. Bij twijfel: civiele variant.)
  5. Conform het gestelde in hoofdstuk 22 wordt bij een uitvaart met (beperkt) militair eerbetoon rekening gehouden met de wensen van de nabestaanden of de wilsbeschikking van de overledene.
  6. Bij een uitvaart zonder (beperkt) militair eerbetoon wordt het militair tenue alleen gedragen als dit als passend wordt beoordeeld. Ook hier geldt dat rekening dient te worden gehouden met de wensen van de nabestaanden of de wilsbeschikking van de overledene.
  7. Bij huwelijksplechtigheden richt men zich naar het vermelde op de uitnodiging en naar de wensen van het bruidspaar. In beginsel dragen belangstellenden GT3.
  8. Militairen die een onderscheiding ontvangen, mogen bij een officiële uitreiking geen andere onderscheidingen dragen. Wanneer de militair een cijfer uitgereikt krijgt mag hij of zij zijn onderscheidingen wel dragen.
  9. Om praktische overwegingen kan bij een receptie van DT1 worden afgeweken, bijv. indien voorafgaand aan de receptie een ceremonie in een ander tenue plaatsvindt. Dan kan men (indien de gastheer dit aangeeft) het tenue van het voorafgaande ceremonieel blijven dragen.  

3. Kledingaanduiding, militair / (burger) tenue (indicatief)

Wanneer

Heren civiel tenue

Dames civiel tenue

Militair tenue

 

aanduiding

Wat hoort / kan

aanduiding

Wat hoort / kan

 

Borrels in eigen kring, trainingen en cursussen, bezoek sportevenementen

Casual

Broek met getailleerd hemd, Chino, Corduroy broek, Tartanbroek, Moleskin broek, Flanellen broek, riem

Casual

Broek met getailleerde blouse en ceintuur, sportief pak met opgezette zakken, rokken met gespen, combinaties met grovere stoffen

DT1

Dag op kantoor, training, heidag van het werk, diner met vrienden, netwerkborrel, opening

Business & smart casual
informal

Hemd met enkele manchet, jasje, nette broek, bruine schoenen, riem

Business & smart casual
informal

Jasje, blouse in een effen kleur, schoenen met hak, sieraden, make up, nylons

DT1

Kantoor, informele gelegenheden, informele huwelijken, reizen

Business wear
Tenue de ville
Lounge suit Wandelkostuum

Wollen ingetogen pakken evt. met een streep, wit, lichtblauw of roze hemd, kousen, das

Business wear
Tenue de ville
Lady’s suit
 

Jasje, blouse in een effen kleur, schoenen met hak, sieraden, make up, nylons

DT1

Informele diners, recepties, onderhandelingen, als politicus, begrafenis, crematie, als kledingvoorschrift onduidelijk is of ontbreekt

Donker pak, dark suit
Overdag

2 knoops jas met twee splitten redelijk getailleerd, strak gesneden broek zonder omslag, donkerblauwe gladde stof zonder werkje, donkerschoenen en zwarte kousen, das, effen hemd bij voorkeur wit
 

Middagjapon

Jurk / japon tot of op de knie, bedekte schouders, panty’s, sieraden, schoenen met hakje
 

DT1

Zie boven

Donker pak, ‘s avonds

Zie boven

Middagjapon

Zie boven

GT1

Huwelijk, gasten promovendus, officieel bezoek zoals audiëntie bij de paus of Zijne Majesteit de Koning, bij overhandiging geloofsbrieven of bij jubileum. Officiële ontvangst, Prinsjesdag, Paardenraces (Ascot)

Jacquet, morning Coat

Gestreepte broek bij heugelijke gelegenheden, zwart bij begrafenis, grijs of zwart vest, zwarte pandjesjas, wit overhemd met neerslaande boord, grijze das, zwarte kousen en gladde schoenen, grijze clinderhoed als u gaat trouwen anders een zwarte
 

Cocktailjurk
 

Knielange jurk tot of op de knie, zijde, hoed overdag, bijpassende jas overdag

CT2, anders civiele variant

Theater, formele diners, premières, kerstdiners, fundraising, avondfeesten, huwelijk overdag met jasje

Smoking
Cravate noire Black tie

Zwarte strik, nachtblauwe of zwarte smoking, satijnen revers en knopen, bies op de broek, wit hemd, zwarte gladde schoenen, zwarte kousen, gouden manchetknopen

Cocktailjurk

Knielange jurk tot of op de knie, zijde, hoed overdag, bijpassende jas overdag
 

AT1, anders civiele variant

Opera, avondhuwelijk, staatsbanket, nobelprijsbanket, formele diners, bal, gala, promotie (ook de twee paranimfen)

Rok
Cravate blanche
White tie

Zwarte broek met dubbele gallon, zwarte jas met satijnen opgesneden revers, wit pique hemd, vest en zelfstrikker, zwarte lakschoenen, zwarte zijden kousen

Groot avondtoilet, white tie

Vrouwelijke feestelijke jurk, blote rug, décolleté, lang tot enkels, rijke stoffen als satijn en zijde, avondjas of cape, handtasje, schoenen met hak, make up, sieraden

AT2, anders civiele variant

 

Hoofdstuk 7 De eregroet / ereschoten

1. De eregroet algemeen

Door militair personeel in uniform wordt in onderstaande gevallen de eregroet gebracht:

  1. aan Z.M. de Koning en leden van het Koninklijk Huis;
  2. aan de gouverneurs van Curaçao, Aruba en Sint Maarten;
  3. aan een buitenlands staatshoofd en de leden van een buitenlands regerend vorstenhuis;
  4. aan de ambassadeur van een buitenlandse mogendheid, indien hij als zodanig door HZ.M. de Koning wordt ontvangen;
  5. aan een door een militaire eenheid gevoerd en ontplooid vaandel;
  6. bij het voorbijgaan van een stoffelijk overschot dat met militair eerbetoon wordt begraven;
  7. tijdens het neerdalen in het graf van een stoffelijk overschot;
  8. indien aan de aanwezigen de mogelijkheid wordt geboden om (hetzij in een kerk, aula of vergelijkbare ruimte dan wel op de begraafplaats) langs de kist of het graf te defileren, wordt door militairen ter plaatse de eregroet gebracht;
  9. tijdens één en twee minuten stilte;
  10. tijdens het spelen van het Wilhelmus (hierbij wordt niet gezongen);
  11. tijdens het spelen bij officiële gelegenheden van volksliederen van andere naties;
  12. tijdens het hijsen en neerhalen van de Nederlandse vlag;
  13. vanaf het openen tot en met het sluiten van de ban;
  14. tijdens het voorlezen van een KB, indien de ban niet kan worden geopend en gesloten. 

2. De eregroet door individuele ongewapende militairen

De individuele ongewapende militair maakt halt en front, neemt de houding aan en brengt de eregroet.

3. De eregroet door de individuele gewapende militair

  1. De individuele gewapende militair met het geweer aan de schouder of voor de borst, maakt halt en front en neemt de houding aan.
  2. De individuele gewapende militair met een pistool of met een opgestoken sabel, te voet of bereden, maakt halt en front, neemt de houding aan en brengt de eregroet. 

4. De eregroet van een gewapende of ongewapende eenheid, die zich in een voertuig verplaatst

Alleen de voertuigcommandant brengt de eregroet, de overige inzittenden kijken recht voor zich uit.

5. De eregroet door een ongewapende eenheid te voet

  1. Een stilstaande eenheid:
    De commandant laat de eenheid de houding aannemen, front maken en commandeert: BRENGT ERE - GROET. De eregroet eindigt op het commando: IN DE HOUDING - STAAT.
  2. Een marcherende eenheid:
    De commandant van de eenheid commandeert: HOOFD - RECHTS / LINKS. De commandant van de eenheid brengt tevens de eregroet. Deze wijze van begroeting eindigt met het commando: HOOFD - FRONT. 

6. De eregroet door een gewapende eenheid te voet

  1. Een stilstaande eenheid waarbij de wapens aan de geweerriem aan de schouder of voor de borst worden meegevoerd.
    De commandant laat de eenheid front maken, de houding aannemen en commandeert: BRENGT ERE - GROET, waarbij alleen de met een pistool bewapende militairen de eregroet brengen. De eregroet eindigt op het commando: IN DE HOUDING - STAAT.
  2. Een stilstaande eenheid waarbij niet aan de geweerriem gevoerde wapens zijn ingedeeld:
    De commandant laat de eenheid front maken, de houding aannemen en commandeert: PRESENTEERT - GEWEER, waarbij alleen de geweerdragenden het geweer presenteren en de met pistool gewapende militairen de eregroet brengen. Ingedeelde militairen die het wapen toch aan de schouder of voor de borst dragen, groeten niet (m.u.v. bewapenden met de Colt C8), zie hoofdstuk 6 van DP 20-20, Handboek exercitie voor de krijgsmacht). De eregroet eindigt met het commando: ZET AF - GEWEER.
  3. Een marcherende eenheid:
    De commandant commandeert: HOOFD - RECHTS / LINKS. De commandant van de eenheid brengt tevens de eregroet. Deze wijze van begroeting eindigt met het commando: HOOFD - FRONT. 

7. Begin en einde van de eregroet

  1. Door een individuele militair:
    1º. de eregroet (stilstaande) begint acht passen voordat de vorstelijke persoon, de autoriteit, het vaandel of het stoffelijk overschot voorbijgaat en eindigt op twee passen daarna;
    2º. in het geval de militaire persoon de vorstelijke persoon, de autoriteit, het vaandel of het stoffelijk overschot voorbijgaat, brengt hij de eregroet en vervolgt zijn weg.
  2. Door een eenheid:
    1º. stilstaande begint de eregroet acht passen voordat de vorstelijke persoon, de autoriteit, het vaandel of het stoffelijk overschot voorbijgaat en eindigt op twee passen daarna;
    2º. marcherend in het geval de eenheid de vorstelijke persoon, de autoriteit, het vaandel of het stoffelijk overschot voorbijgaat, wordt acht passen tevoren het commando: HOOFD - RECHTS / LINKS gegeven; deze eregroet eindigt, als de laatste man van de eenheid voorbij is, op het commando: HOOFD - FRONT.
  3. Door een bereden eenheid:
    1º. de bereden eenheid ongewapend dan wel gewapend met opgestoken sabel:
    zowel stilstaand als in beweging handelt de commandant zoals de ongewapende eenheid te voet;
    2º. de stilstaande bereden eenheid gewapend met getrokken sabel:
    de commandant laat de eenheid front maken, de houding: DRAAGT - SABEL aannemen en commandeert: PRESENTEERT - SABEL, waarbij alleen de sabeldragenden de sabel presenteren; ingedeelde militairen die het wapen toch opgestoken dragen en ongewapenden brengen de eregroet; de eregroet eindigt met het commando: DRAAGT - SABEL;
    3º. de bereden eenheid in beweging:
    de commandant commandeert, in stap zijnde: DRAAGT - SABEL; in draf of galop blijft de eenheid in de houding: GEREED - SABEL; hij geeft het commando: HOOFD - RECHTS / LINKS; de commandant van de eenheid brengt tevens de eregroet met de sabel; de wijze van begroeting eindigt met het commando: HOOFD - FRONT. 

8. De eregroet door bestuurders

  1. Bestuurders en passagiers van twee- of meerwielige voertuigen, inbegrepen rijwielen, die als individuele militair de eregroet moeten brengen, stappen af / uit, maken front en brengen de eregroet.
  2. Indien de verkeerssituatie het brengen van de eregroet niet toelaat, rijdt de bestuurder door, terwijl de overige inzittenden recht voor zich uit kijken. 

9. De eregroet door de bemanning van een sloep

  1. De bemanning van een stilliggende sloep brengt de eregroet op de volgende wijze:
    1º. in een motorsloep staan alle inzittenden op het commando van de commandant van de sloep op en brengen de eregroet;
    2º. in een roeisloep staan alle inzittenden op het bevel van de commandant van de sloep op en brengen de eregroet, waarbij de roeiers riemen op houden;
    3º. in een zeilsloep staan alle inzittenden op het bevel van de commandant van de sloep op en brengen de eregroet.
  2. De bemanning van een varende sloep brengt de eregroet op de volgende wijze:
    1º. in een motorsloep doet de commandant van de sloep haar tijdig vaart minderen en zo mogelijk stoppen; alle inzittenden blijven rechtop zitten; de commandant van de sloep brengt staande, inzittende officieren brengen zittend de eregroet;
    2º. in een roeisloep doet de commandant van de sloep de roeiers tijdig riemen op houden; alle overige inzittenden blijven rechtop zitten; de commandant van de sloep brengt staande, inzittende officieren brengen zittend de eregroet;
    3º. in een zeilsloep doet de commandant van de sloep de schoten tijdig vieren; alle inzittenden blijven rechtop zitten; de commandant van de sloep en inzittende officieren brengen zittend de eregroet. 

10. Ereschoten algemeen

  1. Ereschoten (saluut- en minuutschoten ter ere van iemand gelost, met tussenpozen van in principe vijf seconden) worden uitsluitend gegeven op last van Z.M. de Koning of de Minister van Defensie.
  2. Minuutschoten worden bij de KL door het Korps Rijdende Artillerie gegeven. Tevens geeft de KM minuutschoten af, zie hoofdstuk 22, § 10.
  3. Op zondagen en algemeen erkende feestdagen, alsmede gedurende de tijd tussen zonsopgang en zonsondergang, worden uitsluitend die ereschoten afgegeven die niet tot de volgende werkdag mogen worden uitgesteld. 

11. Saluutschoten

  1. Saluutschoten (schoten uit een geweer of kanon, als eerbewijs aan personen van hoge rang, aan de vlag van vreemde naties, wanneer een schip een buitenlandse rede bezoekt, of aan een vreemd oorlogsschip dat men passeert) worden in een voorgeschreven aantal afgevuurd met tussenpozen van vijf seconden en dienen als eerbewijs voor de hieronder aangegeven autoriteiten.
  2. Gedurende het afgeven van saluutschoten telt een bij de erebatterij ingedeelde onderofficier met luide stem het aantal schoten.
    ​Het aantal af te geven saluutschoten bedraagt:
  • 35 schoten voor Z.M. de Koning;
  • 33 schoten voor H.M. de Koningin;
  • 21 schoten voor de overige prinsen en prinsessen der Nederlanden;
  • 21 schoten voor de gouverneurs Curaçao, Aruba en Sint Maarten;
  • 21 schoten voor een buitenlands staatshoofd;
  • 21 schoten voor een lid van een regerend vorstenhuis;
  • 101 schoten bij de geboorte van een erfprins(es) der Nederlanden;
  • 101 schoten bij een inhuldiging.
    20_10_h7_1
  1. Voor het aantal schoten dat de KM geeft voor militairen, zie hoofdstuk 9, § 15, onderdeel a, onder 3º, (a), (8) en § 25, onderdeel a. 

12. Minuutschoten

  1. Minuutschoten worden in wisselend aantal afgevuurd met tussenpozen van: KL zestig seconden en KM dertig seconden, ter herdenking of ter gelegenheid van belangrijke gebeurtenissen.
  2. Op de derde dinsdag in september worden in verband met het bijwonen van de Verenigde Vergadering der Staten-Generaal, minuutschoten afgegeven vanaf het ogenblik waarop Z.M. de Koning het koninklijk paleis verlaat tot het moment waarop HZ.M. de Koning in het paleis is teruggekeerd.
  3. Z.M. de Koning of de minister geven voor ieder geval afzonderlijk bevelen, wanneer tijdens een herdenking of een belangrijke gebeurtenis minuutschoten worden afgevuurd (zoals tijdens een staatsbegrafenis). 

Hoofdstuk 8 Muzikaal eerbetoon

(notenschrift en titels inspectie-, defileer-, regiments- en onderdeelsmarsen: zie bijlage F)

1. Eremuziek en (ere)signalen

De onderstaande eremuziek en eresignalen behoren tot het muzikaal eerbetoon:

  1. Wilhelmus of de eerste vier maten van het Wilhelmus;
  2. 1º. parademars (Marsch van den jongen Prins van Friesland), (de eerste 8 maten);
    2º. parademars (KM; Rauscher 1814);
  3. parademars:
    1º. voor klaroen, signaalhoorn en trompet in bes;
    2º. voor trompet in es;
    3º. voor trom en pijperfluit;
  4. dodenmars:
    1º. voor klaroen, signaalhoorn en trompet in bes;
    2º. voor trompet in es;
    3º. voor trom en pijperfluit;
  5. inspectiemars Marsch van den Heer Van der Duyn;
  6. het volkslied (of een gedeelte daarvan) van een buitenlandse natie;
  7. ereroffels*, gevolgd door het volkslied van een buitenlandse natie;
  8. ereroffels*, gevolgd door de eerste acht maten van de parademars (Marsch van den jongen Prins van Friesland);
    * Indien geen tamboer beschikbaar is, kunnen ereroffels worden vervangen door een overeenkomstig aantal malen het signaal geeft acht;
  9. een defileermars tijdens een defilé;
  10. signaal vaandelmars, gevolgd door de eerste vier maten van het Wilhelmus, bij het in- en uittreden van een vaandelwacht;.
  11. bij de vlaggenparade van de KM wordt tijdens het hijsen en neerhalen van de vlag de vaandelmars gespeeld;
  12. signaal de mars*, gevolgd door de eerste vier maten van het Wilhelmus, als eresignaal bij het in- en uittreden van een standaardwacht;
    * Het commando voor de mars luidt: MUZIEK - DE STANDAARDMARS;
  13. signaal openen van de ban;
  14. signaal sluiten van de ban;
    voor trom en klaroen zijn de signalen identiek aan het openen van de ban, voor trompet in es geldt: eventueel vierstemmig opgebouwd, indien voldoende muzikanten zijn ingedeeld;
  15. signaal bij de vlag;
  16. signaal doorgaan na het hijsen en neerhalen van de vlag;
  17. signaal taptoe (infanterie, bereden wapens en trom), indien gespeeld tijdens een dodenherdenking; tijdens een officiële (doden)herdenking en begrafenis met militair eerbetoon worden uitsluitend de signalen taptoe en voorwaarts of het Wilhelmus gespeeld; het signaal Last Post (of vergelijkbaar buitenlands signaal) mag niet tijdens Nederlands ceremonieel ten gehore worden gebracht. Het signaal Last Post of vergelijkbaar buitenlands signaal wordt uitsluitend tijdens geallieerde herdenkingen ten gehore gebracht;
  18. signaal voorwaarts, indien gebruikt bij een dodenherdenking (na het signaal taptoe); zie ook hoofdstuk 21, § 3, onderdeel g en § 4, onderdeel d;
  19. signaal geeft acht (eventueel als vervanging van ereroffels);
  20. signaal reveille;
  21. signalen, specifiek in gebruik bij de KM:
    1º. aftrap;
    2º. al is ons prinsje;
    3º. appèl voor de muziek;
    4º. de jagers van Van Dam;
    5º. gewapend appèl;
    6º. ongewapend appèl (alle hens);
    7º. stil;
    8º. vuren;
    9º. vastvuren;
    10º. attentieroffel KM;
    11º. attentiestoot KM.  

2. Het Wilhelmus

  1. Algemeen
    1°. het Wilhelmus wordt slechts één keer per plechtigheid ten gehore gebracht; wanneer tijdens een plechtigheid verschillende momenten voor het spelen van het Wilhelmus mogelijk zijn, wordt gekozen voor de laatst mogelijke optie; na het spelen van het Wilhelmus is het onjuist tijdens dezelfde ceremonie, in aanwezigheid van de parade-inspecteur, nog een ander muziekstuk ten gehore te brengen;
    2°. tijdens het spelen van het Wilhelmus wordt de eregroet gebracht / het geweer / de sabel gepresenteerd, doch nimmer met het vaandel gegroet, behoudens in situaties zoals vermeld in hoofdstuk 5, § 5.
  2. Indien een muziekkorps 1 bij een plechtigheid is ingedeeld, wordt het Wilhelmus gespeeld:
    20_10_h8_1
    1°. bij aankomst van Z.M. de Koning of leden van het Koninklijk Huis of de gouverneurs van CuracaoCuraçao, Aruba en Sint Maarten; het ten gehore brengen van het Wilhelmus* blijft echter achterwege, indien het in daaropvolgend ceremonieel in het spelen van het Wilhelmus reeds is voorzien;
    * Zie ook § 5, onderdeel a;
    2°. bij vertrek van de onder § 2, onderdeel a, bedoelde vorstelijke personen en autoriteiten, tenzij op dezelfde dag bij aankomst het Wilhelmus* reeds is gespeeld;
    * Zie ook § 5, onderdeel b;
    3°. bij aankomst dan wel vertrek van een buitenlands staatshoofd, indien Z.M. de Koning of een ander lid van het Koninklijk Huis aanwezig is;
    4°. tot besluit van een defilé dat ter ere van de verjaardag van Z.M. de Koning wordt gehouden;
    5°. bij een buitengewone vlaggenparade tijdens het hijsen en neerhalen van de vlag (niet tijdens halfstok vlaggen);
    6°. als afsluiting van een plechtigheid, waarbij het voorlezen van een KB deel uitmaakt van de ceremonie;
    7°. Als afsluiting van een plechtigheid, waarbij inzet is voorzien van een erewacht voor: MP, MINDEF of CDS (Cat 3, 5 of 6, tabel hoofdstuk 10, § 4)
    8°. als afsluiting van een plechtigheid, waarbij officieel toegekende medailles worden opgespeld, echter alleen als bedoeld in hoofdstuk 20, § 6 (Uitreiking voor het front van de eenheid) en § 9 (De medal-parade);
    9°. als afsluiting van een plechtigheid, waarbij het commando over een eenheid van minimaal bataljonsgrootte (of vergelijkbare eenheid) wordt overgedragen;
    10°. als afsluiting van een plechtigheid, waarbij het commando over een regiment of korps (in traditionele zin) wordt overgedragen;
    11°. als afsluiting van een herdenking van gevallen militairen, ook indien er geen buitengewone vlaggenparade wordt gehouden;
    12°. als afsluiting van een beëdigingceremonie.
  3. In de situaties als vermeld bij b. 1°. 2°. en 3°. wordt het Wilhelmus gespeeld als eerbetoon aan Z.M. de Koning of een ander lid van het Koninklijk Huis. Derhalve wordt het Wilhelmus aan het begin van de ceremonie gespeeld, en vervangt deze de ereroffels. In alle andere genoemde situaties (behoudens buitengewone vlaggenparade) wordt het Wilhelmus als afsluiting gespeeld, en ontvangt de paradeinspecteur de gebruikelijke eerbewijzen indien van toepassing.

3. Het Wilhelmus door één trompettist:

Indien onverhoopt geen muziekkorps bij een plechtigheid is ingedeeld, maar wel een trompettist, wordt het Wilhelmus gespeeld:

  1. bij aankomst van Z.M. de Koning of leden van het Koninklijk Huis of de gouverneurs van Curaçao, Aruba en Sint Maarten, tenzij in een daaropvolgend ceremonieel het spelen van het Wilhelmus reeds is voorzien;

  2. tot besluit van een defilé, dat wordt gehouden ter ere van de verjaardag van Z.M. de Koning;

  3. tijdens het hijsen en neerhalen van de vlag (niet tijdens halfstok vlaggen);

  4. als afsluiting van een plechtigheid, waarbij het voorlezen van een KB deel uitmaakt van de ceremonie. 

4. De eerste vier maten van het Wilhelmus

Wanneer een muziekkorps of een trompettist bij een plechtigheid is ingedeeld, wordt de vaandelmars of de mars gespeeld, gevolgd door de eerste vier maten van het Wilhelmus bij het in- en uittreden van een vaandelwacht.

5. Parademars

Door een muziekkorps wordt de parademars volledig gespeeld:

  1. bij aankomst van Z.M. de Koning of leden van het Koninklijk Huis of de gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, indien het Wilhelmus in het daaropvolgend ceremonieel gespeeld wordt;

  2. bij vertrek van de in onderdeel a bedoelde vorstelijke personen en autoriteiten, indien het Wilhelmus in het voorgaande ceremonieel op dezelfde dag reeds is gespeeld;

  3. bij aankomst van een autoriteit, die niet als vertegenwoordiger van een mogendheid optreedt, indien daartoe namens of door Z.M. de Koning opdracht wordt gegeven.

  4. In geval van een solodienst bij de KM (T&P) wordt de parademars Rauscher 1814 gespeeld.

Bijzonderheden:
Wanneer de in a. of c. bedoelde autoriteiten ook recht hebben op ereroffels (zie § 10), worden eerst deze ereroffels gebracht, gevolgd door de volledige parademars (uitsluitend: de Marsch van den jongen Prins van Friesland).

6. Inspectiemarsen

Tijdens de inspectie van een erewacht of tijdens de ceremoniële inspectie als bedoeld in hoofdstuk 13, § 5 wordt een inspectie-, defileer-, regiments- of onderdeelsmars gespeeld:

  1. Marsch van den Heer Van der Duyn:
    1º. tijdens plechtigheden waarbij Z.M. de Koning aanwezig is bij de inspectie;
    2º. bij de KM;

  2. de in bijlage F deel 2 vermelde inspectiemarsen kunnen worden gespeeld:
    1º. bij het desbetreffende korps, regiment of onderdeel;
    2º. indien een onderdeel geen inspectiemars heeft, mag ook de defileer-, regiments- of onderdeelsmars worden gespeeld. 

7. Het volkslied van een buitenlandse mogendheid

Het volkslied van een buitenlandse mogendheid wordt ten gehore gebracht:

  1. bij aankomst in Nederland van een staatshoofd;

  2. bij vertrek uit Nederland van een staatshoofd;

  3. bij aankomst in Nederland van een lid van een regerend vorstenhuis;

  4. bij vertrek uit Nederland van een lid van een regerend vorstenhuis

  5. bij aangelegenheden waarbij het internationaal verband tot uiting wordt gebracht. 

8. Vier ereroffels gevolgd door het volkslied van een buitenlandse mogendheid

Vier ereroffels gevolgd door het volkslied van een buitenlandse mogendheid worden geslagen en gespeeld bij aankomst van een ambassadeur van een buitenlandse mogendheid, bij het aanbieden van geloofsbrieven, indien hij als zodanig door Z.M. de Koning wordt ontvangen.

9. Eerbewijs alsmede het volkslied van een buitenlandse mogendheid

  1. Vier ereroffels gevolgd door de eerste acht maten van de parademars:
    1º. bij aankomst van een buitenlandse minister-president;
    2º. bij aankomst van een Minister van Buitenlandse Zaken, een Minister van Defensie, een Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, een Staatssecretaris van Defensie of een CDS van een buitenlandse mogendheid (in de rang van admiraal, luitenant-admiraal of generaal, indien de reden van het bezoek een officieel karakter draagt);
    3º. bij aankomst van een hoge autoriteit, indien daartoe uitdrukkelijk opdracht door of namens het staatshoofd of de minister is gegeven.

  2. Nadat de ceremoniële inspectie is uitgevoerd, wordt het volkslied ten gehore gebracht.

  3. Drie ereroffels (of het aan de rang / functie verbonden aantal) gevolgd door de eerste acht maten van de parademars worden gespeeld bij aankomst van een bevelhebber van een krijgsmachtdeel van een buitenlandse mogendheid in de rang van vice-admiraal of luitenant-generaal, indien het bezoek een officieel karakter draagt.

Bijzonderheden:

Het muzikaal eerbetoon voor de in § 8 bedoelde autoriteiten bestaat bij vertrek alleen uit vier ereroffels of signalen geeft acht, indien de ingedeelde muziek nog staat opgesteld.

10. Ereroffels

Ereroffels worden ten gehore gebracht:

  1. door tamboers, bij officiële gelegenheden bij aankomst van autoriteiten; is een tamboer niet beschikbaar, maar wel een muzikant, dan wordt in plaats van het voorgeschreven aantal ereroffels hetzelfde aantal keren het signaal geeft acht geblazen; ereroffels worden altijd onmiddellijk gevolgd door de eerste acht maten van de parademars (uitsluitend: de Marsch van den jongen Prins van Friesland); de met muzikaal eerbetoon ontvangen autoriteiten nemen vervolgens de hun toegewezen plaats in;
    1º. vier ereroffels voor:
    (a) een minister, lid van de Raad van Ministers van het koninkrijk;
    (b) een minister, lid van de Raad van Ministers van Aruba, Curaçao, Aruba of Sint Maarten;
    (c) een staatssecretaris;
    (d) een admiraal;
    (e) een luitenant-admiraal;
    (f) een generaal;
    (g) de secretaris-generaal van de NAVO, de VN, de EU*;
    * Hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijke buitenlands- en veiligheidsbeleid, tevens secretaris-generaal van de Raad van de EU.

  2. 2º. drie ereroffels voor:
    (a) een vice-admiraal;
    (b) een luitenant-generaal;
    (c) een gezant;
    3º. twee ereroffels voor:
    (a) een schout-bij-nacht;
    (b) een generaal-majoor;
    4º. één ereroffel voor:
    (a) een commandeur;
    (b) een brigadegeneraal;
    (c) een commodore;

  3. indien twee of meer autoriteiten tegelijk aankomen, wordt uitsluitend het eresignaal gebracht voor degene die recht heeft op het hoogste aantal ereroffels; deze autoriteit brengt de groet;

  4. indien een autoriteit aankomt nadat reeds een eresignaal is gegeven van hogere of gelijke rang, blijft het eresignaal voor hem achterwege* en begeeft hij zich zonder muzikaal eerbetoon naar zijn plaats;
    * De parade-inspecteur krijgt te allen tijde het aan zijn rang verbonden muzikaal eerbetoon en door de aangetreden eenheden wordt het hieraan verbonden eerbewijs gebracht;

  5. een militair, optredend als vertegenwoordiger van het staatshoofd of van overige leden van het Koninklijk Huis of van de gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, ontvangt in voorkomend geval uitsluitend het eresignaal dat aan zijn rang is verbonden;

  6. uitsluitend de in onderdeel a genoemde burgerautoriteiten kunnen met ereroffels of signalen geeft acht worden ontvangen. 

11. Protocol bij het in ontvangst nemen van ereroffels

Om er voor te zorgen dat iedere gerechtigde de voor hem bestemde ereroffel(s) in ontvangst kan nemen, wordt het onderstaande aangeraden:

  1. alle betrokken autoriteiten verzamelen zich op één centrale plaats in de omgeving van de plechtigheid;

  2. als eerste marcheren de autoriteiten die recht hebben op één ereroffel naar de plaats van de plechtigheid, vervolgens zij die recht hebben op twee ereroffels enz.; per groep treedt de hoogste in functie en anders de oudste in rang op als commandant;

  3. indien het aantal autoriteiten zodanig klein is, dat een combinatie van verschillende rangen mogelijk is, marcheert de groep gezamenlijk naar de plaats van de plechtigheid en wordt het aantal ereroffels gecommandeerd waarop de hoogste in functie of rang recht heeft; alleen de hoogste in functie en anders in rang maakt twee verkorte passen voorwaarts en brengt de groet tijdens het in ontvangst nemen van het muzikaal eerbetoon; de eventuele overige autoriteiten sluiten vervolgens aan; verschillende groepen zijn mogelijk, als dat de voortvarendheid van de plechtigheid ten goede komt;

  4. het muziekkorps speelt de ereroffels of signalen geeft acht, gevolgd door de eerste acht maten van de parademars, niet eerder dan nadat de autoriteiten (net binnen het carré) stilstaan en nadat door de paradecommandant daartoe het commando: MUZIEK……(aantal) EREROFFELS is gegeven;

  5. indien een autoriteit is aangemeld, die volgens het protocol recht heeft op hetzelfde aantal of meer ereroffels dan de parade-inspecteur, arriveert deze autoriteit eerder dan de parade-inspecteur en begeeft zich, nadat de ereroffels en de eerste acht maten van de parademars zijn gespeeld, op eigen gelegenheid naar zijn toegewezen plaats; aan het einde van de ceremonie sluit deze autoriteit, direct na het afmelden van de eenheden, zich weer aan bij de parade-inspecteur. 

12. Volgorde te spelen volksliederen tijdens internationale plechtigheden

Indien tijdens internationale (militair-ceremoniële) plechtigheden meerdere volksliederen ten gehore worden gebracht, dient het volkslied van het gastland als laatste te worden gespeeld. In Nederland wordt het Wilhelmus dus altijd als laatste ten gehore gebracht, met de volgende uitzonderingen:

  1. Wanneer sprake is van een aankomst- en een vertrekceremonieel (bijv. bij een Staatsbezoek) wordt bij het vertrekcermonieel de volgorde omgedraaid: het volkslied van het gastland wordt dan als eerste gespeeld.

  2. In NAVO-verband is de volgorde van de te spelen volksliederen die van de eerste letter van de namen van de desbetreffende landen in de Engelse taal.
    N.B. Tijdens overige andere internationale gelegenheden is de volgorde van de overige volksliederen afhankelijk van de eerste letter van de namen van de desbetreffende landen in de Franse taal, zie Bijlage C.  

Hoofdstuk 9 Eerbewijzen Koninklijke Marine

Dit hoofdstuk behandelt de specifieke eerbewijzen zoals die bij de KM en met name op schepen worden toegepast. Het bij een inrichting van de zeemacht geldend eerbetoon is, voor zover niet reeds in andere hoofdstukken opgenomen, eveneens in dit hoofdstuk vermeld.

1. Het eerbewijs ‘Valreepsgasten’

  1. Het eerbewijs valreepsgasten wordt uitsluitend gebracht aan boord van een oorlogsschip.

  2. Ter weerszijden van de valreep worden vier officieren met de rang van luitenant ter zee der 2e klasse oudste categorie of met een lagere rang, of vier onderofficieren zo mogelijk met dezelfde rang, dan wel vier of twee schepelingen opgesteld, een en ander afhankelijk van de rang of het aanzien van degene voor wie het eerbewijs is bestemd.

  3. De persoon aan wie het eerbewijs wordt gebracht, wordt overgefloten door de chef der equipage dan wel door de hoogst aanwezige onderofficier van de operationele dienst subdienstgroep nautische dienst (ODND) of door de onderofficier van de wacht. In een enkel geval, aangegeven in dit hoofdstuk, wordt hij niet overgefloten.

  4. Gedurende het overfluiten brengen de valreepsgasten en degene die de fluit doet horen, de groet. Degene die op de fluit blaast, groet desgewenst met links of rechts.

2. Het eerbewijs ‘Stilstaan der bemanning’

Het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gebracht aan boord van een oorlogsschip en bij een inrichting der zeemacht.

  1. Het eerbewijs stilstaan der bemanning aan boord van een oorlogsschip:
    1º. het eerbewijs stilstaan der bemanning aan boord vangt aan met het signaal stil op de hoorn of met een bootsmansfluit, gevolgd door:
    (a) de eerste vijf maten van de taptoe wanneer front moet worden gemaakt naar stuurboord;
    (b) de eerste vier maten van de reveille wanneer front moet worden gemaakt naar bakboord;
    (c) de eerste vier maten van de parademars wanneer front moet worden gemaakt naar beide zijden;
    2º. indien de autoriteit in een motorrijtuig voorbijgaat, kunnen de eerste vijf maten van de taptoe en de eerste vier maten van de reveille worden vervangen door één stoot, onderscheidenlijk twee stoten op de hoorn; indien geen hoornblazer aanwezig is, wordt het signaal gefloten op de bootsmansfluit, waarna wordt aangegeven naar welke zijde de bemanning front moet maken;
    3º. alle militairen, die aan dek of op de brug zijn, stellen zich (op een varend schip voorzover de navigatie zulks toelaat) op langs de aangegeven zijde, zoveel mogelijk op gelijke afstand van elkaar en maken front naar buitenboord; de officier van de wacht kiest daarbij een plaats die van buitenboord goed zichtbaar is;
    4º. de militairen, bedoeld onder 3º, brengen de groet op de wijze, zoals die is voorgeschreven voor een stilstaande eenheid, met dien verstande dat alle officieren de groet brengen op de wijze zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk;
    5º. het eerbewijs eindigt op het signaal doorgaan;
    6º. de militairen, die zich bevinden in de onmiddellijke nabijheid van het schip, aan boord waarvan het eerbewijs wordt gebracht, brengen gedurende het eerbewijs de groet op de wijze, zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk.

  2. Het eerbewijs stilstaan der bemanning bij een inrichting der zeemacht:
    1º. het eerbewijs stilstaan der bemanning bij een inrichting der zeemacht vangt aan met het signaal stil op de hoorn of, indien geen hoornblazer aanwezig is, op de bootsmansfluit;
    2º. alle militairen die zich op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein bevinden, maken front naar de plaats waar de autoriteit staat opgesteld, waarbij de officier van de wacht zich opstelt op een plaats, die goed zichtbaar is;
    3º. de militairen, hiervoor bedoeld onder 2º, brengen de groet op de wijze, voorgeschreven voor een militair afzonderlijk;
    4º. het eerbewijs eindigt op het signaal doorgaan.  

3. Het eerbewijs ‘Paraderen’

  1. Het eerbewijs paraderen wordt uitsluitend gebracht aan boord van een oorlogsschip.

  2. Het eerbewijs vangt aan met het signaal al is ons prinsje op de hoorn.

  3. Indien het schip varende is, stelt de commandant zich op de brug op. Indien dat niet het geval is, gaat hij op een zodanige plaats staan dat hij duidelijk zichtbaar is. De overige officieren worden opgesteld op aanwijzing van de commandant. De gewapende wacht, die bij paraderen steeds in het geweer komt, en de muziek (indien aanwezig) worden opgesteld op een plaats, waar zij goed tot hun recht komen. De equipage wordt zo over het schip verdeeld, dat de lijnen van het schip zo goed mogelijk uitkomen. De etat-majoor stelt zich bij elkaar op, op een door de commandant aangewezen plaats. De opstelling van de bemanning moet nauwkeurig in een paradeerrol zijn vastgesteld. Het verdient aanbeveling de paradeerrol in onderling verband met de meerrol op te maken.

  4. Indien het schip behoort tot een verband en de commandant van dat verband aan boord is, stelt deze zich op een zodanige plaats op dat hij duidelijk zichtbaar is, met de officieren van zijn staf op één gelid twee passen achter zich.

  5. De bemanning stelt zich aan die zijde van het schip op, waarlangs de persoon, voor wie het eerbewijs geldt, zal voorbijgaan. De afstand tussen de leden der bemanning moet zo groot zijn, dat de projecties van die afstanden op de lengteas van het schip gelijk zijn.

  6. Indien een saluut zal worden gegeven, wordt de saluutbatterij gereed gehouden.

  7. Het eerbewijs eindigt op het signaal aftrap. Indien degene, voor wie het eerbewijs is bestemd, twee of meer oorlogsschepen moet voorbijgaan, wordt dat signaal pas gegeven nadat hij het laatste paraderende oorlogsschip voorbij is. 

4. het eerbewijs ‘Joelen’

Het eerbewijs joelen wordt gebracht aan boord van een oorlogsschip, bij een inrichting der zeemacht en elders aan de wal.

  1. Het eerbewijs joelen aan boord van een oorlogsschip:
    1º. het eerbewijs joelen vangt aan met de aanwijzing “mutsen af”;
    2º. de leden van de bemanning, met uitzondering van de bewapenden, alsmede de leden van de muziek, nemen met de rechterhand hun hoofddeksel af en houden dat tegen de linkerzijde van de borst;
    3º. de commandant heft vervolgens zijn pet op, daarbij roepende, indien het eerbewijs voor Z.M. de Koning is bestemd, “leve de koning” of, indien het anderen geldt, “driewerf hoezee”;
    4º. alle leden van de bemanning roepen op een driemaal gegeven fluitsignaal op de bootsmansfluit telkens gelijktijdig “hoezee”, waarbij degenen die het hoofd hebben ontbloot, telkens de rechterarm met het hoofddeksel schuin rechts naar boven strekken en terugbrengen naar de linkerzijde van de borst; indien geen fluitsignaal kan worden gegeven, gebeurt dit mondeling conform onderdeel b;
    5º. vervolgens zetten zij op de aanwijzing “mutsen op” hun hoofddeksel weer op.

  2. Het eerbewijs joelen bij een inrichting der zeemacht en elders aan de wal:
    Het eerbewijs joelen bij een inrichting der zeemacht en elders aan de wal wordt op overeenkomstige wijze gebracht als aan boord van een oorlogsschip, met dien verstande dat, indien het niet mogelijk is een fluitsignaal zoals bedoeld in onderdeel a, onder 4º, te geven, de commandant op leve de koning of driewerf hoezee onmiddellijk laat volgen hiep - hiep, waarna de leden van de bemanning een driewerf hoezee roepen. 

5. Het eerbewijs ‘Vlaggen van top’

  1. Het eerbewijs vlaggen van top wordt gebracht door oorlogsschepen en bij inrichtingen der zeemacht, maar bij de laatste uitsluitend als daar een getuigde mast met gaffel, ra en steng aanwezig is. Aan boord van een oorlogsschip wordt daartoe aan de top van elke mast de koninkrijksvlag en aan de geusstok de geus gehesen; bij inrichtingen der zeemacht wordt de koninkrijksvlag gehesen aan de top van de getuigde mast.

  2. Indien van de top van de voormast een commandovlag, de standaard of een onderscheidingsvlag waait, wordt op schepen met meer dan een mast aan die top de koninkrijksvlag niet gehesen. Op schepen met slechts één mast wordt in dat geval de koninkrijksvlag aan stuurboord van de commandovlag, de standaard of de onderscheidingsvlag gehesen. Indien er evenwel van die top naast de commandovlag of de standaard ook een onderscheidingsvlag waait, wordt die onderscheidingsvlag hoog aan een seinwipper aan stuurboord gehesen en wordt aan stuurboord van de commandovlag of de standaard de koninkrijksvlag gehesen.

  3. Indien aan boord van een buitenlands oorlogsschip van top wordt gevlagd en een Nederlands oorlogsschip daaraan zal deelnemen, wordt, indien dat schip meer dan een mast heeft, in plaats van de koninkrijksvlag aan de top van de voormast, de vlag van de betrokken natie gehesen. Indien het schip slechts één mast heeft, wordt aan de top daarvan zowel de koninkrijksvlag als de buitenlandse natievlag gehesen; de laatste aan stuurboord van de eerste. Indien evenwel van die top reeds een commandovlag of de standaard waait, wordt alleen de buitenlandse natievlag gehesen en wel aan stuurboord daarvan. Waait naast de commandovlag of de standaard een onderscheidingsvlag, dan wordt die onderscheidingsvlag hoog aan een seinwipper aan stuurboord gehesen en wordt de buitenlandse natievlag aan stuurboord van de commandovlag of de standaard gehesen. 

6. Het eerbewijs ‘Pavoiseren’

  1. Het eerbewijs pavoiseren wordt uitsluitend gebracht door oorlogsschepen. Daartoe worden, behalve de vlaggen bedoeld in § 5, bovendien ook nog seinvlaggen gehesen.

  2. De seinvlaggen worden volgens een van tevoren opgemaakt pavoiseerplan met gelijke tussenruimten aangeslagen aan een lijn. De lijn wordt van het voorschip langs de toppen van de masten, ten minste één vlagbreedte onder de topvlaggen, naar het achterschip geleid.

  3. Bij het opmaken van het pavoiseerplan wordt zoveel mogelijk van voren naar achteren het kleurenschema rood-wit-blauw gevolgd. In geen geval mogen seinvlaggen worden opgenomen, die gelijk zijn aan of grote overeenkomst vertonen met buitenlandse natie- of onderscheidingsvlaggen. 

7. Geven van saluten

  1. Saluten worden in principe gegeven door oorlogsschepen, maar als regel alleen door een fregat of groter schip. Tijdens een reis kunnen evenwel ook andere oorlogsschepen dit eerbewijs brengen als dat in verband met het karakter van de reis gewenst is. Bij nationale saluten kan het saluut ook worden afgegeven door een walbatterij.

  2. Indien van een oorlogsschip een saluut mag worden verwacht, dat dit om redenen niet kan geven, stelt de commandant van dat oorlogsschip de betrokken plaatselijke autoriteiten onverwijld op de hoogte, onder aanbieding van zijn verontschuldigingen.

  3. In de gevallen, aangegeven in dit hoofdstuk, waait gedurende het saluut de koninkrijksvlag of een buitenlandse natievlag van de top van de voormast. Waait van die top reeds de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis, een commandovlag, de standaard of een onderscheidingsvlag, dan wordt de koninkrijksvlag of de buitenlandse natievlag aan stuurboord daarvan gehesen. Indien van die top zowel een commandovlag of de standaard als een onderscheidingsvlag waaien, wordt de onderscheidingsvlag hoog aan een seinwipper aan stuurboord gehesen en wordt aan stuurboord van de commandovlag of de standaard de koninkrijksvlag of de buitenlandse natievlag gehesen. Indien van de top van de voormast reeds de koninkrijksvlag of een buitenlandse natievlag waait, wordt aan die top geen tweede koninkrijksvlag of buitenlandse natievlag gehesen. Indien tijdens vlaggen van top of pavoiseren een saluut moet worden gegeven dat geen verband houdt met de gelegenheid waarvoor van top wordt gevlagd of wordt gepavoiseerd, worden gedurende dat saluut de top- en pavoiseervlaggen neergehaald. Een oorlogsschip dat ten anker of gemeerd ligt, voert gedurende het saluut steeds de geus.

  4. Tenzij er reden is om alle schoten van dezelfde zijde af te vuren, wordt het eerste schot gegeven van de zijde, die gekeerd is naar de persoon of naar de vlag voor wie of waarvoor het saluut is bestemd of, indien er geen reden is om aan een bepaalde zijde de voorkeur te geven, van stuurboord. De volgende schoten vallen beurtelings van bakboord en stuurboord of, indien het saluut wordt gegeven met meer dan één stuk aan dezelfde zijde, van voren naar achteren.

  5. Indien verscheidene schepen gezamenlijk het eerbewijs brengen, een z.g. algemeen saluut, begint het vlaggenschip of het schip van de oudste commandant. Bij het tweede schot valt het schip van de commandant die in rang of, bij gelijke rang, in ouderdom in rang volgt op de commandant van het verband of op de oudste commandant in met zijn eerste schot en zo vervolgens.

  6. Het geven van een saluut verloopt als volgt:
    1º. de eerste officier laat het signaal de jagers van Van Dam blazen; de aangewezen stuksbemanningen komen onverwijld op post en maken de stukken gereed;
    2º. de eerste officier laat de officier der artillerie die de schoten moet afvuren, alsmede de officier van de wacht weten, hoeveel schoten moeten worden gegeven, van welke zijde het eerste schot dan wel alle schoten moeten worden afgevuurd, bij welk schot, bij een algemeen saluut, moet worden ingevallen, welke natievlag moet worden gehesen en welke vlaggen eventueel moeten worden neergehaald; de officier der artillerie geeft de nodige orders aan de stuksbemanningen; de officier van de wacht doet hetzelfde aan de gasten bij de vlaggen en de geus; zodra alles gereed is, melden zij dat aan de eerste officier;
    3º. het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven; de officier der artillerie geeft daarop het waarschuwingscommando: KLAAR OM TE SALUEREN MET ....(aantal) SCHOTEN STUUR- (BAK-)BOORD UIT, de kanonnen worden geladen;
    4º. de eerste officier laat het signaal vuren blazen; de officier van de wacht doet de vlaggen die moeten worden neergehaald, neerhalen en die moeten worden gevoerd, hijsen; onmiddellijk nadat de officier der artillerie zich ervan heeft overtuigd dat de vereiste vlaggen klaar uitwaaien, commandeert hij nabij het stuk dat moet vuren: STUUR-(BAK)BOORD - VUUR, dan wel, indien er van één zijde wordt gevuurd: KANON ÉÉN (TWEE enz.) - VUUR, waarop het betrokken kanon wordt afgevuurd met een aftrektouw of met een eenvoudige mechanische afvuurinrichting; een militair der zeemacht, opgesteld in de nabijheid van de officier van de artillerie, telt hardop het aantal schoten; nadat het bevolen aantal schoten is afgevuurd, commandeert de officier der artillerie VASTVUREN, waarop de stukken worden ontladen; hierna meldt hij aan de eerste officier, dat het saluut voltooid is;
    5º. de eerste officier laat het signaal vastvuren blazen; de officier van de wacht doet daarop de voor het saluut gehesen vlaggen neerhalen en die, vóór het saluut zijn neergehaald, weer hijsen; zodra hij gereed is, meldt hij dat aan de eerste officier;
    6º. de eerste officier laat het signaal doorgaan blazen en, indien geen verdere saluten moeten worden gegeven, ook het signaal aftrap;
    7º. na het signaal aftrap laat de officier der artillerie stukken vast houden; zodra hij gereed is, meldt hij dat aan de eerste officier.

  7. Sloepen die langszij liggen van het schip dat een saluut zal geven, steken tijdig af en blijven gestopt in de buurt liggen, zo mogelijk met afgezette motor. Sloepen die zich in de nabijheid van dat schip bevinden, stoppen en wachten met langszij komen totdat het eerbewijs is volbracht. 

8. Eerbewijzen aan personen

  1. Eerbewijzen aan personen worden in het algemeen slechts gebracht aan militairen die in uniform zijn gekleed, alsmede aan de burgerautoriteiten, genoemd in dit hoofdstuk en die als zodanig herkenbaar zijn. Aan een militair die niet in uniform is gekleed en aan een burgerautoriteit die niet als zodanig herkenbaar is, wordt uitsluitend de groet gebracht, maar alleen, indien men kan worden geacht de militair of de autoriteit te kennen. Voorts wordt een officier die niet is gekleed in uniform wanneer hij aan boord komt of van boord gaat van een schip dan wel aankomt bij of vertrekt van een inrichting der zeemacht, aan de valreep ontvangen of tot de valreep uitgeleid door de officier van de wacht en de onderofficier van de wacht. Bij een inrichting der zeemacht wordt deze officier bij aankomst en vertrek ontvangen en uitgeleid door de officier van de wacht en de onderofficier van de wacht of de chef der équipage.

  2. Met uitzondering van de (ere)groet, stilstaan der bemanning, valreepsgasten (indien er valreepsgasten beschikbaar zijn), indien de gewapende wacht bijeen is, het in het geweer komen van de gewapende wacht, en, indien er hoornsignalen kunnen worden gegeven, het voorgeschreven aantal malen geeft acht, worden de eerbewijzen aan personen slechts gebracht, indien hun voorbijkomen of hun bezoek tijdig is aangekondigd en daardoor een officieel karakter draagt. En aangekondigd werkbezoek geldt echter niet als een officieel bezoek. Bij informele bezoeken en werkbezoeken kunnen de eerbewijzen tot de bovengenoemde worden beperkt.

  3. Van zonsondergang tot zonsopkomst worden geen andere eerbewijzen gebracht dan de (ere)groet. Zie ook § 30, onderdeel b, onder 2º.

  4. Bij aan boord komen en van boord gaan, voor inrichtingen der zeemacht bij aankomst en vertrek, worden des morgens vóór het hijsen van de vlag en gedurende de middagrust geen andere eerbewijzen gegeven dan de (ere)groet. Hetzelfde geldt bij aan boord komen en van boord gaan:
    1º. gedurende de tijd dat het schip in een haven ligt en de vlag port voert;
    2º. gedurende de tijd dat de kerkwimpel waait.
    Degene die op zo’n moment aan boord komt of van boord gaat dan wel aankomt of vertrekt en recht heeft op meer eerbewijzen, wordt ontvangen of uitgeleid door de (onder-) officier van de wacht.

  5. De (ere)groet wordt slechts gebracht door militairen die in uniform zijn gekleed.

  6. De groet is een uiting van saamhorigheid tussen militairen onderling en is wederkerig. Hij moet voorts worden gezien als een beleefdheidsvorm en vervult als zodanig dezelfde functie als de groet in de burgersamenleving. Bovendien is de groet een uiting van respect voor de verantwoordelijkheid die de persoon aan wie hij wordt gebracht binnen de krijgsmacht draagt. Ook dat aspect van de groet is geheel in overeenstemming met de normen die in de burgermaatschappij gelden.

  7. De individuele militair moet zelf beoordelen of hij de groet al of niet zal brengen, zodat de nadruk valt op de persoonlijke verantwoordelijkheid. Hij moet zich daarbij enerzijds bewust zijn van de waarde van de groet, zoals die in onderdeel f is omschreven, en anderzijds moet hij rekening houden met de omstandigheden. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarbij de groet achterwege moet blijven, omdat daardoor de veiligheid in het verkeer in gevaar zou kunnen worden gebracht. Voorts behoort een militair die deel uitmaakt van een militaire begrafenisstoet, niet te groeten.

  8. In afwijking van onderdeel g, moeten militairen der zeemacht, geen schildwacht zijnde, die zijn belast met de controle op documenten of goederen, met het openen en sluiten van hekken, poorten of slagbomen of met dergelijke bezigheden, de groet brengen wanneer zij zich tot iemand wenden of iemand zich tot hen wendt. Een en ander voorzover een goede uitvoering van hun taak dit toelaat.

  9. Militairen der zeemacht, die tijdelijk zijn opgesteld om het verkeer te regelen of om een weg of een terrein af te zetten, alsmede militairen der zeemacht die onder geleide staan, geven geen eerbewijzen tenzij hen dat uitdrukkelijk is opgedragen.

  10. Onverminderd hetgeen is bepaald in de onderdelen c en d moeten, afgezien van de gevallen, genoemd in dit hoofdstuk, waarin het eerbewijs valreepsgasten onvoorwaardelijk moet worden gebracht, aan boord van een oorlogsschip, dat op een rede of in een haven in het buitenland ligt, steeds valreepsgasten bij de hand zijn. In een haven of op een rede in het Koninkrijk der Nederlanden geldt dat alleen, indien er buitenlandse oorlogsschepen aanwezig zijn, en voorts bij gelegenheden van militair ceremoniële aard.

  11. Op zondagen en algemeen erkende christelijke feestdagen worden geen saluten gegeven. Zie echter ook § 30, onderdeel b, onder 2º.

  12. Op een varend oorlogsschip wordt niet van top gevlagd noch gepavoiseerd, behalve wanneer het schip wordt verhaald. Het eerbewijs pavoiseren wordt bij stormweer in het geheel niet gebracht.

  13. Indien aan twee of meer personen gelijktijdig eerbewijzen zouden moeten worden gebracht, worden alleen die welke aan de voornaamste persoon toekomen, gebracht.

  14. Indien aan boord van twee oorlogsschepen of aan boord van een oorlogsschip en aan de wal aan één persoon onmiddellijk op elkaar volgend eerbewijzen moeten worden gebracht, wordt een zodanige regeling getroffen, dat wordt voorkomen dat bepaalde eerbewijzen tweemaal worden gebracht voorzover daardoor de plechtigheid zou worden geschaad.

  15. De eerbewijzen bij ontvangst aan boord of hij een inrichting der zeemacht moeten op zodanige tijdstippen worden gebracht, dat de begroeting van de autoriteit er niet door wordt opgehouden of onderbroken.

  16. Degene die een autoriteit vertegenwoordigt, geniet de voorrang, maar ontvangt niet de eerbewijzen die zijn verschuldigd aan de autoriteit die hij vertegenwoordigt.

  17. Indien bij aankomst of vertrek van een inrichting der zeemacht of elders aan de wal de gewapende wacht in het geweer is gekomen of een erewacht is opgesteld, wordt de betrokken autoriteit eerst naar een gunstige plaats (zo mogelijk midden vóór de gewapende wacht of erewacht) geleid, om daar het eerbewijs in ontvangst te nemen. 

9. Eerbewijzen aan Zijne Majesteit de Koning

Aan Z.M. de Koning worden de eerbewijzen gebracht, genoemd in hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8 en voorts in deze §. Namens Z.M. de Koning zal steeds worden aangegeven of de eerbewijzen niet of in vereenvoudigde vorm moeten worden gegeven.

  1. Aan boord van oorlogsschepen:
    1º. bij in nabijheid komen:
    wanneer Z.M. de Koning in de nabijheid van een oorlogsschip komt maar het niet zal voorbijgaan, wordt er gepavoiseerd van het hijsen van de vlag tot zonsondergang en geeft het oorlogsschip een saluut, dan wel neemt het deel aan een algemeen saluut van 35 schoten; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast en wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden;
    2º. bij voorbijgaan:
    wanneer Z.M. de Koning een oorlogsschip zal voorbijgaan of een oorlogsschip Z.M. de Koning zal voorbijgaan, wordt er onverminderd het bepaalde in § 8, onderdeel l, gepavoiseerd vanaf het hijsen van de vlag tot zonsondergang; gedurende het voorbijgaan worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) er wordt geparadeerd;
    (b) de gewapende wacht, gecommandeerd door een officier, komt in het geweer;
    (c) zo mogelijk wordt een muziekkorps toegevoegd;
    (d) op het signaal stil brengen alle paraderende leden van de bemanning, met uitzondering van de muziek en de leden van het muziekkorps alsmede de gewapende wacht, de eregroet waarbij die wacht het geweer presenteert;
    (e) de muziek speelt de parademars; de eregroet wordt pas beëindigd op het signaal doorgaan, dat wordt gegeven na het eerbewijs joelen;
    (f) de eregroet wordt onderbroken door het eerbewijs joelen;
    (g) in aansluiting op het eerbewijs joelen speelt de muziek, opgesteld op het halfdek of vliegdek aan de zijde die naar de Z.M. de Koning is toegekeerd en front makende naar buitenboord, het Wilhelmus;
    (h) het oorlogsschip geeft ongeacht hoe vaak Z.M. de Koning voorbijgaat, eenmaal een saluut of neemt het deel aan een algemeen saluut van 35 schoten (dat eveneens eenmaal wordt gegeven), tenzij reeds ingevolge onderdeel a, onder 1º, een saluut is gegeven; gedurende het saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast;
    3º. bij aan boord komen:
    wanneer Z.M. de Koning aan boord zal komen, wordt er vanaf het hijsen van de vlag tot het tijdstip bedoeld onder (d) gepavoiseerd; terwijl Z.M. de Koning aan boord komt, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij de bemanning staat opgesteld als bij grote parade; de bemanning maakt, voorzover zij is geplaatst aan de andere zijde dan die waar de staatsietrap of valreep ligt, front naar de midscheeps; voor zover zij is geplaatst aan dezelfde zijde als die waar de staatsietrap of valreep ligt, maakt zij front naar buitenboord tot het moment dat Z.M. de Koning het bovenste bordes van de staatsietrap heeft betreden of het einde van de valreep heeft bereikt; daarna eveneens naar de midscheeps;
    (b) de gewapende wacht, gecommandeerd door een officier, komt in het geweer; op het signaal stil, presenteert de wacht het geweer; aan de gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (c) op het onderste bordes van de staatsietrap of aan de voet van de valreep wordt Z.M. de Koning ontvangen door de eerste of oudste officier of, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het schip;
    (d) zodra Z.M. de Koning de staatsietrap of de valreep betreedt, worden de top- en pavoiseervlaggen neergehaald en wordt de onderscheidingsvlag aan de top van de voormast gehesen;


(e) het eerbewijs valreepsgasten wordt gegeven; als valreepsgasten fungeren vier officieren met de rang van luitenant ter zee der tweede klasse oudste categorie; Z.M. de Koning wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
(f) aan de valreep wordt Z.M. de Koning ontvangen door de commandant van het schip of, indien het behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van dat verband;
(g) de muziek speelt de parademars;
(h) vervolgens speelt de muziek het Wilhelmus;
(i) daarop vraagt de commandant van het verband of de commandant van het schip aan Z.M. de Koning of zij de gewapende wacht wenst te inspecteren; indien Z.M. de Koning daartoe de wens te kennen geeft, geeft de commandant aan de commandant van de gewapende wacht opdracht zich te melden; terwijl Z.M. de Koning de gewapende wacht inspecteert, speelt de muziek het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn;
(j) nadat Z.M. de Koning de gewapende wacht is voorbijgegaan of heeft geïnspecteerd, worden de officieren aan hem voorgesteld;
(k) tenslotte inspecteert Z.M. de Koning de equipage;
4º. bij van boord gaan:
wanneer Z.M. de Koning van boord gaat, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
(a) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij de bemanning staat opgesteld volgens de paradeerrol; de bemanning maakt, totdat Z.M. de Koning het bovenste bordes van de staatsietrap of de valreep heeft betreden, front naar de midscheeps en daarna naar buitenboord; alle leden der bemanning brengen in dit geval de eregroet op de wijze zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk;
(b) het signaal doorgaan wordt pas gegeven na het eerbewijs Wilhelmus;
(c) de gewapende wacht, gecommandeerd door een officier, komt in het geweer; op het signaal stil, presenteert zij het geweer; aan die gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
(d) Z.M. de Koning wordt tot aan de valreep begeleid door de commandant van het schip of, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het verband;
(e) de muziek speelt de parademars;
(f) het eerbewijs valreepsgasten wordt gegeven; als valreepsgasten fungeren vier officieren met de rang van luitenant ter zee der tweede klasse oudste categorie; Z.M. de Koning wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
(g) van de valreep tot aan het onderste bordes van de staatsietrap wordt Z.M. de Koning begeleid door de eerste of oudste officier, of, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het schip;
(h) zodra Z.M. de Koning de staatsietrap of de valreep heeft verlaten, wordt de onderscheidingsvlag neergehaald en worden de top- en pavoiseervlaggen gehesen, die eerst op het moment van het neerhalen van de vlag worden neergehaald;
(i) vervolgens joelt de bemanning;
(j) daarop speelt de muziek het Wilhelmus;


(k) het oorlogsschip geeft tenslotte een saluut dan wel neemt deel aan een algemeen saluut van 35 schoten; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast;
5º. bij aan dek of in een afgesloten ruimte komen tijdens verblijf aan boord:
(a) wanneer Z.M. de Koning tijdens een verblijf aan boord aan dek komt, wordt het volgende eerbewijs gebracht; op de waarschuwing front maken van de officier of schepeling, die de (aan)komst van Z.M. de Koning het eerst opmerkt, maken de leden van de bemanning die in de nabijheid zijn, zo mogelijk ruimte naar de midscheeps en brengen de eregroet op de wijze zoals voorgeschreven voor een stilstaande eenheid, met dien verstande dat alle officieren de eregroet brengen op de wijze zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk; de zijde van het dek waar Z.M. de Koning vertoeft, wordt zo mogelijk open en vrij gelaten;
(b) wanneer Z.M. de Koning tijdens een verblijf aan boord in een afgesloten ruimte komt, wordt het volgende eerbewijs gebracht; op de waarschuwing orde van de officier of schepeling die de komst van Z.M. de Koning het eerst opmerkt, plaatsen de leden van de bemanning die in die ruimte aanwezig zijn, zich terzijde en brengen de eregroet op de wijze zoals voorgeschreven voor een stilstaande eenheid, met dien verstande dat alle officieren hun eregroet brengen op de wijze zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk; gedurende de maaltijd blijven zij evenwel stilzwijgend zitten.

  1. Bij inrichtingen der zeemacht in Nederland:
    Bij inrichtingen der zeemacht in Nederland worden aan Z.M. de Koning overeenkomstige eerbewijzen gebracht als aan boord van oorlogsschepen, met dien verstande dat:
    1º. niet wordt gepavoiseerd; in plaats daarvan wordt van top gevlagd;
    2º. niet wordt geparadeerd; in plaats daarvan wordt de bemanning opgesteld als bij grote parade;
    3º. het eerbewijs valreepsgasten niet wordt gegeven;
    4º. geen saluut wordt gegeven;
    5º. de eregroet voorzover de betrokken militairen niet in enige formatie staan aangetreden, steeds wordt gebracht op de wijze zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk;
    6º. indien bij de bemanning een vaandel is ingedeeld, bovendien met het vaandel wordt gegroet.

  2. Elders aan wal, met uitzondering van het Caraïbisch deel van het Koninkrijk:
    Elders aan de wal, met uitzondering van het Caraïbisch deel van het Koninkrijk, wordt, indien Z.M. de Koning daartoe opdracht geeft, op de plaats waar hij aankomt dan wel vanwaar hij vertrekt alsmede vóór zijn verblijfplaats, een erewacht opgesteld, waaraan zijn toegevoegd een muziekkorps en, indien de erewacht is betrokken uit personeel van een vaandelvoerende eenheid, zo mogelijk het vaandel van die eenheid. Voor die erewacht worden in de eerste plaats aangewezen de Ridders der Militaire Willemsorde en andere dragers van dapperheidsonderscheidingen die dienen bij schepen of inrichtingen der zeemacht, waaruit de erewacht is betrokken.


Bij aankomst van Z.M. de Koning en telkens wanneer hij bij zijn verblijfplaats aankomt, worden de volgende eerbewijzen gegeven:
1º. de erewacht brengt de eregroet waarbij het geweer wordt gepresenteerd, met dien verstande, dat alle officieren de eregroet brengen op de wijze zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk; wanneer Z.M. de Koning de erewacht op twintig passen is genaderd, speelt de muziek de parademars;
2º. vervolgens speelt de muziek het Wilhelmus;
3º. daarna meldt de commandant van de erewacht zich bij Z.M. de Koning en vraagt of hij de erewacht wenst te inspecteren; gedurende de inspectie speelt de muziek het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn; indien bij de erewacht een vaandel is ingedeeld, wordt bovendien met het vaandel gegroet;
bij vertrek van Z.M. de Koning en telkens wanneer hij zijn verblijfplaats verlaat, worden de volgende eerbewijzen gegeven:
1º. de erewacht brengt de eregroet waarbij het geweer wordt gepresenteerd, met dien verstande dat alle officieren de eregroet brengen op de wijze zoals voorgeschreven voor een militair afzonderlijk;
2º. de muziek speelt de parademars;
3º. indien bij de erewacht een vaandel is ingedeeld, wordt bovendien met het vaandel gegroet; nadat Z.M. de Koning de erewacht heeft geïnspecteerd of is voorbijgegaan, wordt deze op parade - rust gesteld; de erewacht rukt in, nadat zij door de adjudant van Z.M. de Koning is bedankt.

  1. In het Caraïbisch deel van het Koninkrijk:
    In het Caraïbisch deel van het Koninkrijk wordt Z.M. de Koning per plechtigheid slechts één van de eerbewijzen, genoemd in onderdeel c (elders aan wal) gebracht.

  2. In en door sloepen:
    Wanneer Z.M. de Koning een sloep voorbijgaat (of een sloep Z.M. de Koning voorbijgaat), in een sloep komt of een sloep verlaat, brengt de bemanning van die sloep de eregroet. Een sloep waarin Z.M. de Koning is gezeten, wordt gestuurd door een officier met de rang van luitenant ter zee der eerste 1e klasse of der 2e klasse oudste categorie. Wanneer Z.M. de Koning aan boord zal komen, wordt in die sloep het staatsiekleed gespreid.

  3. Door eenheden:
    1º. zie hoofdstuk 7, § 7, onderdeel b;
    2º. wanneer Z.M. de Koning een eenheid voorbijgaat (of omgekeerd), brengt die eenheid de eregroet, met dien verstande dat, indien bij de eenheid officieren zijn ingedeeld, zij daarbij handelen zoals de commandant van de eenheid; indien de eenheid stilstaat en gewapend is met het geweer, wordt het geweer gepresenteerd; indien muziek aanwezig is, speelt die gedurende het voorbijgaan de parademars; indien bij de eenheid een vaandel is ingedeeld, wordt bovendien met het vaandel gegroet.

  4. Door militairen afzonderlijk:
    Zie hoofdstuk 7, § 7, onderdeel a. 

10. Eerbewijzen aan leden van het Koninklijk Huis

  1. Aan leden van het Koninklijk Huis worden de eerbewijzen gebracht zoals vermeld in § 9 en met in achtneming van het gestelde in § 8, onderdeel b, met dien verstande dat:
    1º. het saluut voor een lid van het Koninklijk Huis uit 21 schoten bestaat;
    2º. als valreepsgasten voor een lid van het Koninklijk Huis vier officieren met de rang van luitenant ter zee der tweede 2e klasse of luitenant ter zee der 3e klasse fungeren.

  2. Er wordt niet gepavoiseerd of geparadeerd, noch wordt er een saluut gegeven, zolang Z.M. de Koning aan boord van een der aanwezige oorlogsschepen is.

  3. Door of namens Z.M. de Koning kan worden bepaald dat de eerbewijzen, bedoeld in de vorige onderdelen, niet of in vereenvoudigde vorm moeten worden gegeven, waartoe telkens de nodige richtlijnen namens hem zullen worden verstrekt. 

11. Eerbewijzen aan de gouverneurs van Curaçao, Aruba en Sint Maarten

  1. Aan de gouverneurs van Curaçao, Aruba en Sint Maarten worden bij hun installatie en bij officiële inspectiebezoeken de eerbewijzen gebracht, genoemd in § 9 en § 8, onderdeel b, met dien verstande dat:
    1º. het saluut uit 21 schoten bestaat;
    2º. als valreepsgasten vier onderofficieren, zo mogelijk met dezelfde rang, fungeren;
    3º. een sloep waarin zij zijn gezeten, wordt gestuurd door een onderofficier.

  2. Er wordt niet gepavoiseerd of geparadeerd, noch wordt er een saluut gegeven, zolang Z.M. de Koning of een lid van het Koninklijk Huis aan boord van een der aanwezige oorlogsschepen is. 

12. Eerbewijzen aan het staatshoofd en aan een lid van het regerende vorstenhuis van een bevriende soevereine staat

  1. Aan het staatshoofd en aan een lid van het regerende vorstenhuis van een bevriende soevereine staat worden de eerbewijzen gebracht, genoemd in § 9, met inachtneming van het gestelde in § 8, onderdeel b, met dien verstande dat:
    1º. in plaats van de persoonlijke onderscheidingsvlag of de bij wijze van onderscheidingsvlag te gebruiken betrokken buitenlandse natievlag wordt gevoerd;
    2º. voor het staatshoofd het volkslied van de betrokken staat wordt gespeeld, gevolgd door het Wilhelmus, en evenzo voor een lid van het regerende vorstenhuis, indien dat door of namens Z.M. de Koning uitdrukkelijk is bepaald;
    3º. het saluut uit 21 schoten bestaat, terwijl gedurende dat saluut de betrokken buitenlandse natievlag van de top van de voormast waait;
    4º. als valreepsgasten vier officieren met de rang van luitenant ter zee der tweede klasse of luitenant ter zee der derde klasse fungeren;
    5º. de parademars niet wordt gespeeld;
    6º. de muziek toegevoegd aan de opgestelde erewacht, bij zijn vertrek en telkens wanneer hij zijn verblijfplaats verlaat, het volkslied van zijn natie speelt; voor de samenstelling van die erewacht geldt niet het vereiste, dat daarvoor in de eerste plaats Ridders der Militaire Willemsorde of dragers van andere dapperheidsonderscheidingen moeten worden aangewezen.

  2. Tenzij een staatshoofd of een lid van een regerend vorstenhuis van een bevriende soevereine staat anders verlangt, ontvangt hij de eerbewijzen die hem als zodanig toekomen en niet die welke zijn verbonden aan zijn militaire rang of functie.

  3. Er wordt niet gepavoiseerd of geparadeerd, noch wordt er een saluut gegeven, zolang Z.M. de Koning, een lid van het Koninklijk Huis dan wel de gouverneur van Curaçao, Aruba of Sint Maarten aan boord van een der aanwezige oorlogsschepen is. 

13. Eerbewijzen aan de minister en aan de staatssecretaris

Aan de minister en aan de staatssecretaris worden de eerbewijzen gebracht, genoemd in deze §, met dien verstande dat in het Caraïbisch deel van het Koninkrijk hun per plechtigheid slechts één eerbewijs wordt gebracht.

  1. Aan boord van oorlogsschepen:
    1º. bij voorbijgaan:
    wanneer de minister of de staatssecretaris een oorlogsschip voorbijgaat of een oorlogsschip een van de genoemde autoriteiten voorbijgaat, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven;
    (b) de gewapende wacht, gecommandeerd door een officier, komt in het geweer; op het signaal stil neemt de gewapende wacht het geweer in den arm;
    (c) de tamboers slaan vier ereroffels; indien geen ereroffels kunnen worden gegeven, wordt viermaal het signaal geeft acht geblazen;
    2º. bij aan boord komen:
    wanneer de minister of de staatssecretaris aan boord komt, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij de bemanning staat opgesteld als bij grote parade; de bemanning maakt, voorzover zij is geplaatst aan de andere zijde dan die waar de staatsietrap of valreep ligt, front naar de midscheeps; voorzover zij is geplaatst aan dezelfde zijde als die waar de staatsietrap of valreep ligt, maakt zij front naar buitenboord totdat de minister of de staatssecretaris het bovenste bordes van de staatsietrap heeft betreden of het einde van de valreep heeft bereikt, en daarna eveneens naar de midscheeps; het signaal doorgaan wordt pas gegeven na het eerbewijs mars van de heer Van der Duyn;
    (b) de gewapende wacht, gecommandeerd door een officier, komt in het geweer; op het signaal stil neemt de gewapende wacht het geweer in den arm; aan die gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (c) zodra de minister of staatssecretaris de staatsietrap of de valreep betreedt, wordt diens onderscheidingsvlag aan de top van de voormast gehesen;
    (d) het eerbewijs valreepsgasten wordt gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de minister of de staatssecretaris worden overgefloten met de bootsmansfluit;
    (e) aan de valreep wordt de minister of de staatssecretaris ontvangen door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier en, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het verband;
    (f) de tamboers slaan vier ereroffels; indien geen ereroffels kunnen worden gegeven, wordt viermaal het signaal geeft acht geblazen;
    (g) vervolgens speelt de muziek de eerste acht maten van de parademars;
    (h) daarop vraagt de commandant de minister of de staatssecretaris of hij de gewapende wacht wenst te inspecteren; indien hij daartoe de wens te kennen geeft, geeft de commandant aan de commandant van de gewapende wacht opdracht zich te melden; terwijl de minister of de staatssecretaris de gewapende wacht inspecteert, speelt de muziek het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn;
    3º. bij van boord gaan:
    wanneer de minister of staatssecretaris van boord gaat, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij de bemanning staat opgesteld als bij grote parade; de bemanning maakt, voorzover zij is geplaatst aan de andere zijde dan die waar de staatsietrap of valreep ligt, front naar de midscheeps; voorzover zij is geplaatst aan dezelfde zijde als die waar de staatsietrap of valreep ligt, maakt zij eveneens front naar de midscheeps totdat de minister of de staatssecretaris het bovenste bordes van de staatsietrap of valreep heeft betreden en daarna naar buitenboord; het signaal doorgaan wordt pas gegeven na het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn;
    (b) de gewapende wacht, gecommandeerd door een officier, komt in het geweer; op het signaal stil neemt zij het geweer in den arm; aan die gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (c) de minister of de staatssecretaris wordt tot aan de valreep uitgeleid door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier en, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het verband;
    (d) de tamboers slaan vier ereroffels. Indien geen ereroffels kunnen worden gegeven, wordt viermaal het signaal geeft acht geblazen;
    (e) de muziek speelt de eerste acht maten van de parademars;
    (f) het eerbewijs valreepsgasten wordt gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de minister of de staatssecretaris worden overgefloten met de bootsmansfluit;
    (g) zodra de minister of de staatssecretaris de staatsietrap of valreep af is, wordt de onderscheidingsvlag neergehaald;
    (h) het oorlogsschip geeft tenslotte een saluut van 19 schoten; gedurende dat saluut waait van de top van de voormast de koninkrijksvlag; geen saluut wordt echter gegeven, indien Z.M. de Koning, een lid van het Koninklijk Huis dan wel de gouverneur van Curacao, Aruba of Sint Maarten aan boord van een der aanwezige oorlogsschepen is;
    4º. bij aan dek of in een afgesloten ruimte komen tijdens verblijf aan boord:
    wanneer de minister of staatssecretaris tijdens een verblijf aan boord, aan dek of in een afgesloten ruimte komt, wordt de zijde van het dek of de ruimte waar hij vertoeft zo mogelijk open en vrij gehouden.

  2. Bij inrichtingen der zeemacht:
    Bij inrichtingen der zeemacht worden de minister of staatssecretaris overeenkomstige eerbewijzen gebracht als aan boord van oorlogsschepen, met dien verstande dat:
    1º. het eerbewijs valreepsgasten niet wordt gegeven;
    2º. geen onderscheidingsvlag wordt gevoerd;
    3º. geen saluut wordt gegeven.

  3. In en door sloepen:
    Wanneer de minister of staatssecretaris een sloep voorbijgaat (of een sloep een van die autoriteiten), in een sloep komt of een sloep verlaat, maakt de bemanning van die sloep front. Wanneer de minister of staatssecretaris aan boord zal komen, wordt in die sloep het staatsiekleed gespreid.

  4. Door eenheden:
    Wanneer de minister of staatssecretaris een eenheid voorbijgaat, of een eenheid een van die autoriteiten, maakt die eenheid front waarbij, indien de eenheid stilstaat en gewapend is met het geweer, het geweer in den arm wordt genomen.

  5. Door militairen afzonderlijk:
    Voor het brengen van de groet door een individuele militair der zeemacht aan de minister of staatssecretaris geldt het gestelde in § 8, onderdeel g. Schildwachten met een normale beveiligingstaak bij een schip brengen het eerbewijs in den arm geweer. Tussen zonsondergang en zonsopkomst brengen deze laatste echter geen eerbewijzen. 

14. Eerbewijzen aan de CDS en aan de IGK

  1. De CDS en de IGK ontvangen dezelfde eerbewijzen als gebracht aan een militair der zeemacht, niet belast met een commando of met een bijzondere opdracht, met wie zij in de rang zijn gelijkgesteld.

  2. Een aangekondigd bezoek draagt in beginsel het karakter van een werkbezoek.

  3. Van toepassing is het gestelde in § 15, onderdeel a, onder 1º, (c); onder 2º, (b) en onder 3º, (c). 

15. Eerbewijzen aan vlagofficieren

Aan vlagofficieren worden onderstaande eerbewijzen gebracht. Zie echter ook het bepaalde in § 8, onderdeel b.

  1. Aan boord van oorlogsschepen:
    1º. bij voorbijgaan:
    (a) wanneer een vlagofficier, belast met een bevel, een schip voorbijgaat (of een schip een zodanige vlagofficier), worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning;
    (2) indien de vlagofficier gewapend is met de sabel, komt de gewapende wacht in het geweer, gecommandeerd door een officier; op het signaal stil neemt de bemanning het geweer in den arm;
    (3) de tamboers slaan voor een vlagofficier met de rang van luitenant-admiraal 1 vier, voor een vlagofficier met de rang van vice-admiraal drie, voor een vlagofficier met de rang van schout-bij-nacht twee ereroffels en voor een vlagofficier met de rang van commandeur één ereroffel; indien geen ereroffels kunnen worden gegeven, wordt hetzelfde aantal malen het signaal geeft acht geblazen;
    (b) wanneer een vlagofficier, belast met een bijzondere opdracht, een schip voorbijgaat, dat bij die opdracht is betrokken (of een zodanig schip een zodanige vlagofficier), worden hem de eerbewijzen gebracht, genoemd onder (a), (1) hiervoor; van een schip dat niet bij de opdracht is betrokken, ontvangt hij de eerbewijzen, genoemd onder (c);
    (c) wanneer een vlagofficier, niet belast met een commando of met een bijzondere opdracht, een schip voorbijgaat (of een schip een zodanige vlagofficier), worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning;
    (2) op de hoorn wordt het aantal malen geeft acht geblazen zoals vermeld in onderdeel 1º, (a), onder (3);
    2º. bij aan boord komen:
    (a) wanneer een vlagofficier, belast met een commando, aan boord komt van een schip, of wanneer een vlagofficier, belast met een bijzondere opdracht, aan boord komt van een schip dat bij die opdracht is betrokken, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij de bemanning staat opgesteld als bij de grote parade, indien de vlagofficier voor een inspectie aan boord komt; in het laatste geval maakt de bemanning, voor zover zij is geplaatst aan de andere zijde dan die waar de staatsietrap of valreep ligt, front naar de midscheeps; voor zover de bemanning is geplaatst aan dezelfde zijde als die waar de staatsietrap of valreep ligt, maakt de bemanning front naar buitenboord, totdat de vlagofficier het bovenste bordes van de staatsietrap of het einde van de valreep heeft bereikt, en daarna eveneens naar de midscheeps; het signaal doorgaan wordt pas gegeven na het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn;
    (2) indien de vlagofficier gewapend is met de sabel, komt de gewapende wacht in het geweer, gecommandeerd door een officier; op het signaal stil neemt zij het geweer in den arm; aan die gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (3) zodra de vlagofficier de staatsietrap of valreep betreedt, wordt zo nodig zijn commandovlag dan wel zijn onderscheidingsvlag aan de top van de voormast gehesen;
    (4) indien de vlagofficier gewapend is met de sabel, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de vlagofficier wordt overgefloten met de bootsmansfluit; indien de vlagofficier niet gewapend is met de sabel, wordt het eerbewijs valreepsgasten alleen gegeven wanneer er op grond van enige bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn;
    (5) aan de valreep wordt de vlagofficier ontvangen door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier en, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het verband, tenzij de vlagofficier van lagere rang is dan de commandant van het verband; in dat geval wordt hij alleen ontvangen door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier;
    (6) de tamboers slaan het aantal ereroffels, aangegeven onder 1º, (a), (3); indien geen ereroffels kunnen worden gegeven, wordt hetzelfde aantal malen het signaal geeft acht geblazen;
    (7) de muziek speelt de eerste acht maten van de parademars;
    (8) indien er ingevolge hetgeen is bepaald onder (b) een gewapende wacht aanwezig is, vraagt de commandant aan de vlagofficier of hij de wacht wenst te inspecteren; indien deze daartoe de wens te kennen geeft, geeft de commandant de commandant van de wacht opdracht zich te melden; terwijl de vlagofficier de gewapende wacht inspecteert, speelt de muziek het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn;
    (b) wanneer een vlagofficier, belast met een bijzondere opdracht, aan boord komt van een schip dat niet is betrokken bij zijn opdracht, dan wel wanneer een vlagofficier als bedoeld onder 1º, (a), en (c), aan boord komt van een schip, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven;
    (2) wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten aanwezig zijn, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven;
    (3) als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de vlagofficier wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
    (4) op de hoorn wordt het aantal malen geeft acht geblazen, zoals aangegeven onder 1º, (a), (3);
    (5) aan de valreep wordt de vlagofficier ontvangen door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier en, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het verband, tenzij de vlagofficier een lagere rang bekleedt dan de commandant van het verband; in dat geval wordt hij alleen ontvangen door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier;
    3º. bij van boord gaan:
    (a) wanneer een vlagofficier, belast met een bevel, van boord gaat van een schip, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij de bemanning staat opgesteld als bij grote parade, indien de vlagofficier voor een inspectie aan boord is gekomen; in het laatste geval maakt de bemanning, voor zover zij is geplaatst aan de andere zijde dan die waar de staatsietrap of valreep ligt, front naar de midscheeps; voor zover de bemanning is geplaatst aan dezelfde zijde als die waar de staatsietrap of valreep ligt, maakt zij front naar de midscheeps totdat de vlagofficier het bovenste bordes van de staatsietrap of valreep heeft bereikt, en daarna naar buitenboord; het signaal doorgaan wordt pas gegeven na het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn;
    (2) indien de vlagofficier gewapend is met de sabel, komt de gewapende wacht in het geweer, gecommandeerd door een officier; op het signaal stil neemt zij het geweer in den arm; aan die gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (3) tot aan de valreep wordt de vlagofficier uitgeleid door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier en, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het verband, tenzij de vlagofficier van lagere rang is dan de commandant van het verband, in dat geval wordt hij alleen uitgeleide gedaan door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier;
    (4) de tamboers slaan het aantal ereroffels zoals aangegeven onder 1º, (a), (3); indien geen ereroffels kunnen worden gegeven, wordt hetzelfde aantal malen het signaal geeft acht geblazen;
    (5) de muziek speelt de eerste acht maten van de parademars;
    (6) indien de vlagofficier gewapend is met de sabel, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de vlagofficier wordt overgefloten met de bootsmansfluit; indien de vlagofficier niet gewapend is met de sabel, wordt het eerbewijs valreepsgasten alleen gegeven, wanneer er op grond van enige andere bepalingen in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn;
    (7) zodra de vlagofficier de staatsietrap of valreep af is, wordt zo nodig zijn commandovlag neergehaald;
    (8) indien de vlagofficier gewapend is met de sabel, geeft het oorlogsschip, tenzij dat zijn eigen vlaggenschip is tenslotte een saluut van:
    17 schoten voor een vlagofficier met de rang van luitenant-admiraal;
    15 schoten voor een vlagofficier met de rang van vice-admiraal;
    13 schoten voor een vlagofficier met de rang van schout-bij-nacht;
    11 schoten voor een vlagofficier met de rang van commandeur;
    voor een zodanig saluut wordt geen vlag gehesen; geen saluut wordt gegeven, indien Z.M. de Koning, een lid van het Koninklijk Huis dan wel de gouverneur van Curaçao, Aruba of Sint Maarten aan boord van een der aanwezige oorlogsschepen is;
    (b) wanneer een vlagofficier, belast met een bijzondere opdracht, van boord gaat van een schip dat bij die opdracht is betrokken, worden hem de eerbewijzen, genoemd in onderdeel 3º, (a), onder (1) tot en met (7), gebracht;
    (c) wanneer een vlagofficier zoals bedoeld hiervoor onder (b) van boord gaat van een schip dat niet is betrokken bij zijn opdracht, dan wel wanneer een vlagofficier als bedoeld onder 1º, (a), en (c) van boord gaat van een schip, worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het bewijs stilstaan der bemanning;
    (2) tot aan de valreep wordt de vlagofficier uitgeleid door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier en, indien het schip behoort tot een verband en de commandant daarvan aan boord is, door de commandant van het verband tenzij de vlagofficier van lagere rang is dan de commandant van het verband, in welk geval hij wordt uitgeleid door de commandant van het schip en de eerste of oudste officier;
    (3) op de hoorn wordt het aantal malen het signaal geeft acht geblazen, aangegeven onder 1º, (a), (3);
    (4) wanneer er op grond van enige andere bepalingen in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de vlagofficier wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
    4º. bij aan dek of in een afgesloten ruimte komen tijdens verblijf aan boord:
    wanneer een vlagofficier tijdens een verblijf aan boord, aan dek of in een afgesloten ruimte komt, wordt de zijde van het dek of de ruimte waar hij vertoeft zo mogelijk open en vrij gehouden.

  2. Bij inrichtingen der zeemacht:
    Bij inrichtingen der zeemacht worden aan vlagofficieren overeenkomstige eerbewijzen gebracht als aan boord van oorlogsschepen, met dien verstande dat:
    1º. het eerbewijs valreepsgasten niet wordt gegeven;
    2º. geen commando- of onderscheidingsvlag wordt gehesen;
    3º. geen saluut wordt gegeven.

  3. In en door sloepen:
    Wanneer een vlagofficier een sloep voorbijgaat (of een sloep een vlagofficier), in een sloep komt of een sloep verlaat, brengt de bemanning van die sloep de groet, tenzij in de sloep een vlagofficier of een autoriteit van hogere rang of functie dan hijzelf is gezeten; de commandant van de sloep brengt evenwel de groet aan alle militaire meerderen die in de sloep komen of haar verlaten; bij bijzondere gelegenheden van militair-ceremoniële aard wordt, wanneer de vlagofficier aan boord zal komen, in de sloep het staatsiekleed gespreid.

  4. Door eenheden:
    Wanneer een vlagofficier een eenheid voorbijgaat (of een eenheid een vlagofficier), brengt die eenheid de groet waarbij, indien de eenheid stilstaat en gewapend is met het geweer, het geweer in den arm wordt genomen.

  5. Door militairen afzonderlijk:
    Voor het brengen van de groet aan een vlagofficier door een individuele militair der zeemacht, die een lagere rang heeft dan hij of die geen rang heeft, geldt § 8, onderdeel g; schildwachten met een normale beveiligingstaak bij een schip brengen het eerbewijs in den arm geweer; tussen zonsondergang en zonsopkomst brengen deze laatste echter geen eerbewijzen.

 

16. Eerbewijzen aan officieren der zeemacht met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang

  1. Aan officieren der zeemacht in de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang worden onderstaande eerbewijzen gebracht. Zie ook § 8, onderdeel b.

    Aan boord van schepen:
    1º. bij voorbijgaan:
    (a) wanneer een kapitein ter zee of eskadercommandant een schip onder zijn commando voorbijgaat (of een schip een zodanige officier onder wiens commando het staat), worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning;
    (2) indien hij gewapend is met de sabel, komt de gewapende wacht in het geweer, gecommandeerd door een onderofficier met de rang van sergeant-majoor of van sergeant; op het signaal stil neemt de gewapende wacht het geweer in den arm;
    (3) de tamboers slaan één ereroffel; indien geen ereroffel kan worden gegeven, wordt eenmaal het signaal geeft acht geblazen;
    (b) wanneer een officier met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang, niet vallende onder onderdeel a, onder 1º, (a), commandant van een schip of van een verband van schepen, het schip of een der schepen onder zijn commando voorbijgaat (of een schip een zodanig officier onder wiens commando het staat), wordt hem het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven;
    2º. bij aan boord komen:
    (a) wanneer een kapitein ter zee of eskadercommandant aan boord komt van een schip onder zijn bevel, worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning;
    (2) indien hij gewapend is met de sabel, komt de gewapende wacht in het geweer, gecommandeerd door een onderofficier met de rang van sergeant-majoor of van sergeant; op het signaal stil neemt zij het geweer in den arm; aan de gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (3) zodra hij de staatsietrap of de valreep betreedt, wordt zo nodig zijn standaard gehesen;
    (4) indien hij gewapend is met de sabel wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de officier wordt overgefloten met de bootsmansfluit; indien hij niet gewapend is met de sabel wordt het eerbewijs valreepsgasten alleen gegeven wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn;
    (5) aan de valreep wordt hij ontvangen door de commandant en de eerste of de oudste officier;
    (6) de tamboers slaan één roffel; indien geen roffel kan worden gegeven, wordt eenmaal het signaal geeft acht geblazen;
    (7) de muziek speelt de eerste acht maten van de parademars;
    (8) indien er ingevolge hetgeen is bepaald onder (2), een gewapende wacht aanwezig is, vraagt de commandant of hij de wacht wenst te inspecteren; indien hij daartoe de wens te kennen geeft, geeft de commandant aan de commandant van de gewapende wacht opdracht zich te melden; terwijl hij de gewapende wacht inspecteert, speelt de muziek het eerbewijs Mars van de heer Van der Duyn;
    (b) wanneer een officier met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang, niet vallende onder onderdeel a, 2º, onder (a), commandant van een schip of van een verband van schepen, aan boord komt van het schip of van een der schepen onder zijn bevel, worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning;
    (2) wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de officier wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
    (3) aan de valreep wordt hij ontvangen door de eerste of de oudste officier en de officier van de wacht, dan wel, wanneer hij de commandant is van een verband van schepen, door de commandant en de eerste of de oudste officier;
    (c) wanneer een officier der zeemacht met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang aan boord komt van een schip dat niet onder zijn commando staat, worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) tenzij hij een lagere rang bekleedt dan de commandant wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven;
    (2) wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren voor een kapitein ter zee of een kapitein-luitenant ter zee vier schepelingen zonder rang en voor een andere officier twee schepelingen zonder rang; de officier wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
    (3) indien hij een hogere rang bekleedt dan wel gelijk in rang is aan de commandant, wordt hij aan de valreep ontvangen door de commandant en de eerste of de oudste officier; in alle andere gevallen wordt hij aan de valreep ontvangen:
    (i) indien hij de rang van kapitein-luitenant ter zee bekleedt: door de eerste of de oudste officier en de officier van de wacht;
    (ii) indien hij geen kapitein-luitenant ter zee is, maar een hogere rang bekleedt dan of gelijk in rang is aan de officier van de wacht door de officier van de wacht en de onderofficier van de wacht;
    (iii) indien hij een lagere rang bekleedt dan de officier van de wacht door de onderofficier van de wacht;
    3º. bij van boord gaan:
    (a) wanneer een kapitein ter zee of eskadercommandant van boord gaat van een schip onder zijn commando, worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning;
    (2) indien hij gewapend is met de sabel, komt de gewapende wacht in het geweer, gecommandeerd door een onderofficier met de rang van sergeant-majoor of van sergeant; op het signaal stil neemt zij het geweer in den arm; aan die gewapende wacht is zo mogelijk een muziekkorps toegevoegd;
    (3) tot aan de valreep wordt hem uitgeleide gedaan door de commandant en de eerste of de oudste officier;
    (4) de tamboers slaan één ereroffel; indien geen ereroffel kan worden gegeven, wordt éénmaal het signaal geeft acht geblazen;
    (5) de muziek speelt de eerste acht maten van de parademars;
    (6) indien hij gewapend is met de sabel, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de officier wordt overgefloten met de bootsmansfluit; indien hij niet gewapend is met de sabel, wordt het eerbewijs valreepsgasten alleen gegeven, wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn;
    (7) zodra hij de staatsietrap of de valreep af is, wordt zo nodig zijn standaard neergehaald;
    (8) indien hij gewapend is met de sabel, geeft het oorlogsschip, tenzij dat zijn eigen vlaggenschip is, tenslotte een saluut van 11 schoten; voor dat saluut wordt geen vlag gehesen; geen saluut wordt gegeven, indien Z.M. de Koning, een lid van het Koninklijk Huis, dan wel de gouverneur van Curaçao, Aruba of Sint Maarten aan boord van een der aanwezige oorlogsschepen is;
    (b) wanneer een officier met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang niet behorend tot de categorie bedoeld in onderdeel a, onder 3º, (a), commandant van een schip of van een verband van schepen, van boord gaat van het schip of van een der schepen onder zijn commando, worden hem de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) het eerbewijs stilstaan der bemanning;
    (2) tot aan de valreep wordt hem uitgeleide gedaan door de eerste officier of de oudste officier en de officier van de wacht dan wel, wanneer hij commandant is van een verband van schepen, door de commandant en de eerste of de oudste officier;
    (3) wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren vier schepelingen zonder rang; de officier wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
    (c) wanneer een officier met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang van boord gaat van een schip dat niet onder zijn commando staat, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (1) tenzij hij een lagere rang bekleedt dan de commandant, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven;
    (2) indien hij een hogere rang bekleedt dan of gelijk in rang is aan de commandant, wordt hem tot aan de valreep uitgeleide gedaan door de commandant en de eerste officier of de oudste officier; in alle andere gevallen wordt hem tot aan de valreep uitgeleide gedaan:
    (i) indien hij de rang van kapitein-luitenant ter zee bekleedt, door de eerste of de oudste officier en de officier van de wacht;
    (ii) indien hij geen kapitein-luitenant ter zee is maar een hogere rang bekleedt dan of gelijk in rang is aan de officier van de wacht, door de officier van de wacht en de onderofficier van de wacht;
    (iii) indien hij een lagere rang bekleedt dan de officier van de wacht, door de onderofficier van de wacht;
    (3) wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn, wordt het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren voor een kapitein ter zee of een kapitein-luitenant ter zee vier schepelingen zonder rang en voor een andere officier twee schepelingen zonder rang; de officier wordt overgefloten met de bootsmansfluit;
    4º. bij aan dek of in een afgesloten ruimte komen tijdens verblijf aan boord:
    wanneer een officier in de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang, dan wel commandant van een verband van schepen of commandant van een schip tijdens een verblijf aan boord van een (het) schip onder zijn commando, aan dek of in een afgesloten ruimte komt, wordt de zijde van het dek of de ruimte waar hij vertoeft zo mogelijk open en vrij gehouden.

  2. Bij inrichtingen der zeemacht:
    Bij inrichtingen der zeemacht worden aan de officieren in de rang van kapitein ter zee of een lagere rang overeenkomstige eerbewijzen gebracht als aan boord van oorlogsschepen, met dien verstande dat:
    1º. het eerbewijs valreepsgasten niet wordt gegeven;
    2º. de standaard niet wordt gehesen;
    3º. geen saluut wordt gegeven;
    4º. met inachtneming van het voorgaande een kolonel, commandant van een marinierseenheid, bij een inrichting der zeemacht onder zijn commando dezelfde eerbewijzen ontvangt als een kapitein ter zee, eskadercommandant, ontvangt van een schip onder zijn commando.

  3. In en door sloepen:
    1º. wanneer een officier in de rang van kapitein ter zee of een lagere rang, CZMCARIB, een commandant van een verband van schepen, een commandant van een marinierseenheid of commandant van een schip of van een inrichting der zeemacht een sloep voorbijgaat (of een sloep een zodanige officier), in een sloep komt of een sloep verlaat, terwijl die sloep behoort tot een (het) schip of een (de) inrichting onder zijn bevel, brengt de bemanning van die sloep de groet, tenzij daarin een officier of een autoriteit van hogere rang of functie dan de betrokkene is gezeten; de commandant van de sloep brengt evenwel de groet aan alle militaire meerderen die in de sloep komen of haar verlaten; bij bijzondere gelegenheden van militair-ceremoniële aard wordt, wanneer de officier aan boord zal komen, in de sloep het staatsiekleed gespreid;
    2º. wanneer een officier in de rang van kapitein ter zee of een lagere rang een sloep voorbijgaat (of een sloep een zodanige officier), in een sloep komt of een sloep verlaat, terwijl die sloep niet behoort tot een schip of een inrichting onder zijn bevel, brengt de bemanning van die sloep de groet, tenzij in die sloep een officier of een autoriteit van hogere rang of functie dan de betrokkene is gezeten; de commandant van de sloep brengt evenwel de groet aan alle militaire meerderen die in de sloep komen of haar verlaten; bij bijzondere gelegenheden van militair-ceremoniële aard wordt, wanneer een officier met de rang van kapitein-luitenant ter zee of met een hogere rang aan boord zal komen, in de sloep het staatsiekleed gespreid; hetzelfde is het geval bij aan boord komen van een officier van de wacht, gewapend met de sabel.

  4. Door eenheden:
    1º. wanneer een officier in de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang een eenheid voorbijgaat (of een eenheid een zodanige officier), waarvan de commandant onder zijn commando staat, brengt die eenheid de groet waarbij, indien de eenheid stilstaat en gewapend is met het geweer, het geweer in over geweer wordt genomen; indien het eerbewijs echter een kapitein ter zee, eskadercommandant, CZMCARIB of een kolonel, commandant van een marinierseenheid, geldt, wordt het geweer in den arm genomen; van een oefenende of rustende eenheid brengt evenwel slechts de commandant de groet waarna hij zich, zodra hem daartoe gelegenheid wordt geboden, meldt bij de betrokken officier;
    2º. wanneer een officier in de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang een eenheid voorbijgaat (of een eenheid een zodanige officier), waarvan de commandant niet onder zijn commando staat, brengt die eenheid de groet tenzij de commandant een hogere rang bekleedt dan die officier;

  5. Door militairen afzonderlijk:
    Voor het brengen van de groet aan een officier in de rang van kapitein ter zee of in een lagere rang door een individuele militair der zeemacht die een lagere rang heeft dan hij of die geen rang heeft, geldt § 8, onderdeel g; schildwachten met een normale beveiligingstaak bij een schip brengen de groet in over geweer; indien het eerbewijs evenwel een kapitein ter zee, eskadercommandant, of een kolonel, commandant der mariniers, geldt, nemen zij het geweer in den arm; tussen zonsondergang en zonsopkomst brengen schildwachten echter geen eerbewijzen, behalve voor een officier die is belast met het maken van een ronde. 

17. Eerbewijzen aan onderofficieren der zeemacht

Aan onderofficieren der zeemacht worden onderstaande eerbewijzen gebracht. Zie ook het gestelde in § 8, onderdeel b.

  1. Aan boord van oorlogsschepen:
    1º. wanneer een onderofficier aan boord komt van een schip worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) indien de onderofficier de rang van adjudant-onderofficier bekleedt en is gewapend met de sabel wordt, wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn, het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren twee schepelingen zonder rang; de onderofficier wordt niet overgefloten;
    (b) indien de onderofficier de rang van sergeant of een hogere rang bekleedt, wordt hij ontvangen door de onderofficier van de wacht mits hij een hogere rang bekleedt dan deze laatste;
    2º. wanneer een onderofficier van boord gaat van een schip worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) indien de onderofficier de rang van adjudant-onderofficier bekleedt en is gewapend met de sabel wordt, wanneer er op grond van enige andere bepaling in dit hoofdstuk valreepsgasten bij de hand zijn, het eerbewijs valreepsgasten gegeven; als valreepsgasten fungeren twee schepelingen zonder rang; de onderofficier wordt niet overgefloten;
    (b) indien de onderofficier de rang van sergeant of een hogere rang bekleedt, wordt hij tot aan de valreep uitgeleid door de onderofficier van de wacht mits hij een hogere rang bekleedt dan deze laatste.

  2. Bij inrichtingen der zeemacht:
    Bij inrichtingen der zeemacht worden aan onderofficieren der zeemacht overeenkomstige eerbewijzen gebracht als aan boord van oorlogsschepen, met dien verstande dat het eerbewijs valreepsgasten niet wordt gegeven.

  3. In en door sloepen:
    Wanneer een onderofficier een sloep voorbijgaat (of een sloep een onderofficier), in een sloep komt of een sloep verlaat, brengt de bemanning van die sloep de groet mits betrokkene een hogere rang bekleedt dan de commandant van de sloep. De commandant van de sloep brengt evenwel de groet aan alle militaire meerderen die in de sloep komen of haar verlaten.

  4. Door eenheden:
    Wanneer een onderofficier een eenheid voorbijgaat (of een eenheid een onderofficier), brengt die eenheid de groet mits de onderofficier een hogere rang bekleedt dan de commandant van de eenheid.

  5. Door militairen afzonderlijk:
    Voor het brengen van de groet aan een onderofficier door een individuele militair der zeemacht die een lagere rang heeft dan hij, of die geen rang heeft, geldt het gestelde in § 8, onderdeel g. Schildwachten met een normale beveiligingstaak bij een schip brengen aan onderofficieren met de rang van sergeant of hoger, alsmede aan korporaals die boven hen zijn gesteld als wachtcommandanten als korporaal van aflossing, de groet, waarbij zij het geweer bij de voet nemen. Voor de toepassing van het laatste worden manschappen die boven een schildwacht zijn gesteld als wachtcommandant of korporaal van aflossing mede als korporaal aangemerkt. Tussen zonsondergang en zonsopkomst brengen schildwachten geen eerbewijzen, behalve voor de onderofficier, belast met het maken van een ronde. 

18. Eerbewijzen aan militairen, Ridders der Militaire Willemsorde

  1. Onverminderd de eerbewijzen die hij ontvangt krachtens zijn rang en eventueel zijn functie, geldt voor het brengen van de groet aan een militair, Ridder der Militaire Willemsorde die het ordeteken van modelformaat zichtbaar draagt, voor zijn rang- en standgenoten die dat ordeteken niet of niet zichtbaar dragen, § 8, onderdeel g.

  2. Schildwachten met een normale beveiligingstaak bij een schip, brengen voor een schepeling, Ridder der Militaire Willemsorde die het ordeteken van modelformaat zichtbaar draagt de groet, waarbij zij het geweer in in den arm geweer nemen. Tussen zonsondergang en zonsopkomst brengen zij echter geen eerbewijzen. 

19. Eerbewijzen aan militairen van de KL, de KLu en de KMar

Aan een militair van de KL, de KLu en de KMar worden dezelfde eerbewijzen gebracht als aan een militair der zeemacht, niet belast met een commando of met een bijzondere opdracht met wie hij in rang is gelijkgesteld, met dien verstande, dat geen onderscheidingsvlag wordt gevoerd en dat de groet niet behoeft te worden gebracht aan militairen beneden de rang van sergeant. 

20. Eerbewijzen aan andere burgerautoriteiten van het koninkrijk dan bedoeld in § 11 en § 13

  1. Een minister, lid van de raad van ministers van het koninkrijk, een minister, lid van de raad van ministers van een rijksdeel, en een staatssecretaris van een departement van algemeen bestuur, ontvangen dezelfde eerbewijzen als de Minister van Defensie, met dien verstande dat de gewapende wacht niet in het geweer komt en voorts geen saluut wordt gegeven en geen onderscheidingsvlag wordt gevoerd.

  2. Een buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur ontvangt in zijn ambtsgebied dezelfde eerbewijzen als een luitenant-admiraal, met dien verstande dat:
    1º. hem bij het aan boord komen en van boord gaan van een oorlogsschip de eerbewijzen worden gebracht, vastgesteld voor een luitenant-admiraal, die, belast met een commando en gewapend met de sabel, een schip onder zijn commando bezoekt of verlaat; er wordt geen commando- of onderscheidingsvlag gevoerd;
    2º. gedurende een saluut voor een zodanige autoriteit de koninkrijksvlag aan de top van de voormast wordt gevoerd.

  3. Een buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister ontvangt in zijn ambtsgebied dezelfde eerbewijzen als een vice-admiraal, met dien verstande dat:
    1º. hem bij het voorbijgaan, aan boord komen en van boord gaan van een oorlogsschip de eerbewijzen worden gebracht, vastgesteld voor een vice-admiraal, die, belast met een commando en gewapend met de sabel, een schip onder zijn commando voorbijgaat, bezoekt of verlaat; er wordt geen commando- of onderscheidingsvlag gevoerd;
    2º. gedurende een saluut voor een zodanige autoriteit de koninkrijksvlag aan de top van de voormast wordt gevoerd.

  4. Een gevolmachtigd minister ontvangt in zijn ambtsgebied dezelfde eerbewijzen als een schout-bij-nacht, met dien verstande dat:
    1º. hem bij het voorbijgaan, aan boord komen en van boord gaan van een oorlogsschip de eerbewijzen worden gebracht, vastgesteld voor een schout-bij-nacht die, belast met een commando en gewapend met de sabel, een schip onder zijn commando voorbijgaat, bezoekt of verlaat; er wordt geen commando- of onderscheidingsvlag gevoerd;
    2º. gedurende een saluut voor een zodanige autoriteit de koninkrijksvlag aan de top van de voormast wordt gevoerd.

  5. Een zaakgelastigde ontvangt in zijn ambtsgebied dezelfde eerbewijzen als een commandeur, met dien verstande dat:
    1º. hem bij het voorbijgaan, aan boord komen en van boord gaan van een oorlogsschip de eerbewijzen worden gebracht, vastgesteld voor een commandeur die, belast met een commando en gewapend met de sabel, een schip onder zijn commando voorbijgaat, bezoekt of verlaat; er wordt geen commando- of onderscheidingsvlag gevoerd;
    2º. gedurende een saluut voor een zodanige autoriteit de koninkrijksvlag aan de top van de voormast wordt gevoerd.

  6. Een consul-generaal ontvangt in zijn ambtsgebied dezelfde eerbewijzen als een kapitein ter zee, commandant van een schip, ontvangt van het oorlogsschip, een sloep, een eenheid of een militair afzonderlijk onder zijn commando, met dien verstande dat:
    1º. op de sloep geen wimpel wordt gevoerd;
    2º. hem bij het voorbijgaan, aan boord komen en van boord gaan van een oorlogsschip de eerbewijzen worden gebracht, vastgesteld voor een kapitein ter zee, commandant van een schip, die, gewapend met de sabel, dat schip voorbijgaat, aan boord daarvan komt of van boord daarvan gaat; er wordt geen standaard of onderscheidingsvlag gevoerd;
    3º. hem bij het van boord gaan een saluut van 9 schoten wordt gebracht; gedurende dat saluut wordt de koninkrijksvlag aan de top van de voormast gevoerd.

  7. Een consul ontvangt in zijn ambtsgebied dezelfde eerbewijzen als een kapitein-luitenant ter zee, commandant van een schip, ontvangt van het oorlogsschip, een sloep, een eenheid of een militair afzonderlijk onder zijn commando, met dien verstande dat op de sloep geen wimpel wordt gevoerd en dat hem bij het van boord gaan een saluut van 7 schoten wordt gebracht; gedurende dat saluut wordt de koninkrijksvlag aan de top van de voormast gevoerd.

  8. Een vice-consul ontvangt in zijn ambtsgebied dezelfde eerbewijzen als een consul, met dien verstande dat het saluut bij van boord gaan uit 5 schoten bestaat.

  9. Indien een der bovenbedoelde autoriteiten op doorreis aankomt bij of vertrekt van een marinevliegkamp, worden geen andere eerbewijzen dan de groet gegeven. 

21. Eerbewijzen aan buitenlandse militairen

  1. Aan een buitenlandse marinemilitair worden dezelfde eerbewijzen gebracht als aan de Nederlandse militair der zeemacht met wie hij in rang en functie is gelijkgesteld, met dien verstande dat, behalve in het geval bedoeld in hoofdstuk 4, § 7, onderdeel h, geen commandovlag, commandowimpel of standaard en evenmin een onderscheidingsvlag wordt gevoerd en dat gedurende een saluut voor een zodanige militair de betrokken buitenlandse natievlag aan de top van de voormast wordt gevoerd.

  2. Aan andere buitenlandse militairen worden dezelfde eerbewijzen gebracht als aan militairen van de KL, de KLu en de KMar. 

22. Eerbewijzen aan buitenlandse burgerautoriteiten

  1. Aan buitenlandse burgerautoriteiten worden dezelfde eerbewijzen gebracht als aan de Nederlandse burgerautoriteiten met wie zij in rang zijn gelijkgesteld, met dien verstande dat gedurende de eregroet voor een zodanige autoriteit de betrokken buitenlandse natievlag aan de top van de voormast wordt gevoerd.

  2. Zie overigens het bepaalde in hoofdstuk 10.  

23. Eerbewijzen aan vlaggen

  1. Algemeen:
    1º. van zonsondergang tot zonsopkomst worden geen andere eerbewijzen gebracht dan de eregroet en de groet;
    2º. met uitzondering van de eerbewijzen aan de koninkrijksvlag, worden de eerbewijzen, voorgeschreven in dit hoofdstuk, niet gebracht aan boord van een oorlogsschip dat in een haven ligt en de vlag port voert;
    3º. de eregroet wordt slechts gebracht door militairen der zeemacht, die in uniform zijn gekleed;
    4º. op zondagen en algemeen erkende christelijke feestdagen wordt geen saluut gegeven; zie § 30, onderdeel b, onder 2º;
    5º. het eerbewijs pavoiseren wordt bij stormweer niet gebracht;
    6º. bij het aankomen op een rede of in een haven in het buitenland of op een rede of in een haven waar buitenlandse oorlogsschepen liggen, alsmede bij het verlaten van een dergelijke rede of haven, kan de gewapende wacht in het geweer komen.

  2. Eerbewijzen aan de koninkrijksvlag:
    1º. aan boord van een oorlogsschip dat op een rede of in een haven ligt alsmede bij een inrichting der zeemacht, wordt op werkdagen om 09.00 uur en op zondagen en op dagen waarop de dienst is als op zondag om 09.30 uur de vlag gehesen op de wijze zoals hierna aangegeven onder (a) tot en met (h); indien er op een buitenlandse rede of in een buitenlandse haven evenwel oorlogsschepen in de nabijheid liggen, die behoren tot het land waar de rede of de haven ligt, wordt het tijdstip van het hijsen van de vlag aangepast aan de regels zoals vastgesteld voor die schepen:
    (a) bij het hijsen van de vlag zijn aanwezig de officier van de wacht, de chef der equipage of de hoofddienst en in principe twee  jongens bij de vlag; de eerste officier, muzikant of muziekkorps en gewapende wacht zijn alleen bij bijzondere gelegenheden aanwezig;
    (b) bij vlaggenparade laat de officier van de wacht tijdig voor het tijdstip van het hijsen van de vlag het signaal appèl voor de wachtparade geven, waarop de gewapende wacht en de muziek (indien ingedeeld) aantreden en de schepelingen die hiervoor zijn aangewezen, zich naar de vlaggenstok begeven om de vlag gereed te maken om te worden gehesen; daarop inspecteert hij de gewapende wacht en de muziek, met dien verstande evenwel dat, indien de muziek onder commando staat van een officier, het wordt geïnspecteerd door de eerste officier; indien de gewapende wacht niet zal aantreden, begeven zich de schepelingen die hiervoor zijn aangewezen op het signaal appèl voor de wachtparade op de hoorn of het signaal jongens bij de vlag op de bootsmansfluit naar de vlaggenstok en maken zij de vlag gereed om te worden gehesen;
    (c) twee minuten voor het tijdstip van het hijsen van de vlag laat de officier van de wacht het signaal gewapend appèl geven, waarop de commandant van de gewapende wacht die wacht het geweer in over geweer laat nemen of indien de ruimte dat niet toelaat, het geweer bij de voet laat nemen; de muziek neemt de houding aan; het signaal jongens bij de vlag wordt 5 minuten voor de vlaggenparade gegeven;
    (d) één minuut voor het tijdstip van het hijsen van de vlag laat de officier van de wacht het signaal stil geven of hij commandeert: STILTE AAN DEK, FRONT MAKEN NAAR DE VLAG; alle militairen die zich aan dek van het oorlogsschip of op het terrein van de inrichting der zeemacht dan wel in de omgeving van het schip of de inrichting bevinden, maken op dat signaal of die order front naar de vlag; de commandant van de gewapende wacht geeft, indien die wacht het geweer in over geweer heeft, het commando: ZET AF - GEWEER, daarna volgt het waarschuwingscommando: PRESENTEERT;
    (e) op het tijdstip van het hijsen van de vlag geeft de officier van de wacht het commando: VLAG - HIJSEN, waarna de commandant van de gewapende wacht terstond het uitvoeringscommando: GEWEER geeft; de gewapende wacht presenteert het geweer, de muziek speelt de vaandelmars en alle andere militairen, hiervoor bedoeld onder (d), met uitzondering van de muzikanten, brengen de eregroet; wanneer de vaandelmars niet kan worden gespeeld wordt het commando VLAG - HIJSEN gefloten; dat signaal wordt aangehouden zolang het hijsen van de vlag duurt; PRESENTEERT -  GEWEER wordt pas beëindigd na het einde van de muziek, bedoeld onder (f);
    (f) zodra de vlag is gehesen, speelt de muziek het Wilhelmus; indien er buitenlandse oorlogsschepen in de nabijheid liggen, worden daarna de verschillende buitenlandse volksliederen gespeeld in alfabetische volgorde van de Franse benaming der betrokken landen; zijn veel naties vertegenwoordigd, dan kan worden volstaan met het spelen van de volksliederen van de beide naties, waarvan oorlogsschepen het dichtst bij liggen; in het buitenland wordt na het Wilhelmus steeds eerst het volkslied gespeeld van de natie tot wiens gebied de rede of de haven behoort, eventueel gevolgd door andere volksliederen overeenkomstig het voorgaande;
    (g) na afloop van de muziek laat de officier van de wacht het aantal glazen slaan overeenkomende met de tijd en vervolgens het signaal doorgaan blazen of fluiten, waarop de militairen, bedoeld onder (d), doorgaan met hun werk en de gewapende wacht in over geweer of, indien de ruimte dat niet toelaat, het geweer bij de voet neemt; na het signaal doorgaan worden de "jongens" bij de vlag door de officier van de wacht bedankt;
    (h) vervolgens laat de officier van de wacht het signaal aftrap geven, waarop de gewapende wacht afmarcheert; daarna geeft hij de dirigent opdracht om te spelen; de dirigent laat de muziek de houding aannemen en een twee- of drietal marsen spelen; zodra de muziek is uitgespeeld, bedankt de officier van de wacht de dirigent waarna deze de muziek afmarcheert;
    (i) bij indienststelling van een oorlogsschip wordt de vlag eveneens gehesen op de wijze zoals hiervoor aangegeven onder (a) tot en met (h);
    2º. iedere militair die aan boord van een oorlogsschip over de valreep aan dek komt, brengt de eregroet, daarbij front makende naar de vlag;
    3º. de vlag wordt aan boord van een oorlogsschip, dat op een rede of in een haven ligt, alsmede bij een inrichting der zeemacht, neergehaald bij zonsondergang op de wijze zoals hieronder is aangegeven:
    (a) bij het neerhalen van de vlag zijn aanwezig de officier van de wacht, de chef der equipage of de hoofddienst en twee (één) jongen(s) bij de vlag; de muziek en de gewapende wacht zijn alleen bij bijzondere gelegenheden aanwezig; de officier van de wacht commandeert het neerhalen van de vlag;
    (b) de officier van de wacht laat tijdig tevoren het signaal appèl voor de wachtparade geven, waarop de gewapende wacht aantreedt en de schepelingen die hiervoor zijn aangewezen, zich naar de vlaggenstok begeven om de vlag gereed te maken om te worden neergehaald; indien de gewapende wacht niet zal aantreden, wordt het signaal jongens bij de vlag gefloten, waarop bedoelde schepelingen zich naar de vlag begeven;
    (c) indien de gewapende wacht aanwezig is, laat de officier van de wacht twee minuten voor het tijdstip van zonsondergang het signaal gewapend appèl geven, waarop de commandant van de gewapende wacht OVER - GEWEER commandeert of, indien de ruimte dat niet toelaat, het geweer bij de voet laat nemen;
    (d) één minuut voor het tijdstip van neerhalen van de vlag laat hij het signaal stil geven of hij commandeert: STILTE AAN DEK, FRONT MAKEN NAAR DE VLAG; alle militairen die zich aan dek van het oorlogsschip of op het terrein van de inrichting der zeemacht dan wel in de omgeving van het schip of de inrichting bevinden, maken op dat signaal of commando front naar de vlag; de commandant van de gewapende wacht geeft, indien die wacht het geweer in over geweer heeft, het commando: ZET AF - GEWEER; daarna volgt het waarschuwingscommando: PRESENTEERT;
    (e) op het tijdstip van neerhalen van de vlag geeft de officier van de wacht het commando: VLAG - NEERHALEN, waarna de commandant van de gewapende wacht terstond het uitvoeringscommando: GEWEER geeft; de gewapende wacht presenteert het geweer, de muziek speelt de vaandelmars en alle andere militairen, bedoeld onder (d), brengen de eregroet; indien de vaandelmars niet kan worden gespeeld, wordt vlag neerhalen gefloten; het signaal wordt aangehouden zolang het neerhalen van de vlag duurt; presenteert geweer wordt pas beëindigd na het einde van de muziek, bedoeld onder e;
    (f) nadat de vlag is neergehaald, laat de officier van de wacht het signaal doorgaan blazen of fluiten, waarop het front, gemaakt door de militairen der zeemacht zoals bedoeld onder (d), wordt beëindigd; op het signaal aftrap tenslotte marcheert de gewapende wacht af;
    (g) bij uit dienst stellen van een oorlogsschip wordt de vlag eveneens neergehaald op de wijze, hiervoor aangegeven onder (a) tot en met (f);
    4º. wanneer oorlogsschepen elkaar voorbijgaan wordt aan boord van beide schepen het eerbewijs stilstaan der bemanning gebracht, waarbij front wordt gemaakt naar de zijde waar zij elkaar voorbijgaan; de commandant die de laagste rang of, bij gelijke rang, de minste ouderdom in rang heeft, doet aan boord van zijn schip het eerbewijs het eerste beginnen en het laatste beëindigen; indien de gewapende wacht bijeen is, komt zij in het geweer; op het signaal stil, presenteert de gewapende wacht het geweer; indien muziek aanwezig is, speelt die het Wilhelmus; wanneer evenwel één der oorlogsschepen een reis van meer dan drie maanden is begonnen of een zodanige reis beëindigt, komen steeds de gewapende wachten van beide schepen in het geweer; aan boord van schepen die in zee langszij van elkaar komen, bijvoorbeeld om voorraden aan te vullen, wordt pas gehandeld als in dit onderdeel is aangegeven, wanneer die schepen weer van elkaar gaan; door schepen die in verband varen wordt aan andere schepen van het verband, ongeacht hoe vaak zij elkaar voorbijgaan, slechts eenmaal per (oefen)reis het eerbewijs stilstaan der bemanning gebracht;
    5º. wanneer een oorlogsschip een fort of dergelijke voorbijvaart waar de koninkrijksvlag waait, is het gestelde onder 4º, op overeenkomstige wijze van toepassing;
    6º. een oorlogsschip dat voor de eerste maal of na afwezigheid van ten minste een jaar aankomt te Willemstad, Philipsburg of te Oranjestad, geeft een saluut van 21 schoten aan de koninkrijksvlag; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; wanneer het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen vaart, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer presenteert.

  3. Eerbewijzen aan de vlaggen van Curaçao, Aruba of Sint Maarten:
    Indien bij ceremoniële gelegenheden elders dan aan boord van een schip of bij een inrichting der zeemacht op last van een bevoegde autoriteit eerbewijzen zullen worden gebracht aan de koninkrijksvlag bij het hijsen of neerhalen daarvan en aldaar ook de vlag van Curaçao, Aruba of Sint Maarten wordt gehesen of neergehaald, worden aan die vlag dezelfde eerbewijzen gebracht als aan de koninkrijksvlag, waarbij, indien van toepassing, het volkslied van Curaçao, Aruba of Sint Maarten in de plaats komt van het Wilhelmus.

  4. Eerbewijzen aan buitenlandse natievlaggen:
    1º. wanneer een buitenlands oorlogsschip een oorlogsschip voorbijgaat (of omgekeerd), worden aan boord van laatstgenoemd schip de volgende eerbewijzen gebracht:
    (a) het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar de zijde waar de schepen elkaar voorbijgaan;
    (b) de gewapende wacht komt in het geweer; zij stelt zich daarbij op aan de zijde waar de schepen elkaar voorbijgaan; op het signaal stil, presenteert de gewapende wacht het geweer; zo mogelijk is aan die wacht een muziekkorps toegevoegd;
    (c) de muziek speelt het volkslied van de betrokken buitenlandse natie;
    2º. wanneer een oorlogsschip een fort of dergelijke voorbijvaart waar een buitenlandse natievlag waait, is het hierboven gestelde eveneens van toepassing;
    3º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven in het buitenland aankomt, geeft het een saluut van 21 schoten aan de vlag van de natie waar die rede of haven ligt, mits evenwel de commandant er zeker van is, dat het saluut door een walbatterij of door een daar aanwezig oorlogsschip van die natie zal worden beantwoord; gedurende dat saluut waait de betrokken buitenlandse natievlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; wanneer het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen vaart, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer presenteert;
    4º. indien er geen zekerheid bestaat of het saluut zal worden beantwoord, wordt met het geven van het saluut gewacht tot die zekerheid is verkregen; is er geen saluut gegeven, omdat het niet kon worden beantwoord en wordt zulks naderhand mogelijk doordat er een of meer oorlogsschepen van de buitenlandse natie ter rede of in de haven aankomen, wordt, nadat de (oudste) commandanten dienaangaande overleg hebben gepleegd, het saluut alsnog gegeven;
    5º. bij herhaald bezoek aan de rede of haven in het buitenland wordt telkenmale het saluut aan de buitenlandse natievlag gegeven, tenzij bij het voorafgaande bezoek met de autoriteiten ter plaatse is overeengekomen het saluut bij de terugkomst achterwege te laten;
    6º. behalve in bijzondere gevallen wordt het saluut bedoeld in onderdeel d, onder 3º, niet gegeven door een oorlogsschip dat zonder te ankeren door de territoriale wateren van die natie vaart;
    7º. militairen, die zich bevinden in de omgeving van een buitenlands oorlogsschip of van een militaire inrichting waar de buitenlandse natievlag wordt gehesen of neergehaald, brengen de eregroet. 

24. Eerbewijzen aan onderscheidingsvlaggen

  1. Eerbewijzen aan de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis:
    1º. aan de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis worden in beginsel de eerbewijzen gebracht zoals in deze § is vermeld; Z.M. de Koning kan echter bepalen, dat die eerbewijzen niet of in vereenvoudigde vorm moeten worden gegeven, waartoe telkens de nodige richtlijnen namens hem zullen worden verstrekt;
    2º. wanneer een oorlogsschip in zee een schip ontmoet waarop de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis waait wordt, onverminderd het gestelde in § 23, onderdeel b, onder 4º, aan de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis een saluut gegeven zoals bepaald in hoofdstuk 7, § 11; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen is, wordt een algemeen saluut gegeven;
    3º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven aankomt waar de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis waait, wordt, nadat eventueel het saluut is gegeven, bedoeld in § 23, onderdeel b, onder 6º, of in het buitenland het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel d, onder 3º, en na de beantwoording daarvan, een saluut aan de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis gegeven zoals bepaald in hoofdstuk 7, § 11; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen vaart, wordt een algemeen saluut gegeven; na aankomst wordt er gepavoiseerd tot zonsondergang;
    4º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven ligt en aldaar een schip aankomt waarop de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis waait, wordt er gepavoiseerd van het hijsen van de vlag tot zonsondergang; voorts is het gestelde onder 3º op overeenkomstige wijze van toepassing;
    5º. het saluut en het eerbewijs pavoiseren vervallen, indien het schip dat die eerbewijzen zou moeten brengen, de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis voert.

  2. Eerbewijzen aan de onderscheidingsvlaggen van de gouverneur Curaçao, Aruba of Sint Maarten:
    1º. wanneer een van de gouverneurs van Curaçao, Aruba of Sint Maarten bij het aanvaarden van zijn ambt zijn onderscheidingsvlag doet hijsen of die bij het neerleggen van zijn ambt doet neerhalen, geven de aanwezige oorlogsschepen aan die onderscheidingsvlag een algemeen saluut van 21 schoten; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer gepresenteerd;
    2º. wanneer een oorlogsschip in zee een schip ontmoet waarop de onderscheidingsvlag waait van de gouverneur van Curaçao, Aruba of Sint Maarten, wordt, onverminderd hetgeen is bepaald in § 23, onderdeel b, onder 4º, aan die onderscheidingsvlag een saluut gegeven van 21 schoten; gedurende het saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer gepresenteerd; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen is, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl aan boord van de andere oorlogsschepen de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, gedurende dat saluut het geweer gepresenteerd heeft;
    3º. wanneer een oorlogsschip aankomt op een rede of in een haven waar de onderscheidingsvlag van de gouverneur van Curaçao, Aruba of Sint Maarten waait, wordt, nadat eventueel het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel b, onder 6º, is gegeven en na de beantwoording daarvan, aan die onderscheidingsvlaggen een saluut gegeven van 21 schoten; een oorlogsschip dat aankomt te Willemstad, Oranjestad of Philipsburg, brengt het saluut aan de onderscheidingsvlag van de gouverneur van Curaçao, Aruba of Sint Maarten echter uitsluitend wanneer het schip daar voor de eerste keer aankomt of na een afwezigheid van ten minste één jaar; gedurende het saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer gepresenteerd; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen vaart, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer gepresenteerd heeft;
    4º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven ligt en aldaar een schip aankomt waarop de onderscheidingsvlag van de gouverneur van Curaçao, Aruba of Sint Maarten waait, wordt aan die onderscheidingsvlag een saluut gegeven van 21 schoten, met dien verstande, dat in Willemstad, Oranjestad en Philipsburg het bedoelde saluut aan de onderscheidingsvlag van de gouverneur achterwege blijft, indien het schip dat het zou moeten geven minder dan een jaar tevoren ter plaatse reeds een saluut aan die onderscheidingsvlag heeft gegeven; voorts is het gestelde onder 3º, op overeenkomstige wijze van toepassing;
    5º. het saluut vervalt, indien het schip dat het zou moeten geven, de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis voert.

  3. Eerbewijzen aan de onderscheidingsvlaggen van staatshoofden en aan die van leden van regerende vorstenhuizen van bevriende soevereine staten:
    1º. wanneer een oorlogsschip in zee een schip ontmoet waarop de onderscheidingsvlag of de bij wijze van onderscheidingsvlag gebezigde natievlag waait van het staatshoofd of van een lid van het regerende vorstenhuis van een bevriende soevereine staat, wordt, onverminderd hetgeen is bepaald in § 23, onderdeel d, onder 1º, aan die onderscheidingsvlag of natievlag een saluut gegeven van 21 schoten; gedurende dat saluut waait de betrokken buitenlandse natievlag van de top van de voormast en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen is, wordt een algemeen saluut gegeven;
    2º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven aankomt waar een onderscheidingsvlag waait als bedoeld onder 1º, wordt, nadat eventueel het saluut is gegeven, bedoeld in § 23, onderdeel b, onder 6º, of in het buitenland het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel d, onder 3º, en na de beantwoording daarvan, aan die onderscheidingsvlag een saluut van 21 schoten gegeven, met dien verstande dat:
    (a) indien de onderscheidingsvlag is van het daar regerende staatshoofd of van een lid van het daar regerende vorstenhuis, het saluut aan de buitenlandse natievlag, bedoeld in § 23, onderdeel d, mede wordt beschouwd als een saluut aan de onderscheidingsvlag van die personen;
    (b) indien er twee of meer zodanige onderscheidingsvlaggen waaien, eerst de saluten aan de onderscheidingsvlaggen van buitenlandse staatshoofden en daarna die aan de onderscheidingsvlaggen van leden van regerende vorstenhuizen worden gegeven, waarbij evenwel aan twee of meer onderscheidingsvlaggen van tot dezelfde natie behorende personen slechts één saluut wordt gegeven;
    (c) indien op de rede of in de haven ook de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis, dan wel de onderscheidingsvlag van de gouverneur van Curaçao, Aruba of Sint Maarten waait, het saluut daaraan gegeven wordt vóór elk saluut aan enige buitenlandse onderscheidingsvlag; gedurende dat saluut waait de betrokken buitenlandse natievlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen vaart, wordt een algemeen saluut gegeven; na aankomst wordt er gepavoiseerd tot zonsondergang;
    3º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven ligt en aldaar een schip aankomt waarop een onderscheidingsvlag zoals bedoeld onder 1º, waait, wordt er gepavoiseerd van het hijsen van de vlag tot zonsondergang; voorts is het gestelde onder 2º, op overeenkomstige wijze van toepassing;
    4º. het saluut en het eerbewijs pavoiseren vervallen, indien het schip dat die eerbewijzen zou moeten brengen, de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis, dan wel de onderscheidingsvlag van de gouverneur van Curaçao, Aruba of Sint Maarten voert.

  4. Eerbewijzen aan de onderscheidingsvlag van de minister en aan die van de staatssecretaris:
    1º. wanneer een oorlogsschip in zee een schip ontmoet waarop de onderscheidingsvlag waait van de minister of die van de staatssecretaris, wordt, onverminderd hetgeen is bepaald in § 23, onderdeel d, onder 4º, aan die onderscheidingsvlag een saluut gegeven van 19 schoten; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen is, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl aan boord van de andere oorlogsschepen de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, gedurende het saluut het geweer in den arm heeft;
    2º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven aankomt waar de onderscheidingsvlag waait van de minister of die van de staatssecretaris, wordt, nadat eventueel het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel b, onder 6º, of in het buitenland het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel d, onder 3º, is gegeven, en na de beantwoording daarvan, aan die onderscheidingsvlag een saluut gegeven van 19 schoten; gedurende dat saluut waait de koninkrijksvlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen vaart, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm heeft;
    3º. wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven ligt en aldaar een schip aankomt waarop de onderscheidingsvlag waait van de minister of die van de staatssecretaris, is het vermelde onder 2º, op overeenkomstige wijze van toepassing;
    4º. het saluut vervalt, indien het schip dat het zou moeten geven, de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis, dan wel de onderscheidingsvlag van de gouverneur van Curaçao, Aruba of Sint Maarten voert. 

25. Eerbewijzen aan de commandovlaggen en de standaard van Nederlandse officieren der zeemacht

  1. Wanneer een vlagofficier, kapitein ter zee, of eskadercommandant bij het aanvaarden van zijn commando zijn commandovlag of standaard doet hijsen of die bij het neerleggen van zijn commando doet neerhalen, geven de aanwezige schepen onder zijn bevel, met uitzondering van zijn vlaggenschip, aan die commandovlag of standaard een algemeen saluut van:
    17 schoten voor een vlagofficier met de rang van luitenant-admiraal
    15 schoten voor een vlagofficier met de rang van vice-admiraal
    13 schoten voor een vlagofficier met de rang van schout-bij-nacht
    11 schoten voor een vlagofficier met de rang van commandeur
    11 schoten voor een kapitein ter zee of eskadercommandant.
    Gedurende dat saluut wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm. Indien het vlaggenschip het enige schip is dat een saluut kan geven, geeft het vlaggenschip het saluut. Bij het aanvaarden of neerleggen van een tijdelijk commando wordt geen saluut gegeven.

  2. Wanneer een vlagofficier, kapitein ter zee of eskadercommandant is bevorderd en hij zijn nieuwe commandovlag doet hijsen, is het gestelde in onderdeel a van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat het saluut wordt gegeven om twaalf uur 's middags op de dag waarop de bevordering is ingegaan.

  3. Wanneer een of meer oorlogsschepen voor het eerst aankomen bij het eskader waarbij zij zijn ingedeeld, of wanneer zij definitief vertrekken van het eskader waarvan zij deel hebben uitgemaakt, geeft het schip of het schip van de oudste commandant aan de commandovlag of standaard van de eskadercommandant een saluut van het aantal schoten zoals aangegeven in onderdeel a. Gedurende het saluut wordt, ook aan boord van de andere oorlogsschepen, indien aanwezig, het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm.

  4. Wanneer een oorlogsschip in zee een schip ontmoet waarop een commandovlag of de standaard waait van een officier van hogere rang dan de eigen commandant wordt, onverminderd het gestelde in § 23, onderdeel b, onder 4º, aan die commandovlag of standaard een saluut gegeven van het aantal schoten, aangegeven hiervoor in onderdeel a. De gewapende wacht komt in het geweer en heeft gedurende het saluut het geweer in den arm. Indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen is, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl aan boord van de andere oorlogsschepen de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, gedurende dat saluut het geweer in den arm heeft. Het saluut vervalt, indien het oorlogsschip onder commando staat van een officier, wiens commandovlag of standaard het eerbewijs zou gelden en voorts wanneer op grond van dit onderdeel of van de volgende onderdelen aan de commandovlag of standaard van de betrokken officier voor de tweede maal in zijn bevelsperiode een saluut zou worden gegeven.

  5. Wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven aankomt waar een commandovlag of de standaard waait van een officier van hogere rang dan de eigen commandant wordt, nadat eventueel het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel b, onder 6º, of in het buitenland het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel d, onder 3º, is gegeven en na de beantwoording daarvan, aan die commandovlag of standaard een saluut gegeven van het aantal schoten, aangegeven in onderdeel a. Gedurende dat saluut wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm. Indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen aankomt, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm heeft. Het saluut vervalt in de gevallen als aangegeven in onderdeel d. De saluten, bedoeld in de onderdelen a, b en c, worden niet beantwoord.

  6. Wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven ligt en aldaar een schip aankomt waarop een commandovlag of de standaard waait van een officier van hogere rang dan de eigen commandant, is onderdeel e, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
    1º. indien er meer zodanige schepen tegelijkertijd aankomen, er slechts één saluut wordt gegeven en wel aan de commandovlag van de officier met de hoogste rang;
    2º. indien ter plaatse een commandovlag waait van een officier van hogere rang dan de aankomende, waaraan reeds een saluut werd gegeven, het saluut vervalt.

  7. Het saluut vervalt, indien het schip dat het zou moeten geven, de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis, die van de gouverneur van Curaçao, Aruba of Sint Maarten, die van de minister of die van de staatssecretaris voert. 

26. Eerbewijzen aan commandovlaggen, commandowimpels en standaarden van buitenlandse marineofficieren

  1. Wanneer een oorlogsschip in zee een schip ontmoet waarop een commandovlag, een commandowimpel of standaard waait van een buitenlandse marineofficier van hogere rang dan de eigen commandant, wordt, onverminderd hetgeen is bepaald in § 23, onderdeel d, onder 1º, aan die commandovlag, commandowimpel of standaard een saluut gegeven van het aantal schoten, aangegeven in § 25, onderdeel a, met dien verstande dat, indien meer zodanige schepen worden ontmoet en het zeker is dat zij onder één commando zijn verenigd, slechts één saluut wordt gegeven en wel aan de commandovlag, commandowimpel of standaard van de officier die dat commando voert. Zijn de oorlogsschepen niet onder één commando verenigd of is dat onzeker, dan wordt aan de vlag, wimpel of standaard van elke commandant een saluut gegeven. De gewapende wacht komt in het geweer en heeft gedurende het saluut het geweer in den arm. Gedurende het saluut waait voorts de betrokken buitenlandse natievlag van de top van de voormast. Indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere Nederlandse oorlogsschepen is, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl aan boord van de andere oorlogsschepen de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, gedurende dat saluut het geweer in den arm heeft.

  2. Wanneer een oorlogsschip een fort of dergelijke voorbijvaart alwaar een commandovlag, commandowimpel of standaard zoals bovenbedoeld waait, is het bovenstaande van overeenkomstige toepassing.

  3. Wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven aankomt waar een commandovlag, commandowimpel of standaard waait van een buitenlandse marineofficier van hogere rang dan of van gelijke rang als de eigen commandant, wordt, nadat eventueel het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel b, onder 6º, of in buitenland het saluut, bedoeld in § 23, onderdeel d, onder 3º, is gegeven en na de beantwoording daarvan, aan die commandovlag, commandowimpel of standaard een saluut gegeven van het aantal schoten, aangegeven in § 25, onderdeel a, met dien verstande dat:
    1º. indien ter plaatse meer commandovlaggen, commandowimpels of standaarden van zodanige officieren waaien en die officieren tot dezelfde natie behoren, slechts één saluut wordt gegeven en wel aan de commandovlag, commandowimpel of standaard van de officier die het hoogste in rang is;
    2º. indien ter plaatse meer commandovlaggen, commandowimpels of standaarden van zodanige officieren waaien en die officieren tot verschillende naties behoren, aan de vlag, wimpel of standaard van de officier, behorende tot de natie waar die rede of haven ligt het eerst een saluut wordt gegeven en vervolgens aan de andere commandovlaggen, commandowimpels of standaarden naar volgorde van rang van de officieren die de vlaggen voeren; indien evenwel die officieren dezelfde rang bekleden, wordt aan de vlag, wimpel of standaard van hem die het langst met het commando is belast, het eerst het saluut gegeven, waartoe zo nodig vóóraf de vereiste gegevens worden ingewonnen; in overleg met de ter plaatse aanwezige hoogste marineautoriteiten van elke natie kan het geven van saluten worden beperkt tot het geven van een saluut aan de vlag, wimpel of standaard van de oudste van alle ter plaatse aanwezige buitenlandse marineofficieren;
    3º. geen saluut wordt gegeven wanneer ter plaatse reeds een commandovlag, commandowimpel of standaard waait van een Nederlandse officier der zeemacht van hogere rang dan de eigen commandant; gedurende het saluut waait de betrokken buitenlandse natievlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht, die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere Nederlandse oorlogsschepen vaart, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm heeft.

  4. Wanneer een oorlogsschip op een rede of in een haven ligt en aldaar een schip aankomt waarop een commandovlag, commandowimpel of standaard waait van een buitenlandse marineofficier van hogere rang dan de eigen commandant, wordt aan de commandovlag, commandowimpel of standaard een saluut gegeven van het aantal schoten, zoals aangegeven in § 25, onderdeel a, met dien verstande dat:
    1º. indien er meer zodanige schepen van dezelfde natie tegelijkertijd aankomen, er slechts één saluut wordt gegeven en wel aan de commandovlag, commandowimpel of standaard van de officier met de hoogste rang;
    2º. indien ter plaatse een commandovlag, commandowimpel of standaard waait van een officier van dezelfde natie als de aankomende en van hogere rang dan deze, waaraan reeds een saluut werd gegeven, het saluut vervalt.
    Gedurende het saluut waait de betrokken buitenlandse natievlag van de top van de voormast, wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en heeft de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm; indien het oorlogsschip al dan niet in verband in de nabijheid ligt van andere Nederlandse oorlogsschepen, wordt het saluut gegeven door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer in den arm heeft.

  5. Wanneer behalve het saluut, bedoeld in deze § ook een saluut moet worden gegeven ingevolge een der voorgaande §§, komt het saluut, bedoeld in deze §, daarna.

  6. Het saluut vervalt, indien het schip, dat het zou moeten geven, de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis, dan wel de onderscheidingsvlag van de gouverneur van Curaçao, Aruba of Sint Maarten voert. 

27. Eerbewijzen aan vaandels

  1. Wanneer een ontplooid vaandel een oorlogsschip of een inrichting der zeemacht voorbijgaat, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    1º. het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven;
    2º. de gewapende wacht komt in het geweer; op het signaal “stil” presenteert zij het geweer.

  2. Wanneer een eenheid een ontplooid vaandel ontmoet, brengt die eenheid de eregroet met dien verstande dat, indien bij de eenheid officieren zijn ingedeeld, deze daarbij handelen zoals de commandant van de eenheid. Indien de eenheid stilstaat en gewapend is met het geweer, wordt het geweer gepresenteerd. Indien ook bij de eenheid een zodanig vaandel of een zodanige standaard is ingedeeld, brengt de eenheid de eregroet.

  3. Wanneer een militair een ontplooid vaandel ontmoet, brengt hij de eregroet waarbij hij, indien hij is gewapend met het geweer niet op de rug, het geweer presenteert. Indien evenwel de militair een dergelijk stilstaand vaandel noodzakelijkerwijze moet voorbijgaan, groet hij op de wijze, aangegeven in hoofdstuk 7.

  4. Wanneer een ontplooid vaandel een erewacht voorbijgaat, brengt die erewacht de eregroet waarbij het geweer wordt gepresenteerd. Alle officieren brengen evenwel de eregroet, voorgeschreven voor een militair afzonderlijk. 

28. Eerbewijzen aan het Wilhelmus, aan de volksliederen van Curaçao, Aruba, Sint Maarten en aan een buitenlands volkslied

Gedurende de tijd dat het Wilhelmus, het volkslied van Curaçao, Aruba of Sint Maarten dan wel een buitenlands volkslied wordt gespeeld, brengen de aanwezige eenheden, bemanningen van sloepen en alle niet tot een zodanig verband behorende militairen der zeemacht de eregroet waarbij gewapenden met het geweer niet op de rug, het geweer presenteren. Alle in enige formatie aangetreden officieren brengen de eregroet op de wijze, voorgeschreven voor een militair afzonderlijk. Indien evenwel tijdens stilstaan der bemanning het Wilhelmus, het volkslied van Curaçao, Aruba of Sint Maarten dan wel een buitenlands volkslied wordt gespeeld, blijft dat eerbewijs ononderbroken.

29. Eerbewijzen aan militaire begrafenisstoeten

  1.   Wanneer een militaire begrafenisstoet een oorlogsschip of een inrichting der zeemacht voorbijgaat, worden de volgende eerbewijzen gebracht:
    1º. de vlag en de geus, indien deze waait, worden halfstok gehesen;
    2º. het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven;
    3º. de gewapende wacht komt in het geweer; op het signaal stil, presenteert zij het geweer.

  2. Wanneer een eenheid een militaire begrafenisstoet ontmoet, brengt die eenheid uitsluitend bij het voorbijgaan van de lijkwagen, lijkauto, lijkbaar of landingsaffuit de eregroet, met dien verstande dat indien bij de eenheid officieren zijn ingedeeld, deze daarbij handelen zoals de commandant van de eenheid. Indien de eenheid stilstaat en is gewapend met het geweer, wordt het geweer gepresenteerd. Indien muziek aanwezig is, beëindigt die de muziek.

  3. Wanneer een militair der zeemacht een militaire begrafenisstoet ontmoet, brengt hij uitsluitend bij het voorbijgaan van de lijkwagen, lijkauto, lijkbaar of landingsaffuit de eregroet waarbij hij, indien hij is gewapend met het geweer niet op de rug, het geweer presenteert. Indien evenwel de militair een dergelijke, stilstaande lijkwagen, lijkauto, lijkbaar of landingsaffuit noodzakelijkerwijze moet voorbijgaan, groet hij op de wijze, aangegeven in hoofdstuk 7.

  4. Wanneer een militaire begrafenisstoet een erewacht voorbijgaat, brengt die erewacht de eregroet waarbij het geweer wordt gepresenteerd. Alle officieren brengen evenwel de eregroet op de wijze, voorgeschreven voor een militair afzonderlijk. 

30. Het beantwoorden van eerbewijzen

  1. Het beantwoorden van de eregroet en de groet:
    1º. zie hoofdstuk 7;
    2º. de militair aan wie de groet wordt gebracht, beantwoordt dat eerbewijs met de groet; indien de militair commandant van een eenheid is, beantwoordt uitsluitend hij het eerbewijs;
    3º. bij het verlaten van een oorlogsschip maken de militairen, bedoeld in § 15 en § 16, zodra zij de staatsietrap of valreep af zijn, front naar het schip en brengen de groet; militairen der zeemacht die niet in uniform zijn gekleed, beantwoorden het eerbewijs, door een kort moment de houding aan te nemen.

  2. Het beantwoorden van een saluut:
    1º. de militair der zeemacht aan wie een saluut wordt gegeven, brengt gedurende dat saluut de groet, terwijl het gezelschap waarin hij verkeert, de houding aanneemt; militairen der zeemacht, die niet in uniform zijn gekleed, houden daarbij het hoofd ontbloot;
    2º. een saluut van een oorlogsschip aan de koninkrijksvlag of aan een commandovlag of standaard wordt, ook wanneer dat saluut wordt gegeven op een zondag of op een algemeen erkende christelijke feestdag (behalve wanneer de kerkwimpel waait), dan wel tussen zonsondergang en zonsopkomst, door de walbatterij of door het oorlogsschip waarop die vlag of standaard waait, beantwoord met een gelijk aantal schoten met dien verstande, dat het aantal schoten nooit meer dan 21 bedraagt; een saluut, bedoeld in § 25, onderdeel a tot en met c, wordt echter niet beantwoord; bij een walbatterij presenteert, gedurende het ontvangen en het beantwoorden van een saluut de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; bij het beantwoorden wordt de koninkrijksvlag gehesen die pas wordt neergehaald wanneer het oorlogsschip, dat het saluut aan de koninkrijksvlag gaf, uit zicht is of, indien het schip op de rede of in de haven blijft liggen, op het tijdstip van zonsondergang; aan boord van een oorlogsschip wordt gedurende het ontvangen en beantwoorden van een saluut het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer, dan wel heeft zij, ingeval het saluut een commandovlag of de standaard betreft, het geweer in den arm; bij het beantwoorden wordt de koninkrijksvlag of, indien het saluut werd gegeven door een buitenlands oorlogsschip, de betrokken buitenlandse natievlag aan de top van de voormast gehesen; indien een oorlogsschip al dan niet in verband samen met de andere oorlogsschepen is, wordt het saluut beantwoord door het vlaggenschip of door het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende dat saluut aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gegeven en de gewapende wacht, die in het geweer is gekomen, het geweer presenteert, dan wel ingeval het saluut een commandovlag of standaard betreft, het geweer in den arm heeft;
    3º. gedurende een saluut aan de onderscheidingsvlag van een lid van het Koninklijk Huis of aan een onderscheidingsvlag wordt aan boord van het oorlogsschip waarop die onderscheidingsvlag waait, het eerbewijs stilstaan der bemanning gegeven en presenteert de gewapende wacht, die in het geweer is gekomen, het geweer dan wel het geweer in den arm heeft; het saluut wordt echter niet beantwoord; indien evenwel in zee een saluut wordt gegeven aan de onderscheidingsvlag van een vlagofficier, omdat men die aanziet voor een commandovlag, wordt dat saluut beantwoord op de wijze, aangegeven onder 2º;
    4º. wanneer een buitenlands oorlogsschip de koninkrijksvlag eer bewijst door het neerhalen van de vlag, wordt dat eerbewijs op gelijke wijze beantwoord;
    5º. wanneer een schip dat geen oorlogsschip is, de koninkrijksvlag aan boord van een oorlogsschip eer bewijst door het neerhalen van de natievlag of door het strijken van de bovenzeilen, wordt dat eerbewijs beantwoord door de vlag één keer half neer te halen en weer voor te hijsen; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen vaart, wordt het eerbewijs beantwoord door het vlaggenschip, door het schip van de oudste commandant of door het dichtstbijzijnde schip; herhaalt het voorbijvarende schip de groet of houdt het de vlag neer of de bovenzeilen gestreken, dan beantwoorden alle oorlogsschepen het eerbewijs op bovenbedoelde wijze;
    6º. in afwijking van het hierboven gestelde onder 2º tot en met 5º, worden de genoemde eerbewijzen niet beantwoord door een oorlogsschip dat in een haven ligt en de vlag port voert. 

31. Het in het geweer komen van de gewapende wacht

  1. Het eerbewijs in het geweer komen van de gewapende wacht wordt alleen gebracht, indien die wacht uit ten minste zes gewapende personen bestaat.

  2. Indien tijdig van tevoren bekend is, dat de gewapende wacht in het geweer moet komen voor het doen van eerbewijzen, kan zij worden versterkt tot ten hoogste vijfenveertig gewapenden. De gewapende wacht moet echter of geheel uit militairen, behorende tot het Korps Mariniers, of geheel uit vlootpersoneel bestaan.

  3. In het algemeen bepaalt de commandant wie met het commando over de gewapende wacht zal worden belast. In dit hoofdstuk is aangegeven wanneer een officier dan wel een onderofficier in de rang van sergeant-majoor of sergeant moet worden aangewezen.

  4. Zo mogelijk wordt aan de gewapende wacht een muzikant of muziekkorps toegevoegd, indien dit hoofdstuk dat aangeeft.

  5. De gewapende wacht treedt aan op een door de commandant aan te geven plaats. Die plaats moet opvallen. Steeds moet de rechtervleugel van de wacht naar de zijde staan vanwaar degene, voor wie het eerbewijs is bestemd, nadert.

  6. Indien de gewapende wacht wordt geïnspecteerd, wordt de inspecterende autoriteit vergezeld door de commandant van de gewapende wacht en door de hoogste in rang of, bij gelijke rang, degene met de hoogste anciënniteit in rang van de officieren, die hem hebben verwelkomd. De gelederen worden bij de inspectie niet geopend en het eerbewijs wordt aangehouden.

  7. Zie ook het gestelde in hoofdstuk 10. 

Hoofdstuk 10 De erewacht

1. Algemeen

  1. Een erewacht treedt aan op verzoek van de chef van het militaire huis (CMH) van Z.M. de Koning of van de Minister van Buitenlandse Zaken (MINBUZA). In voorkomend geval wordt een vaandel ingedeeld (zie de tabel in § 4).
    Het betreft hier de bezoeken, genoemd in § 2.

  2. Een erewacht treedt aan op verzoek van de te bezoeken autoriteit bij (meerdaagse) bezoeken aan de Minister van Defensie, de CDS of C-OPCO.

  3. Tijdig van tevoren wordt steeds een coördinerende bespreking gehouden, waarbij alle bij de uitvoering betrokken commandanten aanwezig dienen te zijn, zoals aangegeven in de behoeftestelling. 

2. Bezoeken door staatshoofden, regeringsleiders en aanbieden geloofsbrieven

  1. Staatsbezoek
    Staatsbezoeken zijn bezoeken van een staatshoofd [keizer(in), koning(in), Groothertog(in) of president] aan ons land, op persoonlijke uitnodiging van Z.M. de Koning. De organisatie van het staatsbezoek ligt in handen van de grootmeester van Z.M. de Koning terwijl het MINBUZA assisteert. Aanvragen voor militair ceremonieel worden gedaan door de CMH van Z.M. de Koning aan de CDS.

  2. Officieel bezoek
    Officiële bezoeken kunnen worden afgelegd door staatshoofden, regeringsleiders en ministers. Officiële bezoeken vinden plaats op uitnodiging van de minister-president, de minister van Buitenlandse Zaken of andere ministers. De organisatie van officiële bezoeken van staatshoofden, regeringsleiders en ministers van Buitenlandse Zaken ligt in handen van de directie kabinet en protocol van het MINBUZA. De organisatie van officiële bezoeken van andere ministers wordt verzorgd door het desbetreffende departement. Bij officiële bezoeken is het ceremonieel minder uitgebreid dan bij een staatsbezoek. Aanvragen voor militair ceremonieel bij officiële bezoeken van staatshoofden worden gedaan door de CMH van Z.M. de Koning aan de CDS. Bij officiële bezoeken van regeringsleiders vraagt directie kabinet en protocol MINBUZA het militair ceremonieel aan bij de CDS.
    Bij een officieel bezoek door een staatshoofd vindt de ontvangstceremonie plaats op paleis Noordeinde (achterzijde) in aanwezigheid van Z.M. de Koning, terwijl voor een regeringsleider de ontvangstceremonie plaats vindt op het Binnenhof in aanwezigheid van de minister-president.

  3. Werkbezoek
    Werkbezoeken kunnen eveneens worden afgelegd door staatshoofden, regeringsleiders en ministers. Werkbezoeken zijn vaak korter en beperken zich in de regel tot overleg met Z.M. de Koning, de minister-president of desbetreffende minister.
    Bij werkbezoeken van regeringsleiders, vraagt de directie kabinet en protocol van het Ministerie van Algemene Zaken het militair ceremonieel aan bij de CDS.

  4. Aanbieden geloofsbrieven
    Een ambassadeur is de persoonlijke afgezant van een staatshoofd. Hij kan echter pas als ambassadeur fungeren nadat hij zijn geloofsbrieven aan het staatshoofd heeft aangeboden. Het aanbieden van de geloofsbrieven is de eerste audiëntie van de ambassadeur bij het staatshoofd en deze officiële handeling gaat gepaard met militair ceremonieel. 

3. Inzet van de erewacht

De categorie erewacht wordt bepaald door het niveau van de bezoeker en de vorm van het bezoek, en niet alleen door de Nederlandse gastheer / vrouw.
Bij officiële bezoeken kan een bepaalde categorie erewacht worden bevolen voor bezoeken aan / door:

  1. Z.M. de Koning, categorie 1 of 2;
    20_10_h10_3

  2. een lid van het Koninklijk Huis, categorie 2;

  3. de gouverneurs van Curaçao, Aruba of Sint Maarten, categorie 2 of 3;

  4. een buitenlands staatshoofd (geen staatsbezoek), categorie 2;

  5. een lid van een buitenlands regerend vorstenhuis, categorie 2 of 3;

  6. een minister-president van een buitenlandse mogendheid, categorie 3;

  7. een ambassadeur bij het aanbieden van zijn geloofsbrieven, categorie 4;
    20_10_h10_2

  8. een Minister van Defensie van een buitenlandse mogendheid, categorie 5;

  9. de secretaris-generaal van de NAVO, de VN, EU*, categorie 3 of 5;
    * Hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, tevens secretaris-generaal van de Raad van de EU;

  10. de CDS van een buitenlandse mogendheid, categorie 6;
    20_10_h10_1

  11. bevelvoerende buitenlandse autoriteiten met ten minste de rang van generaal of luitenant-admiraal, categorie 6;

  12. bevelhebbers van buitenlandse krijgsmachtdelen, categorie 7. 

4. Sterkte van de erewacht

  1. Bij elke gecommandeerde erewacht is een muziekkorps ingedeeld.

  2. Het krijgsmachtdeel dat het muziekkorps levert, levert bij een single-service erewacht indien mogelijk tevens de troepen. Bij een interservice erewacht zijn de commandant erewacht en (indien van toepassing) de commandant vaandelgroep van hetzelfde krijgsmachtdeel als het muziekkorps.

  3. De detachementscommandant is een officier.

Cat.

Gelegenheid

Soort erewacht

Aantallen* tenue

Vaandel

Commandant

1.

Staatsbezoek
Aankomst

Inter-service

Saluutbatterij

4x 1/4/44 tenue CT2
organiek

Vaandelgroep
Cdt = Kap/Elnt conform kmd
C-erewacht

Majoor conform krijgsmachtdeel
Muziekkorps

 

Staatsbezoek
Kranslegging
Dam-groep

Single-service (tevens Paleiswacht)
Afzetting

3x 1/3/27 tenue DT2
6x 1/3/27 tenue DT2

Vaandelwacht

Maj/Kap
Maj/Kap

 

Staatsbezoek
Vertrek

Single-service

3x 1/3/27 tenue CT2

Vaandelwacht

Maj/Kap

2.

Officieel bezoek
Staatshoofd

Single-service

3x 1/3/27 tenue CT2

Vaandelwacht

Maj/Kap

3.

Officieel bezoek
Regeringsleider

Single-service

3x 1/3/27 tenue DT2

Neen

Maj/Kap

4.

Geloofsbrieven

Single-service

2x 1/3/15 tenue CT2

Neen

Maj/Kap

5.

MINDEF

Inter-service

4x 1/2/18 tenue DT2

Neen

Maj/Kap

6.

CDS

Single-service

2x 1/2/18 tenue DT2

Neen

Kap/Elnt

7.

C-OPCO

Single-service

Eigen richtlijn

Neen

Kap/Elnt

 

* Aantallen: exclusief reserves, (officieren / onderofficieren / manschappen).

Aanvullend militair ceremonieel uitgevoerd door de KMar: zie hoofdstuk 11, § 4.

20_10_h10_4

5. Bewapening van de erewacht

  1. De commandanten zijn in CT2 of DT2 gewapend met sabel en dragen handschoenen cf de tenuevoorschriften van de krijgsmachtdelen.

  2. De erewacht is gewapend*, waarbij per detachement eenheid van bewapening wordt aangehouden.

  3. Indien de erewacht in CT2 optreedt, is de bewapening geweer of sabel.

  4. Geweren en pistolen zijn voorzien van een patroonhouder.

  5. Een bij de erewacht te voeren wapen wordt, met uitzondering van de Colt C-8, niet aan de geweerriem gedragen.

* KM: Diemaco / Colt, KL: Colt /pistool, KLu: Colt C-7, C-8, KMar: pistool. Indien een krijgsmachtdeel deelneemt in CT, wordt de bijbehorende bewapening gevoerd.

6. Eerbewijzen

De erewacht brengt eerbewijzen voor de persoon voor wie zij staat opgesteld en voorts altijd:

  1. presenteert geweer voor:
    1º. Z.M. de Koning;
    2º. een lid van het Koninklijk Huis;
    3º. de gouverneurs van Curaçao, Aruba en Sint Maarten;
    4º. een buitenlands staatshoofd;
    5º. een lid van een buitenlands regerend vorstenhuis;
    6º. de overledene tijdens zijn begrafenis met militair eerbetoon;
    7º. een ontplooid vaandel.

  2. in den arm geweer voor:
    1º. de minister-president;
    2º. minister of staatssecretaris;
    3º. vlag- en opperofficieren;
    4º. Ridders der Militaire Willemsorde. 

7. Wijze van opstellen

  1. Een erewacht treedt in principe aan in linie op twee, drie of vier gelederen. Bij onvoldoende ruimte worden de samenstelling en de opstelling aangepast.

  2. Indien een erewacht op twee of drie of vier gelederen staat aangetreden, staan de commandanten van de aaneengesloten detachementen rechts van hun eenheid.

  3. De commandant staat twee passen voor en in het midden van zijn eenheid.

  4. De volgorde van opstellen is in beginsel: muziekkorps, vaandelwacht, eenheden. 

8. Uitvoering ceremonieel en eerbewijzen

  1. Algemeen
    De erewacht brengt voor de in § 3, in de onderdelen a tot en met g genoemde vorstelijke personen en autoriteiten het eerbewijs: presenteert geweer; voor de in § 3, onderdeel h tot en met l genoemde autoriteiten wordt het eerbewijs in den arm geweer gebracht.

  2. Uitgangshouding
    De erewacht staat opgesteld in de eerste rust.

  3. Commando’s en uitvoering:
    1º. het commando: GEEFT - ACHT moet reeds enkele ogenblikken vóór de aankomst worden gegeven; de houding dient reeds te zijn aangenomen vóórdat het voertuig waarmee de vorstelijke persoon of autoriteit arriveert, stilstaat; evenzo geldt dat de houding reeds aangenomen dient te zijn vóór het openen van een vliegtuigdeur of de deur van een gebouw; de betrokken organisatie maakt daartoe ter plekke afspraken;
    2º. het commando: PRESENTEERT - GEWEER of: IN DEN ARM - GEWEER wordt eerst gegeven zodra de vorstelijke persoon of autoriteit, voor wie de erewacht staat opgesteld, op het podium staat en kennis kan nemen van het eerbewijs;
    3º. het ingedeelde muziekkorps speelt het Wilhelmus of het betrokken buitenlandse volkslied wanneer het een staatshoofd betreft, of de eerste acht maten van de parademars, vooraf gegaan door het vereiste aantal ereroffels, in overige gevallen. Zie tevens Hoofdstuk 8, § 2b.

  4. Het melden door de commandant van de erewacht
    Nadat het muzikaal eerbetoon ter verwelkoming is beëindigd, meldt de C-erewacht zich bij de vorstelijke persoon of autoriteit en nodigt deze uit de aangetreden eenheden te inspecteren. Afhankelijk van de afkomst van de vorstelijke persoon of autoriteit, wordt de uitnodiging tot inspectie uitgesproken in het Nederlands, Engels, Frans of Duits, zie § 10 van dit hoofdstuk.

  5. Het commando hoofd rechts
    Het commando: HOOFD - RECHTS wordt bij opvolging gegeven door:
    1º. de dirigent van het ingedeelde muziekkorps;
    2º. C-vaandelwacht;
    3º. de commandant van elke afzonderlijke eenheid.

  6. De inspectie:
    1º. de inspectie begint op de rechtervleugel; de C-erewacht loopt tijdens de inspectie rechts van de vorstelijke persoon of autoriteit voor wie de erewacht staat opgesteld; wanneer er sprake is van een ontvangst in aanwezigheid van de gastheer, verplaatst deze zich tussen de gast en C-erewacht; overige autoriteiten / adjudanten verplaatsen zich achter hun gastheer of de (militaire) autoriteit waaraan zij zijn toegevoegd; uitsluitend de autoriteit voor wie de erewacht staat opgesteld draait het hoofd naar de te inspecteren eenheden;
    2º. indien een vaandel is ingedeeld, zal door de autoriteit en degenen die hem vergezellen ter hoogte van het vaandel een ogenblik halt worden gehouden, front worden gemaakt en het vaandel worden begroet;
    3º. indien de inspectie wordt uitgevoerd door een vorstelijke persoon of autoriteit zoals aangegeven in hoofdstuk 5, § 5, laat de C-vaandelwacht het vaandel neigen;
    4º. na de begroeting van het vaandel speelt het muziekkorps een inspectiemars;
    5º. nadat de inspectie is beëindigd, meldt de C-erewacht zich bij de autoriteit af en blijft hij begeleiden tot voor het midden van de eenheid, dan wel tot bij het voertuig of gebouw;
    6º. onmiddellijk na vertrek van de autoriteit commandeert C-erewacht: ZET AF - GEWEER en: OP DE PLAATS - RUST.

  7. Uitzonderingsbepalingen:
    1º. de inspectie en het melden blijven achterwege, indien dit door of vanwege het staatshoofd is bepaald;
    2º. de inspectie en het melden blijven achterwege, wanneer de vorstelijke persoon of autoriteit het gebouw verlaat waarvoor dezelfde erewacht staat opgesteld, welke hij kort tevoren bij aankomst bij dit gebouw heeft geïnspecteerd; alsdan wordt volstaan met het spelen van ereroffels of de parademars;
    3º. Wanneer de begroeting met ereroffels en de eerste acht maten van de parademars plaatsvindt, worden de volksliederen ná de ceremoniële inspectie gespeeld.
    Het protocol verloopt dan als volgt:
    (a) aankomst en begroeting door de gastheer;
    (b) ereroffels en de eerste acht maten van de parademars;
    (c) melden door de C-erewacht;
    (d) ceremoniële inspectie;
    (e) het volkslied van de te ontvangen vorstelijke persoon of autoriteit;
    (f) het Wilhelmus (indien van toepassing);
    (g) afmelden door de C-erewacht;
    4º. indien de autoriteit voor wie de erewacht staat opgesteld niet één, maar meer dan één land vertegenwoordigt en derhalve niet met een volkslied kan worden verwelkomd (zoals de secretaris-generaal van de NAVO), kan het protocol bedoeld in § 8, onderdeel g, onder 3º, hierboven worden gevolgd waarbij, in plaats van een volkslied, een toepasselijke mars kan worden gespeeld, genoemd in bijlage G.  

9. Inrukken / afmars van de erewacht

  1. De erewacht staat opgesteld voor een koninklijk paleis. C-erewacht meldt zich bij de adjudant van dienst van Z.M. de Koning en vertrekt niet eerder dan dat daartoe opdracht is gegeven door de adjudant van dienst van Z.M. de Koning.

  2. De erewacht, niet opgesteld zoals bedoeld in onderdeel a, vertrekt als daartoe vanuit de betrokken organisatie opdracht wordt gegeven.

10. Melden door de commandant van de erewacht

Het melden van de erewacht door C-erewacht aan de vorstelijke persoon of autoriteit waarvoor de erewacht staat opgesteld, geschiedt zo mogelijk in de taal van de vorstelijke persoon of autoriteit, evenals de uitnodiging tot inspectie van de aangetreden erewacht. De tekst in achtereenvolgens het Nederlands, Engels, Frans en Duits, vergezeld van de juiste aanspreektitel (zie STANAG 2116 1), kan luiden:

Kapitein/luitenant ter zee………….: commandant van de erewacht meldt u de erewacht gereed voor inspectie, (aanspreektitel……….) mag ik u verzoeken de erewacht te inspecteren.

Captain/lieutenant………….: commanding the guard of honour, reports for inspection, (aanspreektitel……….) would you be so kind as to inspect the guard of honour.

Le capitaine/le lieutenant de vaisseau…………: commandant la garde d’honneur se présente, (aanspreektitel……….) voulez-vous me faire l’honneur de procéder à l’inspection de la garde d’honneur’.

Hauptmann/Leutnant zur See ………….: meldet Ihnen die Ehrenformation angetreten, (aanspreektitel……….) darf ich Sie bitten die Front abzuschreiten.

11. Afmelden door de commandant van de erewacht

Het afmelden van de erewacht door C-erewacht aan de vorstelijke persoon of autoriteit waarvoor de erewacht staat opgesteld, geschiedt zo mogelijk in de taal van de vorstelijke persoon of autoriteit. De tekst in achtereenvolgens het Nederlands, Engels, Frans en Duits, vergezeld van de juiste aanspreektitel, kan luiden:

(Aanspreektitel……….) ik dank u voor de gehouden inspectie.

(Aanspreektitel……….) may I have your permission to carry on.

(Aanspreektitel……….) merci pour l’inspection.

(Aanspreektitel……….) ich danke Ihnen fur das abschreiten der Front.

Hoofdstuk 11 Ereschildwacht, ere-afzetting, sabelwacht, ceremoniële diensten Koninklijke Marechaussee (KMar), ere-, en protocollaire escortes

1. Ereschildwacht

  1. Indien Z.M. de Koning of een lid van het Koninklijk Huis in het koninklijk paleis te Amsterdam of Den Haag dan wel elders verblijf houdt, kunnen voor de duur van het verblijf ereschildwachten worden geplaatst in het door of namens Z.M. de Koning bevolen aantal.

  2. Voor de tijdelijke verblijfplaats van een buitenlandse autoriteit bij een staatsbezoek in Nederland kunnen twee ereschildwachten worden aangewezen.

  3. De ereschildwacht is gewapend. De KMar, als ceremoniële wacht in diensttenue (T4), is te allen tijde gewapend met een pistool.

  4. Indien de eenheid die de ereschildwacht levert over een CT kan beschikken, wordt dit tenue gedragen.

  5. Ereschildwachten brengen te allen tijde, ook gedurende de nachtdienst, de (ere)groet voor de (vorstelijke) personen voor wie zij staan opgesteld.

  6. Ereschildwachten, die niet in beweging zijn, staan in de eerste rust. Gedurende de nachtdienst is het hun toegestaan om de tweede rust aan te nemen.

  7. De consignes, taak en werkwijze van de ereschildwacht worden namens Z.M. de Koning door de adjudant van dienst bepaald. 

2. Ereafzetting

  1. In buitengewone gevallen kan door of namens Z.M. de Koning een ere-afzetting worden bevolen langs een door een koninklijke stoet te volgen route.

  2. Voor elk geval afzonderlijk zullen aanwijzingen worden gegeven ten aanzien van tenue, bewapening alsmede de sterkte en de wijze van opstelling. In beginsel zal de aangewezen militair gekleed in het Diensttenue (KMar T4, KM DT2) voorzien van modeldecoraties en gewapend, de opgedragen dienst uitvoeren.

  3. Door de als ere-afzetting opgestelde eenheden of individuele militairen wordt de eregroet gebracht voor een lid van het Koninklijk Huis, voor een ontplooid vaandel cq. standaard en voorts voor de autoriteit waarvoor de ere-afzetting is gevormd.

  4. De militaire autoriteit aan wie de regeling van een ere-afzetting is opgedragen bepaalt, naar gelang van de samenstelling van de stoet, of er eenmaal één langdurige eregroet moet worden gebracht dan wel meer dan eenmaal een eregroet van korte duur. Hij draagt zorg dat zijn aanwijzingen de commandanten van de aan de ere-afzetting deelnemende eenheden tijdig bereiken.

  5. De militaire autoriteit bepaalt het uur waarop de ere-afzetting haar opstelling moet hebben ingenomen en de wijze waarop zij zich daarheen moet begeven.

  6. De commando’s voor het brengen en het beëindigen van de eregroet worden steeds op aanwijzing van de ingedeelde commandanten op pelotonsniveau gegeven. 

3. Sabelwacht bij een bruiloft

  1. Een sabelwacht kan aantreden op verzoek van het bruidspaar. Alle Nederlandse militairen kunnen hier deel van uit maken, al moet worden gestreefd naar even aantallen per krijgsmachtdeel. Bij de KM mogen alleen die militairen waarvan de sabel deel van hun tenue uitmaakt (adjudanten-onderofficier en officieren) een sabel hanteren.

  2. De ceremonie vindt meestal plaats aan het einde van de kerkdienst of de plechtigheid in een gemeentehuis of andere trouwlocatie. De sabelwacht wacht het paar op aan de uitgang en bestaat altijd uit een even aantal (inclusief commandant). Op deze manier kunnen er twee gelijke rijen tegenover elkaar worden gezet.

  3. Het tenue tijdens de ceremonie is CT2 of GT3, cfm DP 20-10 hfdst 6 of conform eigen regelgeving van de OPCO’s.

  4. De commandant heeft een speciale functie. Terwijl de overige leden van de sabelwacht in twee rijen in de eerste rust wachten op het bruidspaar, staat de commandant voor de uitgang. Als het bruidspaar naar buiten komt, vindt het volgende plaats:

    1. De commandant gaat in de houding staan en brengt de eregroet.

    2. De commandant gaat terug in de houding staan en feliciteert het pas getrouwde stel. De invulling van de felicitatie is naar eigen inzicht, maar eindigt met: " na het commando sabels hoog....aan kunt u uw weg vervolgen" en het wederom brengen van de eregroet.

    3. De commandant neemt zijn plaats in aan het einde van de linkerrij of de rechterrij.

    4. De commandant zet het geheel in de houding en geeft het commando SABELS HOOG = AAN.

    5. Na passeren van het bruidspaar wordt het geheel weer terug in de houding gezet en eindigt de ceremonie. 

4. Ceremoniële diensten KMar

  1. Inzet in CT:

    1. posten in het CT vormen als zodanig een eerbetoon en worden in overeenstemming met de aanwijzingen van de CMH van Z.M. de Koning opgesteld bij de door het personeel van de KMar bewaakte koninklijke paleizen en andere bevolen plaatsen;
      20_10_h11_2

    2. ingedeeld personeel is niet (tevens) belast met een beveiligingstaak; de uitvoering van de ceremoniële taak geschiedt naast de normale inzet van personeel belast met beveiligingswerkzaamheden;

    3. bij ceremoniële inzet is sprake van dubbelposten, in beginsel bestaande uit of mannelijke of vrouwelijke leden; een couloir bestaat in beginsel uit 16 leden (in bijzondere gevallen 8 of 4, in nader overleg met de CMH van Z.M. de Koning) onder bevel van een officier; voorts dient een couloir te bestaan uit even aantallen mannelijke of vrouwelijke leden;

    4. ceremoniële posten staan zodanig opgesteld bij de hoofdingang(en) van de diverse gebouwen dat zij een ereplaats innemen; het gezicht is daarbij naar het publiek gericht.

  2. Inzet in Diensttenue KMar:

    1. dit tenue kan in opdracht van de adjudant van dienst van Z.M. de Koning worden gedragen, wanneer de eenheid van tenue gewaarborgd dient te zijn;

    2. het Diensttenue KMar wordt bevolen in gevallen waarin bezoek voor Z.M. de Koning of de leden van Zijn Huis ten paleizen arriveert en wordt begeleid door een ere-escorte of bij andere bezoeken, door of namens Z.M. de Koning.

  3. Voor inzet van ceremoniële posten op andere dan in dit hoofdstuk genoemde plaatsen of ter gelegenheid van andere dan hier bedoelde aangelegenheden, is in beginsel toestemming nodig van de CDS. 

5. Aanvullend militair ceremonieel uitgevoerd door de KMar

  1. Staatsbezoek:

    1. Groot motor ere-escorte (1/16/0) voor de eerste en laatste rit van het bezoek (van en naar het vliegveld);

    2. dubbelpost in CT (DPCT) op vliegveld van aankomst bij de eventuele wachtlocatie van Z.M. de Koning;

    3. DPCT, deel uitmakend van de militaire erewacht op vliegveld van aankomst nabij de vliegtuigtrap of podium;

    4. dubbelpost Diensttenue T4 KMar, deel uitmakend van de militaire erewacht tijdens de kranslegging, en aansluitend bewaking van deze krans (kranswacht)

    5. aanvullende diensten op aanvraag van Chef Militair Huis van Z.M. de Koning;

    6. DPCT voor bezoek aan de minister-president;

    7. DPCT voor bezoek aan het parlement.

  2. Officieel bezoek:

    1. DPCT bij aankomst en vertrek op het vliegveld nabij de vliegtuigtrap; in bijzondere gevallen wordt i.p.v. een DPCT, een couloir aangevraagd;

    2. klein motor ere-escorte (0/8/0) voor de eerste en laatste rit (van en naar het vliegveld);

    3. overig motorescorte (protocollaire escorte) wordt door Min BuZa via het Nationaal Coördinatie Centrum (NCC) aangevraagd en uitgevoerd door de landelijke eenheid Nationale Politie;

    4. DPCT voor bezoek aan de minister-president;

    5. DPCT voor bezoek aan het parlement.

  3. Werkbezoek:

    1. DPCT aankomst / vertrek op vliegveld nabij de vliegtuigtrap;

    2. dubbelpost Diensttenue KMar/CT op werklocatie. 

6. Bereden begeleiding

  1. Algemeen:

    1. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft, na overleg in het Kabinet, afgesproken dat hij zorg zal dragen voor de coördinatie van en de uniformiteit in verkeersescortes; zo is bepaald, dat alleen verzoeken om begeleiding in behandeling worden genomen indien er een dringende noodzaak kan worden aangegeven en alleen wanneer het in het kader van een zorgvuldige ambtsvervulling onvermijdelijk en geboden is.

    2. namens Z.M. de Koning kan een ere-escorte of protocollair escorte per motorrijwiel worden gegeven ter begeleiding en eerbewijs van vorstelijke personen en staatshoofden; de grootmeester van het Koninklijk Huis van Z.M. de Koning beoordeelt de criteria van inzet;

    3. bij officiële bezoeken aan de minister, de CDS of C-OPCO kan de minister een protocollair escorte bevelen;

  2. Bereden begeleiding kan worden onderscheiden in gidsen, verkeerstechnische begeleiding, (motor) ere-escortes, protocollaire escorten en begeleiding te paard in bijzondere gevallen.

    1. onder gidsing wordt verstaan: Het zorgdragen voor de begeleiding van transporten bij het volgen van de juiste route met inachtneming van het reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV1990);

    2. onder verkeerstechnische begeleiding* wordt verstaan: Het zorgdragen voor een juiste en vlotte verplaatsing door het verkeer, waarbij een vrije doorgang bij knelpunten verzorgd wordt. Hierbij kunnen aan zowel de bestuurder van het te begeleiden transport als aan de overige weggebruikers aanwijzingen worden gegeven, welke mogelijk in strijd zijn met het reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV1990); *bij aanvraag zal worden getoetst of de te escorteren voertuigen voor verkeerstechnische begeleiding in aanmerking komen.

    3. (Motor) Ere-escorte:

      1. Ere-escortes worden als eerbetoon uitgevoerd bij staatsbezoeken en voor staatshoofden, ambassadeurs en andere hoogwaardigheidsbekleders die een officieel bezoek aan Z.M. de Koning brengen;

      2. de coördinatie is in handen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de stalmeester van Z.M. de Koning alsmede de Ministeries van Buitenlandse Zaken, Veiligheid & Justitie en Defensie zijn betrokken;

      3. het groot ere-escorte bestaat uit 17 (16 motorrijders + 1 commandant) en het klein ere-escorte uit 8 motorrijders (in bijzondere gevallen 4 );

      4. het ere-escorte rijdt in zijn geheel vóór het voertuig van de te escorteren vorstelijke persoon of autoriteit; in beginsel zal in formatie met vieren worden gereden; in verband met de wegbreedte kan met tweeën worden bevolen;

      5. de commandant rijdt op een afstand van vier meter midden vóór het escorte, terwijl het escorte zich in zijn geheel tien meter vóór het te escorteren voertuig verplaatst;

      6. Indien (weers)omstandigheden dit vereisen, kan het ere-escorte worden uitgevoerd met auto’s.

    4. Protocollair escorte:

      1. in principe wordt het protocollair escorte door de landelijke eenheid Politie dan wel door een regio eenheid van de Nationale Politie uitgevoerd. Echter in het geval dat de landelijke eenheid Politie aan de KMar bijstand vraagt kan de KMar hier ook uitvoering aan geven;

      2. een protocollair escorte bestaat bij een officieel bezoek uit maximaal 8 motorrijders, bij een werkbezoek uit 8 of 2, terwijl bij een privébezoek geen toewijzing plaatsvindt;

      3. de toewijzing vindt plaats bij:

        1. staatsbezoeken op de ritten waarvoor geen ere-escorte is toegewezen;

        2. officiële bezoeken van regeringsleiders, staatshoofden, kroonprinsen, overige royalty, vicepresidenten, Ministers van Buitenlandse Zaken en secretarissen-generaal van internationale organisaties;

        3. bij werkbezoeken van staatshoofden, kroonprinsen en vicepresidenten.

    5. Begeleiding te paard:

      1. wordt in bijzondere gevallen door Z.M. de Koning en leden van het Koninklijk Huis opgedragen, voor bijvoorbeeld het aanbieden van geloofsbrieven van nieuwe ambassadeurs.


 

  1. Overige bepalingen:

    1. een ere- en protocollair escorte kan over een deel van de route worden uitgevoerd; het verkeersescorte begeleidt over de gehele route;

    2. het ere- of protocollair escorte maakt deel uit van de stoet;

    3. de uitvoering van ere-escortes is opgedragen aan de KMar; de detailregelingen zijn opgenomen in de operationele instructie van Circulaire bijzondere verkeerstechnische begeleiding (VT) van de NCTV.  

Hoofdstuk 12 Opstelling van eenheden

1. Eenheden te voet

  1.   De basisopstelling vanaf de rechterzijde* gezien bestaat achtereenvolgens uit:
    1º. muziekkorps;
    2º. vaandelwacht/groep;
    3º. buitenlandse eenheden;
    4º. ingedeelde eenheden;
    5º. niet-ingedeelde onderofficieren;
    6º. niet-ingedeelde officieren;
    7º. niet-ingedeelde vlag- en opperofficier(en);
    8º. Ridder(s) der Militaire Willems-orde;
    9º. burgerautoriteit(en);
    10º. burgergenodigden.
    * Gezien vanuit de positie: gezicht naar de open zijde van het carré.
    20_10_h12_1

  2. De paradecommandant kan, in overleg met de C-OPCO, afwijken van de onder § a genoemde basisopstelling.

  3. Één van de zijden van het carré dient open te blijven om aan alle ingedeelden de gelegenheid te geven de militaire ceremonie goed te kunnen overzien.

  4. Indien eenheden van meer dan één krijgsmachtdeel aan de ceremonie deelnemen, is de volgorde van opstelling vanaf de rechterzijde*: KM, KL, KLu, KMar.
    * Gezien vanuit de positie: gezicht naar de open zijde van het carré.

2. Bereden, gemotoriseerde en gemechaniseerde eenheden

  1. De opstelling van de ingedeelde eenheden wijkt niet af van het hierboven in § 1 vermelde.

  2. De bij de ingedeelde eenheden behorende hoofduitrustingsstukken als voertuigen, geschut, helikopters enz. staan zo mogelijk achter de ingedeelde eenheden opgesteld. 

Hoofdstuk 13 De parade

1. Algemeen

  1.   Een parade is een militaire plechtigheid, die achtereenvolgens kan bestaan uit:
    1º. het aantreden van de eenheid inclusief de niet-ingedeelde militairen en burgergenodigden;
    20_10_h13_3
    2º. de aankomst van de VIP genodigden;
    3º. de begroeting* van het Civiel cortège;
    4º. de begroeting* van het Militair cortège;
    5º. de begroeting* met eerbewijs van de Ridder(s) Militaire Willems-orde;
    6º. het intreden van een vaandelwacht;
    7º. de begroeting* met muzikaal eerbetoon van de parade-inspecteur;
    8º. het melden van de aangetreden eenheid door de paradecommandant aan de parade-inspecteur;
    9º. (a) een ceremoniële begroeting* van de aangetreden eenheid, niet-ingedeelden en genodigden door de parade-inspecteur, of:
    (b) een ceremoniële inspectie van de ingedeelde en niet-ingedeelde militaire eenheden;
    10º. een militaire activiteit (b.v. een medal-parade);
    11º. het afmelden van de aangetreden eenheid door de paradecommandant aan de parade-inspecteur (niet als een defilé volgt);
    12º. uittreden* van de vaandelwacht (niet als een defilé volgt en aangekondigd door een speaker);
    13º. uittreden* van de Ridder(s) Militaire Willemsorde (aangekondigd door een speaker);
    14º. uittreden* van het militair cortège (aangekondigd door een speaker);
    15º. uittreden* van het civiel cortège (aangekondigd door een speaker);
    16º. uittreden van de VIP genodigden;
    17º. uittreden niet-ingedeelde militairen en burgergenodigden;
    18º. een defilé.
    * Tijdens begroetingen en het uittreden dient de eenheid in de houding te staan.

  2. Bij een parade wordt onderscheid gemaakt tussen:
    1º. de parade-inspecteur; de autoriteit die in beginsel de ceremoniële begroeting of -inspectie houdt en voor wie tot slot wordt gedefileerd;
    2º. de paradecommandant; de officier die het commando voert over de opgestelde eenheid en onder wiens verantwoordelijkheid de commando’s worden gegeven.

  3. Als parade-inspecteur kunnen optreden:
    1º. Z.M. de Koning;
    2º. een lid van het Koninklijk Huis;
    3º. de gouverneurs van Curaçao, Aruba of Sint Maarten;
    4º. een buitenlands staatshoofd;
    5º. een lid van een buitenlands regerend vorstenhuis;
    6º. de minister-president;
    7º. een minister of staatssecretaris;
    8º. de gouverneur van de hoofdstad;
    9º. de gouverneur van de residentie;
    10º. een vlag- of opperofficier;
    11º. een vaandelvoerend commandant (regiments- of korpscommandant);
    12º. een hoofdofficier, commando voerend over een eenheid van bataljonsgrootte;
    13º. een door C-OPCO aan te wijzen hoofdofficier.

  4. Het defilé wordt separaat beschreven in hoofdstuk 14.   

2. De parade-order

  1.   De parade-order wordt opgesteld onder verantwoordelijkheid van de paradecommandant. Hij overlegt daartoe met de parade-inspecteur.

  2. Indien het ceremonieel wordt uitgevoerd t.b.v. Z.M. de Koning, een lid of gasten van het Koninklijk Huis, wordt van tevoren overleg gevoerd met de CMH van Z.M. de Koning.

  3. De parade-order dient ten minste de volgende onderwerpen te behandelen:
    1º. de deelnemende eenheden;
    2º. de rangschikking en opstelling van de eenheid;
    3º. plaats en tijd van opstelling, tenue, decoraties en bewapening;
    4º. richtlijnen voor de muziek;
    5º. opstelling van niet-ingedeelde militairen en burgergenodigden;
    6º. ontvangst vorstelijke personen en autoriteiten bij aanvang;
    7º. de voorbespreking en het vooroefenen;
    8º. de maatregelen t.a.v. bevelvoering, ordehandhaving, afsluiting van wegen, verzorging van het terrein, medische verzorging, verbindingen, parkeren van voertuigen, verzorging van alle deelnemers, ontvangst na afloop en andere voor een goede afloop van de ceremonie noodzakelijke regelingen;
    9º. coördinerende bepalingen.   

3. Het aantreden van de eenheid, niet-ingedeelde militairen en genodigden

  1.   De ingedeelde eenheden staan opgesteld als aangegeven in hoofdstuk 12, waarbij commandanten op het niveau van compagnie twee passen vóór en in het midden van de eenheid staan opgesteld. Commandanten van eenheden lager dan compagniesniveau staan bij hun eenheid ingetreden of staan rechts van de eenheid ter hoogte van het eerste gelid opgesteld. Bij deelname van grotere aantallen eenheden geldt dat de commandant op het niveau van een bataljon vóór en in het midden van de eenheid staat opgesteld en de lagere commandanten bij hun eenheid staan ingetreden of op de rechterflank van hun eenheid staan opgesteld.

  2. De niet-ingedeelde militairen. Zij vormen één of meer afzonderlijke groepen, waarbij steeds de hoogste / oudste in rang of een door de organisatie aan te wijzen militair, als commandant optreedt en twee passen vóór de eenheid staat opgesteld. De commando’s van de paradecommandant worden gevolgd.

  3. Vervolgens arriveert de paradecommandant en neemt rapport in.

  4. De paradecommandant neemt zijn plaats in, front naar het katheder (de open zijde van het carré), nadat de paradecommandant de eenheden: OP DE PLAATS - RUST heeft gecommandeerd.

  5. De aankomst van de burgergenodigden.

  6. De aankomst van de VIP genodigden (niet aangekondigd door een speaker, in één groep, geen eerbewijzen, wel geplaceerd).

  7. De begroeting van het Civiel cortège (aangekondigd door een speaker, in een zo klein mogelijke groep en wanneer de protocollaire status van een of meer van de leden van de groep hoger is dan die van de hoogste in rang/status van het militair cortège zal het civiel cortège na het militair cortège komen, geen ereroffels of ander eerbewijzen tenzij er een functionaris in deze groep zit die wel recht heeft op deze eerbewijzen).

  8. de begroeting van het Militair cortège (aangekondigd door een speaker, aankomst met eerbewijzen zoals omschreven in hoofdstuk 8, § 10 en § 11.

  9. Ridder(s) der Militaire Willemsorde, waarvoor op commando van de paradecommandant door de eenheden het eerbewijs IN DEN ARM - GEWEER wordt gebracht zodra deze binnen het opgestelde carré arriveert, direct gevolgd door het commando: ZET AF - GEWEER. Bij het uittreden wordt de houding aangenomen (aangekondigd door een speaker).

  10. De vaandelwacht treedt in volgens de procedure, beschreven in hoofdstuk 16 §1.

  11. De ontvangst van de parade-inspecteur kan nu plaatsvinden.   

4. Aankomst van de parade-inspecteur (zie ook hoofdstuk 8, § 11 onderdeel e)

  1.   Protocol, indien Z.M. de Koning, een lid van het Koninklijk Huis of de gouverneur van Curaçao, Aruba of Sint Maarten als parade-inspecteur optreedt:
    1º. de paradecommandant commandeert: GEEFT - ACHT en: PRESENTEERT - GEWEER, zodra de parade-inspecteur nadert;
    2º. de parade-inspecteur houdt halt op het moment dat hij binnen het opgestelde carré arriveert, waarna de paradecommandant aan het muziekkorps opdraagt: MUZIEK - WILHELMUS; het volkslied blijft achterwege als in de vervolgceremonie het spelen van het Wilhelmus reeds is voorzien; in plaats van het Wilhelmus speelt het muziekkorps dan de parademars;
    3º. nadat de muziek is beëindigd, begeeft de paradecommandant zich naar de parade-inspecteur, meldt de aangetreden eenheid, nodigt uit tot het uitvoeren van een ceremoniële inspectie en commandeert vervolgens: ZET AF - GEWEER; nadat de parade-inspecteur aangeeft gereed te zijn (en de inspectiedelegatie is geformeerd), begint de ceremoniële inspectie;
    4º. tijdens de aansluitende ceremonie verblijven de parade-inspecteur en de officieradjudant op de hun toegewezen plaats (zie schets);
    5º. voor het afmelden van de eenheid door de paradecommandant, voegt de officieradjudant zich weer bij de parade-inspecteur.

  2. Protocol, indien de parade-inspecteur een vlag- of opperofficier is of een autoriteit, zoals beschreven in hoofdstuk 8, en bij aankomst een muzikaal eerbetoon ten deel valt:
    1º. de paradecommandant commandeert: GEEFT - ACHT en: IN DEN ARM - GEWEER zodra de parade-inspecteur nadert;
    2º. de parade-inspecteur houdt halt op het moment dat hij binnen het opgestelde carré arriveert, waarna de paradecommandant aan het muziekkorps opdraagt: MUZIEK - …..(aantal) EREROFFELS;
    3º. het muziekkorps voert het muzikaal eerbetoon uit; de parade-inspecteur brengt de groet tijdens het in ontvangst nemen van het muzikaal eerbetoon;
    4º. nadat de muziek is beëindigd, begeeft de paradecommandant zich naar de parade-inspecteur, meldt de aangetreden eenheid, nodigt uit tot het uitvoeren van een ceremoniële inspectie en commandeert vervolgens: ZET AF - GEWEER; nadat de parade-inspecteur aangeeft gereed te zijn (en de inspectiedelegatie is geformeerd), begint de ceremoniële inspectie;
    5º. tijdens de aansluitende ceremonie verblijven de parade-inspecteur en de officieradjudant op de hun toegewezen plaats;
    6º. voor het afmelden van de eenheid door de paradecommandant, voegt de officieradjudant zich weer bij de parade-inspecteur.

  3. Protocol, indien de parade-inspecteur een hoofdofficier is:
    1º. de paradecommandant commandeert: GEEFT - ACHT en: IN DEN ARM - GEWEER zodra de parade-inspecteur nadert;
    2º. de parade-inspecteur houdt halt op het moment dat hij binnen het opgestelde carré arriveert, de paradecommandant begeeft zich naar de parade-inspecteur, meldt de aangetreden eenheid, nodigt uit tot het uitvoeren van een ceremoniële inspectie en commandeert vervolgens: ZET AF - GEWEER; nadat de parade-inspecteur aangeeft gereed te zijn (en de inspectiedelegatie is geformeerd), begint de ceremoniële inspectie;
    3º. tijdens de aansluitende ceremonie verblijven de parade-inspecteur en de officieradjudant op de hun toegewezen plaats;
    4º. voor het afmelden van de eenheid door de paradecommandant, voegt de officieradjudant zich weer bij de parade-inspecteur;

  4. Protocol, indien een ceremoniële begroeting wordt gehouden.
    20_10_h13_1
    Indien, in plaats van een ceremoniële inspectie, een ceremoniële begroeting wordt gehouden, brengt de parade-inspecteur, nadat de paradecommandant de eenheid heeft gemeld, eerst de eregroet aan het vaandel, waarna hij vanuit het midden van de opstelling achtereenvolgens de ingedeelde eenheden (kloksgewijs, zoals omschreven in bijzonderheden hieronder, onder 2) de niet-ingedeelde militairen en de genodigden begroet; deze groet wordt door niemand beantwoord.

Bijzonderheden:

  1. Rechts: de zijde waar de muziek (eventueel het vaandel) staat opgesteld, gezien vanuit de positie: gezicht naar de open zijde van het carré.

  2. Begroeting door de parade-inspecteur vanuit het midden: front naar de (in carré) opgestelde eenheden, de groet brengen en vervolgens hoofd links, aansluitend ‘hoofd rechts’ en ‘hoofd front’ maken en ‘de groet’ beëindigen, ‘rechtsom maken’ enz.
    Zo mogelijk begroet de parade-inspecteur de (niet) ingedeelde militairen en genodigden vanuit dezelfde positie.

  3. De parade-inspecteur, bedoeld in de onderdelen a en b, brengt de groet tijdens het muzikaal eerbetoon.

  4. Een officieradjudant loopt twee pas linksachter de autoriteit aan wie hij is toegevoegd.

5. De ceremoniële inspectie

  1.   De parade-inspecteur wordt bij het houden van de inspectie vergezeld door de paradecommandant, die daarbij rechts van hem loopt. Indien een autoriteit als gastheer optreedt (ontvangende functionaris, b.v. bij een buitenlands bezoek), verplaatst hij zich tussen de parade-inspecteur en de paradecommandant. Eventuele andere autoriteiten verplaatsen zich met tweeën achter de parade-inspecteur en de paradecommandant, de hoogste / oudste in rang achter de parade-inspecteur. Eventuele adjudanten verplaatsen zich achter de (militaire) autoriteit waaraan zij zijn toegevoegd.

  2. Voordat de ceremoniële inspectie kan beginnen, commandeert de parade-commandant: IN ORDE VAN - INSPECTIE. Overeenkomstig de rang van de parade-inspecteur commandeert hij vervolgens: PRESENTEERT - GEWEER, of: IN DEN ARM - GEWEER.
    * De dirigent, C-vaandelwacht en eenheidscommandanten brengen geen eerbewijs op de hierboven genoemde commando’s.

  3. De ceremoniële inspectie begint bij het muziekkorps, dat tijdens de inspectie niet speelt. Eerst nadat het muziekkorps en de vaandelwacht* zijn geïnspecteerd, wordt een inspectiemars gespeeld en zolang herhaald totdat de parade-inspecteur de ceremoniële inspectie heeft beëindigd.
    Uitsluitend de parade-inspecteur draait het hoofd naar de te inspecteren eenheid. De overigen kijken recht voor zich uit.
    * Indien geen vaandelwacht is ingedeeld, wordt een inspectiemars gespeeld direct nadat het muziekkorps is geïnspecteerd.
    20_10_h13_2

  4. Wanneer de parade-inspecteur het muziekkorps, de vaandelwacht of een eenheid tot op acht passen is genaderd, geeft de dirigent, C-vaandelwacht en eenheidscommandant het commando: HOOFD - RECHTS*, brengen vervolgens zelf de (ere)groet en maken hoofd rechts. De parade-inspecteur beantwoordt als enige die groet zodra hij de dirigent of eenheidscommandant passeert.
    *Bij grote eenheden kunnen de eenheidscommandanten (in opvolging) het commando: HOOFD - RECHTS commanderen met het gezicht naar de eenheid toe, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven.

  5. Ter hoogte van de vaandelwacht maken de parade-inspecteur en de personen die hem vergezellen, halt en front naar het vaandel en brengt eenieder de eregroet. De paradecommandant geeft hiervoor de benodigde aanwijzingen en commando’s.

  6. In de gevallen genoemd in hoofdstuk 5, § 5, wordt de groet met het vaandel gebracht.

  7. Zodra de laatste eenheid is geïnspecteerd, inclusief alle niet ingedeelde militairen, begeleidt de paradecommandant de parade-inspecteur naar de voor hem bestemde plaats, commandeert vervolgens: ZET AF - GEWEER en: OP DE PLAATS - RUST.

  8. De aangetreden eenheid staat nu gereed voor een militaire activiteit en neemt deel aan bijvoorbeeld een commando-overdracht, de uitreiking van vaandels, medailles, diploma’s, brevetten, getuigschriften, onthullingen enz.

  9. Na afloop van de militaire plechtigheid kan de ceremonie worden besloten met een defilé, zoals aangegeven in hoofdstuk 14.

  10. De parade-inspecteur verzoekt aan de paradecommandant om de aangetreden eenheid af te melden. Alle militaire ceremonies, waarbij de eenheid door de paradecommandant wordt gemeld bij (aankomst van) de parade-inspecteur, worden besloten met het afmelden van die eenheid (bij vertrek) van de parade-inspecteur. M.u.v. het muzikale eerbetoon wordt bij vertrek (in relatie tot de bewapening) hetzelfde eerbewijs gecommandeerd tijdens het afmelden als tijdens het melden van de aangetreden eenheid door de paradecommandant bij de parade-inspecteur.

  11. De parade-inspecteur brengt bij zijn vertrek het verschuldigde eerbewijs aan het vaandel. Nadat de parade-inspecteur uit zicht is verdwenen, laat de paradecommandant de geweren afzetten. Indien er geen defilé plaatsvindt treedt vervolgens het vaandel uit.

  12. Daarna treden achtereenvolgens de Ridder(s) Militaire Willems-orde, militair cortège en het civiel cortège uit. Aansluitend laat de paradecommandant de eenheid de rusthouding aannemen.

  13. Vervolgens treden achtereenvolgens de VIP genodigden, de burgergenodigden en de niet ingedeelde militairen uit.

  14. De eenheid is nu ter beschikking van de respectievelijke commandanten.

Bijzonderheden:

  1. De inspectie van een bereden eenheid geschiedt zoals in deze § bepaald. Bij voorkeur zijn de parade-inspecteur en andere hem vergezellende autoriteiten ook bereden.

  2. Indien een ceremoniële inspectie per voertuig plaatsvindt, geschiedt de inspectie door de parade-inspecteur staande in zijn voertuig. De paradecommandant volgt hem staande in zijn eigen voertuig op vijf meter afstand. Indien de voertuigen daartoe ruimte bieden, kunnen zij zich laten vergezellen door hun officierenadjudant. De hiërarchieke chefs worden in dit geval niet uitgenodigd de parade-inspecteur te vergezellen.

  3. De functies van parade- en eenheidscommandant kunnen bij opleidingseenheden (uit instructief oogpunt) door aspirant (onder)officieren worden uitgevoerd.

  4. Om de ceremoniële inspectie correct te kunnen uitvoeren is het strikt noodzakelijk dat:
    a. de eenheidscommandanten maximaal twee passen (midden) vóór hun eenheid staan;
    b. de parade-inspecteur zo dicht mogelijk vóór de eenheid langs marcheert;
    c. in de hoeken van het carré voldoende ruimte (10 passen) wordt gelaten tussen de eenheden, zodat het commando: HOOFD - RECHTS correct kan worden uitgevoerd.

  5. Na het commando PRESENTEERT – GEWEER, OF: IN DEN ARM – GEWEER maken ongewapende militairen en militairen uitgerust met een pistool GEEN hoofd rechts.

  6. Terwijl de eenheid de parade verlaat kan er muziek ten gehore worden gebracht.

6. Uitzonderingsbepalingen

  1.   De parade-inspecteur bepaalt of hij een ceremoniële begroeting dan wel een ceremoniële inspectie wenst uit te voeren. Zowel de ceremoniële begroeting als de ceremoniële inspectie vangen onmiddellijk aan na het melden van de aangetreden eenheden door de paradecommandant aan de parade-inspecteur.

  2. Indien de parade-inspecteur een rang bekleedt beneden de rang van vlag- of opperofficier, houdt hij in principe een ceremoniële begroeting vanuit het midden van de opstelling. In dat geval zal de parade-inspecteur, nadat de paradecommandant de aangetreden eenheid heeft gemeld, zich eerst naar de vaandelwacht begeven om het vaandel te groeten en vervolgens vanuit het midden de ceremoniële begroeting aanvangen. Tenslotte begeeft hij zich naar de hem toebedachte plaats.

  3. Bij een herdenkingsplechtigheid blijft een ceremoniële inspectie achterwege en kan eventueel een ceremoniële begroeting worden uitgevoerd.

  4. De officieradjudant van de parade-inspecteur kan tijdens de ceremoniële begroeting en ceremoniële inspectie in de omgeving van het katheder verblijven.

  5. Bij ceremoniële inspecties van grote eenheden kan, in verband met het gevraagde marstempo, een andere inspectiemars worden gespeeld. Ook kan worden gekozen voor één van de defileer-, regiments- of onderdeelmarsen, vermeld in bijlage F-II.   

7. Grote parade

  1.   De KM kent ‘grote parade’ als één van haar plechtigheden, die in voorkomend geval wordt besloten met een defilé.

  2. Voor de uitvoering van grote parade: zie hoofdstuk 23, § 2, onderdeel a en b.   

Hoofdstuk 14 Het defilé

1. Algemeen

  1.   Een militaire plechtigheid kan worden afgesloten met een defilé, zijnde het marcheren van eenheden of voorbijrijden van voertuigen langs de parade-inspecteur. De parade-inspecteur heeft in beginsel minimaal de (vergelijkbare) rang van brigadegeneraal. In andere gevallen beslist C-OPCO of een defilé wordt gehouden; een gemotoriseerd defilé behoeft altijd zijn toestemming.

  2. Een defilé kan ook als separate militaire activiteit worden gehouden, bijvoorbeeld ter gelegenheid van de verjaardag van Z.M. de Koning.

  3. Het defilé wordt in beginsel niet door een andere burgerautoriteit afgenomen dan die zoals vermeld in onderdeel a, behoudens met toestemming van de minister.

  4. Een defilé wordt zo mogelijk afgenomen vanaf een podium.

  5. De parade-inspecteur kan (een) autoriteit(en) uitnodigen het defilé mede af te nemen. Zij staan achter de parade-inspecteur op het podium.

  6. Indien een vaandelwacht is ingedeeld, wordt met het vaandel gegroet voor de in hoofdstuk 5, § 5, genoemde personen.

  7. Van de aanwezigen op het podium groet uitsluitend de parade-inspecteur en wel voor commandanten vanaf compagniesniveau en hoger met dien verstande, dat door allen de eregroet wordt gebracht voor het vaandel.

  8. De niet-ingedeelde militairen vormen een afzonderlijke groep. De hoogste in rang treedt op als commandant en staat op de rechtervleugel. Tijdens het defileren nemen de niet-ingedeelden de houding aan en brengen alleen de eregroet voor het vaandel.

  9. Indien eenheden van verschillende krijgsmachtdelen zijn ingedeeld, wordt gedefileerd in de volgorde KM, KL, KLu, KMar.

  10. Detachementen die moeten defileren, dienen in beginsel niet groter te zijn dan 40 militairen om tijdens het marcheren te voorkomen dat de cadans verdwijnt.

  11. Eventueel kan tijdens een defile ook een fly-past plaatsvinden van militaire vliegtuigen. Dit dient zo gesynchroniseerd te worden met de passerende eenheden op de grond dat voor alle deelnemende eenheden, zowel op de grond als in de lucht, genoeg aandacht kan zijn.

2. De opstelling rond het podium

  1.   Op het podium staan:
    1º. de parade-inspecteur;
    2º. door de parade-inspecteur uitgenodigde autoriteit(en);
    3º. de paradecommandant nadat hij zich heeft gemeld.

  2. Achter op het podium staan:
    1º. de officieradjudant van de parade-inspecteur;
    2º. de officieradjudant van de paradecommandant en die van de op het podium genodigde autoriteit(en).

  3. Naast het podium staan opgesteld: (zie bijzonderheden, nummer 2)
    1º. links van het podium de genodigde burgerautoriteit(en);
    2º. direct rechts van het podium de Ridder(s) der Militaire Willems-orde;
    3º. rechts van de Ridder(s) der Militaire Willems-orde de niet-ingedeelde (vlag- en opper)officieren;
    4º. rechts van de officieren de niet-ingedeelde onderofficieren.

  4. Links en rechts van het podium: (zie bijzonderheden, nummer 2)
    1º. zowel links als rechts van het podium, op een zodanige afstand dat de opstelling rond het podium is ingesloten, staan richtvlagdragers opgesteld;
    2º. ter hoogte van de linker richtvlagdrager begint het brengen van eerbewijzen; ter hoogte van de rechter richtvlagdrager eindigt het brengen van eerbewijzen (zie bijzonderheden, nummer 1).

  5. Het ingedeelde muziekkorps passeert als eerste eenheid de parade-inspecteur, maakt indien mogelijk tweemaal hoofd der colonne links en stelt zich tegenover het podium op.

Bijzonderheden:

  1. Indien de ingedeelde eenheden door plaatselijke omstandigheden vanaf het podium gezien van rechts komen aanmarcheren, dient de opstelling, genoemd in de onderdelen c en d, gespiegeld te worden en de commando’s voor het muziekkorps en voor de overigen, bij het passeren van de richtvlaggen, overeenkomstig te worden aangepast.

  2. Links en rechts van het podium is gezien vanuit de parade-inspecteur.

3. Het defilé te voet

  1.   De samenstelling:
    1º. paradecommandant (eventueel staande in een voertuig);
    2º. ingedeeld muziekkorps;
    3º. ingedeelde vaandelwacht;
    4º. ingedeelde eenheden.

  2. De uitvoering:
    1º. de paradecommandant komt aangereden en meldt aan de parade-inspecteur, dat de eenheden gereed zijn voor het defilé en neemt plaats rechtsachter de parade-inspecteur op het podium; zijn voertuig wordt zodanig aan de kant van de weg gezet, dat het defilé ongestoord kan plaatsvinden;
    20_10_h14_1
    2º. het defilé begint met het muziekkorps, dat (al spelend) voorbij marcheert en tegenover het podium een opstelling inneemt en aldaar (ononderbroken) zo nodig verschillende defileermarsen ten gehore brengt;
    3º. daarna passeert de vaandelwacht; C-vaandelwacht groet de parade-inspecteur (in de gevallen, genoemd in hoofdstuk 5, § 5, wordt met het vaandel gegroet), terwijl de leden van de vaandelwacht recht voor zich uit blijven kijken;
    4º. vervolgens passeren de ingedeelde compagnieën bestaande uit minimaal twee detachementen ter grootte van maximaal 40 militairen; de commandant van een detachement loopt twee passen in het midden voor zijn eenheid, terwijl de commandant van de compagnie zes passen in het midden voor zijn eenheid loopt; de afstand tussen de ingedeelde compagnieën is ongeveer 20 passen;
    5º. elke commandant van een compagnie maakt ter hoogte van de eerste richtvlagdrager hoofd rechts en geeft aansluitend het commando: HOOFD - RECHTS en brengt (eventueel met sabel) zelf de (ere)groet, gelijktijdig met het hoofd rechts van de compagnie; ter hoogte van de tweede richtvlagdrager beëindigt de commandant van de compagnie de (ere)groet en geeft aansluitend het commando: HOOFD - FRONT en voert gelijktijdig met de compagnie deze beweging uit;
    6º. zodra de laatste eenheid is gepasseerd, sluit het ingedeelde muziekkorps (nog steeds spelend) op ongeveer 20 passen achter die eenheid aan;
    7º. tot slot meldt de paradecommandant de eenheden af bij de parade-inspecteur en vervolgt zijn weg in het voor hem bestemde voertuig;
    8º. voordat de ingedeelde eenheden worden ontbonden, dient de vaandelwacht op de daartoe voorgeschreven wijze uit te treden.   

4. Het bereden defilé

  1.   De samenstelling:
    1º. paradecommandant (bereden);
    2º. ingedeeld muziekkorps;
    3º. ingedeelde bereden standaardwacht;
    4º. ingedeelde bereden eenheden.

  2. De uitvoering:
    1º. het melden van de paradecommandant geschiedt overeenkomstig het gestelde bij het defilé te voet, met dien verstande dat, indien de parade-inspecteur bereden is, de paradecommandant zich te paard rechtsachter hem zal opstellen; is de parade-inspecteur te voet dan zal de paradecommandant na de melding afstijgen en zijn paard aan een oppasser overgeven;
    2º. de wijze van optreden van het muziekkorps is overeenkomstig het optreden bij een defilé te voet;
    3º. afhankelijk van de afmetingen van het terrein zal in stap, doorgezeten draf of galop worden gedefileerd;
    4º. het verloop van het defilé is verder conform het defilé te voet;
    5º. wordt in stap gedefileerd, dan wordt gereden in de houding draagt sabel, in draf of galop in de houding gereed sabel;
    6º. bij het commando: HOOFD - RECHTS groet de commandant van een eskadron met de sabel.

  3. De frontmars
    Laten de omstandigheden en het terrein dit toe, dan wordt het defilé besloten met een frontmars, nadat het muziekkorps de opstelling heeft verlaten. Hiertoe zullen de eenheden zich in het terrein, ver voor het podium, in linie opstellen, de standaardwacht in het midden. Vervolgens gaat men, bij voorkeur in galop voorwaarts en houdt op één pelotonbreedte voor het podium in linie halt. Tenslotte meldt de paradecommandant de eenheden af bij de parade-inspecteur en treedt vóór het ontbinden van de ingedeelde eenheden de standaard op de voorgeschreven wijze uit.   

5. Het gemotoriseerde / gemechaniseerde defilé

  1.   De samenstelling:
    1º. paradecommandant, staande in een voertuig;
    2º. ingedeeld muziekkorps;
    3º. ingedeelde vaandelwacht (in voertuigen, zoals beschreven in hoofdstuk 5, § 10, onderdeel c);
    4º. ingedeelde voertuigen.

  2. De uitvoering:
    1º. het melden van de paradecommandant geschiedt analoog aan het gestelde bij het defilé te voet;
    2º. de wijze van optreden van het muziekkorps is identiek aan het optreden bij een defilé te voet, met dien verstande dat (ononderbroken) zo nodig verschillende defileermarsen ten gehore kunnen worden gebracht;
    3º. de deelnemende voertuigen defileren met een snelheid van ongeveer 15 kilometer per uur;
    4º. de onderlinge afstand tussen de voertuigen is ongeveer 15 meter; indien sprake is van ingedeelde eenheden, wordt tussen het laatste voertuig van een eenheid en het eerste voertuig van de volgende eenheid een afstand aangehouden van ongeveer 50 meter;
    5º. de commandant van een compagnie brengt ter hoogte van de eerste richtvlagdrager de (ere)groet en beëindigt deze ter hoogte van de tweede richtvlagdrager;
    6º. de commandant van elk voertuig maakt (zo mogelijk staande) ter hoogte van de eerste richtvlagdrager hoofd rechts, en ter hoogte van de tweede richtvlagdrager hoofd front; de overige inzittenden blijven rechtop zitten en kijken daarbij recht vooruit;
    7º. pistooldragenden en ongewapende inzittenden kruisen de armen horizontaal voor de borst, de rechterarm over de linker; de met geweer gewapende inzittenden plaatsen het wapen tussen de benen en houden dit met beide handen vast; indien een persoonlijk wapen voor de borst wordt gedragen, wordt het wapen vastgehouden zoals vermeld in de DP 20-20: Handboek exercitie voor de krijgsmacht;
    8º. vuurmonden en boordwapens worden niet gedraaid;
    9º. zodra het laatste voertuig is gepasseerd, sluit het muziekkorps aan, meldt de paradecommandant de eenheden af bij de parade-inspecteur en wordt, voor het ontbinden van de ingedeelde eenheden, het uittreden van de vaandelwacht op de voorgeschreven wijze uitgevoerd.   

6. Een gecombineerd defilé

  1.   Indien gewenst kan een defilé worden gehouden met eenheden te voet, gezamenlijk met bereden eenheden of ingedeelde voertuigen.

  2. De hierboven beschreven uitvoeringsbepalingen in de § 3, 4 en 5 zijn van toepassing.

  3. In beginsel start het defilé met het ingedeelde muziekkorps, de vaandelwacht en eenheden te voet en bereden eenheden, op enige afstand gevolgd door de ingedeelde voertuigen.   

Hoofdstuk 15 De (buitengewone) vlaggenparade

1. Het hijsen van de Nederlandse vlag

  1. De wachtcommandant of de aangewezen burgerfunctionaris, wijst voor het hijsen van de vlag in principe twee vlaggenhijsers aan die vervolgens door hem op de hoogte worden gebracht van hun taak (zie ook hoofdstuk 1, § 2, onderdeel g).

  2. De muzikant (indien ingedeeld) blaast het signaal bij de vlag.

  3. Vijf minuten vóór het tijdstip van het hijsen van de vlag treden de vlaggenhijsers (en de muzikant) buiten aan. Eén van de vlaggenhijsers draagt de vlag opgevouwen op de horizontaal gestrekte onderarmen; zijn bovenarmen blijven tegen het lichaam gedrukt.

  4. De wachtcommandant marcheert met de vlaggenhijsers (en de muzikant) naar de vlaggenmast, laat aldaar halt houden en stelt de vlaggenhijsers in de nabijheid van en met het front naar de vlaggenmast op in de rusthouding. Door één van de vlaggenhijsers wordt de vlaggenlijn losgemaakt, waarna de ander de vlag aanslaat.

  5. Het tijdstip* voor het hijsen van de vlag wordt aangegeven door het signaal geeft acht of, indien geen (bel)signaal kan worden gegeven, op aanwijzing van de wachtcommandant. Onmiddellijk hierna volgen de commando’s: GEEFT - ACHT, BRENGT ERE - GROET en: VLAG - HIJSEN, waarna één van de vlaggenhijsers de vlag langzaam en statig hijst totdat deze geheel (in top) is gehesen. De vlaggenlijn wordt tijdens het hijsen door de tweede vlaggenhijser gespannen gehouden, terwijl de vlag de grond niet mag raken.
    * KM: één minuut voor aanvang vlag hijsen wordt de aanwijzing stilte aan dek, front maken naar de vlag, gegeven.

  6. De muzikant speelt tijdens het hijsen van de vlag het Wilhelmus.

  7. Tijdens het hijsen van de vlag brengen de eventueel aangetreden eenheden (front naar de vlag) en de wachtcommandant de eregroet.

  8. Zodra de vlag is gehesen volgt een belsignaal, het signaal doorgaan of het commando: VLAG - GEREED waarna de eregroet wordt beëindigd en de vlaggenlijn wordt vastgeknoopt.

  9. Vervolgens marcheert de wachtcommandant met de vlaggenhijsers (en de muzikant) terug naar het wachtgebouw.

Bijzonderheden:

  1. Indien men tijdens het hijsen of neerhalen van de vlag (passeren van een ontplooid vaandel, militaire begrafenisstoet enz.) of anderszins in situaties waarbij de (ere)groet moet worden gebracht, een voertuig bestuurt, dient met uit- of af te stappen, front naar de vlag (enz.) te maken en het voorgeschreven eerbewijs te brengen. Burgerpersonen maken front naar de vlag (enz.).
    Het bovenstaande is tevens van toepassing op eventuele (burger)passanten te voet, die de vlag tijdens het hijsen of neerhalen in zicht hebben.

  2. Het Wilhelmus, als Nederlandse hymne, gespeeld door een muziekkorps of muzikant, duurt ± 50 seconden. Om de vlag langzaam en statig te hijsen en neer te halen, dient dit in ± 20 seconden te gebeuren. Bij de KM wordt tijdens het hijsen en neerhalen van de vlag de vaandelmars gespeeld.

  3. Voorafgaand aan het hijsen van de vlag mogen in de onmiddellijke nabijheid geen andere vlaggen zijn of worden gehesen. De Nederlandse vlag dient als eerste gehesen te worden of gelijktijdig met andere vlaggen.
    Voor meer bijzonderheden
    zie hoofdstuk 3: Vlaggen.  

2. Het neerhalen van de Nederlandse vlag

  1. De wachtcommandant of de aangewezen burgerfunctionaris wijst voor het neerhalen van de vlag twee vlaggenhijsers aan, die vervolgens door hem op de hoogte worden gebracht van hun taak.

  2. De muzikant (indien ingedeeld) blaast het signaal bij de vlag.

  3. Vijf minuten vóór het tijdstip van het neerhalen* van de vlag, marcheert de wachtcommandant met de twee vlaggenhijsers (en de muzikant) naar de vlaggenmast, laat aldaar halt houden en stelt de vlaggenhijsers in de nabijheid van en met het front naar de vlag op in de rusthouding.
    Door één van de vlaggenhijsers wordt de vlaggenlijn losgemaakt.

  4. Het tijdstip voor het neerhalen van de vlag* wordt aangegeven door de muzikant met het signaal geeft acht of, indien geen (bel)signaal kan worden gegeven, op aanwijzing van de wachtcommandant. Onmiddellijk hierna volgen de commando’s: GEEFT - ACHT, BRENGT ERE - GROET en: VLAG - NEERHALEN, waarna één van de vlaggenhijsers de vlag langzaam en statig neerhaalt. De vlaggenlijn wordt tijdens het neerhalen door de tweede vlaggenhijser gespannen gehouden, terwijl de vlag de grond niet mag raken.
    * KM: één minuut voor aanvang vlag neerhalen wordt de aanwijzing stilte aan dek, front maken naar de vlag gegeven.

  5. De muzikant speelt tijdens het neerhalen van de vlag het Wilhelmus.

  6. Tijdens het neerhalen van de vlag brengen de eventueel aangetreden eenheden (front naar de vlag) en de wachtcommandant de eregroet.

  7. Zodra de vlag is neergehaald, volgt een belsignaal, wordt het signaal doorgaan of het commando: VLAG - GEREED gegeven, waarna de eregroet wordt beëindigd en de vlaggenlijn wordt vastgeknoopt.

  8. Nadat de vlaggenlijn is vastgeknoopt, vouwen de vlaggenhijsers de vlag op zoals omschreven in hoofdstuk 3, § 7. Eén van de vlaggenhijsers legt de gevouwen vlag op de horizontaal gestrekte onderarmen (bovenarmen tegen het lichaam gedrukt) van de andere vlaggenhijser, waarna de wachtcommandant met de vlaggenhijsers (en de muzikant) terugkeren naar het wachtgebouw.

Bijzonderheden: De Nederlandse vlag dient als laatste, of gelijktijdig met andere vlaggen te worden neergehaald.
Voor meer bijzonderheden
zie hoofdstuk 3: Vlaggen.

3. De (buitengewone) vlaggenparade (KL, KLu, KMar)

  1. Algemeen:
    1º. ter gelegenheid van bijzondere gelegenheden en op nationale feestdagen kan een (buitengewone) vlaggenparade plaatsvinden; in beginsel vindt de vlaggenparade plaats op een militair complex; desgevraagd kan een C-OPCO toestaan dat een vlaggenparade buiten een militair complex wordt gehouden;
    2º. in beginsel bestaat een vlaggenparade uit het met enig ceremonieel en muzikaal eerbetoon hijsen van de vlag.

  2. Deelnemers en opstelling:
    1º. de aangewezen eenheidscommandant is verantwoordelijk voor het vaststellen van de ceremonie; hij kan daartoe gebruikmaken van het bepaalde in hoofdstuk 13, § 2;
    2º. de deelnemende eenheden, niet-ingedeelde militairen en burgergenodigden staan in beginsel opgesteld zoals is aangegeven in hoofdstuk 12;
    3º. de deelnemende eenheden dienen zodanig te zijn opgesteld, dat elke aanwezige het hijsen van de vlag kan waarnemen;
    4º. een wachtcommandant*, twee vlaggenhijsers en een muzikant of muziekkorps maken deel uit van het ceremonieel.

  3. Uitvoering:
    1º. commandanten van deelnemende eenheden melden zich bij de paradecommandant;
    2º. achtereenvolgens worden nu de volgende commando’s of signalen gegeven en handelingen verricht:

muzikant

blaast het signaal bij de vlag;

wachtcommandant

marcheert met twee vlaggenhijsers en een muzikant naar de vlaggenmast en laat de vlag aanslaan;

muzikant

blaast signaal geeft acht;

paradecommandant

BRENGT ERE - GROET;

wachtcommandant

VLAG - HIJSEN;

(muzikant)muziekkorps

speelt tijdens het hijsen van de vlag het Wilhelmus;

muzikant

blaast het signaal doorgaan, zodra de vlag is gehesen;

paradecommandant

IN DE HOUDING - STAAT en: OP DE PLAATS - RUST, de parade- of onderdeelscommandant houdt vervolgens een korte toespraak om de aanleiding tot de vlaggenparade te memoreren;

paradecommandant

GEEFT - ACHT;

wachtcommandant

marcheert af met de vlaggenhijsers en muzikant;

paradecommandant

EENHEDEN TER BESCHIKKING, de paradecommandant nodigt (indien bedoeld) niet-ingedeelde militairen en burgergenodigden uit voor een receptie;

muziekkorps

speelt tijdens de afmars van de eenheden muziek;

3º. indien wordt bepaald dat bij aanvang van de vlaggenparade de vlaggenhijsers en de muzikant reeds bij de vlaggenmast staan opgesteld, worden de onderstaande commando’s of signalen gegeven en handelingen verricht:

wachtcommandant

marcheert met twee vlaggenhijsers en een muzikant naar de vlaggenmast en laat de vlag aanslaan, ruim voordat de genodigden hun opstelling innemen;

paradecommandant

GEEFT - ACHT en: BRENGT ERE - GROET;

wachtcommandant

VLAG - HIJSEN;

(muzikant) muziekkorps

speelt tijdens het hijsen van de vlag het Wilhelmus;

muzikant

blaast het signaal doorgaan, zodra de vlag is gehesen;

paradecommandant

IN DE HOUDING - STAAT en: OP DE PLAATS - RUST, de parade- of onderdeelscommandant houdt vervolgens een korte toespraak om de aanleiding tot de vlaggenparade te memoreren; de ceremonie kan nu worden afgesloten zoals vermeld onder 2º; naar keuze kan het afmarcheren van de vlaggenwacht ook geschieden nadat alle betrokkenen en genodigden de plaats van de plechtigheid hebben verlaten;

4º. indien bij de vlaggenparade geen eenheden zijn ingedeeld, dient een militair als commandant te worden aangewezen die zorg draagt voor een analoge afloop als onder 2º en 3º is aangegeven.

4. De (buitengewone) vlaggenparade bij de KM

  1. De uitvoering van een vlaggenparade bij de KM is zowel aan boord van schepen als bij inrichtingen aan wal afwijkend van het hiervoor gestelde in § 1 tot en met § 3.

  2. Zie hoofdstuk 9, § 23, onderdeel b. 

Hoofdstuk 16 Ceremonieel met het vaandel

1. Intreden van een vaandel en vaandelwacht

Algemeen

Voor de exercitie met het vaandel en de door C-vaandelwacht te geven commando’s zie de DP 20-20: Handboek exercitie voor de krijgsmacht, hoofdstuk 9.
Zodra de vaandelwacht is ingetreden, volgt deze de commando’s van de paradecommandant. C-vaandelwacht herhaalt voor het intreden de vigerende (overeenkomstige) commando’s, bestemd voor de vaandelwacht (zie ook hoofdstuk 1, § 2, onderdeel d).

  1. De vaandelwacht treedt aan op linie, op twee gelederen en stelt zich op voor de ingang van het gebouw waar het vaandel (zo nodig tijdelijk) wordt bewaard.

  2. C-vaandelwacht zet de vaandelwacht: OP DE PLAATS - RUST, begeeft zich met de vaandeldrager naar het bureau van de vaandelvoerend commandant en meldt zich gereed voor het in ontvangst nemen van het vaandel.

  3. De vaandeldrager haalt, in aanwezigheid van C-vaandelwacht, het vaandel op.

  4. Op het moment dat de vaandeldrager met het vaandel in zicht komt, commandeert de oudste onderofficier: VAANDELWACHT GEEFT - ACHT en: VAANDELWACHT PRESENTEERT – GEWEER, waarna de vaandeldrager zijn plaats in het voorste gelid inneemt, terwijl C-vaandelwacht zich rechts van het voorste gelid opstelt en het commando overneemt door het commando: VAANDELWACHT ZET AF - GEWEER *.
    * Vanaf dit moment wordt het vaandel geacht ‘te zijn ontplooid’ en moeten de verschuldigde eerbewijzen aan het vaandel worden gebracht, ook door niet ingedeelde militairen (aangetreden of op de tribune gezeten).
    Burgers: tijdens het passeren, in- en uittreden van een vaandel: opstaan en indien heren een hoofddeksel dragen, zetten zij dit af.

  5. C-vaandelwacht marcheert de vaandelwacht in over geweer af naar de plaats van de ceremonie om aldaar in te treden.

  6. Zodra het vaandel in het zicht komt van de opgestelde eenheden, commandeert de paradecommandant: GEEFT - ACHT.

  7. C-vaandelwacht manoeuvreert de vaandelwacht op tien passen in front van de paradecommandant (front vaandelwacht: naar open zijde van het carré) en commandeert: VAANDELWACHT: ZET AF - GEWEER en meldt de vaandelwacht.

  8. De paradecommandant commandeert vervolgens: PRESENTEERT - GEWEER en C-vaandelwacht: VAANDELWACHT PRESENTEERT - GEWEER.

  9. De paradecommandant geeft het ingedeelde muziekkorps opdracht de vaandel- of standaardmars te spelen, door aan te geven: MUZIEK - VAANDELMARS. Het muziekkorps speelt de vaandel- of standaardmars, gevolgd door de eerste vier maten van het Wilhelmus.

  10. De paradecommandant vervolgt met: ZET AF - GEWEER, en C-vaandelwacht met: VAANDELWACHT ZET AF - GEWEER.

  11. De paradecommandant geeft de aanwijzing vaandelwacht intreden, waarna C-vaandelwacht commandeert: VAANDELWACHT OVER - GEWEER en vervolgens de vaandelwacht bij de opgestelde eenheden laat intreden.

  12. Nadat de vaandelwacht op de voor hem bestemde plaats is aangekomen, commandeert C-vaandelwacht: VAANDELWACHT ZET AF - GEWEER. De paradecommandant vervolgt met: OP DE PLAATS - RUST, en C-vaandelwacht met: VAANDELWACHT OP DE PLAATS - RUST. Vanaf dat moment volgt de vaandelwacht alle commando’s van de paradecommandant en commandeert de C-vaandelwacht niet meer zelf.

  13. In de ruststand dient de vaandelstok te allen tijde vóór en tegen de punt van de rechtervoet te worden geplaatst (niet in de schoen van de bandelier houden).

  14. De geplande plechtigheid kan nu aanvangen.   

2. Intreden van een standaard en een bereden standaardwacht

  1.   De eenheid staat aangetreden in de houding gereed sabel tegenover de ingang van het gebouw waar de standaard (zo nodig tijdelijk) wordt bewaard. De eenheid treedt aan op linie, afhankelijk van de beschikbare ruimte op één gelid, op twee of op meer gelederen; de standaardwacht op twee gelederen midden, dwars voor de eenheid, de standaarddrager uitgetreden op één paardlengte vóór het eerste gelid van de standaardwacht.

  2. De standaardvoerend commandant, of bij verhindering van deze een daartoe aangewezen onderofficier, begeeft zich met de standaard naar buiten.

  3. Zodra de standaard in het zicht komt van de opgestelde eenheden, commandeert de paradecommandant: DRAAGT - SABEL en C-standaardwacht: STANDAARDWACHT DRAAGT - SABEL.

  4. De standaardvoerend commandant, dan wel de aangewezen onderofficier, stelt zich op vóór de standaarddrager.

  5. De paradecommandant commandeert vervolgens: PRESENTEERT - SABEL, C-standaardwacht: STANDAARDWACHT PRESENTEERT - SABEL.

  6. De paradecommandant geeft het ingedeelde muziekkorps, of muzikant, opdracht de mars te spelen, door het commando: MUZIEK - STANDAARDMARS. Het muziekkorps of de muzikant speelt de mars, gevolgd door de eerste vier maten van het Wilhelmus.

  7. De standaardvoerend commandant, dan wel de aangewezen onderofficier, overhandigt de standaard aan de standaarddrager, groet de standaard en marcheert af.

  8. De paradecommandant vervolgt met het commando: DRAAGT - SABEL, en C-standaardwacht met: STANDAARDWACHT DRAAGT - SABEL.

  9. De paradecommandant geeft het commando: STANDAARDWACHT - INTREDEN, en C-standaardwacht: STANDAARDWACHT - OPSLUITEN, waarop de standaardwacht de standaarddrager insluit en C-standaardwacht vervolgens de standaardwacht bij de opgestelde eenheden laat intreden.

  10. Nadat de standaardwacht op de voor hem bestemde plaats is aangekomen, commandeert de paradecommandant: GEREED - SABEL, en C-standaardwacht: STANDAARDWACHT GEREED - SABEL.

  11. De geplande plechtigheid kan nu aanvangen.

  12. Indien de eenheid zich niet bevindt in de nabijheid van het gebouw waar de standaard (tijdelijk) wordt bewaard, geschiedt het overreiken van de standaard aan de standaarddrager als volgt:
    1º. de standaardwacht staat aangetreden in de houding gereed sabel tegenover de ingang van het gebouw waar de standaard (zo nodig tijdelijk) wordt bewaard, in linie op twee gelederen, de standaarddrager uitgetreden op één paardlengte vóór het eerste gelid van de standaardwacht;
    2º. de standaardvoerend commandant, of bij verhindering een daartoe aangewezen onderofficier, begeeft zich met de standaard naar buiten;
    3º. zodra de standaard in het zicht komt van de opgestelde eenheden, commandeert C-standaardwacht: STANDAARDWACHT DRAAGT - SABEL;
    4º. de standaardvoerend commandant, dan wel de aangewezen onderofficier, stelt zich op vóór de standaarddrager;
    5º. C-standaardwacht commandeert: STANDAARDWACHT PRESENTEERT - SABEL;
    6º. de standaardvoerend commandant, dan wel de aangewezen onderofficier, overhandigt de standaard aan de standaarddrager, groet de standaard en marcheert af;
    7º. C-standaardwacht vervolgt met het commando: STANDAARDWACHT DRAAGT - SABEL;
    8º. C-standaardwacht commandeert: STANDAARDWACHT - OPSLUITEN en marcheert vervolgens de standaardwacht af naar de plaats van de ceremonie; zodra de standaard in het zicht komt van de opgestelde eenheden, commandeert de paradecommandant: DRAAGT - SABEL dan wel: GEEFT - ACHT, afhankelijk van de bewapening van de eenheid;
    9º. C-standaardwacht manoeuvreert de standaardwacht op drie paardlengten (7,5 meter) in front van de paradecommandant en meldt de standaardwacht aangetreden.

Het verdere verloop van de plechtigheid geschiedt overeenkomstig het gestelde in § 1 de onderdelen h, tot en met n van dit hoofdstuk.

3. Uittreden van een vaandel en vaandelwacht

Het uittreden van het vaandel, alsmede de terugkeer naar de plaats waar de vaandelwacht voor het eerst aantrad, geschiedt op de wijze zoals in § 1 dan wel in § 2 is vermeld, echter in omgekeerde volgorde. Nadat C-vaandelwacht en de vaandeldrager het vaandel hebben teruggebracht, rukt de vaandelwacht in.

4. De uitreiking van een vaandel

  1.   De eenheden staan opgesteld zoals is bepaald in hoofdstuk 12.

  2. De vaandelwacht staat aangetreden met vaandeldrager, echter zonder vaandel.

  3. Twee onderofficieren staan aangetreden met het in het foedraal gehulde vaandel. Zij stellen zich op tegenover de eenheden aan de open zijde van het carré, op vijf passen schuin rechts van de plaats, die aangemerkt is als de plaats van waaruit Z.M. de Koning (of de autoriteit die namens hem) het vaandel zal uitreiken.

  4. Na aankomst van Z.M. de Koning begint de ceremonie met het muzikaal eerbetoon, meldt de paradecommandant de aangetreden eenheden aan de parade-inspecteur (Z.M. de Koning) en vindt de ceremoniële inspectie plaats.

  5. Nadat Z.M. de Koning zijn plaats bij de katheder heeft ingenomen, wordt het ceremonieel vervolgd met:
    1º. uittreden vaandelwacht; deze neemt via de kortste weg de opstelling in op circa tien passen in front van de paradecommandant (de eenheden staan daarbij in de houding); vóór de overhandiging ontdoen beide onderofficieren het vaandel van het foedraal;
    2º. de paradecommandant laat de geweren presenteren; zie hoofdstuk 17, § 1, onderdeel a;
    3º. zodra de vaandelwacht staat opgesteld, overhandigt één van de onderofficieren het vaandel aan Z.M. de Koning; de onderofficier die het vaandel overreikt aan Z.M. de Koning doet dit met het vaandel diagonaal voor de borst, linkerhand boven, rechterhand onder, zodat Z.M. de Koning het vaandel kan aannemen met zijn rechterhand boven en linkerhand onder; de vaandelvoerend commandant die het vaandel ontvangt staat drie passen vóór, tegenover Z.M. de Koning; zodra Z.M. de Koning het vaandel ontvangen heeft, maakt de onderofficier twee passen naar rechts en marcheert af; bij de eerste zijwaartse pas maakt de vaandelvoerend commandant drie verkorte passen voorwaarts;
    4º. Z.M. de Koning overhandigt het vaandel aan de vaandelvoerend commandant, die het vaandel met ontblote handen overneemt;
    20_10_h16_1
    5º. hij plaats vervolgens het vaandel met de stok op de grond vóór en tegen de punt van zijn rechtervoet, waarbij de vaandelstok enigszins voorover helt;
    6º. de geweren worden afgezet en de eenheden worden in de rusthouding gecommandeerd, de vaandelvoerend commandant blijft in de houding staan, waarna Z.M. de Koning een toespraak houdt;
    7º. na het einde van de toespraak worden de eenheden wederom in de houding gecommandeerd, treedt de vaandeldrager uit, vervolgt de vaandelvoerend commandant met het overhandigen van het vaandel aan de vaandeldrager, waarna de vaandeldrager (nu met vaandel) drie passen achterwaarts maakt alvorens rechtsomkeert te maken en in de vaandelwacht intreedt;
    8º. de paradecommandant laat de geweren presenteren, waarna het Wilhelmus wordt gespeeld; aansluitend laat de paradecommandant de vaandelwacht intreden, waarbij de vaandelwacht langs het front van de eenheden marcheert;
    20_10_h16_2
    9º. de eenheden staan hierbij in de houding met gepresenteerd geweer;
    10º. de paradecommandant meldt Z.M. de Koning het einde van de plechtigheid, waarna Z.M. de Koning, na het muzikale eerbetoon, de plaats van de plechtigheid verlaat; de paradecommandant commandeert: ZET AF - GEWEER, zodra Z.M. de Koning uit het zicht is van de aangetreden eenheden.

  6. De vaandelwacht treedt vervolgens uit als aangegeven in § 1 en § 2 van dit hoofdstuk, waarna de eenheden ter beschikking zijn.

Bijzonderheden: Indien door derden namens Z.M. de Koning een vaandel wordt uitgereikt, dient voorafgaand aan het voorlezen van het KB de ban te worden geopend en na afloop te worden gesloten.

5. De vervanging van een vaandel

  1.   De vervanging van een vaandel vanwege slijtage, geschiedt in principe zonder enig ceremonieel.

  2. In bijzondere omstandigheden, waarbij enig ceremonieel gewenst is, dient vooraf toestemming van de C-OPCO te worden verkregen en wordt het betreffende ceremonieel vastgesteld.   

6. Het innemen van een vaandel

  1.   De eenheden staan opgesteld zoals bepaald is in hoofdstuk 12.

  2. De vaandelwacht is op de voorgeschreven wijze ingetreden (zie § 1).

  3. Twee onderofficieren staan aangetreden op vijf passen schuin rechts van de plaats, die is aangemerkt als de plaats van waaruit de autoriteit het vaandel zal innemen.

  4. Na aankomst van de autoriteit begint de ceremonie met het muzikaal eerbetoon, meldt de paradecommandant de aangetreden eenheden aan de parade-inspecteur en vindt de ceremoniële inspectie of -begroeting plaats.

  5. Nadat de autoriteit zijn plaats bij het spreekgestoelte heeft ingenomen, wordt het ceremonieel vervolgd met:
    1º. de vaandelwacht treedt uit en marcheert langs de opgestelde eenheden naar een opstelling circa tien passen in front van de paradecommandant; de eenheden staan daarbij in de houding met de geweren gepresenteerd;
    20_10_h16_3
    2º. zodra de vaandelwacht haar plaats heeft ingenomen, laat de paradecommandant de geweren afzetten waarna C-vaandelwacht de vaandelwacht meldt;
    3º. de paradecommandant laat de geweren presenteren, de ban openen, het KB voorlezen (door de officieradjudant van de autoriteit), vervolgens de ban sluiten en de geweren afzetten;
    4º. de vaandeldrager treedt uit en overhandigt aansluitend het vaandel aan de paradecommandant, die het vaandel met ontblote handen aanneemt;
    5º. de paradecommandant overhandigt het vaandel aan de autoriteit, terwijl op datzelfde moment één van beide onderofficieren zich bij de autoriteit opstelt;
    6º. de autoriteit draagt vervolgens het vaandel over aan de onderofficier, die terug gaat naar zijn oorspronkelijke plaats van opstelling en plaatst het vaandel met de stok op de grond, vóór en tegen de punt van zijn rechtervoet, waarbij de vaandelstok iets naar voren helt; de vaandelwacht (zonder vaandel) treedt weer in;
    7º. de paradecommandant laat de geweren afzetten en de eenheid de rusthouding aannemen; (beide onderofficieren blijven in de houding staan) hierna houdt de autoriteit zijn toespraak;
    8º. na het einde van de toespraak wordt de eenheid door de paradecommandant in de houding gecommandeerd en worden de geweren gepresenteerd, waarna het Wilhelmus ten gehore wordt gebracht;
    9º. nadat het Wilhelmus is beëindigd en de geweren zijn afgezet, wordt het vaandel door beide onderofficieren om de vaandelstok gerold en wordt de vaandelstok gebroken (uit elkaar geschroefd); vervolgens verlaten beide onderofficieren naast elkaar de plaats van de ceremonie langs de kortste weg, met ieder een deel van het vaandel en de vaandelstok; de eenheid staat tijdens deze afmars in de houding;
    10º. nadat beide onderofficieren uit het zicht van de aangetreden eenheid zijn, meldt de paradecommandant de eenheid af bij de autoriteit, die vervolgens de plaats van de plechtigheid verlaat.

  6. De eenheid is nu ter beschikking van de paradecommandant.

  7. Aangezien de vaandelwacht nu zonder vaandel marcheert, vindt de ceremonie van het uittreden niet meer plaats. Evenmin is het gepast om tijdens de afmars de vaandelexercitie toe te passen.   

7. Het hechten van een cravate aan een vaandel

  1.   De eenheid staat opgesteld zoals aangegeven in hoofdstuk 12; als paradecommandant treedt een daartoe aangewezen hoofdofficier op.

  2. De vaandelwacht is reeds op de voorgeschreven wijze ingetreden; vijf passen schuin rechts achter het spreekgestoelte staat een onderofficier die de cravate meevoert.

  3. De autoriteit arriveert samen met de vaandelvoerend commandant.

  4. Na aankomst van de autoriteit en de vaandelvoerend commandant, begint de ceremonie met het muzikaal eerbetoon, meldt de paradecommandant de aangetreden eenheid aan de autoriteit / parade-inspecteur en vindt de ceremoniële inspectie plaats.

  5. Nadat de autoriteit en de vaandelvoerend commandant bij de katheder zijn gearriveerd, wordt het ceremonieel vervolgd met:
    1º. de vaandelwacht treedt uit; neemt via de kortste weg de opstelling in op circa tien passen vóór het spreekgestoelte; de eenheid staat daarbij in de houding;
    2º. vervolgens laat de paradecommandant de geweren presenteren en de ban openen waarna de officieradjudant van de autoriteit het KB voorleest; nadat het KB is voorgelezen, laat de paradecommandant de ban sluiten en de geweren afzetten (zie hoofdstuk 17, § 1, onderdeel a);
    3º. de vaandeldrager treedt uit tot ongeveer drie passen vóór het spreekgestoelte en overhandigt aldaar het vaandel aan de vaandelvoerend commandant; deze maakt rechtsomkeert met het vaandel en plaatst het vaandel vóór en tegen de punt van zijn rechtervoet; de vaandeldrager treedt weer in bij de vaandelwacht;
    4º. de onderofficier die de cravate meevoert, overhandigt nu de cravate aan de autoriteit, die zich vervolgens naar het vaandel begeeft, terwijl de vaandelvoerend commandant het vaandel optilt en zoveel naar voren laat overhellen (zonder te neigen) als voor de autoriteit nodig is om de cravate aan het vaandel te hechten; de cravate wordt nu door de autoriteit aan de vaandelstok bevestigd;
    h6_2
    5º. de vaandelvoerend commandant plaatst het vaandel wederom vóór en tegen de punt van zijn rechtervoet, waarbij de vaandelstok iets naar voren helt;
    6º. de eenheid wordt in de rusthouding gecommandeerd door de paradecommandant; (de vaandelvoerend commandant blijft in de houding staan) hierna houdt de autoriteit een toespraak;
    7º. na het einde van de toespraak wordt de eenheid wederom in de houding gecommandeerd, treedt de vaandeldrager uit, vervolgt de vaandelvoerend commandant met het overhandigen van het vaandel aan de vaandeldrager, waarna deze (nu met vaandel en aangehechte cravate) in de vaandelwacht intreedt; de vaandelvoerend commandant stelt zich weer op naast de autoriteit;
    8º. de paradecommandant laat de geweren presenteren, waarna het Wilhelmus wordt gespeeld; aansluitend laat de paradecommandant de geweren afzetten en de vaandelwacht intreden, waarbij de vaandelwacht langs het front van de eenheid marcheert; de eenheid staat daarbij in de houding;
    9º. de paradecommandant meldt de eenheid af aan de autoriteit / parade-inspecteur, waarna de autoriteit en de vaandelvoerend commandant de plaats van de plechtigheid verlaten.

  6. De vaandelwacht treedt op de voorgeschreven wijze uit, waarna de eenheid ter beschikking is.

Bijzonderheden: Het in § 4 tot en met § 7 besproken ceremonieel kan bij de eenheden met een bereden standaardwacht op overeenkomstige wijze worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 17 De ban

1. Algemeen

  1.   Indien Z.M. de Koning aanwezig is bij een ceremonie waaraan een KB ten grondslag ligt, wordt het KB niet voorgelezen; “Zijne Majesteit de Koning is op dat moment in ons midden en verwoordt in feite het KB door het gebaar van het uitreiken met de daarbij door haar te uiten woorden en toespraak”.
    Onder de ban wordt verstaan: de tijdsperiode waarin op plechtige wijze voor het front van de eenheid namens Z.M. de Koning een bekendmaking wordt gedaan. In beginsel gaat het hier om een bekendmaking die als een KB wordt aangeduid en tijdens een ceremonie wordt voorgelezen.
    In dit hoofdstuk wordt uitgegaan van de afwezigheid van Z.M. de Koning.

  2. Bij de ceremonie dient minimaal een trompettist of tamboer te zijn ingedeeld.

  3. Het begin van de ban wordt aangegeven met het signaal: openen van de ban en het einde van de ban met het signaal sluiten van de ban.

  4. Tussen het openen en sluiten van de ban mogen geen andere dan Koninklijke Besluiten worden voorgelezen en blijft het spelen van muziek achterwege.

  5. Indien m.b.t. de ceremonie nog een officiële bekendmaking moet worden gedaan (bijvoorbeeld het voorlezen van een MB), wordt eerst de ban gesloten en worden de geweren afgezet, alvorens de bekendmaking wordt voorgelezen.

  6. Militairen die niet bij de ceremonie zijn betrokken, maar zich op een zodanige afstand van de plaats van de ceremonie ophouden dat zij de ceremonie kunnen zien, houden halt en maken front naar de plaats van de plechtigheid en brengen dezelfde eerbewijzen als de opgestelde eenheden.

  7. Verbonden aan het protocol van de ban, wordt tot slot van de plechtigheid het Wilhelmus gespeeld. Zie daartoe steeds het verloop van de in deze publicatie behandelde plechtigheden. 

2. Uitvoering

Achtereenvolgens worden de volgende commando’s gegeven:

paradecommandant

GEEFT - ACHT;

 

PRESENTEERT - GEWEER;

 

MUZIEK - OPEN DE BAN;

muzikant

blaast of slaat het signaal openen van de ban;

officieradjudant

begeeft zich naar het katheder, leest het betrokken KB voor en neemt vervolgens zijn oorspronkelijke plaats weer in;

paradecommandant

MUZIEK - SLUIT DE BAN;

muzikant

blaast of slaat het signaal sluiten van de ban;

paradecommandant

ZET AF - GEWEER en: OP DE PLAATS - RUST.


 

Hoofdstuk 18 De beëdiging

1. Algemeen

  1. De beëdiging van militairen vindt zijn grondslag in artikel 126a van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR). Beëdigingprocedures dienen met in achtneming van de daarin vermelde bepalingen en de hierna opgenomen nadere regels te worden uitgevoerd.

  2. De ongewapende militair legt de eed of belofte af in handen van de autoriteit, zoals aangegeven in § 3 van dit hoofdstuk.

  3. Beëdigingen dienen in beginsel voor het front van de eenheid plaats te vinden. De hiervoor bedoelde autoriteit is bevoegd naar omstandigheden anders te bepalen.

  4. In beginsel wordt een muziekkorps ingedeeld.

  5. De te beëdigen militair wordt beëdigd bij het krijgsmachtdeel, korps, wapen, dienstvak of regiment waarbij hij registratief is ingedeeld. Indien aan dat krijgsmachtdeel, korps, wapen, dienstvak of regiment een vaandel is toegekend, vindt de beëdiging op dat vaandel plaats. 

relaties1

2. Moment van beëdiging

  1. De beëdiging van een militair vindt zo spoedig mogelijk na de aanstelling plaats.

  2. Indien een militair bij zijn aanstelling is aangewezen voor een initiële opleiding, vindt de beëdiging zo spoedig mogelijk na het voltooien van die opleiding plaats.

  3. Een militair in opleiding voor officier wordt beëdigd na de datum van zijn benoeming tot officier. 

3. Functionarissen die de eed afnemen; de beëdigingsautoriteit

  1. De eed wordt afgelegd in handen van een vlag-, opper- of hoofdofficier en in zeer bijzondere gevallen van een subalterne officier.

  2. Indien de te beëdigen militair tot een vaandelvoerend korps, dienstvak of regiment behoort, treedt de betrokken regiments- of korpscommandant in principe op als beëdigingsautoriteit.

  3. Met inachtneming van het gestelde in onderdeel a, kan de vaandelvoerend commandant een andere beëdigingsautoriteit benoemen.

4. Plaats van beëdiging

  1. Een beëdiging vindt in principe plaats bij de eenheid, staf of inrichting, waar de te beëdigen militair is of wordt geplaatst. C-OPCO kan nadere richtlijnen geven.

  2. De militair wordt in beginsel beëdigd bij een onderdeel van zijn vaandelvoerende eenheid. Op verzoek van de militair kan hij desgewenst worden beëdigd bij de eenheid van plaatsing, niet zijnde de vaandelvoerende eenheid. De eed wordt dan in beginsel afgelegd in handen van de beëdigingsautoriteit zonder dat de te beëdigen militair een vaandelstok omvat. (Zie § 6.b en § 7.i)

  3. Beëdigingsautoriteiten kunnen in voorkomend geval een plechtigheid vaststellen van meer dan een vaandelvoerende eenheid, waardoor alle te beëdigen militairen op het eigen vaandel kunnen worden beëdigd. 

5. Begeleiding

De met de organisatie van de beëdiging belaste officier wijst een functionaris aan die belast is met de begeleiding van de te beëdigen militairen. Hij begeleidt de te beëdigen militairen naar de plaats van opstelling en regelt de opstelling in de volgorde zoals in het KB of de MB staat vermeld. Hij staat opgesteld op twee passen afstand van de rechtervleugel van de te beëdigen militairen en meldt de te beëdigen militairen aan de beëdigingsautoriteit.

6. De wijze van beëdiging

  1. Algemeen
    Het afleggen van de mondelinge eedsformule of belofte geschiedt door elke individuele militair, ongeacht rang, stand of categorie op dezelfde wijze; de te beëdigen militair geeft aan of hij de eed of belofte af wenst te leggen; de beëdigingsautoriteit spreekt de beëdigingformule of belofte in vier gedeelten uit; ieder gedeelte wordt door de te beëdigen militair luid en duidelijk herhaald:
    1º. ik zweer (beloof) trouw aan de Koning;
    2º. gehoorzaamheid aan de wetten;
    3º. en onderwerping aan de krijgstucht;
    4º. (a) eedsformule: zo waarlijk helpe mij God Almachtig;
    (b) belofte: dat beloof ik;
    (c) eedformule: w Allahi, dat zweer ik bij Allah, de Almachtige;

  2. Beëdiging op het vaandel:
    1º. op aanwijzing van de beëdigingsautoriteit omvat de te beëdigen militair met ontblote linkerhand de vaandelstok direct boven de vaandelstok omvattende rechterhand van de vaandeldrager;
    2º. bij de KM en de KLu wordt door de te beëdigen militair niet de stang/stok, maar de punt van het vaandeldoek vastgehouden;
    3º. op aanwijzing van de beëdigingsautoriteit heft de te beëdigen militair zijn ontblote rechterhand omhoog met opgestoken en aaneengesloten wijs- en middelvinger;
    4º. wordt in plaats van de eed de belofte afgelegd, dan blijft de rechterhand zoals in de houding;
    5º. Wanneer een joodse militair er voor kiest om de eed af te leggen, wordt één ipv twee vingers opgestoken. Daarnaast dient de eed afgelegd te worden met gedekt hoofd
    6º wordt de islamitische eed afgelegd, dan blijft de rechterhand zoals in de houding;

  3. Indien de eenheid bereden is:
    1º. de militair stelt zich op schuin tegenover de standaard en de beëdigingsautoriteit;
    2º. conform het bepaalde onderdeel b.

  4. Beëdiging niet op het vaandel:
    1º. conform het bepaalde in onderdeel b;
    2º. een militair die niet op het vaandel wordt beëdigd, houdt zijn linkerarm gestrekt langs het lichaam.

  5. Beëdiging niet voor het front van de eenheid:
    1º. de procedure geschiedt op een door de beëdigingsautoriteit te bepalen plaats;
    2º. alle elementen genoemd in deze § zijn van toepassing;
    3º. bij een beëdiging, niet in de openlucht (b.v. op een bureau), wordt geen vaandel ingedeeld. 

7. De beëdiging voor het front van de eenheid met ingedeeld vaandel

  1. De eenheden staan opgesteld zoals bepaald in hoofdstuk 12.

  2. Het in- en uittreden van het vaandel geschiedt, zoals bepaald in hoofdstuk 16.

  3. De aankomst van de beëdigingsautoriteit:
    de paradecommandant meldt de eenheid bij de beëdigingsautoriteit (tevens parade-inspecteur) na het eventueel voorgeschreven muzikaal eerbetoon, gevolgd door een ceremoniële inspectie of -begroeting (zie hoofdstuk 8, § 10 en hoofdstuk 13, § 4).

  4. De beëdigingsautoriteit neemt zijn plaats in vlak bij het spreekgestoelte, waarna de begeleidingsofficier de te beëdigen militair(en) meldt, en zich aansluitend weer rechts van de te beëdigen militairen(en) opstelt.

  5. De beëdigingsautoriteit (tevens parade-inspecteur) verzoekt de paradecommandant om de vaandelwacht te laten uittreden.
    De vaandelwacht neemt haar opstelling in op circa 15 meter in front van de beëdigingsautoriteit.
    20_10_h18_1

  6. Nadat C-vaandelwacht zich bij de beëdigingsautoriteit heeft gemeld, laat de paradecommandant de ban openen, indien een KB ten grondslag ligt aan het protocol; zie hoofdstuk 17.

  7. Nadat de ban is geopend, leest de officieradjudant van de beëdigingsautoriteit het KB voor en laat de paradecommandant daarna de ban sluiten.

  8. Indien militairen naar aanleiding van een MB worden beëdigd, leest de officieradjudant het MB voor.

  9. De beëdigingsautoriteit laat de vaandeldrager uittreden:
    1º. KM: militairen worden op een vaandel (aan te wijzen door C-OPCO) beëdigd waarbij de te beëdigen militair het vaandeldoek vasthoudt; de te beëdigen militair en de autoriteit staan tegenover elkaar (de eerste: front naar de open zijde van het carré); de vaandeldrager staat rechts van beiden: front naar beiden; de vaandelstang blijft in de schoen van de bandelier of bij de voet (afhankelijk van de omstandigheden);
    2º. KL en KMar: de vaandeldrager en te beëdigen militair(en): front naar de gesloten zijde van het carré; de vaandelstok blijft in de schoen van de bandelier;
    3º. KLu: de vaandeldrager en te beëdigen militair(en): front naar de open zijde van het carré; de vaandeldrager heeft tijdens de beëdiging de vaandelstok bij de voet; de te beëdigen militair houdt het vaandeldoek vast.

  10. De paradecommandant commandeert: OP DE PLAATS - RUST*.
    * De vaandeldrager blijft in de houding staan.

  11. De officier, belast met de begeleiding van de te beëdigen militairen, laat beurtelings de te beëdigen militairen uittreden en rechts van de vaandeldrager plaatsnemen.

  12. De beëdigingsautoriteit geeft aanwijzingen m.b.t. het vastpakken van de vaandelstok of vaandeldoek en het heffen van de rechterhand en laat iedere te beëdigen militair conform § 6 van dit hoofdstuk, individueel de eed of belofte afleggen.

  13. Direct na het afleggen van de eed treedt de zojuist beëdigde militair weer in.

  14. Nadat de laatste militair is beëdigd, laat de paradecommandant de eenheid de houding aannemen, waarna de beëdigingsautoriteit de vaandeldrager laat intreden.

  15. De paradecommandant laat de vaandelwacht intreden en commandeert de eenheid: OP DE PLAATS - RUST. Hierna kan de regiments-, onderdeels-, of defileermars worden gespeeld, waarna de beëdigingsautoriteit een korte toespraak houdt.

  16. Na de toespraak commandeert de paradecommandant: GEEFT - ACHT, BRENGT ERE - GROET en: MUZIEK - WILHELMUS.

  17. Nadat het Wilhelmus is gespeeld, commandeert de paradecommandant: IN DE HOUDING - STAAT en: OP DE PLAATS - RUST.

  18. De beëdigingsautoriteit verzoekt de paradecommandant om de eenheden af te melden (zie hoofdstuk 13, § 5, onderdeel l), en verlaat de plaats van de plechtigheid.

  19. Nadat de beëdigingsautoriteit uit zicht is verdwenen, laat de paradecommandant de vaandelwacht uittreden en vervolgens de zojuist beëdigde militairen afmarcheren.

  20. De paradecommandant bedankt de niet-ingedeelde militairen en genodigden en nodigt hen uit voor een receptie.

  21. Nadat de niet-ingedeelden en genodigden uit het zicht zijn verdwenen, stelt de paradecommandant de eenheden ter beschikking van hun respectievelijke commandanten.

Bijzonderheden

Indien de standaardwacht bereden is en de eenheid is niet bereden, dient onderdeel i als volgt gelezen te worden:
De beëdigingsautoriteit laat de standaarddrager uittreden (een paardlengte voorwaarts) en de standaard overgeven aan de standaarddrager te voet. De standaarddrager stelt zich vervolgens drie passen links van de beëdigingsautoriteit met het front naar de eenheid op.Onderdeel ‘n’ dient als volgt te worden gelezen.
Nadat de laatste militair is beëdigd, laat de paradecommandant de eenheid de houding aannemen, waarna op aanwijzing van de beëdigingsautoriteit de standaarddrager zich naar de standaardwacht begeeft en de standaard overgeeft aan de bereden standaarddrager. Vervolgens treedt deze weer in.

8. Overige bijzonderheden

  1. Indien tijdens de plechtigheid meer dan één vaandel is ingedeeld, wordt tijdens het in- en uittreden van de vaandeldrager de houding gecommandeerd.

  2. Indien alleen militairen beneden de rang van tweede luitenant (via een MB) worden beëdigd, blijft de voorgeschreven ceremonie m.b.t. het openen en sluiten van de ban achterwege.

  3. Bij de KM, de KLu en bij enkele regimenten treedt de vaandeldrager uit zonder dat de vaandelwacht zich verplaatst. Daartoe wordt de vaandelwacht in de opstelling van de eenheden recht tegenover de beëdigingsautoriteit geplaatst.
    20_10_h18_2

  4. Militairen van de KM worden beëdigd met ontbloot hoofd, evenals de autoriteit die de eed afneemt. De pet of muts wordt direct vóór het afleggen van de eed afgegeven en vóór het intreden weer aangereikt en opgezet. 

9. De beëdiging voor het front van de bereden eenheid met ingedeelde standaard

Deze ceremonie geschiedt conform het gestelde in § 7 met dien verstande, dat er voor de bereden beëdigingsautoriteit geen spreekgestoelte nodig is en dat de onderdelen e, i, k en l als volgt moeten worden gelezen:

7e. De standaardwacht exerceert naar haar opstelling circa twee paardlengten (vijf meter) rechts dwars naast de beëdigingsautoriteit, aansluitend meldt de begeleidingsofficier de te beëdigen militairen bij de beëdigingsautoriteit en stelt zich vervolgens weer rechts naast de te beëdigen militairen op.

7i. De beëdigingsautoriteit laat de standaarddrager uittreden en zich op één paardlengte voor de standaardwacht opstellen.

7k. De officier, belast met de begeleiding van de te beëdigen militairen, laat beurtelings de te beëdigen militairen uittreden en zich opstellen schuin tegenover de standaard en de beëdigingsautoriteit.

7l. De beëdigingsautoriteit geeft aanwijzingen m.b.t. het heffen van de rechterhand en laat iedere te beëdigen militair conform § 6 van dit hoofdstuk de eed of belofte afleggen.

10. Beëdiging bij de KMar

  1. De militair wordt in beginsel beëdigd op het Opleidingscentrum KMar, aan het einde van de initiële opleiding die met goed gevolg dient te zijn afgerond.

  2. Indien de te beëdigen KMar-militair voor zijn initiële opleiding bij de KMar afkomstig is van een ander krijgsmachtdeel en daar reeds beëdigd is, of reeds is beëdigd als militair bij de KMar, zal hij niet opnieuw worden beëdigd als opsporingsambtenaar. Wel zal hij zijn ingedeeld / opgesteld staan bij de te beëdigen militairen.

  3. De beëdiging vindt plaats door een hoofdofficier van de KMar op de standaard van de KMar.

  4. De wijze van beëdigen geschiedt zoals vermeld in § 6.

  5. Indien eenheden van de KMar bewapend zijn met het dienstpistool Glock-17 in de dutyholster, wordt op het commando: PRESENTEERT - GEWEER de eregroet gebracht en op het commando IN DEN ARM - GEWEER de groet. 

Hoofdstuk 19 De commando-overdracht

1. Algemeen

  1. De overdracht van het commando over een eenheid van compagniesgrootte vindt voor het front van die eenheid plaats op de eigen appèlplaats in de vorm van een buitengewoon (ongewapend)* appèl.
    *In dit hoofdstuk wordt uitgegaan van een gewapend appèl.

  2. De overdracht van het commando van een hogere of samengestelde eenheid vindt met militair ceremonieel plaats voor het front van de aangetreden eenheid. Bij de overdracht van het commando bepaalt de aftredende commandant welke eenheden en deputaties van de onder zijn bevel staande eenheden bij het ceremonieel van de commando-overdracht aanwezig zullen zijn.

  3. Commando-overdrachten bij de KM vinden plaats tijdens een ‘Alle Hens’ of ‘Grote Parade’ zoals beschreven in hoofdstuk 23.

2. Opstelling

De eenheden, niet-ingedeelde militairen en genodigden staan opgesteld zoals aangegeven in hoofdstuk 12.

3. Uitvoering

  1. Commando-overdracht van een vaandelvoerend commandant:
    1º. de deelnemende eenheden, niet-ingedeelde militairen en genodigden staan onder commando van een paradecommandant;
    2º. de aftredende en aantredende commandant begeven zich gezamenlijk en naast elkaar naar de plaats van de plechtigheid, waarbij de aftredende commandant rechts loopt;
    3º. het muzikaal eerbetoon (indien van toepassing) en het melden worden uitgevoerd zoals is aangegeven in hoofdstuk 13, § 4;
    4º. nadat de paradecommandant de aangetreden eenheid heeft gemeld, begint de ceremoniële inspectie of ceremoniële begroeting, waarbij de aftredende commandant links loopt, de aantredende commandant in het midden en de paradecommandant rechts; de inspectie wordt uitgevoerd zoals bepaald in hoofdstuk 13, § 5 en § 6, maar zonder uitnodiging aan hiërarchieke commandanten om te volgen;
    5º. de aftredende en aantredende commandant stellen zich, respectievelijk rechts en links, twee meter naast en één meter achter het spreekgestoelte op;
    6º. de paradecommandant commandeert: ZET AF - GEWEER en VAANDELWACHT - UITTREDEN, waarna de vaandelwacht zich ongeveer tien meter vóór en in front van beide commandanten opstelt; de vaandeldrager staat daarbij recht tegenover de aftredende commandant;
    7º. indien de benoeming per KB is afgekondigd, wordt de procedure van het openen en sluiten van de ban, zoals bepaald in hoofdstuk 17, gevolgd;
    8º. de paradecommandant commandeert: OP DE PLAATS - RUST, waarna de aftredende commandant plaats neemt achter de microfoon, zijn toespraak houdt en vervolgens terugkeert naar zijn oorspronkelijke plaats;
    9º. de paradecommandant commandeert: GEEFT - ACHT, waarna de vaandeldrager uittreedt en het vaandel overhandigt aan de aftredende commandant; hierbij is het vaandel diagonaal voor de borst, linkerhand boven, rechterhand onder; de vaandeldrager treedt zonder vaandel weer in bij de vaandelwacht;
    10º. de aftredende commandant maakt linksom en vervolgens één verkorte pas voorwaarts (staat nu voor de microfoon op de katheder); de aantredende commandant maakt tegelijkertijd rechtsom, waarna de aftredende commandant met het vaandel in de hand tot zijn opvolger spreekt:
    ”......................... (rang) ......................... (naam), met de overhandiging van dit vaandel draag ik u over, het commando van / over ......................... (naam eenheid)”
    en overhandigt het vaandel aan de aantredende commandant, die vervolgens voor de microfoon het commando aanvaardt met de woorden:
    ”Hiermee aanvaard ik het commando van / over ......................... (naam eenheid)”;
    11º. de aftredende en aantredende commandant wisselen van plaats, waarna de vaandeldrager uittreedt en zich opstelt voor de aantredende commandant, het vaandel in ontvangst neemt en intreedt bij de vaandelwacht;
    12º. de paradecommandant commandeert: VAANDELWACHT - INTREDEN en nadat de vaandelwacht is ingetreden: OP DE PLAATS - RUST;
    13º. de aantredende commandant houdt nu een korte toespraak; na het einde van zijn toespraak verzoekt hij het Wilhelmus ten gehore te laten brengen;
    14º. de paradecommandant commandeert: GEEFT - ACHT, PRESENTEERT - GEWEER en MUZIEK - WILHELMUS; nadat het Wilhelmus is gespeeld, vervolgt hij met de commando’s: ZET AF - GEWEER en: OP DE PLAATS - RUST;
    15º. de aantredende commandant verzoekt nu de paradecommandant de eenheid af te melden; indien een defilé plaatsvindt, vindt het afmelden niet plaats, maar wordt de ceremonie vervolgd zoals weergegeven in hoofdstuk 14;
    16º. de paradecommandant: commandeert: GEEFT - ACHT en: IN DEN ARM - GEWEER en meldt de eenheid af bij de aantredende commandant;
    17º. de aantredende en aftredende commandant verlaten nu de plaats van de plechtigheid, waarbij de aantredende commandant rechts loopt;
    18º. de paradecommandant laat de geweren afzetten en vervolgt de plechtigheid met het uittreden van de vaandelwacht zoals weergegeven in hoofdstuk 16, waarna hij de niet-ingedeelde militairen en genodigden bedankt voor hun aanwezigheid en uitnodigt voor de receptie; de eenheid is vervolgens ter beschikking van hun respectievelijke commandanten.

  2. Commando-overdracht met een bereden standaardwacht
    In beginsel wordt het ceremonieel gevolgd overeenkomstig het gestelde in § 3, onderdeel a.

  3. Commando-overdracht van een niet-vaandelvoerend commandant:
    1º. in beginsel wordt het ceremonieel gevolgd als hierboven in § 3, onderdeel a, beschreven, met uitzondering van het gestelde m.b.t. de vaandelwacht;
    2º. een vaandelwacht kan, na toestemming van C-OPCO, deel uitmaken van de opstelling van de eenheid, maar kan in de symboliek bij de commando-overdracht geen functie vervullen; het ceremonieel van in- en uittreden van de vaandelwacht dient wel, zoals beschreven in hoofdstuk 16, plaats te vinden;
    3º. de symbolische handeling van de overdracht kan desgewenst plaatsvinden met een tot de eenheid behorende korpsvlag, onderdeelsvlag of fanion, hier verder als vlag van de eenheid aangegeven, onder voorwaarde dat:
    (a) geen vaandelexercitie wordt toegepast;
    (b) de vlag van de eenheid niet op de voor een vaandel bestemde plaats in de opstelling wordt ingedeeld;
    (c) aan de vlag van de eenheid geen eerbewijzen worden gebracht;
    4º. de afloop ten opzichte van de ceremonie hierboven bij § 3, onderdeel a, ziet er dan als volgt uit:
    (a) § 3, onderdeel a, onder 1º tot en met 5º: ongewijzigd;
    (b) § 3, onderdeel a, onder 8º: ongewijzigd;
    (c) § 3, onderdeel a, onder 9º, wordt: de paradecommandant commandeert: GEEFT - ACHT en: VLAG VAN DE EENHEID - UITTREDEN, waarna de vlag van de eenheid opmarcheert tot op één meter van de aftredende commandant, waarbij de vlaggendrager recht tegenover de aftredende commandant staat en hem de onderdeelsvlag overhandigt (zie hoofdstuk 3, § 14, onderdeel e);
    (d) § 3, onderdeel a, onder 10º, wordt nu gevolgd met dien verstande, dat in plaats van vaandel nu vlag van de eenheid dient te worden gelezen en voor vaandeldrager: vlaggendrager;
    (e) § 3, onderdeel a, onder 11º, wordt nu gevolgd met dien verstande, dat de vlag van de eenheid aan de nog aanwezige vlaggendrager wordt overhandigd;
    (f) § 3, onderdeel a, onder 12º, wordt: de paradecommandant commandeert: VLAG VAN DE EENHEID - INTREDEN en nadat de vlag van de eenheid zijn plaats heeft ingenomen: OP DE PLAATS - RUST;
    (g) § 3, onderdeel a, onder 13º tot en met 18º: ongewijzigd.

  4. Overige bepalingen:
    1º. indien tijdens de ceremonie geen symbolische handeling met een vaandel of vlag plaatsvindt, wordt volstaan met een stevige handdruk en vervallen alle bevelen en handelingen die zijn gerelateerd aan het vaandel of de vlag van de eenheid;
    2º. de overdrachtsformule voor de microfoon luidt dan: ”.........................(rang) .........................(naam), ik draag u over, het commando van / over ......................... (naam eenheid);
    de aantredende commandant aanvaardt het commando voor de microfoon met de woorden: ”Hiermee aanvaard ik het commando van / over ......................... (naam eenheid)”;
    3º. een commando-overdracht kan worden uitgebreid met aanvullend (op traditie gebaseerd en na goedkeuring van de protocolofficier van het OPCO) ceremonieel om op onderdeelseigen wijze afscheid te nemen van de aftredende commandant. 

Hoofdstuk 20 Uitreiking van onderscheidingen

1. Algemeen

  1. Het uitreiken van onderscheidingen vindt in beginsel plaats voor het front van een ongewapende, aangetreden eenheid. Indien de onderscheiding niet voor het front van een eenheid wordt uitgereikt, vindt de ceremonie in een daartoe passende lokaliteit plaats.

  2. Indien een onderscheiding, anders dan genoemd in § 2 tot en met § 5, wordt toegekend, zal separaat worden vastgesteld hoe de procedure van de uitreiking zal verlopen.

  3. De uitreiking van onderscheidingen aan grote groepen militairen tegelijk, meestal een herinneringsmedaille vindt plaats tijdens een zogenaamde medal-parade op of in een geschikte lokaliteit.

  4. Militairen die een onderscheiding ontvangen, mogen tijdens een officiële uitreiking geen andere onderscheidingen dragen. De autoriteit die de onderscheiding uitreikt, laat de te decoreren militair uittreden en zich opstellen op ongeveer tien passen vóór en in front van hem. Bij uitreiking aan verscheidene militairen, wordt in volgorde van (ouderdom in) rang opgesteld en neemt men individueel de houding aan tijdens het uitreiken van de onderscheiding. 

2. Ordeteken van de Militaire Willems-orde

De uitreiking van een ordeteken van de Militaire Willems-orde geschiedt overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de Herziene Wet op de Militaire Willems-orde van 30 april 1815 en in het Reglement op de Militaire Willems-orde. De met de uitreiking belaste autoriteit zal voor het te volgen ceremonieel overleg plegen met het Kapittel van de Militaire Willems-orde en zich daartoe in verbinding stellen met de Kanselier der Nederlandse Orden te Den Haag.

relaties1

3. Koninklijke onderscheidingen

  1. De uitreiking van een koninklijke onderscheiding aan een actief dienende militair geschiedt in beginsel door de Minister (of door de Staatssecretaris) van Defensie op het Ministerie van Defensie.
    Een koninklijke onderscheiding in de orde van Oranje-Nassau aan de militair toegekend, heeft de toevoeging “met de zwaarden” als hij behalve voor het maatschappelijk belang ook voor Defensie grote verdiensten heeft.

  2. De uitreiking van een koninklijke onderscheiding aan een militair buiten dienst gebeurt zoals in onderdeel a omschreven, mits niet langer dan 1 jaar b.d. 

4. Onderscheidingsteken voor langdurige en trouwe dienst voor vrijwillig dienende militairen beneden de rang van tweede-luitenant / luitenant ter zee der 3e klasse

De uitreiking van deze onderscheiding geschiedt in beginsel:

  1. in brons: door de eigen commandant;

  2. in zilver en goud:
    door de naasthogere* commandant.
    De commandant overlegt in alle gevallen met de te onderscheiden militair omtrent zijn voorkeur m.b.t. de locatie van de uitreiking en de uit te nodigen gasten.
    * KM: door de commandant.

5. Onderscheidingsteken voor langdurige dienst als officier

De uitreiking van deze onderscheiding vindt (niet voor het front van een aangetreden eenheid) plaats op 6 december of de eerstvolgende werkdag na deze datum.

6. Uitreiking voor het front van een aangetreden eenheid

  1. De hier beschreven ceremonie geldt voor de uitreiking van (een) belangrijke onderscheiding(en) voor het front van een aangetreden eenheid, niet zijnde een buitengewoon appèl of een medal-parade, zoals bedoeld in § 9. De uitreiking geschiedt in beginsel door de eigen of naasthogere commandant.

  2. De eenheid, niet-ingedeelden en genodigden staan opgesteld zoals aangegeven in hoofdstuk 12, terwijl opperofficieren, de parade-inspecteur en de genodigde autoriteiten zijn verwelkomd zoals aangegeven in de hoofdstukken 8 en 13.

  3. Aan een eventueel ingedeelde vaandelwacht is geen specifieke taak toegedacht. Het in- en uittreden van de vaandelwacht wordt uitgevoerd, zoals aangegeven in hoofdstuk 16.

  4. De ceremoniële begroeting of ceremoniële inspectie door de autoriteit die de onderscheiding uitreikt, geschiedt zoals aangegeven in hoofdstuk 13, § 4 en § 5. De begroeting of inspectie eindigt op het moment dat de autoriteit zich bij de katheder bevindt.

  5. De paradecommandant commandeert vervolgens: OP DE PLAATS - RUST.

  6. Indien de onderscheiding per KB is afgekondigd, wordt de procedure van het openen en sluiten van de ban, zoals bepaald in hoofdstuk 17, gevolgd.
    In geval een MB ten grondslag ligt aan de uitreiking, wordt de houding gecommandeerd.

  7. De onderscheiding wordt boven de linkerborstzak of overeenkomstige hoogte opgespeld dan wel, afhankelijk van de soort onderscheiding, omgehangen, of aangereikt. De autoriteit feliciteert de zojuist gedecoreerde.

  8. De autoriteit keert terug naar zijn plaats bij de katheder, waarna de paradecommandant: OP DE PLAATS - RUST commandeert.

  9. De autoriteit houdt nu een korte toespraak; de gedecoreerde staat daarbij in de houding.

  10. Ter afsluiting van de uitreiking van een onderscheiding kan het Wilhelmus ten gehore worden gebracht (zie hoofdstuk 8, § 2, onderdeel b.7.).

  11. De autoriteit verzoekt de paradecommandant om de aangetreden eenheid af te melden. De paradecommandant commandeert vervolgens: GEEFT - ACHT, (en het overeenkomstig eerbewijs zoals bepaald in hoofdstuk 13, § 4) en meldt de aangetreden eenheid vervolgens af bij de autoriteit.

  12. Nadat de autoriteit uit zicht van de aangetreden eenheid is verdwenen, laat de paradecommandant de groet beëindigen en de eenheden de rusthouding aannemen. Hij bedankt vervolgens de aanwezige niet-ingedeelde militairen en genodigden voor hun aanwezigheid en geeft aan dat de zojuist gedecoreerde(n) kan / kunnen worden gefeliciteerd tijdens de receptie.

  13. De eenheid is nu ter beschikking van de respectievelijke commandanten. 

7. Onderscheiding aan een vaandelvoerende eenheid

  1. Bij het hechten van een dapperheidsonderscheiding aan een vaandel, staat de eenheid opgesteld zoals aangegeven in hoofdstuk 12, treedt een aangewezen hoofdofficier op als paradecommandant en is de vaandelwacht reeds ingetreden.

  2. De autoriteit (tevens parade-inspecteur) die de onderscheiding zal aanhechten, arriveert samen met zijn officieradjudant en de vaandelvoerend commandant. De officieradjudant is in het bezit van de onderscheiding.

  3. Na aankomst van de autoriteit en de vaandelvoerend commandant, begint de ceremonie met het muzikaal eerbetoon, meldt de paradecommandant de aangetreden eenheid en vindt de ceremoniële inspectie of begroeting plaats.

  4. Nadat de autoriteit en de vaandelvoerend commandant bij het katheder zijn gearriveerd, wordt het ceremonieel vervolgd:
    1º. de vaandelwacht treedt uit; neemt opstelling in op ongeveer tien passen vóór en met het front naar de katheder; de eenheid staat daarbij in de houding;
    2º. vervolgens laat de paradecommandant de eregroet brengen en de ban openen, waarna de officieradjudant van de autoriteit het KB voorleest; nadat het KB is voorgelezen laat de paradecommandant de ban sluiten en de eregroet beëindigen;
    3º. de vaandeldrager treedt uit tot ongeveer drie passen vóór de katheder en overhandigt aldaar het vaandel aan de vaandelvoerend commandant; deze maakt rechtsomkeert en plaatst het vaandel met de stok vóór en tegen de punt van zijn rechtervoet; de vaandeldrager treedt weer in bij de vaandelwacht;
    4º. de officieradjudant overhandigt nu de onderscheiding aan de autoriteit, die zich vervolgens naar het vaandel begeeft, terwijl de vaandelvoerend commandant het vaandel optilt en zoveel naar voren laat overhellen (zonder te neigen) als voor de autoriteit nodig is om de onderscheiding aan het vaandel te hechten; de onderscheiding wordt nu door de autoriteit aan de vaandelstok bevestigd;
    5º. de vaandelvoerend commandant plaatst het vaandel, met de stok vóór en tegen de punt van zijn rechtervoet, waarbij de vaandelstok iets naar voren helt;
    6º. de eenheid wordt in de rusthouding gecommandeerd door de paradecommandant; de vaandelvoerend commandant blijft in de houding staan, waarna de autoriteit een toespraak houdt;
    7º. na het einde van de toespraak wordt de eenheid wederom in de houding gecommandeerd, treedt de vaandeldrager uit, vervolgt de vaandelvoerend commandant met het overhandigen van het vaandel aan de vaandeldrager, waarna deze (nu met vaandel en bevestigde onderscheiding) bij de vaandelwacht intreedt; de vaandelvoerend commandant stelt zich weer op naast de autoriteit;
    8º. de paradecommandant laat de eregroet brengen, en laat het Wilhelmus ten gehore brengen; aansluitend laat de paradecommandant de eregroet beëindigen en de vaandelwacht intreden, waarbij de vaandelwacht langs het front van de eenheid marcheert; de eenheid staat daarbij in de houding;
    9º. de paradecommandant meldt de autoriteit het einde van de plechtigheid (overeenkomstig eerbewijs zoals bepaald in hoofdstuk 13, § 4), waarna de autoriteit en de vaandelvoerend commandant de plaats van de plechtigheid verlaten.

  5. De vaandelwacht treedt volgens de daartoe bekende procedures uit, waarna de eenheid ter beschikking is van de respectievelijke commandanten.

Bijzonderheden: Bovenstaande ceremonie kan met een bereden standaardwacht op overeenkomstige wijze worden uitgevoerd.

8. Uitreiking van een onderscheiding zonder aangetreden eenheid

  1. Tijdig vóór aanvang van de plechtigheid verzamelen de militairen, de genodigden en de eventuele deputaties zich in de lokaliteit waar de uitreiking plaatsvindt. Zij stellen zich zo mogelijk op in een carré met één open zijde.

  2. Nadat het KB of de MB door de officieradjudant van de autoriteit is voorgelezen, vindt de uitreiking van de onderscheiding plaats.

  3. De militairen nemen de houding aan bij nadering van de autoriteit die de onderscheiding zal uitreiken. De te decoreren militair staat in beginsel opgesteld ongeveer vier passen vóór de katheder met het gezicht naar de autoriteit. Indien verscheidene militairen worden gedecoreerd, stellen zij zich op naar ouderdom in rang.

  4. De onderscheiding wordt boven de linkerborstzak of overeenkomstige hoogte opgespeld dan wel, afhankelijk van de soort onderscheiding, omgehangen, of aangereikt. De autoriteit feliciteert de zojuist gedecoreerde.

  5. Hierna nemen de militairen de rusthouding aan, waarna de autoriteit een korte toespraak houdt. De zojuist gedecoreerde staat daarbij in de houding.

  6. Na de toespraak geeft de autoriteit gelegenheid tot feliciteren. 

9. De medal-parade

  1. Onder een medal-parade wordt verstaan de ceremonie van een uitreiking van onderscheidingen aan grote groepen militairen tegelijk.

  2. De te decoreren eenheden zijn in beginsel ongewapend.

  3. De eenheid staat opgesteld zoals aangegeven in hoofdstuk 12; de uitzendvlag (indien van toepassing) staat ingetreden. Desgewenst kan een vaandelwacht deelnemen aan de ceremonie. Indien een tribune voor (militaire) genodigden deel uitmaakt van de opstelling, wordt deze aan de open zijde van het carré opgesteld.

  4. De wijze van opstellen kan desgewenst geschieden door de eenheden één voor één de plaats van de ceremonie te laten betreden om te worden voorgesteld.

  5. Als paradecommandant treedt de commandant van de uitgezonden eenheid op.

  6. Nadat de opstelling is voltooid, begeven de niet-ingedeelde militairen beneden de rang van brigadegeneraal en de genodigde burgerautoriteiten zich naar de hun toegewezen plaats.

  7. De aankomst van de niet ingedeelde opperofficieren en de parade-inspecteur vindt plaats zoals in hoofdstuk 13 bepaald.

Na de ceremoniële inspectie verloopt de medal-parade als volgt:

parade-inspecteur

houdt een toespraak en treedt na afloop van die toespraak naar linksachter uit;

paradecommandant

GEEFT - ACHT;

officieradjudant

leest de MB voor;

paradecommandant

commandeert aansluitend: OP DE PLAATS - RUST;

muziek

brengt muziek ten gehore

parade-inspecteur

begeeft zich naar de ter hoogte van de parade-commandant opgestelde militairen en speldt hun persoonlijk de onderscheiding op en keert terug naar zijn plaats bij de katheder;

paradecommandant

commandeert aan de links en rechts van hem opgestelde militairen: INTREDEN;

gedecoreerden

begeleiden de VIPS bij de nog te decoreren personen;

parade-inspecteur

verzoekt het Wilhelmus ten gehore te laten brengen;

paradecommandant

commandeert achtereenvolgens: GEEFT - ACHT, BRENGT ERE - GROET en: MUZIEK - WILHELMUS en na afloop hiervan: IN DE HOUDING - STAAT en: OP DE PLAATS - RUST;

parade-inspecteur

verzoekt de paradecommandant om de aangetreden eenheid af te melden;

paradecommandant

GEEFT - ACHT en het eerbewijs, zoals bepaald in hoofdstuk 13, § 4, begeeft zich naar de parade-inspecteur en meldt de aangetreden eenheid af;

parade-inspecteur

verlaat samen met de andere autoriteiten en zijn officieradjudant de plaats van de plechtigheid;

paradecommandant

OP DE PLAATS - RUST, op het moment dat de parade-inspecteur uit het zicht van de aangetreden eenheid is verdwenen; de eenheid is nu ter beschikking voor een aansluitende activiteit of is ter beschikking van de paradecommandant.

alleen van toepassing, indien aan de uitzendvlag(gen) een vlaggenband(en) word(en) gehangen:

paradecommandant

medaille-uitreiking gereed: laat de uitzendvlag(gen) uittreden;

paradecommandant

UITZENDVLAG(GEN)* - UITTREDEN;

vlaggendrager(s)

begeeft zich met de uitzendvlag(gen) zonder begeleiding naar de commandant(en), overhandigt hem(hen) de uitzendvlag(gen) en gaat(n) weer terug naar zijn(hun) plaats.

commandant(en)

begeeft zich met de uitzendvlag naar de paradecommandant en stelt zich op, plaatst uitzendvlag met de stok vóór en tegen de punt van zijn rechtervoet, gezicht naar de parade-inspecteur; Paradecommandant maakt vervolgens passen naar links en stelt zich naast de commandant(en) op; front naar de open zijde van het carré;

parade-inspecteur

begeeft zich naar de uitzendvlag en bevestigt de vlaggenband zoals bedoeld in hoofdstuk 3, § 12, onderdeel f, aan de uitzendvlag, waarbij de commandant de vlaggenstok zover naar voren laat hellen (zonder te neigen) als nodig is voor het vastmaken van de vlaggenband; de parade-inspecteur keert daarna terug naar zijn plaats;

paradecommandant

UITZENDVLAG(GEN) - INTREDEN

commandant(en)

begeeft zich met uitzendvlag naar zijn plaats terug

vlaggendrager

meldt zich wederom bij zijn commandant en neemt de uitzendvlag weer in ontvangst; neemt met vlag weer zijn plaats in;

paradecommandant

na het intreden: OP DE PLAATS - RUST;

parade-inspecteur

verzoekt het Wilhelmus ten gehore te laten brengen;

paradecommandant

commandeert achtereenvolgens: GEEFT - ACHT, BRENGT ERE - GROET en: MUZIEK - WILHELMUS en na afloop hiervan: IN DE HOUDING - STAAT en: OP DE PLAATS - RUST;

parade-inspecteur

verzoekt de paradecommandant om de aangetreden eenheid af te melden;

paradecommandant

GEEFT - ACHT en het eerbewijs, zoals bepaald in hoofdstuk 13, § 4, begeeft zich naar de parade-inspecteur en meldt de aangetreden eenheid af;

parade-inspecteur

verlaat samen met de andere autoriteiten en zijn officieradjudant de plaats van de plechtigheid;

paradecommandant

OP DE PLAATS - RUST, op het moment dat de parade-inspecteur uit het zicht van de aangetreden eenheid is verdwenen; de eenheid is nu ter beschikking voor een aansluitende activiteit of is ter beschikking van de paradecommandant.

10. Uitreiking van een onderscheiding die postuum is toegekend

Indien een onderscheiding postuum is toegekend, wordt in overleg* met de Maatschappelijke Dienst Defensie (MDD) en de familie van betrokkene bepaald, hoe en aan wie de bij de onderscheiding behorende medaille zal worden overhandigd.
* Op basis van de eventuele wilsbeschikking van de overledene of de wens van de betrokken nabestaanden.

Hoofdstuk 21 Herdenkingen

1. De Nationale Herdenking

  1. De Nationale Herdenking wordt jaarlijks op 4 mei te Amsterdam gehouden, waarbij door CDS en de C-OPCO's namens de Nederlandse strijdkrachten een krans wordt gelegd. Tevens worden eenheden van de krijgsmacht alsmede een muziekkorps ingedeeld.
    20_10_h21_1

  2. Bij de Nationale Herdenking worden alle militairen en burgers van het Koninkrijk der Nederlanden herdacht, die sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog tot op heden, wanneer of waar ook ter wereld, in het belang van het koninkrijk of tijdens vredesmissies van internationale organisaties zijn gevallen dan wel door oorlogshandelingen of terreur zijn omgekomen.

  3. De Nationale Herdenking begint met een herdenkingsdienst en bestaat verder uit een korte toespraak, een kranslegging door Z.M. de Koning, het signaal taptoe, twee minuten stilte gevolgd door het spelen van het Wilhelmus, een kranslegging en een defilé van aanwezigen langs het monument. 

2. Overige herdenkingen

  1. De krijgsmachtdelen herdenken separaat elk jaar op verschillende data en tijdstippen hun eigen gevallenen, waarbij de plechtigheid analoog aan de Nationale Herdenking te Amsterdam verloopt.

  2. Op verschillende andere data door het gehele jaar vinden herdenkingsbijeenkomsten plaats, gekoppeld aan de nagedachtenis van een specifieke gebeurtenis.

  3. Onderscheid moet worden gemaakt in herdenkingen die door en vanwege een onderdeel van de krijgsmacht worden georganiseerd, dan wel door een burgerorganisatie worden georganiseerd, waarbij deelname van militairen en militaire eenheden plaatsvindt.

  4. Militairen, die tijdens de deelname aan vredesmissies van internationale organisaties zijn gevallen, worden in beginsel eveneens herdacht, onmiddellijk voorafgaande aan de medal-parade.

  5. Indien een herdenking wordt begonnen met een officiële aankomst, geschiedt de aankomst van de parade-inspecteur zoals vermeld in hoofdstuk 13, § 4, waarbij uitsluitend de parade-inspecteur muzikaal eerbetoon ontvangt. 

3. Programma van een herdenking

Het te volgen programma tijdens een herdenking kan door verschillende factoren ten opzichte van elkaar nogal verschillen. Hieronder wordt een model aangegeven, dat als basis kan dienen voor de organisatie van een herdenking, waarbij elementen kunnen worden weggelaten. De programmaonderdelen laten zich meestal niet in een andere volgorde plaatsen.
Het verloop van een herdenkingsplechtigheid kan er als volgt uitzien:

  1. een bijeenkomst van bezinning, meestal in een daartoe bestemde ruimte;

  2. een stille tocht naar de eigenlijke plaats van herdenking;

  3. een buitengewone vlaggenparade, waarbij de ceremonie zoals beschreven in hoofdstuk 15, wordt gevolgd met dien verstande, dat de vlag halfstok wordt gehesen en het Wilhelmus niet wordt gespeeld (hoofdstuk 3, algemeen en § 8, onderdeel b); de buitengewone vlaggenparade kan reeds hebben plaatsgevonden, voordat de genodigden arriveren; in dat geval blijven de wachtcommandant (of de aangewezen functionaris), de vlaggenhijsers en de muzikant na het vlag halfstok hijsen ter plaatse;

  4. een kort woord van welkom, het voorlezen van een gedicht, een overdenking, een in memoriam;

  5. een dodenappèl;

  6. een eerste officiële kranslegging door de hoogst aanwezige autoriteit;

  7. het signaal taptoe*, gevolgd door één minuut stilte*; de periode van stilte wordt gevolgd door het signaal voorwaarts* of het Wilhelmus*/**;
    * Tijdens het spelen van de onder g genoemde muziek, en de één minuut stilte, nemen de militairen ‘de houding’ aan en brengen zij de eregroet;
    **Indien (onder onderdeel g) het signaal ‘voorwaarts’ is gespeeld kan ter afsluiting het Wilhelmus ten gehore worden gebracht;

  8. een kranslegging (zie § 5);

  9. het defilé van aanwezigen langs het monument of de graven, gecombineerd met een bloemenhulde. 

4. Overige bijzonderheden

  1. Tijdens de officiële herdenkingen op 4 mei worden steeds twee minuten stilte* in acht genomen. Bij andere herdenkingen wordt in beginsel volstaan met één minuut stilte.
    * Op Curaçao, Aruba en Sint Maarten van 18.00 - 18.02. Elders op de wereld op een geschikt moment (in de vooravond) van 4 mei.

  2. Het halfstok vlaggen op 4 mei is beperkt tot de tijdsperiode van 18.00 uur tot zonsondergang. Op plaatsen waar geen herdenking plaatsvindt, blijft de vlag eveneens halfstok hangen tot zonsondergang.

  3. De eregroet wordt gebracht tijdens het halfstok hijsen van de vlag en tijdens het spelen van het Wilhelmus en de één/twee minuten stilte.

  4. Tijdens de signalen taptoe, voorwaarts en een officiële periode van stilte wordt door militairen in uniform de houding aangenomen en de eregroet gebracht.

  5. Een ingedeeld vaandel kan deel uitmaken van de plechtigheid. Het in- en uittreden van de vaandelwacht geschiedt zoals aangegeven in hoofdstuk 16.

  6. Bij een monument of graven kunnen militairen een dodenwacht betrekken.

  7. Tijdens een gebed nemen militairen het hoofddeksel af. 

5. Kranslegging (algemeen)

  1. De krans* wordt aangereikt door derden.
    *Een krans met een kleinere diameter dan 80 cm wordt door één persoon gelegd, vanaf 80 cm door twee personen.

  2. Loop vanaf de u toegewezen plaats tot aan de plaats van aanreiking in rustige pas op de dragers toe.

  3. Neem de krans met beide handen in het midden aan en indien met tweeën: ieder aan een zij- achterkant, met de buitenste arm boven en de binnenste arm onder.

  4. Na het aannemen in rustige pas naar de plaats van handeling lopen en de krans plaatsen / hangen zoals vooraf geïnstrueerd / bepaald (gebaseerd op de plaatselijke omstandigheden*).
    * Voor overige (detail)handelingen en bijzonderheden wordt u verwezen naar desbetreffende order dan wel de aanwijzingen en instructies van de plaatselijke organisatie.

  5. Schik de linten, zodat de tekst leesbaar is.

  6. Maak (beiden) drie passen achterwaarts en blijf drie seconden, en burgers uit respect met licht gebogen hoofd, staan (houdt hierbij de handen gestrekt langs het lichaam, nooit handen gevouwen of op de rug). Militairen brengen (drie tellen) de eregroet.

  7. Maak rechtsomkeert en neem de u toegewezen plaats weer in of volg de aanwijzingen op. 

6. Herdenking als onderdeel van een militaire plechtigheid

Indien tijdens een militaire plechtigheid (b.v. een medal-parade) een herdenking wenselijk is, kunnen daarvoor de volgende richtlijnen als basis dienen in relatie tot het bepaalde in hoofdstuk 20, § 10:

  1. het voorlezen van een gedicht, overdenking, in memoriam of korte toespraak;

  2. het signaal taptoe, gevolgd door één minuut stilte;

  3. het signaal voorwaarts;

  4. tijdens de in onderdeel b en c genoemde activiteiten wordt door militairen de eregroet gebracht. 

Hoofdstuk 22 Ceremonieel bij overlijden

1. Overlijden van een lid van het Koninklijk Huis

  1. Bij overlijden van een lid van het Koninklijk Huis kan door of vanwege Z.M. de Koning (door de minister-president) een periode van rouw worden vastgesteld.

  2. Bij elke eenheid en van alle militaire gebouwen wordt de vlag halfstok gehesen vanaf het moment van het bericht van overlijden tot en met de dag waarop de begrafenis heeft plaatsgevonden, behalve op zondag.

  3. De begrafenis en bijzetting van een lid van het Koninklijk Huis worden beschreven in een contingencyplan (CP-100). 

2. Overlijden van een militair of burgerambtenaar in werkelijke dienst

Wanneer een militair of burgerambtenaar in werkelijke dienst is overleden, wordt halfstok gevlagd zoals bepaald in hoofdstuk 3, § 8, de onderdelen a en d.

3. Aankomst van een stoffelijk overschot uit het buitenland per vliegtuig

  1. In principe vindt de aankomstceremonie op een militaire vliegbasis plaats. Bij aankomst wordt het vliegtuig naar het platform gereden. In de meeste gevallen wordt de aankomst gadegeslagen door de directe nabestaanden.

  2. De betrokken militaire functionarissen/eenheden zijn:
    - projectofficier G1/A1/N1
    - basisadjudant vliegbasis
    - protocolofficier betrokken krijgsmachtdeel/OPCO
    - regelingsofficier draagploeg
    - eenheidscommandant
    - draagploeg incl. commandant en reserve (= kussendrager)
    - erecouloir incl. commandant
    - tamboer en trompetter/hoornblazer

  3. Het vliegtuig wordt zodanig geparkeerd dat de laadklep of laaddeur aan het directe zicht onttrokken is. Zodra het vliegtuig geparkeerd is en door het grondpersoneel wordt vrijgegeven gaat een voordetachement naar het vliegtuig. Dit detachement bestaat uit de projectofficier sectie 1, de protocolofficier, de basisadjudant, de regelingsofficier draagploeg en een lid van het RIT.

  4. Terwijl het voordetachement de voorbereiding voor de ceremonie treft marcheert het erecouloir op en neemt haar positie in.

  5. Vanaf de neus van het vliegtuig wordt het erecouloir opgesteld dat bestaat uit militairen van de eenheid waartoe betrokken militair behoorde. Hierin kunnen ook naaste collega’s worden opgenomen. De sterkte van het erecouloir wordt door de commandant van de eenheid (na-detachement) vastgesteld in overleg met de protocolofficier van het betrokken krijgsmachtdeel. Het erecouloir wordt aangevuld met personeel van het meegevlogen detachement. Hierbij is ingedeeld de trompetter/hoornblazer die in het missiegebied de afscheidsceremonie heeft ondersteund.

  6. Zodra het erecouloir in positie staat marcheert de draagploeg voorafgegaan door de tamboer naar het vliegtuig en neemt daar de lijkkist op.

  7. Op teken van de protocolofficier blaast de trompetter/hoornblazer het signaal Geeft-Acht, waarna de commandant erecouloir het geheel de houding laat aannemen en de draagploeg voorwaarts laat gaan.

  8. De draagploeg loopt vervolgens van het vliegtuig door het erecouloir naar de aankomsthal. De draagploeg wordt voorafgegaan door de tamboer en gevolgd door de kussendrager met de medaille(s). Vanaf het moment dat de lijkkist zichtbaar wordt tot deze in de aankomstruimte binnengedragen is wordt de eregroet gebracht, terwijl alle aanwezige mannelijke burgers het hoofd ontbloten. De commandant erecouloir commandeert voor alle aanwezige militairen aanvang en einde van de eregroet.

  9. De draagploeg draagt de lijkkist naar de als rouwkapel ingerichte ruimte waar de familie formeel het stoffelijk overschot overneemt.

  10. De projectofficier van de G1/A1/N1 regelt de formaliteiten met (de vertegenwoordiger van) de begrafenisondernemer.

  11. Tijdens de in de onderdelen c t/m i genoemde activiteiten vindt er geen vliegverkeer plaats. 

4. Dodenwacht

  1. Wanneer de militair tijdens de uitoefening van de dienst komt te overlijden, kan zijn commandant, dan wel de betrokken C-OPCO bepalen dat bij het stoffelijk overschot een dodenwacht wordt betrokken.

  2. De dodenwacht wordt betrokken door vier militairen bij voorkeur van gelijke rang of stand als de overledene. Het tenue, voorzien van modeldecoraties, wordt steeds afzonderlijk vastgesteld. Daarbij is nauw overleg met de nabestaanden noodzakelijk, waarbij ook wordt vastgesteld of de dodenwacht gewapend zal zijn.

  3. De militairen betreden het vertrek in langzame pas en vormen één gelid op enige afstand vóór en met het front naar het voeteneinde van de baar. Op commando van de oudste in rang wordt (drie tellen) de eregroet gebracht; daarna stellen zij zich afzonderlijk op bij een hoek van de baar in volgorde van ouderdom in rang: rechts van het hoofdeinde, links van het hoofdeinde, rechts en links van het voeteneinde.
    20_10_h22_1

  4. De oudste in rang geeft het commando: OP DE PLAATS - RUST.

  5. De aflossing geschiedt steeds per 30 minuten. Bij het brengen van de eregroet door de nieuwe dodenwacht, neemt de af te lossen dodenwacht de houding aan. Vervolgens nemen de leden van de nieuwe dodenwacht de plaatsen van de af te lossen militairen in.

  6. De afgeloste militairen stellen zich op vóór en met het front naar de baar. Zodra allen in het gelid staan wordt op commando van de oudste in rang (drie tellen) de eregroet gebracht en in de langzame pas afgemarcheerd.

  7. Op het moment dat een stoffelijk overschot uit een vertrek wordt gedragen, stelt de dodenwacht zich terzijde in linie met front naar de baar op en brengt op commando van de oudste in rang de eregroet, die wordt beëindigd wanneer het stoffelijk overschot het vertrek is uitgedragen.

  8. Indien wapens worden gevoerd, worden de commando's (op gedempte toon) volgens de gewapende exercitie gegeven. Indien met sabel bewapend: exercitie met opgestoken sabel van de haak. 

5. Begrafenis met militair eerbetoon

  1. Algemeen:
    1º. het meest belangrijke is, dat éérst overleg met de nabestaanden plaatsvindt, waarbij informatie wordt gegeven omtrent de inhoud van een begrafenis met (beperkt) militair eerbetoon en waarna vervolgens het ceremonieel kan worden vastgesteld; daarbij is het mogelijk om delen van het voorgeschreven protocol achterwege te laten en kan na overleg met de betrokken C-OPCO eventueel worden bepaald, dat militair eerbetoon beperkt kan worden (zie § 7, onderdeel c);
    2º. op verzoek van de nabestaanden of de wilsbeschikking van de overleden militair, kan militair eerbetoon plaatsvinden bij een begrafenis of crematie van:
    (a) oud militairen die Ridder der Militaire Willems-orde zijn;
    (b) op non-actief gestelde, vrijwillig gediend hebbende militairen, gerechtigd tot het dragen van een dapperheidonderscheiding;
    (c) overige oud militairen na opdracht van betrokken C-OPCO
    (d) in werkelijke dienst zijnde militairen en geestelijk verzorgers;
    3º. de commando’s en aanwijzingen m.b.t. de handelingen met de lijkkist, worden, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, door zorg van de bevelvoerend commandant bepaald.

  2. Bevelsverhouding:
    De commandant van de overledene is belast met de regeling, tenzij C-OPCO daar een ander mee belast. Hij pleegt hiertoe overleg met de nabestaanden, de commandant van de eenheid die het militair geleide levert, de commandant van de overledene (ingeval van een andere aangewezen commandant), de directie van de begraafplaats of het crematorium, de KMar, de gemeente en de plaatselijke politie.

  3. Aanvang militair eerbetoon:
    Het militair eerbetoon vindt plaats nabij of op de begraafplaats, dan wel op het terrein van het crematorium.

  4. Het militair geleide:
    Het militair geleide bestaat uit:
    1º. een bevelvoerend officier
    de bevelvoerend officier komt bij voorkeur uit de eenheid waartoe de overledene behoorde;
    2º. een vuurpeloton
    tot het afgeven van één salvo bij het graf of bij de aula van het crematorium (alleen indien probleemloos uit te voeren), wordt een vuurpeloton ingedeeld, (tenzij de nabestaanden dit niet wensen); het vuurpeloton wordt in beginsel samengesteld uit militairen van de eenheid waartoe de overledene behoorde; de sterkte bedraagt acht militairen onder bevel van een onderofficier;
    3º. de slippendragers
    vier militairen, zo mogelijk van gelijke rang of stand als de overledene, treden op als slippendragers; indien de overledene Ridder der Militaire Willems-orde was, worden hiervoor eerst dragers uit de orde benaderd; voor zover dit niet mogelijk is, militairen van de naasthogere rang dan die de overledene zelf bekleedde; afkomstig uit een korps, groep of regiment waarvan het vaandel is gesierd met de Militaire Willems-orde en dat het dichtst staat bij de overleden ridder; indien de overledene geen militaire achtergrond heeft dienen de slippendragers een officiersrang te bekleden; de slippendragers stellen zich naast de lijkkist ter weerszijden van het hoofd- en voeteneinde op, in volgorde zoals bepaald bij de dodenwacht.
    4º. de dragers van de lijkkist
    de lijkkist wordt in beginsel gedragen door acht militairen van de eenheid waartoe de overledene behoorde; naast de dragers kunnen militairen zijn ingetreden die het hoofddeksel van de dragers in de hand houden;
    5º. muziek
    een muziekkorps of muzikant(en) kan ingedeeld worden;
    6º. de kransdragers
    de kransdragers worden in beginsel geleverd door de eenheid waartoe de overledene behoorde.

  5. Overige militairen:
    Buiten het militair geleide maken deel uit van de stoet:
    1º. vertegenwoordigers (deputaties) van eenheden die verzocht hebben de plechtigheid te mogen bijwonen;
    2º. militairen die tot de overledene in dienstbetrekking stonden;
    3º. militairen die uit andere hoofde de plechtigheid bijwonen;
    4º. deputatie buitenlandse militairen (indien van toepassing).

  6. Tenue en bewapening:
    1º. tenue
    zie hoofdstuk 6: Interservicestaat tenuen, onderdeel 13; de dragers van de lijkkist dragen in beginsel geen hoofddeksel.
    2º. bewapening:
    (a) C-vuurpeloton is gewapend met een ongeladen pistool;
    (b) de leden van het vuurpeloton zijn gewapend met een geweer;
    (c) alle overige militairen zijn ongewapend.

  7. De lijkkist:
    1º. de lijkkist is bedekt met de Nederlandse vlag, waarvan, gezien vanaf het hoofdeinde, het rood rechts, het blauw links van de kist, en de broeking over het hoofdeinde van de kist afhangt; de vlag is geheel uitgespreid en bedekt de gehele kist;
    2º. op het witte gedeelte van de vlag zijn achtereenvolgens gerangschikt, gezien vanaf het hoofdeinde:
    (a) het hoofddeksel;
    (b) de op een donkerblauw, zwart of paars kussen gespelde versierselen van ridderorden en verdere eretekenen die de overledene gerechtigd was te dragen;
    (c) de sabel, indien de overledene officier of adjudant-onderofficier was;
    3º. de kist wordt door de dragers op de baar geplaatst met het voeteneinde in front.

  8. De stoet bestaat (in volgorde) uit:
    1º. twee marechaussees (facultatief);
    2º. een muziekkorps of muzikant(en);
    3º. de bevelvoerend officier;
    4º. het vuurpeloton;
    5º. geestelijk verzorger(s);
    6º. de lijkkist met de dragers en aan weerszijden; de dragers lopen aan de buitenkant naast de slippendragers als de lijkkist zich nog in de lijkwagen bevindt;
    7º. kransdragers;
    8º. nabestaanden;
    9º. vorstelijke personen of hun vertegenwoordigers;
    10º. de Minister van Defensie (of de Staatssecretaris) van Defensie alsmede de betrokken C-OPCO, óf hun vertegenwoordigers;
    11º. Ridders der Militaire Willems-orde, indien de overledene ridder in die orde was;
    12º. genodigden;
    13º. vertegenwoordigers (deputaties) van andere (buitenlandse) eenheden;
    14º. twee marechaussees (facultatief).

  9. Uitvoering:
    1º. het militair geleide wordt verzameld nabij de ingang van de begraafplaats; de bevelvoerend officier gaat hier over tot het formeren van de stoet, zodanig dat de eregroet kan worden gebracht op het moment dat de lijkkist arriveert; ook dient voldoende ruimte beschikbaar te blijven voor het oprijden van de lijkwagen en de volgwagens; alle aanwijzingen en commando’s worden op gedempte toon gegeven; tijdens een gebed nemen militairen het hoofddeksel af;
    2º. op het moment dat de lijkkist door de dragers uit de lijkwagen wordt genomen, wordt op commando van de bevelvoerend officier de eregroet gebracht, die eindigt zodra de dragers met de lijkkist hun plaats in de stoet hebben ingenomen; vervolgens laat de bevelvoerend officier alle aanwezigen het front in de marsrichting aannemen en hun plaats in de stoet innemen, waarna de stoet zich op zijn commando in beweging zet, waarbij de militairen in langzame pas marcheren; het muziekkorps of muzikant(en) speelt gedurende de tocht naar het graf een dodenmars;
    3º. indien vóór de begrafenis een plechtigheid in de aula zal plaatsvinden, wordt aldaar de muziek beëindigd en halt gehouden; het muziekkorps en het vuurpeloton stellen zich terzijde op met het front naar de zijde waarlangs de lijkkist zal worden binnengedragen; het vuurpeloton staat in de houding met het geweer aan de voet, er worden geen eerbewijzen gebracht; nadat de stoet de aula is binnengegaan, wordt voor het muziekkorps en het vuurpeloton, OP DE PLAATS - RUST gecommandeerd;
    4º. de stoet gaat naar binnen in volgorde van:
    (a) de bevelvoerend officier;
    (b) de lijkkist met dragers en slippendragers;
    (c) personen en autoriteiten, bedoeld in § 5, onderdeel h, onder 8º tot en met 13º, en eventueel de kransdragers;
    5º. in de aula wordt de lijkkist op de daarvoor bestemde plaats gezet; de slippendragers nemen plaats in de aula, terwijl de dragers plaatsnemen aan één van de zijden in de aula of eventueel buiten wachten;
    6º. nadat de plechtigheid in de aula is beëindigd, nemen de dragers en slippendragers hun positie bij de lijkkist weer in, waarna de lijkkist in langzame pas uit de aula wordt gedragen; daar staan het muziekkorps en het vuurpeloton gereed in colonneformatie in de marsrichting van het graf; zodra iedereen de aula heeft verlaten en de plaats in de stoet weer is ingenomen, vervolgt de stoet op commando van de bevelvoerend officier haar weg naar het graf;
    7º. bij het graf aangekomen, wordt op aanwijzing van de bevelvoerend officier de muziek beëindigd en halt gehouden; de dragers dragen de lijkkist naar het graf en stellen zich op de aangewezen plaats op; C-vuurpeloton stelt op aanwijzing van de bevelvoerend officier het vuurpeloton aan weerszijden van en met het gezicht naar het graf op; het opstellen geschiedt met de volgende commando’s: LANGZAME PAS, VOORWAARTS - MARS en: AFDELING - HALT; daarna geeft hij het commando: RECHTS EN LINKS - OM, waarop beide gelederen front naar het graf maken; zo nodig geeft hij daarna aanwijzingen tot verbetering van de opstelling en richting;
    8º. C-vuurpeloton staat aan een korte zijde van het graf met het front naar het graf; indien dit niet mogelijk is, stelt hij zich op de vleugel van één van de gelederen op; nadat iedereen de voor hem bestemde plaats heeft ingenomen, stelt de bevelvoerend officier zich op bij de nabestaanden;
    9º. vervolgens vindt, indien van toepassing, de kerkelijke begrafenis plaats; tijdens een gebed nemen militairen het hoofddeksel af, met uitzondering van het vuurpeloton en het ingedeelde muziekkorps of de muzikant(en), die de houding aannemen; voor andere geloofsovertuigingen kan de dienst Geestelijke Verzorging Krijgsmacht benaderd worden voor aanvullende informatie;
    10º. voordat de lijkkist in het graf wordt neergelaten, wordt door de daartoe aangewezen militaire dragers de vlag, nadat de daarop liggende voorwerpen zijn weggenomen, van de kist genomen en opgevouwen;
    11º. het neerlaten van de kist in het graf geschiedt op aanwijzing van de bevelvoerend officier; tijdens het neerlaten van de kist wordt de eregroet gebracht, terwijl het muziekkorps of de muzikant(en) een zachte roffel speelt, beginnend op het door de C-vuurpeloton te geven commando: BRENGT ERE - GROET en eindigend op: IN DE HOUDING - STAAT; de leden van het vuurpeloton staan daarbij in de houding met de geweren aan de voet;
    12º. zodra de lijkkist is neergelaten, eindigt de eregroet en geeft het vuurpeloton op aanwijzing van de bevelvoerend officier, met de mondingen van de wapens onder een hoek van 45º naar boven over het graf gericht, een salvo af;
    13º. tijdens het salvo mag zich niemand tussen het vuurpeloton en het graf bevinden; de dragers staan achter de leden van het vuurpeloton opgesteld, terwijl de slippendragers op enige afstand (indien mogelijk) voor en achter de kist staan;
    14º. voor het geven van het salvo wordt door C-vuurpeloton gecommandeerd: SALVO VUUR HOOG - AAN - VUUR en aansluitend: ZET AF - GEWEER;
    15º. indien de lijkkist niet wordt neergelaten in het graf, maar tijdens de gehele plechtigheid boven de grond blijft staan, wordt in aansluiting op onderdeel i, onder 7º, de eregroet gebracht op het commando van C-vuurpeloton; nadat laatstgenoemde het commando: IN DE HOUDING - STAAT heeft gecommandeerd, wordt door het vuurpeloton het salvo afgegeven zoals beschreven in onderdeel i, onder 14º;
    16º. de bevelvoerend officier geeft hierna gelegenheid tot het houden van toespraken; als een militair het woord voert, ontbloot hij zijn hoofd;
    17º. als niet door of namens de nabestaanden een dankwoord wordt uitgesproken, kan dit op verzoek door de bevelvoerend officier geschieden;
    18º. zodra de nabestaanden en belangstellenden het graf hebben verlaten, geeft de bevelvoerend officier aanwijzingen voor de afmars van het militair geleide; daarbij wordt door het muziekkorps niet meer gespeeld;
    19º. de militairen nemen afscheid aan het graf door front te maken aan het voeteneinde van het graf en (3 tellen) de eregroet te brengen; daarna maken zij links- of rechtsom en verwijderen zich;
    20º. zie ook § 12 (Aanvullende bepalingen KM). 

6. De crematie met militair eerbetoon

Met inachtneming van het gestelde hiervoor in § 5, onderdeel h, en toestemming van de leiding van het crematorium, gelden voor een crematie de volgende bepalingen:

  1. op het moment dat door de dragers de lijkkist uit de lijkwagen wordt genomen, wordt op commando van de bevelvoerend officier de eregroet gebracht, die eindigt zodra de dragers met de lijkkist hun plaats in de stoet hebben ingenomen;

  2. vervolgens laat de bevelvoerend officier de overigen hun plaats in de stoet innemen, waarna die zich op commando van de bevelvoerend officier in beweging zet, waarbij de militairen in langzame pas marcheren; het muziekkorps speelt tijdens de tocht naar de aula een dodenmars;

  3. bij de aula aangekomen, wordt de muziek gestopt en halt gehouden; de dragers zetten de lijkkist op de aangewezen plaats neer en treden vervolgens terug om ruimte te maken voor het vuurpeloton; dit peloton stelt zich op aanwijzing op als hierboven vermeld in § 5, onderdeel i, onder 7º; C-vuurpeloton stelt zich op met het front naar de naaste familie van de overledene;

  4. nadat iedereen de voor hem aangewezen plaats heeft ingenomen en allen front naar de lijkkist hebben gemaakt, stelt de bevelvoerend officier zich op bij de nabestaanden;

  5. op bevel van de bevelvoerend officier wordt de eregroet gebracht, waarbij door het vuurpeloton de geweren worden gepresenteerd; na beëindiging van de eregroet geeft het vuurpeloton een salvo af zoals aangegeven in § 5, onderdeel i, onder 14º; na het afgeven van het salvo commandeert C-vuurpeloton: .....(aantal) PASSEN ACHTERWAARTS - MARS, waarna de lijkkist door de dragers de aula wordt binnengedragen; zodra allen de aula zijn binnengegaan wordt het hoofddeksel afgenomen en geeft de bevelvoerend officier aanwijzingen voor de afmars van het muziekkorps of muzikant(en) en het vuurpeloton;

  6. nadat allen in de aula hebben plaatsgenomen, geeft de bevelvoerend officier gelegenheid tot het houden van toespraken; vervolgens kan het woord worden verleend aan de geestelijk verzorger voor het leiden van de rouwdienst; na afloop van deze plechtigheid wordt door of namens de familie van de overledene een dankwoord uitgesproken;

  7. het verdient de voorkeur de kist bedekt met de vlag en de daarop liggende voorwerpen te laten staan, zodat na het dankwoord door de aanwezigen langs de kist kan worden gedefileerd, waarbij door militairen de eregroet wordt gebracht zoals hiervoor vermeld in § 5, onderdeel i, onder 19º;

  8. zodra de nabestaanden en belangstellenden de aula hebben verlaten, geeft de bevelvoerend officier aanwijzingen voor het verwijderen van de vlag en de daarop liggende voorwerpen alsmede m.b.t. de afmars van de overige militairen; op verzoek van de nabestaanden kan hiervan worden afgeweken. 

7. Bijzondere bepalingen

  1. Bij een begrafenis of crematie met militair eerbetoon van nationaal of bijzonder karakter, worden door of namens Z.M. de Koning of de minister afzonderlijke regelingen uitgegeven.

  2. Bij een plechtigheid waarbij het stoffelijk overschot niet aanwezig is, vindt het ceremonieel plaats naar regels te stellen door de commandant van de eenheid waartoe betrokkene behoorde.

  3. Indien de nabestaanden van een overleden militair daartoe de wens te kennen geven, kan een begrafenis plaatsvinden met beperkt militair eerbetoon. Hieronder wordt verstaan dat bij het binnengaan, tijdens de plechtigheid en bij het verlaten van de kerk of aula van de begraafplaats, de lijkbaar wordt begeleid door vier slippendragers. Ingeval van crematie, eventueel voorafgegaan door een kerkelijke plechtigheid, kan het eerbetoon op overeenkomstige wijze plaatsvinden. Ook het deelnemen van een vuurpeloton en de daaraan gekoppelde uitvoering kan op verzoek van de nabestaanden achterwege blijven.

  4. Op verzoek van de nabestaanden kan de te spelen muziek worden aangepast aan de laatste wens van de overledene, m.u.v. het voorgeschreven muzikale eerbetoon (zie tevens hoofdstuk 8, § 1, onderdeel p). 

8. Basisregeling ceremonieel bij een staatsuitvaart, voor anderen dan leden van het Koninklijk Huis.

  1. Een staatsuitvaart wordt op initiatief van de Minister van Buitenlandse Zaken aangeboden aan de officiële vertegenwoordigers van buitenlandse staatshoofden (ambassadeurs) of regeringen en met deze te vergelijken autoriteiten zoals de president van het Internationaal Strafhof.

  2. De Minister van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de regeling van de staatsuitvaart. Het militair ceremonieel zal in nauw overleg met de betrokken militaire autoriteiten worden vastgesteld. De omvang van het militaire ceremonieel moet binnen de onderstaande samenstelling vallen. De Minister van Defensie legt de uitvoering van het militaire ceremonieel conform CP-100 in handen van de mandataris van Defensie.

  3. De maximale samenstelling van de stoet is als volgt:
    1º. twaalf militairen van de KMar;
    2º. een muziekkorps;
    3º. een bevelvoerend officier in de rang van kolonel / kapitein ter zee of luitenant-kolonel / kapitein-luitenant ter zee;
    4º. een vuurpeloton van acht militairen onder bevel van een onderofficier;
    5º. een detachement KM (1/2/89);
    6º. een detachement KL (1/2/89);
    7º. de lijkkoets of affuit (alleen indien een militair daar aanspraak op kan maken);
    8º. acht militairen beneden de rang van luitenant als dragers;
    8º. kransdragers;
    9º. burgergedeelte;
    10º. een detachement KLu (1/2/89);
    11º. twaalf militairen van de KMar.

  4. Het tenue wordt per gelegenheid vastgesteld.

  5. De deelnemende eenheden zijn, met uitzondering van het vuurpeloton, ongewapend. 

9. Rouw bij overlijden (Alleen KM)

  1. Wanneer een vlagofficier, belast met een bevel, is overleden, wordt aan boord van alle ter plaatse aanwezige oorlogsschepen en bij alle inrichtingen der zeemacht ter plaatse de koninkrijksvlag halfstok gevoerd van het tijdstip van overlijden tot zonsondergang op de dag der begrafenis. Indien de schepen in een haven of op een rede gemeerd of ten anker liggen, wordt bovendien de geus halfstok gevoerd, terwijl op het vlaggenschip van de overledene diens commandovlag halfstok wordt gevoerd. Gedurende de tijd dat ingevolge hoofdstuk 3, § 15, onderdeel a, onder 3°, op sloepen de koninkrijksvlag moet worden gevoerd, wordt zij ook op de sloepen die behoren tot de betrokken oorlogsschepen of de betrokken inrichtingen der zeemacht, halfstok gehesen.

  2. Wanneer een officier met de rang van kapitein ter zee of met een lagere rang, belast met een bevel, is overleden, wordt aan boord van de ter plaatse aanwezige oorlogsschepen en bij de inrichtingen der zeemacht ter plaatse, die onder zijn bevel stonden, de koninkrijksvlag halfstok gevoerd van het tijdstip van overlijden tot zonsondergang op de dag der begrafenis. Indien de schepen in een haven of op een rede gemeerd of ten anker liggen, wordt bovendien de geus halfstok gevoerd, terwijl op het vlaggenschip van de overledene diens standaard halfstok wordt gevoerd. De overige ter plaatse aanwezige oorlogsschepen en inrichtingen der zeemacht voeren op de dag der begrafenis de koninkrijksvlag halfstok van het hijsen van de vlag tot zonsondergang, waarbij oorlogsschepen die in een haven of op een rede gemeerd of ten anker liggen, tevens de geus halfstok voeren. Gedurende de tijd dat op sloepen hoofdstuk 3, § 15, onderdeel a, onder 3°, de koninkrijksvlag moet worden gevoerd, wordt zij ook op de sloepen die behoren tot de betrokken oorlogsschepen of de betrokken inrichtingen der zeemacht halfstok gehesen.

  3. Wanneer een officier, die niet belast was met een bevel, is overleden, wordt aan boord van het oorlogsschip waarop, of bij de inrichting der zeemacht, waarbij de overledene diende, de koninkrijksvlag halfstok gevoerd van het tijdstip van overlijden tot zonsondergang op de dag der begrafenis. Indien het schip in een haven of op een rede gemeerd of ten anker ligt, wordt bovendien de geus halfstok gevoerd. De overige ter plaatse aanwezige oorlogsschepen en inrichtingen der zeemacht voeren op de dag der begrafenis de koninkrijksvlag halfstok van het hijsen van de vlag tot zonsondergang, waarbij oorlogsschepen die in een haven of op een rede gemeerd of ten anker liggen, tevens de geus halfstok voeren. Gedurende de tijd dat op sloepen de koninkrijksvlag moet worden gevoerd, wordt zij ook op de sloepen, die behoren tot de betrokken oorlogsschepen of de betrokken inrichtingen der zeemacht, halfstok gehesen.

  4. Wanneer een schepeling is overleden, wordt aan boord van het oorlogsschip waarop of bij de inrichting der zeemacht waarbij de overledene diende, gehandeld conform het gestelde in hoofdstuk 3, § 8, onderdeel d. Indien het oorlogsschip in een haven of op een rede gemeerd of ten anker ligt, wordt bovendien de geus halfstok gevoerd. Gedurende de tijd, dat ingevolge hoofdstuk 3, § 15, onderdeel a, onder 3º, op sloepen de koninkrijksvlag moet worden gevoerd, wordt zij ook op de sloepen die behoren tot het betrokken oorlogsschip of de betrokken inrichting der zeemacht halfstok gehesen.

  5. Wanneer een overledene niet behoorde tot de bemanning van enig oorlogsschip of van een inrichting der zeemacht, dan wel wanneer het oorlogsschip waarop hij diende niet aanwezig is, bepaalt de oudste commandant ter plaatse, voorzover een van de voorgaande leden niet van toepassing is, wanneer en op welke wijze zal worden gerouwd.

  6. Indien zich in de nabijheid van het oorlogsschip of de inrichting der zeemacht, waar rouw zal worden aangenomen zich een buitenlands oorlogsschip bevindt, zendt de commandant tijdig tevoren een officier van de wacht naar de commandant van dat buitenlandse oorlogsschip, teneinde hem kennis te geven van het voornemen tot het aannemen van rouw en van de wijze waarop zal worden gerouwd. Indien er meer oorlogsschepen of inrichtingen der zeemacht ter plaatse zijn, wordt de officier van de wacht gezonden door de commandant van het verband dan wel door de oudste commandant. Indien er meer buitenlandse oorlogsschepen van dezelfde nationaliteit al dan niet in verband in de nabijheid zijn, wordt de officier van de wacht gezonden naar de commandant van dat verband dan wel naar de betrokken oudste commandant. Op een rede of in een haven in het buitenland wordt in overleg met de Nederlandse diplomatieke of consulaire ambtenaar ter plaatse tevens kennis gegeven aan de autoriteiten aan de wal, die volgens de bestaande gebruiken van het voornemen tot het aannemen van rouw op de hoogte moeten zijn.

  7. Indien een of meer buitenlandse oorlogsschepen aan de rouw hebben deelgenomen, zendt de commandant dan wel de commandant van het verband of de oudste commandant, de dag daarop een officier van de wacht naar de betrokken commandanten om voor die deelname te bedanken. Indien op de een of andere wijze aan de wal is deelgenomen aan de rouw, wordt de autoriteit die daartoe last heeft gegeven, bedankt.

  8. Indien in zee of in het buitenland door een buitenlands oorlogsschip of aan de wal rouw wordt aangenomen in de nabijheid van een of meer Nederlandse oorlogsschepen, doet de commandant hiervan dan wel de commandant van het verband of de oudste commandant, indien hij daarvan tevoren op de hoogte is gesteld, daaraan deelnemen op de wijze die hem het meest geschikt voorkomt.

  9. Indien door een buitenlands oorlogsschip, liggende op een rede of in een haven in het Koninkrijk der Nederlanden, in de nabijheid van een of meer Nederlandse oorlogsschepen of inrichtingen der zeemacht rouw wordt aangenomen, is onderdeel h op overeenkomstige wijze van toepassing.

  10. Aan boord van een oorlogsschip dat in een gevecht is gewikkeld, wordt gedurende het gevecht geen rouw aangenomen. Een en ander wordt pas gedaan, nadat men na afloop van het gevecht buiten zicht van de vijand is gekomen.

  11. Wanneer tijdens de rouw ander ceremonieel moet worden gehouden, blijven de rouwtekenen tijdelijk achterwege en worden alleen de tekenen gevoerd welke voor dat ceremonieel zijn bepaald. 

10. Het overbrengen van een stoffelijk overschot naar de wal (alleen KM)

Bij een sterfgeval aan boord van een oorlogsschip, wordt bij het overbrengen naar de wal van het stoffelijk overschot het volgende ceremonieel gevolgd:

  1. De gewapende wacht, gecommandeerd door een officier, komt in het geweer, indien de overledene de rang van commandeur of een hogere rang bekleedde of door een onderofficier met de rang van sergeant-majoor of van sergeant, indien de overledene een officier was met een lagere rang dan die van commandeur dan wel indien hij een schepeling was.

  2. De commandant en de beschikbare officieren en schepelingen bevinden zich eveneens aan dek; de schepelingen zijn steeds ongewapend.

  3. Indien gewenst, kan een vuurpeloton bestaande uit een detachement schepelingen ter sterkte van acht man, gecommandeerd door een onderofficier worden ingedeeld. Zij staan in voorkomend geval opgesteld bij de staatsietrap of valreep.

  4. Als dragers fungeren acht schepelingen. Was de overledene onderofficier, dan worden de dragers zo mogelijk aangewezen uit manschappen van de dienstgroep waartoe de overledene behoorde. Indien de overledene schepeling zonder rang was, dragen de schepelingen van de bak waartoe hij behoorde, zijn stoffelijk overschot.

  5. De lijkkist wordt bedekt conform het gestelde in § 5, onderdeel g.

  6. Indien de commandant de bemanning wenst toe te spreken, dragen de dragers de lijkkist naar het halfdek/hangaar. Na de toespraak van de commandant wordt de lijkkist naar de staatsietrap of valreep verplaatst.

  7. Wanneer de lijkkist wordt voorbijgedragen, brengen alle aanwezigen de eregroet, de gewapenden presenteren het geweer.

  8. Voor het van boord gaan, vuurt indien ingedeeld het vuurpeloton een salvo af.

  9. Wanneer het stoffelijk overschot met een sloep wordt overgebracht naar de wal, voert die sloep de koninkrijksvlag halfstok en vaart zo langzaam mogelijk.

  10. Nadat de sloep is afgestoken, kunnen indien gewenst minuutschoten worden afgegeven tot de volgende aantallen:
    17 schoten: voor een luitenant-admiraal 1;
    15 schoten: voor een vice-admiraal;
    13 schoten: voor een schout-bij-nacht;
    11 schoten: voor een commandeur;
    11 schoten: voor een kapitein ter zee of eskadercommandant;
    9 schoten: voor een kapitein ter zee;
    7 schoten: voor een kapitein-luitenant ter zee;
    5 schoten: voor een luitenant ter zee der 1e of der 2e klasse oudste categorie;
    3 schoten: voor luitenant ter zee der 2e klasse en luitenant ter zee der 3e klasse.

11. Het verstrooien van as van een overledene (alleen KM)

  1. Het ceremonieel bij het verstrooien van as van een overledene wordt geregeld door de commandant van het schip, daartoe aangewezen door C-ZSK en vindt buitengaats plaats op een door de commandant volgens de regels van het goede zeemanschap te bepalen positie.

  2. De commandant bedoeld in onderdeel a, belast een officier met de leiding die zorg moet dragen voor een juiste uitvoering van de plechtigheid. Indien noodzakelijk worden hem een of meer officieren of onderofficieren toegevoegd.

  3. De officier, belast met de leiding, bepaalt van tevoren de plaats aan boord vanwaar uitvoering kan worden gegeven aan het ceremonieel, rekening houdend met de relatieve windrichting en de optredende wervelingen ter plaatse. Hij doet de ashouder opstellen op een met een wit laken afgedekte tafel, waarbij de ashouder wordt afgedekt door de koninkrijksvlag (2¼ kleeds). Voorts reserveert hij een plaats voor eventuele (burger)genodigden en regelt hij de opstelling van een uit de bemanning samengestelde deputatie.

  4. Bij het verstrooien van de as wordt het volgende ceremonieel in acht genomen:
    1º. het schip wordt dwarswinds gestopt dan wel met zeer langzame vaart gaande gehouden;
    2º. de officier, belast met de leiding, doet de vlag halfstok hijsen;
    3º. de in onderdeel c, genoemde of een andere daartoe aangewezen officier begeleidt de eventuele genodigden naar hun plaats;
    4º. de officier, belast met de leiding, doet front maken over de zijde waar het ceremonieel zal plaatsvinden, waarna een lid van de bemanning de as verstrooit en de ashouder overboord werpt. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van een in zeewater oplosbare ashouder, zodat er niet gestrooid hoeft te worden.;
    5º. nadat de ashouder is gezonken wordt één minuut stilte in acht genomen;
    6º. hierna wordt het signaal taptoe gespeeld, indien een muzikant ingedeeld is;
    7º. het eerbewijs eindigt na het signaal doorgaan;
    8º. nadat de eventuele genodigden zich van de plaats van het ceremonieel hebben verwijderd, wordt de vlag voorgehesen.

  5. Het verstrooien van as uit een vliegtuig geschiedt naar daartoe door C-LSK te stellen regels. 

12. Aanvullende bepalingen bij een begrafenis (alleen KM)

  1. Indien de overledene vanuit een eenheid der zeemacht wordt begraven, komt de gewapende wacht in het geweer.

  2. De gewapende wacht wordt gecommandeerd door een officier, indien de overledene de rang van commandeur of een hogere rang bekleedde en door een onderofficier met de rang van sergeant-majoor of sergeant, indien de overledene een officier was met een lagere rang dan die van commandeur dan wel indien hij een schepeling was.

  3. Als dragers fungeren acht schepelingen. Was de overledene onderofficier dan worden de dragers zo mogelijk aangewezen uit manschappen van de dienstgroep waartoe de overledene behoorde. Indien de overledene schepeling zonder rang was, dragen de schepelingen van de bak waartoe hij behoorde, de kist.

  4. Het ongewapende militair geleide wordt samengesteld naar de rang van de overledene:
    1º. indien de overledene vlagofficier was en belast met een commando, volgen:
    (a) alle beschikbare officieren die tot zijn staf behoorden;
    (b) de commandant en vier officieren van elke eenheid der zeemacht onder zijn commando;
    (c) van elke eenheid der zeemacht ter plaatse, niet onder zijn commando, de commandant en twee officieren;
    (d) een deputatie bestaande uit de chef der equipage met ten hoogste vier onderofficieren en twaalf manschappen en ten minste een onderofficier en vier manschappen van elke eenheid der zeemacht onder zijn commando;
    2º. indien de overledene vlagofficier, niet belast met een commando, was, volgen van elke eenheid der zeemacht ter plaatse:
    (a) de commandant en twee officieren;
    (b) een deputatie bestaande uit ten hoogste vier onderofficieren en twaalf manschappen en ten minste een onderofficier en vier manschappen;
    3º. indien de overledene de rang van kapitein ter zee of die van kapitein-luitenant ter zee bekleedde en was belast met een commando, volgen:
    (a) indien hij over een staf beschikte, alle beschikbare officieren die tot die staf behoorden;
    (b) de commandant en vier officieren van elke eenheid der zeemacht onder zijn commando, tenzij de overledene commandant van een eenheid der zeemacht was, in welk geval alle beschikbare officieren van die eenheid volgen;
    (c) van elke eenheid der zeemacht ter plaatse niet onder zijn commando, de commandant en twee officieren;
    (d) een deputatie bestaande uit de chef der equipage met ten hoogste vier onderofficieren en twaalf manschappen en ten minste een onderofficier en vier manschappen van elke eenheid der zeemacht onder zijn commando, tenzij de overledene commandant van een eenheid der zeemacht was, in welk geval de chef der equipage en een divisie schepelingen van die eenheid volgen;
    4º. indien de overledene de rang van kapitein ter zee of die van kapitein-luitenant ter zee bekleedde en niet was belast met een commando, volgen:
    (a) alle beschikbare officieren van de eenheid der zeemacht, tot de bemanning waarvan hij behoorde;
    (b) van elke eenheid der zeemacht ter plaatse verder aanwezig, de commandant en twee officieren;
    (c) een divisie schepelingen van de eenheid der zeemacht, tot de bemanning waarvan hij behoorde;
    5º. indien de overledene de rang van luitenant ter zee der 1e klasse of een lagere officiersrang bekleedde en was belast met een commando, volgen:
    (a) alle beschikbare officieren van de eenheid der zeemacht onder zijn commando;
    (b) van elke eenheid der zeemacht ter plaatse verder aanwezig, de commandant en twee officieren;
    (c) de chef der equipage en een divisie schepelingen van de eenheid der zeemacht onder zijn commando;
    6º. indien de overledene de rang van luitenant ter zee der 1e klasse of een lagere officiersrang bekleedde en niet was belast met het commando, volgen:
    (a) alle beschikbare officieren van de eenheid der zeemacht, tot de bemanning waarvan hij behoorde;
    (b) van elke eenheid der zeemacht ter plaatse verder aanwezig, twee officieren;
    (c) een deputatie bestaande uit ten hoogste vier onderofficieren en twaalf manschappen en ten minste een onderofficier en vier manschappen van de eenheid der zeemacht, tot de bemanning waarvan hij behoorde;
    7º. indien de overledene onderofficier was, volgen:
    (a) de eerste of oudste officier van de eenheid der zeemacht, tot de bemanning waarvan hij behoorde;
    (b) alle beschikbare officieren van de divisie, waartoe hij behoorde;
    (c) de militairen der zeemacht die hebben verzocht de begrafenis te mogen bijwonen en aan wie toestemming werd verleend;
    (d) de chef der equipage en een deputatie bestaande uit ten hoogste vier onderofficieren en twaalf manschappen en ten minste een onderofficier en vier manschappen van de divisie, waartoe hij behoorde;
    8º. indien de overledene schepeling zonder rang was, volgen:
    (a) twee officieren, onder wie de chef van zijn divisie, van de eenheid der zeemacht, tot de bemanning waarvan hij behoorde;
    (b) de militairen der zeemacht die hebben verzocht de begrafenis te mogen bijwonen en aan wie toestemming werd verleend;
    (c) de schepelingen van de bak, waartoe hij behoorde.  

13. Eerbetoonkist (alleen indien door nabestaanden gewenst)

Op de deksel van de eerbetoonkist is een Opco penning bevestigd die krijgsmachtdeel afhankelijk is. Verder wordt er een gematteerde messing plaat (15 x 7,4 cm) op bevestigd. Deze plaat wordt vormt visueel een geheel met de penning.

De tekst op het plaatje bestaat uit:

  • Rang (volledig uitgeschreven)/voorletters, naam overledene

  • Eenheidsnaam + Regimentsnaam Vb. A-cie 44 Painfbat RI JWF

  • Geboorte/overlijdensdatum Vb. 01 januari 1980 01 januari 2010

Alleen tijdens missie omgekomen militairen, als militairen komen te overlijden gedurende uitzending wordt er ook nog de plaats en land aan de tekst toegevoegd:

  • Plaats en land. Vb. Chora, Uruzgan, Afghanistan

20_10_h22_3

De binnenzijde van de eerbetoonkist is bekleed met een Nassau-blauwe voering.

De inhoud van de eerbetoonkist bestaat, in volgorde van dragen, uit:

Binnenzijde deksel:

  1. Herinneringsembleem, zoals Commando of Luchtmobiele brigade.

  2. Opgemaakte medailles

  3. Onderdeelhanger

  4. Eventueel Gevechtsinsigne

  5. Eventueel Gewonde Insigne

20_10_h22_4

Bodem:

  1. Nederlandse vlag in driehoek gevouwen, blauw boven

  2. Op de vlag de baret/kwartiermuts en eventueel een nestel of koord (bij de KMar wordt eventueel de platte pet, bij de KM de witte pet, los aangeboden).

Er wordt een aangepaste vlag (2.70x1.30) op de lijkkist gebruikt waarbij de lengte/breedte verhouding in zoverre afwijkt dat een kist volledig bedekt kan worden zonder aan een van de zijden te kort te komen of hinderlijk ver er overheen te hangen. De vlag wordt door een draagploeg boven de kist gevouwen in een driehoek. (zie hoofdstuk 3, pt 7)

De eerbetoonkist en aangepaste vlag zijn te verkrijgen via het kabinet van het betreffende krijgsmachtdeel. Deze worden alleen verstrekt als er sprake is van een uitvaart met (beperkte) militaire eer. Er worden geen eerbetoonkisten verstrekt met terugwerkende kracht. 

Hoofdstuk 23 Marineplechtigheden

1. Algemeen

In de hoofdstukken 12 tot en met 22 zijn de meest voorkomende militaire plechtigheden beschreven. De KM kent voorts enkele voor haar kenmerkende ceremoniën, die in dit hoofdstuk worden beschreven.

2. Grote parade

  1. Aan boord van een oorlogsschip:
    1º. voor een grote parade aan boord van een oorlogsschip wordt het signaal Wilhelmus op de hoorn of de bootsmansfluit gegeven;
    2º. de officieren treden, zich rangschikkend naar rang en ouderdom in rang, aan op het halfdek aan stuurboordzijde; de hoogste in rang of - bij gelijke rang - degene met de meeste ouderdom in rang, het dichtst bij de valreep; links van de officieren sluiten zich de adelborsten, de aspirant-officieren en de ingescheepte burgerambtenaren aan; aan bakboordzijde treden aan, vanaf de vlaggenstok gerekend, de onderofficieren met de rang van korporaal of met een hogere rang, de manschappen baksgewijs, daarbij de mariniers op de rechtervleugel; de commandant bepaalt de plaats waar het muziekkorps en de gewapende wacht zullen aantreden, waarbij hij tevens, indien de omstandigheden hiertoe aanleiding geven, een opstelling kan commanderen die afwijkt van de hierboven gestelde; voorzover niet anders is bepaald, maken allen front naar de midscheeps;
    3º. grote parade wordt gecommandeerd door de eerste of oudste officier; zodra alles gereed is voor de inspectie, rapporteert hij dat aan de commandant;
    4º. terwijl de commandant vervolgens, te beginnen met de gewapende wacht, de bemanning inspecteert, brengt deze de groet zoals voorgeschreven voor een stilstaande eenheid; na de inspectie van het muziekkorps speelt dat gedurende de verdere inspectie de Mars van de heer Van der Duyn; de commandant laat zich bij de inspectie vergezellen door de eerste of oudste officier en de oudste der aanwezige officieren van de verschillende korpsen, voorzover hij zulks nodig acht.

  2. Bij een inrichting der zeemacht of elders aan wal:
    1º. bij een inrichting der zeemacht en elders aan wal verloopt een grote parade op overeenkomstige wijze als aan boord van een oorlogsschip, alsmede conform het gestelde in hoofdstuk 13 (De parade) en hoofdstuk 14 (Het defilé);
    2º. in het defilé gaat, indien aanwezig, de afdeling van het Korps Adelborsten voorop, gevolgd door de afdeling van het Korps Mariniers; de volgorde daarna is bepaald door de rangorde van de vaandels (zie hoofdstuk 5, § 12) en daarna door de rangorde van de commandanten. 

3. Alle hens voor de boeg

  1. Alle hens voor de boeg wordt gehouden aan boord van een oorlogsschip en bij een inrichting der zeemacht.

  2. Voor alle hens voor de boeg wordt het signaal alle hens gegeven.

  3. De officieren, de onderofficieren met de rang van korporaal of met een hogere rang en de manschappen stellen zich groepsgewijs op zoals bij grote parade; in de gevallen, aangegeven in deze publicatie, komt tevens de gewapende wacht in het geweer.

  4. Zodra de bemanning voor de boeg bijeen is, rapporteert de eerste of oudste officier dat aan de commandant.

  5. Op het ogenblik waarop de commandant aan dek komt, geeft de eerste of oudste officier, of namens hem de officier van de wacht, het commando: GEEFT - ACHT en brengt hij de groet aan de commandant.

  6. De commandant commandeert de bemanning, al naar gelang van de aard en de duur van hetgeen zal volgen, al dan niet: OP DE PLAATS - RUST.

  7. Ter inleiding van zijn toespraak of mededeling, dan wel van de plechtigheid, waarvoor alle hens voor de boeg wordt gehouden, roept de commandant de officieren aan, die hem daarop de groet brengen. Vervolgens handelt hij op gelijke wijze met betrekking tot de onderofficieren en daarna met betrekking tot de manschappen. Beide laatstgenoemde categorieën brengen, na te zijn aangeroepen, eveneens de groet.

  8. Na beëindiging van zijn toespraak of mededeling dan wel van de plechtigheid, waarvoor alle hens voor de boeg wordt gehouden, deelt de commandant de eerste of oudste officier mede, dat de officieren en de onderofficieren kunnen worden bedankt en de manschappen kunnen inrukken.

  9. Alvorens de commandant zich heeft verwijderd, geeft de eerste of oudste officier, of namens hem de officier van de wacht, zo nodig het commando: GEEFT - ACHT en brengt hij de groet aan de commandant.

  10. Nadat de commandant zich heeft verwijderd, bedankt de eerste of oudste officier de officieren, die hem daarop de groet brengen, vervolgens rechtsomkeert maken en zich verwijderen. Daarna geeft hij de officier van de wacht order om de onderofficieren te bedanken en de manschappen te laten inrukken.

  11. Nadat de eerste of oudste officier zich heeft verwijderd, geeft de officier van de wacht de order die hij heeft ontvangen door aan de chef der equipage.

  12. Nadat de officier van de wacht zich heeft verwijderd, bedankt de chef der equipage de onderofficieren en laat de manschappen inrukken.

  13. Alle hens voor de boeg bij een inrichting der zeemacht verloopt op overeenkomstige wijze als aan boord van een oorlogsschip. 

4. Ceremonieel op Koningsdag

  1. Aan boord van een oorlogsschip:
    1º. op Koningsdag wordt gepavoiseerd vanaf het hijsen van de vlag tot zonsondergang;
    2º. wanneer het oorlogsschip op een rede of in een haven ligt, geeft het, tenzij hiervoor door C-ZSK of CZMCARIB een walbatterij is aangewezen, op het tijdstip direct na het hijsen van de vlag en het spelen van het Wilhelmus een saluut van 33, op de middag een saluut van 35 en des middags om vier uur een saluut van 33 schoten; gedurende de saluten wordt het eerbewijs stilstaan der bemanning gebracht, waarbij front wordt gemaakt naar beide zijden, en presenteert de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer; indien het oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen ligt, worden de saluten van 33 schoten gegeven door het vlaggenschip of het schip van de oudste commandant, terwijl gedurende die saluten aan boord van de andere oorlogsschepen het eerbewijs stilstaan der bemanning wordt gebracht en de gewapende wacht die in het geweer is gekomen, het geweer presenteert, maar wordt het saluut van 35 schoten in de vorm van een algemeen saluut gegeven;
    3º. op de voormiddag wordt een grote parade gehouden, tenzij de regionale bevelhebber of de oudste commandant ter plaatse bepaalt, dat de bemanning zal deelnemen aan een plechtigheid aan de wal;
    4º. na grote parade of, indien er aan boord geen grote parade is gehouden, op een door de commandant te bepalen tijdstip vóór de middag, komt de bemanning in een alle hens voor de boeg bijeen om door de commandant te worden toegesproken naar aanleiding van het feest van de dag; in aansluiting op die toespraak joelt de bemanning;
    5º. indien de commandant en de état-major afzonderlijk tafel houden, biedt de eerste of oudste officier, staande aan het hoofd van de tafel van de état-major, de commandant de gelukwensen van de état-major aan, terwijl de chef der equipage de commandant de gelukwensen van de equipage aanbiedt;
    6º. indien het oorlogsschip behoort tot een verband, begeeft de commandant zich met de commandanten van de andere schepen van dat verband naar de commandant van het verband, teneinde hem zijn gelukwensen aan te bieden;
    7º. indien zich in de nabijheid van het oorlogsschip een buitenlands oorlogsschip bevindt, zendt de commandant tijdig tevoren een officier van de wacht naar de commandant van dat buitenlandse oorlogsschip, teneinde kennis te geven van het voornemen tot viering van Koningsdag en van de wijze waarop die zal worden gevierd; indien het eigen oorlogsschip al dan niet in verband samen met andere oorlogsschepen is, wordt de officier van de wacht gezonden door de commandant van het verband dan wel door de oudste commandant; indien er meer buitenlandse oorlogsschepen van dezelfde nationaliteit, al dan niet in verband, in de nabijheid zijn, wordt de officier van de wacht gezonden naar de betrokken oudste commandant;
    8º. wanneer een buitenlands oorlogsschip of enige buitenlandse oorlogsschepen aan de feestviering hebben deelgenomen, zendt de commandant, dan wel de commandant van het verband of de oudste commandant, daags na de feestdag een officier van de wacht naar de betrokken commandanten om te bedanken;
    9º. op een rede of in een haven in het buitenland wordt, in overleg met de Nederlandse diplomatieke of consulaire ambtenaar ter plaatse, tevens kennis gegeven aan de autoriteiten aan de wal, die volgens de bestaande gebruiken van de voorgenomen feestviering op de hoogte moeten zijn.

  2. In de standplaats van de commandant zeestrijdkrachten en de commandant der zeemacht in het Caraïbisch gebied:
    In de standplaats van de commandant zeestrijdkrachten en de commandant der zeemacht in het Caraïbisch gebied begeven alle commandanten die ter plaatse aanwezig zijn zich, onverminderd hetgeen in de voorgaande onderdelen is bepaald en naar regelen door C-ZSK resp. CZMCARIB te stellen, naar de betrokken autoriteit om hem hun gelukwensen aan te bieden.

  3. In andere plaatsen :
    In andere plaatsen begeven de commandanten die ter plaatse aanwezig zijn zich naar de oudste commandant ter plaatse om hem hun gelukwensen aan te bieden. 

5. Ceremonieel op andere nationale feestdagen, op nationale herdenkingsdagen of bij bijzondere nationale gebeurtenissen

  1. Algemeen:
    1º. voor het ceremonieel ter gelegenheid van een bijzondere nationale gebeurtenis worden door de Commandant Zeestrijdkrachten separate richtlijnen gegeven;
    2º. bij dit vast te stellen ceremonieel is steeds het gestelde in § 4, onderdeel a, onder 7º tot en met 9º, op overeenkomstige wijze van toepassing.

  2. De Nationale Dodenherdenking op 4 mei:
    Op de dag waarop allen worden herdacht, die sedert 10 mei 1940 bij de verdediging van de belangen van het koninkrijk, waar ook ter wereld zijn gevallen, of tijdens vredesmissies van internationale organisaties zijn gevallen dan wel door oorlogshandelingen en terreur zijn omgekomen, wordt:
    1º. aan boord van een oorlogsschip dat in een haven of op een rede in Nederland gemeerd of ten anker ligt en bij een inrichting der zeemacht in Nederland de koninkrijksvlag halfstok gevoerd van 18.00 uur tot zonsondergang en om 20.00 uur twee minuten stilte in acht genomen;
    2º. aan boord van een oorlogsschip dat zich buiten de keerkringen bevindt, maar niet in een haven of op een rede in Nederland gemeerd of ten anker ligt, de koninkrijksvlag halfstok gevoerd van 18.00 uur tot zonsondergang en terstond na het halfstok hijsen van de vlag twee minuten stilte in acht genomen;
    3º. aan boord van een oorlogsschip dat in een haven of op een rede in Curaçao, Aruba of Sint Maarten gemeerd of ten anker ligt, en bij een inrichting der zeemacht op Curaçao, Aruba of Sint Maarten, ceremonieel gehouden in overeenstemming met het betrokken landsbesluit;
    4º. aan boord van een oorlogsschip dat zich binnen de keerkringen bevindt, maar niet in een haven of op een rede in Curaçao, Aruba of Sint Maarten gemeerd of ten anker ligt, de koninkrijksvlag halfstok gevoerd van 16.00 uur tot zonsondergang en terstond na het halfstok hijsen van de vlag twee minuten stilte in acht genomen;
    5º. op schepen die in een haven of op een rede gemeerd of ten anker liggen, zolang de koninkrijksvlag halfstok waait, bovendien de geus halfstok gevoerd.

  3. Viering nationale bevrijdingsdag op 5 mei:
    Op het moment dat de bevrijding van Nederland in 1945 wordt herdacht, wordt aan boord van oorlogsschepen en bij inrichtingen der zeemacht van top gevlagd vanaf vlaggenparade tot zonsondergang, maar niet in Curacao, op Aruba of op Sint Maarten. 

6. Ceremonieel op feest- en herdenkingsdagen van een bevriende soevereine staat of bij bijzondere gebeurtenissen die een zodanige staat betreffen

  1. Wanneer in het buitenland in de nabijheid van een Nederlands oorlogsschip of in de nabijheid van Nederlandse oorlogsschepen aan de wal of aan boord van een buitenlands oorlogsschip een feest- of herdenkingsdag van de betrokken staat wordt gevierd waarbij saluten worden gegeven, vlaggen worden gehesen of halfstok wordt gevlagd, doet de commandant dan wel de commandant van het verband of de oudste commandant daaraan deelnemen door het oorlogsschip of de oorlogsschepen onder zijn commando, dan wel door de oorlogsschepen ter plaatse, althans indien hij vooraf van de feestviering of de herdenking op de hoogte is gesteld en de betrokken staat een bevriende soevereine staat is. Evenwel mag een saluut voor een zodanig gelegenheid nooit meer dan 21 schoten bedragen en wordt voor dezelfde natie op dezelfde dag slechts eenmaal, in de regel op de middag, een saluut gegeven.

  2. Indien aan boord van een buitenlands oorlogsschip, liggende op een rede of in een haven in het Koninkrijk der Nederlanden, een feest- of herdenkingsdag, bedoeld in onderdeel a, wordt gevierd, is het gestelde daarin op overeenkomstige wijze van toepassing.

  3. Voor deelneming aan ceremonieel ter gelegenheid van een bijzondere gebeurtenis die een bevriende soevereine staat betreft, worden door de Commandant Zeestrijdkrachten afzonderlijke richtlijnen gegeven. 

7. Indienststelling en uitdienststelling van een oorlogsschip

  1. Voor de indienststelling en uitdienststelling van een oorlogsschip komt de bemanning daarvan in een alle hens voor de boeg bijeen.

  2. Zodra de koninkrijksvlag, de wimpel dan wel de commandovlag of de standaard alsmede de geus zijn voorgehesen en de daaraan verbonden eerbewijzen, bedoeld in hoofdstuk 9, § 23, onderdeel b, onder 1º en § 25, onderdeel a, zijn gebracht, spreekt de commandant de bemanning toe naar aanleiding van de indienststelling.

  3. In aansluiting op de toespraak van de commandant joelt de bemanning.

  4. De uitdienststelling geschiedt op overeenkomstige wijze, waarbij de eerbewijzen, zoals bedoeld in hoofdstuk 9, § 23, onderdeel b, onder 3º, en § 25, onderdeel a, worden gebracht, met dien verstande dat de vlag, oorlogswimpel en geus gelijktijdig worden neergehaald. 

Hoofdstuk 24 Protocol

1. Algemeen

  1. De uitdrukkingen ceremonieel en protocol laten zich niet in alle gevallen duidelijk scheiden. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van een militaire plechtigheid worden ceremonieel en protocol samen en naast elkaar vastgesteld en uitgevoerd.

  2. Daarnaast is m.b.t. uitnodigingen, volgorde van belangrijkheid, aandacht voor belangrijke personen enz. enige regelgeving in de vorm van richtlijnen gewenst, wanneer bijeenkomsten met een formeel karakter worden georganiseerd.

  3. Deze richtlijnen zijn hoofdzakelijk bedoeld om te worden gebruikt tijdens bijeenkomsten waar grote aantallen gasten worden uitgenodigd en waarbij regelingen worden getroffen om de uitnodigingen, de ontvangst, de begeleiding, de inrichting van een zaal, de volgorde van plaatsing, de verzorging en andere voorkomende zaken op een juiste protocollaire wijze gestalte te kunnen geven. 

2. Richtlijnen

  1. De aanleiding van een geplande bijeenkomst bepaalt tevens wie als gastheer zal optreden. Deze gastheer draagt zorg voor de uitnodigingen en bepaalt verder ook de omstandigheden en speciale regelingen van de bijeenkomst.

  2. Het karakter van de bijeenkomst bepaalt ook de zwaarte van het protocol en de plaats die iedere genodigde inneemt.

  3. De gastheer bepaalt of speciale gasten moeten worden uitgenodigd en of bepaalde functionarissen, los van de logische volgorde, vanwege de aard van de bijeenkomst hoger in het protocol moeten worden geplaatst.

  4. Buitenlandse gasten worden, bij gelijkheid in volgorde, vóór een Nederlandse gast geplaatst. Bij gelijke plaatsing van Nederlandse gasten wordt de volgorde bepaald door de relatie tot de aard van de bijeenkomst.

  5. Op de uitnodigingen dient een gewenst tijdstip van aankomst te worden vermeld.

  6. De plaats van de gastheer, gastvrouw alsmede de plaatsing van de gasten in zalen, kerken en bij diners wordt in hoofdstuk 26 behandeld.

  7. Een gast die als vertegenwoordiger van een genodigde optreedt, wordt niet automatisch geplaatst. Naar de aard van de plechtigheid zal de volgorde voor hem worden vastgesteld.

  8. In voorkomend geval worden (echt)paren als één geheel beschouwd. 

3. Belangrijke gasten met voorrang (V.I.P.’s)

  1. Voorrang voor belangrijke functionarissen
    Bij een officiële bijeenkomst, receptie e.d. dient te worden vastgesteld, welke uit te nodigen gasten als V.I.P.’s moeten worden beschouwd. De rang / schaal is daarbij uiteraard van belang, maar niet allesbepalend. Om per gelegenheid tot een goed uitnodigingsbeleid te komen, kan het onderstaande een hulpmiddel zijn:
    1º. een V.I.P. heeft een hogere rang dan de functionaris die uitnodigt;
    2º. een V.I.P. heeft een hogere rang dan voor wie de receptie wordt gehouden;
    3º. een V.I.P. heeft minimaal de rang van generaal-majoor of daaraan gelijkgesteld;
    4º. het aantal V.I.P’s dient in verhouding te staan tot het totaal aantal uitgenodigde gasten én de beschikbare tijd, om bij de ontvangst daar ook daadwerkelijk rekening mee te kunnen houden;
    5º. burgergasten dienen volgens voorrang in beschouwing te worden genomen;
    6º. een specifieke groep vormen de generaals (en vergelijkbaar niveau) buiten dienst; niet alleen de voormalige (militaire) status kan doorslaggevend zijn, maar ook de reden van de uitnodiging of de tegenwoordige maatschappelijke functie om de plaatsing vast te stellen;
    7º. functionarissen die direct betrokken zijn bij de reden van de bijeenkomst, zoals bijvoorbeeld de schrijver van een boek bij de uitreiking van het eerste exemplaar, kunnen hoger worden geplaatst.

  2. De uitnodiging:
    1º. op de uitnodiging voor een V.I.P. staat in ieder geval het begintijdstip van de bijeenkomst en indien een receptie ook het verwachte einde;
    2º. het te dragen tenue wordt eveneens op de uitnodiging vermeld;
    3º. op de uitnodiging wordt aangegeven op welk tijdstip de genodigde geacht wordt te arriveren, met als doel een gespreide ontvangst te bewerkstelligen; wanneer de aankomsttijd voor de V.I.P. niet wordt vermeld, kan bij de ontvangst stagnatie ontstaan als een aantal nagenoeg tegelijkertijd arriveert;
    4º. een V.I.P. krijgt bij de uitnodiging een kaart, waarop zijn speciale status is aangegeven; deze kaart dient bij aankomst te worden afgegeven; alleen indien de organisatie van de bijeenkomst zeker weet dat iedereen bekend is, wordt de kaart niet meegezonden;
    5º. een V.I.P. behoort een gereserveerde parkeerplaats toegewezen te krijgen.

  3. De ontvangst:
    1º. bij aankomst dient bij het uitstappen van de auto opvang (autodeuren) en ontvangst (welkom) plaats te vinden, waarbij de genodigde zijn V.I.P.-kaart overhandigt;
    2º. vervolgens vindt begeleiding naar de garderobe plaats en wordt gelegenheid tot opfrissen geboden, waarna de V.I.P., onder begeleiding, naar de plaats van de samenkomst wordt gebracht;
    3º. betreft het een receptie, dan wordt de V.I.P. langs de rij wachtenden gebracht naar degene die recipieert, of sluit (zo nodig) aan achter de vóór hem gearriveerde V.I.P.; indien gespreid is uitgenodigd, ontstaat voor de V.I.P. geen oponthoud. 

4. Protocollaire volgorde voor de krijgsmacht

  1. Voor autoriteiten bestaan er protocollaire richtlijnen met betrekking tot het bepalen van de volgorde. De respectievelijke bureaus protocol van de krijgsmachtdelen kunnen desgevraagd advies geven bij het vaststellen van de protocollaire volgorde van de uit te nodigen officiële gasten. Tevens kan de protocolofficier bij de Commandant der Strijdkrachten (MDTN: *06-501-87940, Civiel: 070-3187940) u hierover adviseren.

  2. Als algemene regel geldt dat voorrang, behalve die van het staatshoofd, niet overdraagbaar is. Dit houdt in dat de vertegenwoordigers van hoge functionarissen niet automatisch de status krijgen van diegenen die zij vertegenwoordigen.

  3. Nederlandse captains of industry hebben geen formele plaats op de volgordelijst. Dit betekent echter niet dat iedereen die daar wel recht op heeft boven hen zou rangeren. De bijzondere plaats die zij innemen in de samenleving zal tot uitdrukking moeten worden gebracht waarbij de aard van het evenement een belangrijke factor is. In zijn algemeenheid zou voor de topgroep van Nederlandse captains of industry kunnen worden gedacht aan een plaats tussen vice-admiraals/luitenant-generaals en schouten-bij-nacht/generaals-majoor. 

5. Volgordelijst NATO

  1. Honorary President of the North Atlantic Council/Defence Planning Committee (NAC/DPC);

  2. the Secretary General, Chairman of the NAC/DPC;

  3. Ministers of Foreign Affairs/Defence of members countries in the English alphabetical country order, commencing with the country having the Presidency;

  4. Permanent Representatives to the NAC/DPC in order of seniority of appointment to the Council/DPC;

  5. the Deputy Secretary General;

  6. the Chairman of the Military Committee;

  7. the Chiefs of Defence Staff in order of appointment as CHOD;

  8. SACEUR and SAC-T in order of seniority of appointment;

  9. the Military Representatives to the Military Committee in order of appointment to the Military Committee;

  10. Admirals and Generals 4-star in order of seniority of appointment;

  11. the Deputy Chairman of the Military Committee;

  12. NATO Assistant Secretaries General in order of seniority of appointment;

  13. Director General of the International Military Staff;

  14. Deputy Permanent Representatives;

  15. SACTREPEUR and SACEUREP in order of seniority of appointment;

  16. Admirals and Generals 3-star;

  17. Assistant Directors, IMS

  18. General Manager NCIA;

  19. A7, OF7 and comparable foreign affairs officers in order of seniority of appointment;

  20. A6, OF6 and comparable foreign affairs officers in order of seniority of appointment;

  21. Deputy Military Representatives in order of appointment. 

Hoofdstuk 25 Protocol bij bezoeken leden van het Koninklijk Huis

1. Algemeen

Bij bezoeken van leden van het Koninklijk Huis aan onderdelen van de krijgsmacht wordt door een adjudant van Z.M. de Koning contact opgenomen met de gastheer om ongeveer zeven weken voor aanvang evenement een voorbespreking te organiseren.
Bij deze voorbespreking zijn aanwezig: gastheer, hofdame van Z.M. de Koning (bij bezoek H.M. de Koningin, H.K.H. prinses Beatrix of H.K.H. prinses Margriet), adjudant van Z.M. de Koning, Dienst Bewaken en Beveiligen (DBB), Rijks Voorlichtingsdienst (RVD: bij officieel bezoek), vertegenwoordiger van de Commissaris der Koning en vertegenwoordiger van de burgemeester (bij officieel bezoek). Op basis van de voorbespreking wordt een conceptprogramma voorgelegd, waarna de adjudant de gastheer informeert omtrent definitieve vaststelling van het programma.
Er bestaan twee soorten bezoek van leden van het Koninklijk Huis:

  1. officiële bezoeken zoals bij: een doop (van een schip), een vaandeluitreiking, een opening, een parade enz.;

  2. werkbezoeken, zoals een bezoek aan de Krijgsmachtdeelraden, oefeningen, eenheden enz. 

2. Aankomstprocedure

  1. Officieel bezoek
    Bij officiële bezoeken wordt het lid van het Koninklijk Huis bij aankomst als eerste begroet door de Commissaris der Koning en de burgemeester. Hierop wordt door de Commissaris der Koning (of desgewenst de burgemeester) de gastheer (commandant) voorgesteld aan de koninklijke gast. Dit geschiedt normaliter bij de auto dan wel de helikopter. Vanaf dat moment zal de gastheer het bezoekende lid van het Koninklijk Huis begeleiden tijdens het bezoek.
    De Commissaris der Koning en de burgemeester sluiten zich vervolgens aan bij het gevolg van het lid van het Koninklijk Huis.
    Indien het bezoek een sterk regionaal karakter en regionale uitstraling heeft kan een kamerheer van Z.M. de Koning deel uit maken van het gevolg van Z.M. de Koning. In dit geval is de kamerheer degene die als eerste het lid van het Koninklijk Huis begroet.

  2. Werkbezoek
    Bij werkbezoeken is het van belang dat het lid van het Koninklijk Huis de gelegenheid krijgt om zich in beslotenheid van de werkomgeving te laten informeren. De omvang van het gevolg, aanwezigheid van autoriteiten en de aanwezigheid van pers wordt daarom zoveel als mogelijk beperkt. Het lid van het Koninklijk Huis wordt bij aankomst alleen door de gastheer (commandant) begroet.

  3. Ontvangst eregasten
    Doorgaans is er alleen bij officiële gelegenheden sprake van eregasten. In dat geval kan er voor worden gekozen een voorontvangst te organiseren mits voor een beperkt aantal functionarissen. Hierbij kan gedacht worden aan het voorstellen van sprekers, speciale jubilarissen en hooggeplaatste autoriteiten. De aanwezigheid van familie van functionarissen is alleen denkbaar indien er sprake is van een evenement met een sterk sociaal karakter.

  4. Zie hoofdstuk 9 voor de KM.

3. Vertrekprocedure

  1. Officieel bezoek
    Bij vertrek is de procedure tegenovergesteld aan die bij de aankomst, dus eerst de gastheer dan de burgemeester, terwijl de Commissaris der Koning als laatste afscheid neemt.

  2. Werkbezoek
    Bij vertrek neemt alleen de gastheer afscheid.

  3. Zie hoofdstuk 9 voor de KM.

4. Omgang met de pers

Contacten met de pers inzake het bezoek van een lid van het Koninklijk Huis vinden immer plaats door of in overleg met de RVD. Zo wordt bijvoorbeeld door de RVD het initiële persbericht uitgebracht waarin het bezoek wordt aangekondigd. Bij officiële bezoeken is persaccreditatie en begeleiding van de pers door de RVD noodzakelijk. Bij werkbezoeken is er in beginsel geen pers aanwezig. Er wordt doorgaans (achteraf) wel een persbericht uitgegeven.

Hoofdstuk 26 Placering

1. Algemeen

Het doel van de placering, ook wel stoelenplan genoemd, is het op correcte wijze verdelen van (belangrijke) gasten over de beschikbare zitplaatsen. In dit hoofdstuk worden richtlijnen voor de wijze van placeren gegeven. Van het grootste belang is het te beseffen, dat de gastheer te allen tijde verantwoordelijk blijft voor de placering van zijn gasten. Om recht te doen aan de positie en verwachtingen van gasten is het echter aan te bevelen onderstaande richtlijnen te volgen.
Voordat een placering kan worden opgesteld, wordt de lijst met genodigden van een volgorde voorzien. Voor autoriteiten bestaan er protocollaire richtlijnen met betrekking tot het bepalen van de volgorde. Indien het een placering betreft waarbij een lid van het Koninklijk Huis aanwezig is, kan een adjudant van Z.M. de Koning terzake van advies dienen. Zonodig worden eerst groepen vastgesteld (bijvoorbeeld de groep ambassadeurs) en daarna de volgorde tussen groepen onderling en uiteindelijk binnen de groep.

2. Placering

Naast de volgorde van autoriteiten dienen de volgende regels in acht genomen te worden:

  1. In alle gevallen zit de belangrijkste gast rechts naast de gastheer. De volgende in belangrijkheid links van de gastheer en de daaropvolgende weer rechts naast de belangrijkste gast enz.

  2. De enige uitzondering op bovenstaande regel vormt Z.M. de Koning. Bij de placering neemt hij de meest prominente plaats in en zit de gastheer rechts van Z.M. de Koning.

  3. Wanneer een plaats naast een lid van het Koninklijk Huis tijdelijk vrij komt, bijvoorbeeld vanwege een door de gastheer te verzorgen lezing, is het gewenst dat de daaropvolgende geplaatste persoon gedurende de tijd van afwezigheid die plaats inneemt.

  4. Bij een functioneel evenement waarbij echtgeno(o)te(n)s aanwezig zijn, dient het uitgangspunt te zijn dat de placering van de ontvangende autoriteiten en functionarissen in beginsel vóór gaat op de placering van het (echt)paar, man (links), vrouw (rechts) en dat derhalve de echtgeno(o)t(e) op één der volgende rijen kan worden geplaatst.

  5. Bij een evenementen met een overwegend sociaal karakter, zoals concerten e.d., kunnen de echtparen echter wel naast elkaar worden geplaatst.

  6. De hofdame is direct achter Z.M. de Koning geplaceerd. De kamerheer zit rechts van de hofdame en de adjudant links van haar. Tevens dient op de tweede rij stoelen aan beide uiteinden een stoel voor de Dienst Bewaken en Beveiligen te worden gereserveerd. 

3. In zalen

  1. In zalen is de ruimte vaak verdeeld in een aantal blokken met daartussen gangpaden. Wanneer één gangpad tussen de blokken bestaat, is het rechterblok, gezien met het front naar het podium, het meest belangrijk. Is de voorste rij volledig ingedeeld, dan volgt dezelfde procedure voor de volgende rijen. Zijn er drie blokken (met twee gangpaden) aanwezig, dan is het middenblok het belangrijkste, daarna het rechterblok en tot slot het linkerblok, gezien met het front naar het podium.

  2. De gastheer zit in het midden van het belangrijkste blok; de belangrijkste gast zit rechts van hem. De op één na belangrijkste gast zit links van de gastheer vervolgens wordt de rij gevuld respectievelijk rechts en links van de belangrijkste gasten. Ook een lid van het Koninklijk Huis zit rechts naast de gastheer. Alleen indien Z.M. de Koning aanwezig is, zit hij in het midden en de gastheer rechts van hem.

20_10_h27_1

4. In kerken

  1. De belangrijkheid van de blokken in een kerk is identiek zoals aangegeven bij zalen. Als er in de kerk een evenement met een algemeen karakter (bijvoorbeeld seminar) plaatsvindt, dan dient de kerk als een zaal (zie § 3) te worden beschouwd.

  2. Als er sprake is van kerkelijke gebeurtenissen (bijvoorbeeld herdenkingsdienst) zijn in kerken in beginsel de belangrijkste plaatsen per rij direct grenzend aan het middenpad gelegen en daarna aflopend in belangrijkheid per rij naar de buitenkant (muurzijde).
    De als gastheer optredende functionaris zit op de voorste rechterrij gezien met het front naar het Liturgisch centrum (altaar) aan het gangpad; de belangrijkste gast zit rechts van hem. Ook een lid van het Koninklijk Huis zit rechts naast de gastheer. Alleen indien Z.M. de Koning aanwezig is, zit de gastheer rechts van hem, hij zal echter niet de plaats direct aan het gangpad innemen.

  3. Als leden van het Koninklijk Huis een kerkelijke gebeurtenis bijwonen zal het doorgaans zo zijn dat de situatie met betrekking tot de placering separaat moet worden bezien. Het valt daarom aan te bevelen om hierover in overleg te treden met de adjudant van Z.M. de Koning.

20_10_h27_2

5. Bij diners

  1. Bij een diner waarbij verscheidene tafels zullen worden gebruikt, wordt eerst een indeling per tafel vastgesteld, waarna per tafel de volgorde kan worden bepaald. Per tafel wordt bepaald, wie als medegastheer optreedt.

  2. De belangrijkste gasten zitten in beginsel aan de tafel van de gastheer (hoofdtafel). Tevens is er een rangorde tussen de tafels, hoe dichter bij de hoofdtafel / gastheer hoe belangrijker de tafel.

  3. De belangrijkste gast (per tafel) zit altijd rechts van de (mede)gastheer.
    20_10_h27_4
    Betreft het een diner met dames, dan zit de echtgenote van de belangrijkste gast rechts van de gastheer en de belangrijkste gast rechts van de echtgenote van de gastheer.
    20_10_h27_6
    Daarna volgt een zelfde procedure voor de op één na belangrijkste gast, die naar analogie steeds links komt te zitten.

  4. Bij lange tafels gaat de voorkeur uit naar de zogenaamde Franse wijze van placeren. Hierbij is de gastheer centraal geplaatst in het midden van de tafel.
    20_10_h27_3
    De belangrijkste gasten zijn vervolgens gegroepeerd rond de gastheer. Hoe dichter bij de gastheer, hoe belangrijker de gast.
    20_10_h27_5

Bijlage A Bezoeken van oorlogsschepen aan de havens van andere nationaliteiten

1. Algemeen

  1. Deze regeling is grotendeels ontleend aan STANAG 1100, die door alle landen, aangesloten bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), met uitzondering van Luxemburg, is aanvaard. De uitvoeringsregeling is opgenomen in de VIBDZ (1 VVKM 100).

  2. De bezoeken die Nederlandse oorlogsschepen aan het buitenland en buitenlandse oorlogsschepen aan Nederland, Curaçao, Aruba of Sint Maarten, worden onderscheiden in formele, informele en routinematige bezoeken, met dien verstande, dat alleen de NAVO-landen het begrip routinebezoek kennen.

  3. Een formeel bezoek (formal visit) is een bezoek dat in het kader van vlagvertoon wordt gebracht op uitnodiging van het ene land aan het andere land of een bezoek dat verband houdt met een belangrijke nationale of internationale gebeurtenis en waarover de betrokken landen hebben afgesproken, dat het een formeel karakter draagt.

  4. Een informeel bezoek (informal visit) is een bezoek dat in het kader van goede nabuurschap wordt gebracht en waarbij het uiterlijk vertoon beperkter is dan bij een formeel bezoek. Als zodanig kunnen bijvoorbeeld worden aangemerkt bezoeken die ten doel hebben de betrekkingen tussen de marine-autoriteiten te onderhouden.

  5. Een routinebezoek (routine visit) is:
    1º. een bezoek dat wordt gebracht in het kader van oefeningen en operaties in NAVO-verband;
    2º. een bezoek dat wordt gebracht in nationaal verband aan een NAVO-land en dat een of meer van de volgende doeleinden heeft: bevoorrading of herstelling, ontspanning van de bemanning, het overbrengen van materieel, personeel of brandstof of search and rescue-activiteiten en waarbij de wederzijdse wens leeft bij het bezoek de plichtplegingen tot het uiterste te beperken.

  6. Welk karakter het voorgenomen bezoek zal hebben, wordt telkenmale door de regionale commandant aan de betrokken commandanten medegedeeld, zulks op aanwijzingen van de staf van de Commandant der Zeestrijdkrachten.

  7. Een schip dat zich in moeilijkheden bevindt, kan rechtstreeks aan de plaatselijke autoriteiten vergunning vragen om te mogen binnenlopen. De commandant zal het verzoek ter informatie doorgeven aan de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger in het betrokken land. Een dergelijk verzoek heeft altijd het karakter van een routinematig bezoek.

  8. Bij formele en informele bezoeken worden de voorgeschreven eerbewijzen gebracht en wordt het voorgeschreven ceremonieel gevolgd.

  9. Bij routinebezoeken worden geen saluten gewisseld, terwijl de ceremoniële bezoeken daarbij beperkt blijven tot een bezoek aan de commandant der maritieme middelen of een overeenkomstige marine-autoriteit ter plaatse of, bij ontstentenis van deze de hoogste militair ter plaatse.

  10. Binnen de KM wordt in correspondentie en berichten voor toestemming langs diplomatieke weg de term dipclear (afkorting van diplomatic clearance) gebezigd en voor toestemming langs andere weg de term agreement. 

2. Procedures voor bezoeken van schepen of verbanden van schepen, die onder Nederlands bevel staan of die deel uitmaken van een NAVO-verband en een Nederlandse commandant houden

Voor alle bezoeken moet langs diplomatieke weg toestemming worden gevraagd aan de regering van het betrokken land, tenzij er bilaterale of multilaterale afspraken bestaan die een andere procedure voorschrijven. Zie VIBDZ (1 VVKM 100), onder 6020.

3. Procedures voor bezoeken van schepen die deel uitmaken van een NAVO-verband en die een niet-Nederlandse commandant hebben

Voor bezoeken van schepen die deel uitmaken van een NAVO-verband en die een NAVO-commandant hebben, wordt verwezen naar de betrokken bepalingen van STANAG 1100. Zie ook VIBDZ (1 VVKM 100) onder 6022, onderdeel b.

4. Procedures voor bezoeken van schepen in verband met oefeningen

  1. Indien een land goedkeuring verleent voor het houden van een oefening binnen zijn territoir, houdt dit voor dat land tevens in het aanvaarden van de plicht om voor alle schepen en vliegtuigen van de deelnemende landen de nodige diplomatieke toestemming te verlenen voor alle operaties binnen zijn territoriale wateren en voor bezoeken aan havens en bases in dat land in verband met de oefening.

  2. Dit houdt tevens de plicht in van het gastland dat de betrokken deelnemende landen op de hoogte worden gesteld van de diplomatieke toestemming.

  3. Indien hieraan niet wordt voldaan door het gastland, dient de Nederlandse commandant via de hiërarchieke weg hierom te verzoeken.

Bijlage B Koninklijk Besluit van 3 november 1955, nr. 56, houdende regeling der assimilatie van de rangen der consulaire ambtenaren met die van officieren der zeemacht

Artikel 1

Een consul-generaal staat in rang gelijk met een kapitein ter zee, doch gaat deze vóór.
Een consul staat in rang gelijk met een kapitein-luitenant ter zee, doch gaat deze vóór.
Een vice-consul staat in rang gelijk met een luitenant ter zee der eerste klasse, doch volgt na deze.

Artikel 2

Bij aankomst van een Nederlands oorlogsschip of van een verband van Nederlandse oorlogsschepen in zijn standplaats, wacht de consulaire ambtenaar, die hoger in rang is dan de officier, belast met het bevel over het oorlogsschip of over het verband van oorlogsschepen, of die, bij gelijke rang, deze voorgaat, diens bezoek af.
Hij brengt het eerste bezoek, wanneer hij lager in rang is dan de hier bedoelde officier of, bij gelijke rang, na deze volgt.

Artikel 3

Voor een consulaire ambtenaar, die tijdelijk een hogere functie waarneemt dan met zijn rang overeenkomt, en voor een particulier, die tijdelijk als consulaire ambtenaar optreedt, gelden dezelfde regels als voor de titularissen die zij vervangen, met dien verstande dat als een vice-consul of een particulier een consul-generaal tijdelijk vervangt, deze plaatsvervanger geacht wordt de rang van consul te hebben en dat, als een adjunct-vice-consul een consul of een consul-generaal vervangt, de plaatsvervanger geacht wordt de rang van vice-consul te hebben.

Bijlage C Alfabetische volgorde der landen naar hun Franse benaming gevolgd door hun Nederlandse benaming

Frans

Nederlands

Frans

Nederlands

Afghanistan

Afghanistan

Laos

Laos

Afrique du Sud

Zuid-Afrika

Lesotho

Lesotho

Albanie

Albanië

Lettonie

Letland

Algérie

Algerije

Liban

Libanon

Allemagne

Duitsland

Liberia

Liberia

Angola

Angola

Libye

Libië

Arabie Saoudite

Saudi-Arabië

Lituanie

Litouwen

Argentine

Argentinië

Luxembourg

Luxemburg

Arménie

Armenië

Macédoine

Macedonië

Australie

Australië

Madagascar

Madagaskar

Autriche

Oostenrijk

Malaisie

Maleisië

Azerbaïdjan

Azerbeidzjan

Malawi

Malawi

Bahreïn

Bahrein

Maldives

Maldiven

Bangladesh

Bangladesh

Mali

Mali

Barbade (La)

Barbados

Malte

Malta

Belgique

België

Maroc

Marokko

Bénin

Benin

Maurice

Mauritius

Bhoutan

Bhutan

Mauritanie

Mauritanië

Biélorussie

Wit-Rusland

Mexique

Mexico

Bolivie

Bolivia

Moldavie

Moldavië

Bosnie-Herzégovine

Bosnië en Herzegovina

Monaco

Monaco

Botswana

Botswana

Mongolie

Mongolië

Brésil

Brazilië

Mozambique

Mozambique

Brunei

Brunei

Myanmar (Birmanie)

Myanmar (Birma)

Bulgarie

Bulgarije

Namibie

Namibië

Burkina Faso

Burkina Faso

Népal

Nepal

Burundi

Burundi

Nicaragua

Nicaragua

Cambodge

Cambodja

Niger

Niger

Cameroun

Kameroen

Nigeria

Nigeria

Canada

Canada

Norvège

Noorwegen

Cap-Vert

Kaapverdië

Nouvelle-Zélande

Nieuw-Zeeland

Chili

Chili

Oman

Oman

Chine

China

Ouganda

Uganda

Chypre

Cyprus

Ouzbékistan

Oezbekistan

Colombie

Colombia

Pakistan

Pakistan

Congo

Congo

Panama

Panama

Corée-du-Nord

Noord-Korea

Papouasie-Nouvelle-Guinée

Papoea-Nieuw-Guinea

Corée-du-Sud

Zuid-Korea

Paraguay

Paraguay

Costa Rica

Costa Rica

Pays-Bas

Nederland

Côte-d’Ivoire

Ivoorkust

Pérou

Peru

Croatie

Kroatië

Philippines

Filipijnen

Cuba

Cuba

Pologne

Polen

Danemark

Denemarken

Portugal

Portugal

Djibouti

Djibouti

Qatar

Qatar

Égypte

Egypte

République Centrafricaine

Centraal-Afrikaanse Republiek

El Salvador

El Salvador

République Dominicaine

Dominicaanse Republiek

Émirats Arabes Unis

Verenigde Arabische Emiraten

République Tchèque

Tsjechië

Équateur

Ecuador

Roumanie

Roemenië

Érythrée

Eritrea

Royaume-Uni

Verenigd Koninkrijk

Espagne

Spanje

Russie

Rusland

Estonie

Estland

Rwanda

Rwanda

États-Unis d’Amérique

Verenigde Staten van Amerika

Sénégal

Senegal

Éthiopie

Ethiopië

Seychelles

Seychellen

Fidji

Fiji-eilanden

Sierra Leone

Sierra Leone

Finlande

Finland

Singapour

Singapore

France

Frankrijk

Slovaquie

Slowakije

Gabon

Gabon

Slovénie

Slovenië

Gambie

Gambia

Somalie

Somalië

Géorgie

Georgië

Soudan

Sudan

Ghana

Ghana

Sri Lanka

Sri Lanka

Grèce

Griekenland

Suède

Zweden

Guatemala

Guatemala

Suisse

Zwitserland

Guinée

Guinee

Surinam

Suriname

Guinée-Équatoriale

Equatoriaal-Guinea

Swaziland

Swaziland

Guyana

Guyana

Syrie

Syrië

Haïti

Haïti

Tadjikistan

Tadjzikistan

Honduras

Honduras

Taiwan

Taiwan

Hongrie

Hongarije

Tanzanie

Tanzania

Inde

India

Tchad

Tsjaad

Indonésie

Indonesië

Thaïlande

Thailand

Irak

Irak

Togo

Togo

Iran

Iran

Tonga

Tonga

Irlande

Ierland

Trinité-et-Tobago

Trinidad en Tobago

Islande

IJsland

Tunisie

Tunesië

Israël

Israël

Turkménistan

Turkmenistan

Italie

Italië

Turquie

Turkije

Jamaïque

Jamaica

Ukraine

Oekraïne

Japon

Japan

Uruguay

Uruguay

Jordanie

Jordanië

Venezuela

Venezuela

Kazakhstan

Kazachstan

Viêtnam

Vietnam

Kenya

Kenia

Yémen

Jemen

Kirghizistan

Kirgizië

Zambie

Zambia

Koweït

Koeweit

 

 

Bijlage D Aanspreektitels en volgorde / verhoudingen tussen de rangen

Aanspreektitels en volgorde

Deze is als pdf bestand in bijlage opgenomen.

Tabel behorende bij het besluit volgorde verhouding rangen en standen zee-, land- en luchtmacht

Tabel behorend bij het Koninklijk besluit van 20 juni 1956, Stb. 361, zoals gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 22 juli 2002, Stb. 453:

Marine Landmacht Luchtmacht
Officieren  
1. luitenant-admiraal1. generaal 1. generaal
2. vice-admiraal2. luitenant-generaal 2. luitenant-generaal
3. schout-bij-nacht 3. generaal-majoor 3. generaal-majoor
4. commandeur 4. brigade-generaal 4. commodore
5. kapitein ter zee 5. kolonel 5. kolonel
6. kapitein-luitenant ter zee6. luitenant-kolonel 6. luitenant-kolonel
7. luitenant ter zee der eerste klasse7. majoor 7. majoor
8. luitenant ter zee der tweede klasse oudste categorie8. kapitein 8. kapitein
9. luitenant ter zee der tweede klasse jongste categorie9. eerste-luitenant 9. eerste-luitenant
10. luitenant ter zee der derde klasse10. tweede-luitenant 10. tweede-luitenant
11.11. onderluitenant 11. onderluitenant
12. 12. kapelmeester 12. kapelmeester
13. 13. opzichter van fortificatiën13. technisch opzichter
Onderofficieren  
14. adjudant-onderofficier 14. adjudant-onderofficier 14. adjudant-onderofficier
15. sergeant-majoor15. sergeant-majoor/ opperwachtmeester15. sergeant-majoor
16. sergeant16. sergeant der eerste klasse/wachtmeester der eerste klasse16. sergeant der eerste klasse
17. sergeant 17. sergeant 17. sergeant
18. korporaal18. korporaal der eerste klasse18. korporaal der eerste klasse
19. korporaal19. korporaal19. korporaal der tweede klasse
Stand  
20.matroos der eerste klasse
matroos der tweede klasse
matroos

 

20.soldaat der 1e klasse
soldaat der 2e klasse (marechaussee der 3e klasse)
soldaat der 3e klasse (marechaussee der 4e klasse)
20.soldaat der 1e klasse
soldaat der 2e klasse
soldaat der 3e klasse

Bijlage E Ceremoniële en overige bezoeken

1. Ceremoniële bezoeken

  1. De minister (de staatssecretaris) en de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie stellen het op prijs persoonlijk kennis te maken met topambtenaren vanaf schaal 16 en de vlag- en opperofficieren, alsmede in zeer bijzondere gevallen met functionarissen van het naast lagere niveau, ter gelegenheid van de bevordering, functieverandering of dienstverlating van genoemde ambtenaren, vlag- en opperofficieren.

  2. Het hoofd van het Bureau van de Secretaris-generaal regelt de bezoeken en draagt zorg voor de uitnodigingen.

  3. Voorts brengen beroepsofficieren een bezoek aan de Commandant Zeestrijdkrachten bij hun bevordering tot vlagofficier en bij hun benoeming tot hoofd van een directie van de Admiraliteit of tot Commandant der Zeemacht in een maritiem rayon. Zij handelen op overeenkomstige wijze, wanneer zij uit de zeedienst worden ontslagen of uit de betrokken functie worden ontheven.

  4. Overigens melden beroepsofficieren die de zeedienst met eervol ontslag verlaten, zich af:
    1º. indien zij de rang van kapitein ter zee bekleden: bij de Commandant Zeestrijdkrachten en bij de Directeur Personeel KM;
    2º. indien zij de rang van kapitein-luitenant ter zee bekleden: bij de Directeur Personeel KM;
    3º. indien zij de rang van luitenant-ter-zee der 1e klasse of een lagere rang bekleden: bij de plaatsvervangend directeur personeel KM.

  5. Het gestelde in onderdeel d is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van officieren der KM-reserve die uitdrukkelijk de wens daartoe te kennen geven.

  6. De officieren die zich ingevolge onderdeel d of e, bij het verlaten van de dienst zullen afmelden bij de Admiraliteit, zijn gehouden hetzij persoonlijk, hetzij door tussenkomst van hun commandant, telefonisch een regeling te treffen met de adjudant of de secretaresse van de betrokken autoriteit, en wel ongeveer 14 dagen voor de datum waarop hun ontslag wordt verleend. 

2. Bezoeken na aankomst van een oorlogsschip op een rede of in een haven van het Koninkrijk der Nederlanden

  1. De plaatselijke bevelhebber of de oudste commandant ter plaatse doet een oorlogsschip dat in zijn standplaats aankomt na in een ander maritiem rayon gestationeerd te zijn geweest, verwelkomen door een liaison officier.

  2. De liaison officier stelt de commandant van het oorlogsschip tevens op de hoogte van de plaatselijke faciliteiten.

  3. De commandant van het oorlogsschip zendt een liaison officier naar de commandant die hem deed verwelkomen, om hem te bedanken.

  4. Bij aankomst van een oorlogsschip in een andere plaats dan die waar het is gestationeerd, brengt de commandant daarvan een bezoek aan de burgerbestuursautoriteiten en de militaire autoriteiten ter plaatse, die hoger in rang of van gelijke rang zijn dan hijzelf. Het bezoek van autoriteiten die lager in rang zijn dan hijzelf, wacht hij af, waarna hij hun een tegenbezoek brengt. Bij twijfel omtrent de gelijkstelling van de rang van een burgerbestuursautoriteit brengt de commandant in het algemeen het eerste bezoek.

  5. Indien ter plaatse een of meer oorlogsschepen dan wel een of meer inrichtingen der zeemacht aanwezig zijn, kan de état-major, nadat de bezoeken, bedoeld in onderdeel f, zijn gewisseld, een bezoek brengen aan de état-major van die schepen of inrichtingen. Bij een dergelijk bezoek doet de état-major zich vertegenwoordigen door ten minste drie officieren, onder wie zo mogelijk de eerste (de oudste) officier.

  6. Indien het oorlogsschip, al dan niet in verband, samen met andere oorlogsschepen op de rede of in een haven aankomt, wordt de liaison officier, bedoeld in onderdeel a, gezonden naar de commandant van het verband, onderscheidenlijk de oudste commandant, en rusten op deze laatste de verplichtingen, welke in de voorgaande onderdelen zijn gelegd op de commandant van het oorlogsschip. De andere commandanten kunnen hem bij zijn bezoeken vergezellen en worden dan door hem aan de verschillende commandanten voorgesteld. Vlagofficieren zijn evenwel niet verplicht persoonlijk een tegenbezoek te brengen aan autoriteiten met een rang beneden die van kapitein ter zee of een daarmee gelijkgestelde rang. Zij kunnen zich in dat geval doen vertegenwoordigen door een officier met de rang van kapitein ter zee of kapitein-luitenant ter zee, dan wel door hun adjudant. Ten aanzien van de bezoeken die kunnen worden gebracht door de état-major, is onderdeel g, van overeenkomstige toepassing.

  7. In geval van een kortstondig verblijf kan de oudste commandant ter plaatse bepalen, dat de bezoeken, bedoeld in de onderdelen d, e en f, achterwege zullen blijven. Hij geeft van die beslissing kennis aan de betrokken officieren en burgerautoriteiten. 

3. Bezoeken na aankomst van een oorlogsschip op een rede of in een haven in het buitenland (zie ook bijlage A)

  1. Indien een oorlogsschip na aankomst op een rede of in een haven in het buitenland door een officier is verwelkomd, zendt de commandant daarvan een liaison officier om daarvoor te bedanken naar de autoriteit die de officier heeft afgevaardigd.

  2. De commandant brengt voorts een bezoek aan de diplomatieke ambtenaar en de consulaire ambtenaar ter plaatse, indien deze althans een hogere rang dan of dezelfde rang als hijzelf bekleden. Indien zulks niet het geval is, wacht hij de bezoeken van de diplomatieke ambtenaar en van de consulaire ambtenaar af, waarna hij hun een tegenbezoek brengt. Is het bezoek van het betrokken oorlogsschip een routinebezoek als bedoeld in bijlage A, dan wordt aan de consulaire ambtenaar niet meer gevraagd dan, zo nodig, zijn bemiddeling in aangelegenheden van logistieke aard. Officiële ontvangsten, diners en dergelijke blijven in dat geval achterwege.

  3. Voorts brengt de commandant, behalve in het geval, bedoeld in de bijlage A, § 1, onderdeel e, een bezoek aan de burgerbestuursautoriteiten en de militaire autoriteiten ter plaatse, die een hogere dan wel gelijke rang dan hijzelf bekleden. Het bezoek van autoriteiten die lager in rang zijn dan hijzelf, wacht hij af, waarna hij hun een tegenbezoek brengt. Bij twijfel omtrent de gelijkstelling van de rang van een buitenlandse burgerautoriteit brengt de commandant in het algemeen het eerste bezoek.

  4. Indien er op een rede of in een haven een of meer buitenlandse oorlogsschepen, al dan niet in verband, liggen, kan de état-major, nadat de commandant met de commandant van het buitenlandse oorlogsschip, onderscheidenlijk met de commandant van het verband of de oudste commandant van de buitenlandse oorlogsschepen, de bezoeken, bedoeld in onderdeel c, heeft gewisseld, een bezoek brengen aan de état-major van dat schip of van die schepen. De état-major doet zich daarbij vertegenwoordigen door ten minste drie officieren, onder wie zo mogelijk de eerste (de oudste) officier.

  5. Indien het oorlogsschip, al dan niet in verband, samen met andere oorlogsschepen op de rede of in een haven aankomt, brengt de commandant van het verband dan wel de oudste commandant de bezoeken, bedoeld in de onderdelen b en c. De andere commandanten kunnen hem daarbij vergezellen en worden dan door hem aan de verschillende autoriteiten voorgesteld. Vlagofficieren zijn evenwel niet verplicht persoonlijk een tegenbezoek te brengen aan autoriteiten met een rang beneden die van kapitein ter zee. Zij kunnen zich in dat geval doen vertegenwoordigen door een officier met de rang van kapitein ter zee of kapitein-luitenant ter zee, dan wel door hun adjudant. Ten aanzien van de bezoeken, die kunnen worden gebracht door de état-major, is onderdeel d op overeenkomstige wijze van toepassing.

  6. Indien er op een rede of in een haven een of meer Nederlandse oorlogsschepen, al dan niet in verband, liggen, vervoegt de commandant van het aankomende oorlogsschip, onderscheidenlijk de commandant van het verband of de oudste commandant der aankomende oorlogsschepen, zich bij de commandant van dat schip, onderscheidenlijk bij de commandant van het verband of de oudste commandant van die oorlogsschepen, althans indien deze een hogere rang bekleedt, of bij gelijke rang, meer ouderdom in rang heeft dan hijzelf, teneinde diens bedoelingen te vernemen omtrent de plichtplegingen. Indien de zojuist bedoelde commandant een lagere rang bekleedt of, bij gelijke rang, minder ouderdom in rang heeft dan de zojuist gearriveerde, wacht de laatste diens bezoek af teneinde van hem te vernemen wat hij reeds heeft verricht. Overigens is § 4, onderdeel g op overeenkomstige wijze van toepassing. 

4. Het uitbrengen van heildronken bij feestelijkheden

  1. Indien Nederlandse burgerautoriteiten officieel te gast zijn aan boord van een oorlogsschip of bij een inrichting der zeemacht, stelt de gastheer te gelegener tijd voor te drinken op het welzijn van Z.M. de Koning. Die heildronk wordt staande uitgebracht.

  2. Indien buitenlandse officieren of buitenlandse burgerautoriteiten officieel te gast zijn aan boord van een oorlogsschip of bij een inrichting der zeemacht en daarbij heildronken zullen worden uitgebracht, stelt de gastheer zich van tevoren in verbinding met de gasten, teneinde een en ander te doen verlopen op de wijze, aangegeven in de onderdelen c, d en e.

  3. Te gelegener tijd stelt de gastheer voor te drinken op het welzijn van het staatshoofd van de natie waartoe de buitenlandse gasten behoren, met inachtneming van hetgeen in de onderdelen d en e is bepaald. Nadat die heildronk door de aanwezigen staande is uitgebracht, stelt de oudste der aanwezige buitenlandse gasten voor te drinken op het welzijn van Z.M. de Koning (in principe alleen op Koningsdag).

  4. Indien de gasten behoren tot verschillende buitenlandse naties, stelt de gastheer een collectieve heildronk in op de staatshoofden van die naties, waarbij hij de namen van die staatshoofden noemt in alfabetische volgorde van de Franse benaming der betrokken landen, met dien verstande dat, indien zich onder de gasten een autoriteit bevindt van de natie waaraan de rede of haven behoort, de naam van het staatshoofd van die natie het eerst wordt genoemd.

  5. Indien zich onder de gasten een staatshoofd bevindt, wordt vóór de collectieve heildronk, bedoeld in onderdeel d, een dronk uitgebracht op het welzijn van dat staatshoofd. 

5. De jaarlijkse herdenking van gevallenen bij de verdediging van de belangen van het koninkrijk

Ten aanzien van de jaarlijkse herdenking van allen die sedert de 10e mei 1940 bij de verdediging van de belangen van het koninkrijk waar ook ter wereld zijn gevallen, wordt, uiteraard onverminderd hetgeen ter zake is voorgeschreven in hoofdstuk 21 van deze publicatie ceremonieel en protocol voor de krijgsmacht, het volgende bepaald:

  1. Nationale herdenkingen:
    1º. bij de nationale herdenking op de Dam te Amsterdam zal de KM zijn vertegenwoordigd op de wijze, aan te geven door de minister;
    2º. bij de herdenking van de gevallen militairen der zeemacht, welke plechtigheid jaarlijks te Den Helder wordt gehouden, zal de Commandant Zeestrijdkrachten, of een door hem aan te wijzen vertegenwoordiger, namens de krijgsmacht een krans leggen bij het monument ‘Voor hen die vielen’ op de Vijfsprong; elk der ter plaatse aanwezige oorlogsschepen en inrichtingen der zeemacht zal zich bij de plechtigheid door een afvaardiging doen vertegenwoordigen naar regels, te stellen door de Commandant Zeestrijdkrachten terwijl voorts ook van de KL, KLu en KMar een vertegenwoordiging aanwezig zal zijn;
    3º. bij de militaire herdenkingen op de Grebbeberg en te Soesterberg, waar de Commandant Landstrijdkrachten en de Commandant Luchtstrijdkrachten namens de krijgsmacht kransen zullen leggen, zal een vertegenwoordiger van de KM aanwezig zijn;
    4º. in Curaçao, Aruba en Sint Maarten zal de Commandant der Zeemacht in het Caraïbisch Gebied (CZMCARIB) een krans leggen op door hem te bepalen plaatsen; van elk der ter plaatse aanwezige oorlogsschepen en inrichtingen der zeemacht woont een afvaardiging de plechtigheid bij naar regels, te stellen door de CZMCARIB;
    5º. te Rotterdam legt de Commandant van het Korps Mariniers een krans bij het mariniersmonument op het Oostplein.

  2. Gewestelijke of plaatselijke herdenkingen:
    1º. bij een gewestelijke of plaatselijke herdenkingsplechtigheid in een plaats, waar een of meer inrichtingen der zeemacht zijn gevestigd of een of meer oorlogsschepen aanwezig zijn, kan onderscheidenlijk de regionale bevelhebber, de commandant der maritieme middelen, de commandant van het verband of de (oudste) commandant een krans leggen, indien zijn aanwezigheid bij de plechtigheid wordt verwacht en die aanwezigheid uit het oogpunt van wellevendheid beslist geboden is, mits ook door de betrokken gouverneur, Commissaris van de Koning, burgemeester of gezaghebber een krans wordt gelegd;
    2º. indien het bij een inrichting der zeemacht gebruik is geworden ter gelegenheid van de herdenking een krans te leggen, kan dat gebruik gehandhaafd blijven, mits die kranslegging een zuiver intern karakter draagt en de daaraan verbonden kosten door de bemanning zelf worden gedragen;
    3º. aan uitnodigingen om soortgelijke plechtigheden, bedoeld onder 1º en 2º bij te wonen, kan in lustrumjaren gevolg worden gegeven. 

6. Bezoeken aan erevelden in en buiten Nederland

  1. Algemeen:
    1º. teneinde het bezoek aan Nederlandse oorlogsgraven te stimuleren, volgt hierna een lijst van de Nederlandse erevelden en van de belangrijkste concentraties van Nederlandse oorlogsgraven in en buiten Nederland;
    2º. die lijst maakt geen aanspraak op volledigheid; in het bijzonder is aandacht besteed aan de graven van omgekomen militairen der zeemacht;
    3º. de Nederlandse Oorlogsgravenstichting (Zeestraat 85, 2518 AA Den Haag, tel.: 070.313.10.94 en 36.33.434/ Internet: www.ogs.nl)) zal het bijzonder op prijs stellen, wanneer na bezoek aan een ereveld of een oorlogsgraf buiten Nederland aan haar rapport, zo mogelijk met foto's, wordt uitgebracht over de toestand, waarin dat veld of dat graf verkeert;
    4º. wanneer een oorlogsschip een haven in het buitenland bezoekt, kan de commandant, zo mogelijk na consultatie van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiger ter plaatse, een krans leggen op een in de nabijheid gelegen ereveld.

  2. Begraafplaatsen van Nederlandse oorlogsslachtoffers in Nederland en op Aruba:
    1º. in Nederland bevinden zich twee erevelden van de Oorlogsgravenstichting:
    (a) de militaire begraafplaats Grebbeberg aan de Grebbeweg 123, 3911 AV te Rhenen; er zijn meer dan 800 graven, voornamelijk van militairen, die ter plaatse in de meidagen van 1940 zijn gesneuveld;
    (b) de centrale begraafplaats van de Oorlogsgravenstichting aan de Groenendaalseweg 64, 7371 EZ te Loenen op de Veluwe; hier zijn bijna 4000 elders omgekomenen herbegraven; in de kapel bevindt zich een wandbord met de namen van omgekomen Engelandvaarders en is een urn geplaatst met asresten uit Buchenwald; voorts zijn op de begraafplaats opgericht een monument voor de onbekende verzetsstrijder en een monument voor hen, die zijn omgekomen in het concentratiekamp Natzweiler;
    2º. op Aruba bevinden zich graven van Nederlandse oorlogsslachtoffers te Oranjestad, alwaar op de protestantse begraafplaats aan het eind van de bebouwde kom drie in de oorlog omgekomenen, onder wie twee militairen der zeemacht, begraven liggen; op de aangrenzende rooms-katholieke begraafplaats is 1 militair der zeemacht ter aarde besteld.

  3. Nederlandse erevelden en herdenkingsmonumenten in Duitsland:
    1º. in Hamburg, op het Hauptfriedhof Ohlsdorf (Fuhlsbüttelerstrasse), bevindt zich een Nederlands ereveld, waar 353 Nederlanders, omgekomen in Hamburg en omgeving zijn begraven; op enkele gedenkplaten in een ereportaal zijn 99 namen vermeld; voorts is hier een monument opgericht ter nagedachtenis aan de 2500 landgenoten die in het concentratiekamp Neuengamme zijn omgekomen;
    2º. te Bremen, op het Friedhof Osterholz (Osterholzer Heerstrasse), bevindt zich een Nederlands ereveld, waar 169 landgenoten begraven liggen die in Bremen en omgeving zijn omgekomen; op twee gedenkstenen zijn 65 (59 en 6) namen vermeld;
    3º. in Lübeck is op het Vorwerker Friedhof (Friedhofsallee) een Nederlands ereveld ingericht, waar 249 landgenoten begraven liggen, die in Sleeswijk-Holstein of in Berlijn zijn omgekomen; op gedenkstenen zijn 242 namen vermeld;
    4º. in Osnabrück-Westerberg bevindt zich op het Heger Friedhof (Rheiner Landstrasse) een Nederlands ereveld met 393 graven van Nederlanders, die in westelijk Neder-Saksen om het leven zijn gekomen; op een gedenksteen zijn 140 namen vermeld;
    5º. in Hannover is op het Friedhof an der Seelhorst (Garkenburgstrasse) een Nederlands ereveld ingericht met 417 graven van Nederlanders, omgekomen in oostelijk Neder-Saksen; op een gedenksteen zijn de namen aangebracht van 108 slachtoffers; voorts is hier een monument opgericht ter nagedachtenis aan de 1900 landgenoten, die in het concentratiekamp Bergen-Belsen de dood vonden;
    6º. in Düsseldorf-Oberbilk ligt op het Stoffeler Friedhof (Bittweg) een Nederlands ereveld, waar 1229 landgenoten begraven liggen; op een aantal gedenkplaten in een ereportaal zijn 483 namen vermeld; ter nagedachtenis aan de 103.000 Nederlandse oorlogsslachtoffers van de concentratiekampen Auschwitz, Buchenwald, Grosz-Rosen, Lublin, Mittelbau, Ravensbrück, Sachsenhausen, Sobibor, Stutthof, Theresienstadt en Warschau is een herdenkingszuil opgericht, waarop de namen van die kampen zijn vermeld;
    7º. in Frankfurt am Main (Frankfurt-Oberrad) is op het Waldfriedhof (Burgenlandweg) een Nederlands ereveld ingericht, waar 756 Nederlanders begraven liggen; op gedenkstenen zijn 243 namen vermeld; voorts is ter plaatse een monument opgericht ter nagedachtenis aan de 850 landgenoten, die zijn omgekomen in de concentratiekampen Dachau, Flossenburg en Natzweiler.

  4. Nederlands ereveld en herdenkingsmonument in Oostenrijk
    In Salzburg is op het Kommunalfriedhof (Nonnthaler Hauptstrasse) een Nederlands ereveld ingericht, waar 89 landgenoten, omgekomen in Oostenrijk en het voormalige Tsjechoslowakije, begraven liggen; op liggende gedenkstenen zijn 54 namen vermeld. Voorts is hier een monument opgericht ter nagedachtenis aan de 1650 landgenoten die in het beruchte concentratiekamp Mauthausen zijn omgekomen.

  5. Nederlandse erevelden en oorlogsgraven in Groot-Brittannië en Noord-Ierland:
    1º. in de gemeente Westminster (Londen N.W. 7) is op de Mill-Hill Cemetery (Milespit Hill) een Nederlands ereveld ingericht; hier hebben 254 landgenoten, waaronder velen van de koopvaardij, de KM en de KL, een laatste rustplaats gevonden; op twee gedenkstenen zijn 185 namen van elders begraven slachtoffers vermeld;
    2º. te Wolverhampton (Staffordshire) bevinden zich, op de Borough Cemetery, 23 Nederlandse oorlogsgraven, voornamelijk van militairen, die behoorden tot de KL;
    3º. voorts liggen verspreid over meer dan 70 begraafplaatsen in Groot-Brittannië en Noord-Ierland vele Nederlandse oorlogsslachtoffers begraven; in de onderstaande plaatsen liggen militairen der zeemacht begraven, waarbij het getal tussen haakjes het aantal militairen aangeeft:
    Arbroath (2) Tayside
    Brookwood (10) Surrey
    Carew (3) Dyfed
    Dartmouth (4) Devon
    Dover (4) Kent
    Dundee (1) Tayside
    Dunfermline (1) Fife
    Glasgow (1) Strathclyde
    Gosport (2) Hampshire
    Grangemouth (2) Central
    Holyhead (1) Gwynedd
    Leuchars (1) Fife
    Milford Haven (6) Dyfed
    Morpeth (5) Northcumberland
    Oxford (2) Oxford
    Pembroke Dock (2) Dyfed
    Shotley (5) Suffolk
    Southampton (1) Hampshire

  6. Nederlandse erevelden en oorlogsgraven elders in Europa:
    1º. in Frankrijk bevindt zich te Orry-la-Ville (bij Parijs) een Nederlands ereveld aan de route nationale nr. 17, nabij Senlis; hier liggen 114 omgekomen landgenoten; op vier gedenkstenen zijn 108 namen vermeld;
    2º. in Noorwegen bevindt zich te Oslo het Vestre Gravlund, een Nederlands ereveld, waar zich 37 graven bevinden van Nederlanders, onder wie zes militairen der zeemacht, die in Noorwegen, Zweden of Finland zijn omgekomen; op gedenkstenen zijn hun namen vermeld;
    3º. van de overige graven van Nederlanders in Europa mogen worden genoemd: dat van de commandant van Hr. Ms. Soemba, kapitein-luitenant ter zee J.J.M. Sterkenburg, te Syracuse (Sicilië) op de Cemetery van de Commonwealth War Graves Commission en dat van de luitenant ter zee der 1e klasse N. Guilonard op de algemene begraafplaats te Aarestrup (Denemarken); de laatstgenoemde was als vlieger gedetacheerd bij de Royal Air Force.

  7. Nederlandse erevelden in Azië:
    1º. in Indonesië bevinden zich in Jakarta twee Nederlandse erevelden, te weten: Ancol (2112 graven) en Menteng Pulo (4231 graven en 728 urnen); voorts bevinden zich bij Bandung het ereveld Pandu (meer dan 4000 graven), bij Tjimahi het ereveld Leuwigadjah (meer dan 5200 graven), bij Semarang het ereveld Kalibanteng (meer dan 3000 graven) en het ereveld Candi (bijna 1100 graven), en bij Surabaja het ereveld Kembang Kuning (meer dan 5000 graven en Karel Doorman monument), waarop in 1970 de sarcofaag van de onbekende zeeman is onthuld; voorts moeten nog worden genoemd het ereveld Tantui op Ambon van de Commonwealth War Graves Commission, waar zich 185 Nederlandse oorlogsgraven bevinden;
    2º. te Singapore liggen op de Kranji War Cemetery 20 Nederlandse militairen begraven;
    3º. in India zijn 5 Nederlandse militairen, waaronder 4 militairen der zeemacht, op de Sewree Cemetery te Bombay begraven; te hunner nagedachtenis is een In Memoriam graf opgericht op het ereveld van de Commonwealth War Graves Commission te New Delhi;
    4º. in Thailand en Myanmar liggen de slachtoffers van de Birmaspoorweg begraven op een drietal erevelden, te weten in Thailand het ereveld Kanchanaburi (1896 Nederlandse oorlogsgraven) en het ereveld Chunkai (313 Nederlandse oorlogsgraven), en in Birma het ereveld Thanbyuzayat (621 Nederlandse oorlogsgraven);
    5º. op Sri Lanka liggen op de Kanatte General Cemetery te Colombo 10 Nederlanders begraven, onder wie 4 militairen der zeemacht, en op de Combined Services Cemetery te Trincomalee, 7 landgenoten, onder wie 5 militairen der zeemacht;
    6º. in Japan vindt men op het ereveld van de Commonwealth War Graves Commission te Hodogaya de graven van 23 landgenoten: in Hongkong op de Saiwan Bay War Cemetery die van 72 Nederlanders; in Tanggok (Korea) in de Nederlandse afdeling van het ereveld der Verenigde Naties 123 graven van Nederlandse oorlogsslachtoffers, waarvan 5 In Memoriam;
    7º. in Aden (Zuidjemen) bevinden zich op de Maula Cemetery 7 graven van Nederlandse oorlogsslachtoffers, waaronder 1 militair der zeemacht.

  8. Nederlandse oorlogsgraven in Australië
    In Australië vindt men te Sydney 19 (2), te Brisbane 7 (2), te Melbourne 10 (3) en op het ereveld Karramatta te Perth 25 (14) Nederlandse oorlogsgraven. In Cairns bevindt zich een verzamelgraf van 20 (3) Nederlandse slachtoffers op het ereveld van de Commonwealth War Graves Commission.
    De getallen tussen haakjes hebben betrekking op militairen der zeemacht.

  9. Nederlandse oorlogsgraven in Afrika:
    1º. in Bredasdorp (Zuid-Afrika) ligt op de begraafplaats van de Anglicaanse kerk het graf van een Nederlander; in Durban bevinden zich op de Stellawood Cemetery 18 graven, waarvan 1 van een militair der zeemacht, op de Naval Base Durban, Salisbury Island 1 graf, op de Red Hill Cemetery 4 graven van landgenoten, allen afkomstig van de koopvaardij, en op de Woltemal Begraafplaats 13 graven van koopvaardijlieden;
    2º. in Egypte op de Moascar War Cemetery bevinden zich 3 Nederlandse oorlogsgraven, (waarvan 1 van een militair der zeemacht), te Alexandrië 2, Gaza 1, Port Said (British Protestant Cemetery) 8, Suez (British Cemetery) 2.

  10. Nederlandse oorlogsgraven in Noord-Amerika
    In de Verenigde Staten van Amerika vindt men in San Bruno (Californië) de graven van twee militairen der zeemacht, in Jackson (Mississippi) die van 26 landgenoten (onder wie vijf militairen der zeemacht), in Jefferson City (Missouri) die van tien Nederlanders (onder wie één militair der zeemacht), in New York op de Cypress Hills Cemetery (Brooklyn) de graven van 30 landgenoten en te Arlington (Virginia) die van vier militairen der zeemacht.

  11. Nederlandse oorlogsgraven in Zuid- en Midden-Amerika:
    Nederlandse oorlogsgraven bevinden zich in Argentinië, Brazilië, Colombia, Chili, Venezuela, Uruguay, Cuba, allen opvarenden van de koopvaardij. Voorts ligt te Panama, Corozal op de Corozal begraafplaats 1 militair der zeemacht begraven.

Bijlage F Muzikaal eerbetoon

Deel I. Eremuziek en (ere)signalen in notenschrift

  1. Wilhelmus of de eerste vier maten van het Wilhelmus.
  2. 1°. Parademars (Marsch van den jongen Prins van Friesland), (de eerste acht maten).
    image002
    2°. Parademars (KM).
    image004
  3. Parademars (signalen).
    image5
    image006
    image7
    image010
    Parademars KM (signalen).
    image11
    image12
    image014
  4. Dodenmars.
    image016
    image17
    image019
  5. Inspectiemars (Marsch van den Heer van der Duyn).
    image021
  6. Volkslied (of gedeelte daarvan) van een buitenlandse natie.
  7. Ereroffels* gevolgd door het volkslied van een buitenlandse natie.
    image023
  8. Ereroffels* gevolgd door de eerste acht maten van de parademars (Marsch van den jongen Prins van Friesland).
    * indien geen tamboer is ingedeeld, kunnen ereroffels worden vervangen door een overeenkomstig aantal malen het signaal geeft acht (zie onderdeel s.)
  9. Defileermars tijdens een defilé.
  10. Signaal vaandelmars gevolgd door de eerste vier maten van het Wilhelmus, bij het in- en uittreden van een vaandelwacht.
    image24
    image026
    image028
  11. Bij de vlaggenparade van de KM wordt tijdens het hijsen en neerhalen van de vlag de vaandelmars gespeeld.
  12. Signaal de mars* gevolgd door de eerste vier maten van het Wilhelmus, bij het in- en uittreden van een standaardwacht
    het commando voor de mars luidt: MUZIEK – STANDAARDMARS.
    image29
  13. signaal openen van de ban.
    image30
    image31
    image035
  14. Signaal* sluiten van de ban.
    * voor trom en klaroen zijn de signalen identiek aan het openen van de ban, voor trompet in es geld: eventueel vierstemming opgebouwd, indien voldoende muzikanten ingedeeld.

    image037
    image039
  15. Signaal bij de vlag; KM: appèl voor de wachtparade.
    image041
  16. Signaal doorgaan (onder andere na het hijsen en neerhalen van de vlag).
    image045
  17. Signaal taptoe (Infanterie en Bereden Wapens), indien gespeeld tijdens een dodenherdenking; tijdens een officiële (doden)herdenking en begrafenis met militair eerbetoon worden uitsluitend de signalen taptoe en voorwaarts ten gehore gebracht; het signaal Last Post wordt uitsluitend tijdens geallieerde herdenkingen ten gehore gebracht.
    Signaal Taptoe infanterie (KM: Oud Hollandse Taptoe).
    image047
    Signaal Taptoe Bereden Wapens.
    image049
    Signaal Taptoe KM.
    image051
    Signaal Last Post (uitsluitend tijdens geallieerde herdenkingen).
    image053
  18. Signaal voorwaarts, indien gebruikt bij een dodenherdenking (na het signaal taptoe); zie ook hoofdstuk 21 § 3, onderdeel g en § 4, onderdeel d.
    image056
  19. Signaal geeft acht (eventueel als vervanging van de ereroffels).
    image058
  20. Signaal reveille.
    image060
    image062
  21. Signalen specifiek in gebruik bij de KM:
    1°. aftrap
    image65
    image064
    image067
    2°. al is ons prinsje
    image069
    3°. appèl voor de muziek
    image071
    4°. de jagers van Van Dam
    image073
    5°. gewapend appèl
    image079
    image75
    image76
    6°. ongewapend appèl (alle hens); appel voor de wachtparade
    image081
    7°. stil
    image083
    8°. vuren
    image085
    9°. vastvuren
    image087
    10°. attentieroffel KM
    image88
    11°. attentiestoot KM
    image089

 

Deel II. Inspectie-, defileer-, regiments- en onderdeelsmarsen

Dit onderdeel is nog in concept!

Inspectie marsen

Algemeen

Marsch van den Heer van der Duyn 1

Traditioneel

Koninklijke Landmacht

 

 

Algemeen KL

Inspectiemars

J.P. Laro

Garderegiment  Grenadiers en Jagers

Onder het oog des Konings

A. Posthumus

Garderegiment  Jagers

Marche des Chasseurs

F. Dunkler

Regiment Limburgse Jagers

Limburgse Jagersmars

W. Jochems

Regiment Infanterie Chassé

De Jagers van Chassé

L. de Moree

Regiment Huzaren van Sytzama

Mars van het Regiment Huzaren van Sytzama

J.A. Reijnhoudt

Regiment Huzaren Prins Alexander

Mars van het Regiment Prins Alexander

D.C. Wisman

Regiment Huzaren van Boreel

Mars van het Regiment Huzaren van Boreel 2

J.A. Reijnhoudt

Regiment Huzaren Prins van Oranje

Mars van het 2e Regiment Huzaren

J.F. van Hemert
arr. harmonie: J.J. Koops
arr. fanfare: A.S. Liew-On

Wapen der Genie

Mineursmars 3

J. Zwart

Koninklijke Marechaussee

 

 

Wapen der Koninklijke Marechaussee

Jubileummars van de Koninklijke Marechaussee

J. Vos, arr. A. Bosch sr


Defileermarsen

Koninklijke Marine

 

 

Algemeen

Marine Defileermars

W. Hazebroek

Koninklijke Landmacht

 

 

KL Algemeen

Huldigingsmars

C.L. Walther Boer

Wapen der Infanterie

‘Nulli Cedo’ 4

J.P. Laro

Garderegiment Grenadiers en Jagers

Grenadiersmars

F. Dunkler

Garderegiment Fuseliers Prinses Irene

Mars van de Prinses Irene Brigade 5

P.WE.H. Lammers

Regiment van Heutsz

Van Heutszmars

A. van Veluwen

Regiment Stoottroepen Prins Bernhard

Het Commando

S.P. van Leeuwen

Regiment Infanterie Johan Willem Friso
(1e Regiment Infanterie)

Steeds Vooraan

S.P. van Leeuwen

Regiment Limburgse Jagers
(2e Regiment Infanterie)

Manoeuvre Mars 6

P.A. Stenz

Regiment Infanterie Menno van Coehoorn
(3e Regiment Infanterie)

Menno van Coehoornmars

H. de Groot

Regiment Infanterie Oranje Gelderland
(5e Regiment Infanterie)

Les Courageux

P.A. Stenz

Regiment Infanterie Chassé
(7e Regiment Infanterie)

Defileermars van het 7e Regiment Infanterie

J. Zaagmans

Korps Commandotroepen

The Green Beret

E. Magnoni

Wapen der Cavalerie

Huzarenmars

H.A. Karels

Wapen der Artillerie

Artilleriemars

S. van der Poort

Wapen der Genie

Defileermars der Genie 7

J. Zwart

Wapen der Verbindingsdienst

Defileermars van de Verbindingstroepen

A. Bosch sr.

Regiment Aan- en Afvoertroepen

On The Road

A. Calvert

Dienstvak der Intendance

Intendance Present

P.J. Bont

Regiment Geneeskundige Troepen

Ick dien

J. Cammenga

Regiment Mobiele Colonnes

Mars der Mobiele Colonnes

A. Posthumus

Korps Nationale Reserve

Defileermars van de Nationale Reserve

G. Buitenhuis

Defileermarsen voor grote eenheden

 

 

Bevelhebber der Landstrijdkrachten

BLS-mars

J.P. Laro

Nationaal Territoriaal Commando

Hollands Glorie (NTC Mars)

J.P. Laro

1e Legerkorps

Mars van het 1e Legerkorps

J.P. Laro

1e Divisie 7 December

Mars van de 1e Divisie 7 December

J.P. Laro

4e Divisie

Mars van de 4e Divisie

J.P. Laro

5e Divisie

Mars van de 5e Divisie

E. Roosegaarde Bisschop

Defileermars van Onderwijsinrichtingen

 

 

Koninklijke Militaire Academie

Cadetten Defileermars

A. Bosch sr.

Technisch Specialisten Opleidingscentrum Noord, Midden en Zuid

Mars der technisch specialisten

A. Posthumus

Commando Opleidingen Koninklijke Landmacht

Prins Mauritsmars

H. van ’t  Veer, arr. H. van der Heide

Koninklijke Luchtmacht

 

 

Algemeen

Luchtmacht Defileermars

D.F. Bandel

Koninklijke Marechaussee

 

 

Wapen der Koninklijke Marechaussee

Defileermars KMAR

J.A. Reijnhout


Onderdeelsmarsen  waarvan de status moet  worden vastgesteld

Koninklijke Marine

 

 

Korps Mariniers

Qua Patet Orbis

J.P. Laro

 

 

 

Koninklijke Landmacht

 

 

Dienstvak Technische Troepen

TD-mars

arr. G. Flik

Wapen der Artillerie                                

V.O.A. – mars

S. van der Poort

Korps Luchtdoelartillerie                          

LUA – mars

M. van der Worp

Korps Rijdende Artillerie                         

MRA – mars

M. van der Worp

Commando Opleidingen KL - nu OTCO  (?)             

Prins Mauritsmars

H. van ’t Veer

 

 

 

Regiment Bevoorradings- en Transporttroepen

Bevoorraden is Bewegen

G. Flik

Defensie Interservice Commando

DICO-mars

T. van Grevenbroek

Duits/Nederlands Legerkorps

March of the 1 GE/NL Corps

G. Flik

41e Lichte Brigade - nu 41eGemechaniseerde Brigade (?)

Mars van de 41e Lichte Brigade

M. van der Worp

Nationaal Commando  

Mars van het Nationaal Commando

G. Flik

Koninklijke Militaire School

Defileermars “De Onderofficier”

L. van de Laak, arr. J. Claessen

43e Gemechaniseerde Brigade (?)

Bizon-mars

A. Schillings

Koninklijke Luchtmacht

 

 

Tactische Helikoptergroep

Mars van de Tactische Helikoptergroep

R.Th. Böhmer

Koninklijke Militaire School Luchtmacht

Mars van de Koninklijke Militaire School Luchtmacht

R.Th. Böhmer

Vliegbasis Twenthe

Mars van de Vliegbasis Twenthe

J. Derks

336 Squadron

336 Squadron

R.Th. Böhmer

 

Bijlage G: Trefwoorden en afkortingen

Onderstaand treft u een alfabetisch gerangschikt overzicht aan van trefwoorden, afkortingen, equivalenten, omschrijvingen, begrippen, verwijzingen en bijzonderheden, gebruikt in deze publicatie:

beëdigingautoriteit

de (militaire) autoriteit die de eed of belofte afneemt

bemanning

de gezamenlijke militairen dienende aan boord van een oorlogsschip of bij een inrichting der zeemacht

bootsmansfluit

indien geen muzikant is ingedeeld, kunnen het muzikaal eerbetoon en de overeenkomstige signalen met een bootsmansfluit worden gegeven

(buitenlandse) natievlag

de oorlogsvlag van een bevriende soevereine staat of, voor een bevriende soevereine staat die niet over een afzonderlijke oorlogsvlag beschikt, de vlag van die staat
vlag die aanwijst tot welke natie een schip behoort

buitenlands oorlogsschip

een oorlogsschip behorende tot de zeemacht van een soevereine staat

CDS

Commandant der Strijdkrachten

CMH

Chef Militair Huis

CT

ceremonieel tenue

C-KMar

Commandant der Koninklijke Marechaussee

C-LAS

Commandant Landstrijdkrachten

C-LSK

Commandant Luchtstrijdkrachten

C-ZSK

Commandant Zeestrijdkrachten

equipage

de gezamenlijke militairen dienende aan boord van een oorlogsschip of bij een inrichting der zeemacht, die geen officier zijn

état-major

de gezamenlijke officieren dienende aan boord van een oorlogsschip of bij een inrichting der zeemacht, met uitzondering van de commandant

 

 

IGK

inspecteur-generaal der krijgsmacht

inrichting der zeemacht

een inrichting waarover een militair der zeemacht het bevel voert en waarvan de bemanning is onderworpen aan het militair tuchtrecht

KB

Koninklijk Besluit

KL

Koninklijke Landmacht

KLu

Koninklijke Luchtmacht

KM

Koninklijke Marine

KMar

Koninklijke Marechaussee

koninkrijksvlag

de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden / Nederlandse vlag / nationale vlag

MB

Ministeriële Beschikking

minister

Minister van Defensie

natievlag

op een natie betrekking hebbende vlag

nationale vlag

Nederlandse vlag / koninkrijksvlag

oorlogsschip

elk ten behoeve van de zeemacht gebezigd vaartuig waarover een militair der zeemacht het bevel voert en waarvan de bemanning is onderworpen aan het militair tuchtrecht, echter met uitzondering van een sloep

oorlogsvlag

speciale vlag die door een oorlogsschip wordt gevoerd i.p.v. de natievlag

parademars

signaal: geslagen en/of geblazen / melodisch: de Marsch van den jongen Prins van Friesland

RVD

Rijks Voorlichtingsdienst

sloep

elk ander communicatievaartuig of klein landingsvaartuig

staatshoofd

de conform de grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden regerende vorst of vorstin, dan wel de bij bijzonder besluit aangewezen regent of regentes

staatssecretaris

Staatssecretaris van Defensie

standaard (KM)

kenteken van bevelvoering (zie ook hoofdstuk 4, § 7, onderdeel a)

standaardmars

de mars: eresignaal tijdens het in- en uittreden van een standaard (gevolgd door de eerste vier maten van het Wilhelmus)

vaandelmars

de mars (standaardmars): eresignaal bij het in- en uittreden van een standaard (gevolgd door de eerste vier maten van het Wilhelmus)

vlag

Nederlandse vlag / koninkrijksvlag / nationale vlag

 


 

Bijlage H Maten en categorieën vlaggen Koninklijke Marine

1. Categorieën

Voor de toepassing van deze bijlage worden schepen, vaartuigen, motorrijtuigen en inrichtingen ingedeeld in categorieën, en wel als volgt:

Categorie 1

Bevoorradingsschepen (en groter)

 

Fregatten

Categorie 2

Onderzeeboten

 

Mijnenjagers

 

Oceanografische vaartuigen

 

Opnemingsvaartuigen

 

Logementschepen

Categorie 3

Landingsvaartuigen

 

Kust-havensleepboten

 

Overige hulpschepen

Categorie 4

Inrichtingen

Categorie 5

Sloepen/Rhibs

Categorie 6

Motorrijtuigen


 

2. Kleuren

(ingevolge besluit van 19 februari 1937, no 93, juncto beschikking van de Minister van Marine van 16 augustus 1949, nr 182503/142779)

Bovenste baan: helder vermiljoen
Middelste baan: wit
Onderste baan: kobaltblauw

Bij belichting van standaardlicht C, invallend onder een hoek van 45 graden met het oppervlak, zijn de waarden van de trichromatische coördinaten en de trichromatische coëfficiënten bij waarneming in een richting loodrecht op het oppervlak, als volgt:

Rood:

X=18,3

Y=10,0

Z=3,0

x=0,5847

y=0,3195

Blauw:

X=7,5

Y=6,6

Z=25,3

x=0,1904

y=0,1675

De coördinatie eenheden zijn zo gekozen, dat voor een ideaal remitterend wit oppervlak geldt: Y=100.

3. De grootte van de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden zoals die wordt gevoerd door Oorlogsschepen, inrichtingen der zeemacht en sloepen

De grootte van de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden

Oorlogsschepen
inrichten der
zeemacht en slopen
in de categorie
 

De vlag van het koninkrijk der Nederlanden achteruit onderscheidenlijk bij inrichtingen der zeemacht aan de gaffel van de getuigde mast of aan de top van de vlaggenmast of vlaggestok

 

Als topvlag

 

Op werkdagen

Op zon- en
feestdagen

 

 

 

Op zee

Op een rede of in een haven, onderscheidenlijk
aan de wal

Op een rede of in een haven, onderscheidenlijk
aan de wal

Gedurende
vlaggen van
top, pavoiseren
en het geven
van saluten
 

Op zee

Op een
rede of in
een haven

1

3 kl

4,5 kleeds

6 kleeds

6 kleeds

3 kl

3 kl

2

1,5 kl

2,25 kleeds

3 kleeds

3 kleeds

1,5 kl

1,5 kl

3

1,5 kl

1,5 kleeds

2,25 kleeds

2,25 kleeds

1,5 kl

1,5 kl

5

Nvt

3 kleeds

4,5 kleeds

nvt

nvt

2,25 kl

6

1,5 kl

1,5 kleeds

1,5 kleeds

nvt

nvt

nvt

b. Standaardafmetingen

Grootte

Hoog

Breed

1 ,5 kleeds

112,5cm

75cm

2,25 kleeds

168,75cm

112,5cm

3 kleeds

225cm

150cm

4,5 kleeds

337,5cm

225cm

6 kleeds

450cm

300cm

De verhouding is 2:3

4. De Geus

Opnieuw vastgesteld bij Koninklijkbesluit van 6 maart 1986, nr 40.

b. De kleuren van de geus zijn in overeenstemming met die van de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden.

c. De grootte van de geus, zoals die wordt gevoerd door oorlogsschepen.

Oorlogsschepen
van de categorie

Op werkdagen

Op zon- en feestdagen

Gedurende vlaggen van top, pavoiseren en het geven van saluten

1

3 kleeds

3 kleeds

3 kleeds

2

2,25 kleeds

2,25 kleeds

2,25 kleeds

3

1,5 kleeds

1,5 kleeds

1,5 kleeds

d. De afmetingen zijn conform de standaardafmetingen van de vlag

5. De Wimpel

Opnieuw vastgesteld bij Koninklijk besluit van 6 maart 1986, nr 40.

b. De kleuren van de wimpel zijn in overeenstemming met die van de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden.

c. De grootte van de wimpel, zoals die wordt gevoerd door oorlogsschepen en sloepen.

Oorlogsschepen
van de categorie

Op werkdagen

Op zon- en feestdagen of in een haven

 

Op zee

Op een rede of in een
haven

 

1

1 meter

2 meter

6 meter

2

1 meter

1 meter

2 meter

3

1 meter

1 meter

1 meter

5

1 meter

1 meter

1 meter

d. Standaardafmetingen wimpel

Grootte

hoogte

inkeping

1 meter

5cm

33,33cm

2 meter

5cm

66,66cm

6 meter

8cm

200cm

6. De grootte van de Koninklijke vlag, zoals die bij voorkomende gelegenheden wordt gevoerd aan boord van oorlogsschepen, bij inrichtingen der zeemacht, op sloepen en op motorrijtuigen der Koninklijke marine

De grootte van de Koninklijke vlag

oorlogsschepen, inrichtingen der zeemacht, sloepen en motorrijtuigen der Koninklijke Marine van de categorie
 

Op zee

Op een rede of in een haven, onderscheidenlijk aan de wal
 
 

1

3 kleeds

3 kleeds

2

1,5 kleeds

1,5 kleeds

3

1,5 kleeds

1,5 kleeds

4

nvt

3 kleeds

5

maat A

maat A

6

nvt

maat A

b. Standaardafmetingen

grootte

breed

hoog

Maat A

45cm

45cm

1,5 kleeds

75cm

75cm

2,25 kleeds

112,5cm

112,5cm

3 kleeds

150cm

150cm

7. De onderscheidingsvlaggen van de leden van het Koninklijk Huis, zoals die bij voorkomende gelegenheden worden gevoerd aan boord van oorlogsschepen, bij inrichtingen der zeemacht, op sloepen en op motorrijtuigen de Koninklijke marine

De grootte van de onderscheidingsvlaggen van de leden van het Koninklijk Huis

oorlogsschepen, inrichtingen der zeemacht, sloepen en motorrijtuigen der Koninklijke Marine van de categorie
 

Op zee

Op een rede of in een haven, onderscheidenlijk aan de wal
 
 

1

3 kleeds

3 kleeds

2

1,5 kleeds

1,5 kleeds

3

1,5 kleeds

1,5 kleeds

4

nvt

3 kleeds

5

maat A

maat A

6

nvt

maat A

b. Standaardafmetingen

grootte

breed

hoog

inkeping (niet bij alle vlaggen)

Maat A

54cm

45cm

18cm

1,5 kleeds

90cm

75cm

30cm

2,25 kleeds

135cm

112,5cm

45cm

3 kleeds

180cm

150cm

60cm

8. De grootte van de onderscheidingsvlaggen van de Minister van defensie, de Staatssecretaris van Defensie en van vlagofficieren, zoals die bij voorkomende gelegenheden worden gevoerd aan boord van oorlogsschepen, op sloepen en op motorrijtuigen der Koninklijke marine

a. De grootte van de onderscheidingsvlaggen van de Minister van defensie, de Staatssecretaris van Defensie en van vlagofficieren

oorlogsschepen, inrichtingen der zeemacht, sloepen en motorrijtuigen der Koninklijke Marine van de categorie
 

Op zee

Op een rede of in een haven, onderscheidenlijk aan de wal
 
 

1

3 kleeds

3 kleeds

2

1,5 kleeds

1,5 kleeds

3

1,5 kleeds

1,5 kleeds

5

maat A

maat A

6

nvt

maat A

b. Standaardafmetingen

grootte

breed

hoog

Maat A

45cm

30cm

1,5 kleeds

112,5cm

75cm

2,25 kleeds

168,75cm

112,5cm

3 kleeds

225cm

150cm

Inhoudsopgave

Alles dichtklappenAlles openklappen

Bijlagen

Naar boven