Onderwerp: Bezoek-historie

Regeling brancherichtlijn optische- en geluidssignalen
Geldigheid:01-02-2016 t/m Status: Geldig vandaag

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Vastst./Wijz datum Bron Nummer Wijz. t.a.v. Inwerkingtr. datum
01-02-16DAOGBS/2016000002 01-02-16

1. Referte

Nota BS2015017035 Brancherichtlijn Optische- en Geluidssignalen

2. Inleiding

In maart 2009 is de Regeling Optische en Geluidssignalen 2009 gepubliceerd door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, tegenwoordig het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. In de brancherichtlijn is het gebruik van optische- en geluidssignalen omschreven teneinde de verkeersveiligheid van de chauffeurs en de omstanders te waarborgen. Defensie beschikt over diverse eenheden die mogen rijden met optische en geluidssignalen en conformeert zich aan deze brancherichtlijn.

3. Onderwerpen

In de brancherichtlijn zijn de navolgende onderwerpen voor de meldkamer als de bestuurders vastgelegd:

  • Omschrijving van ‘dringende taak’
  • Prioriteiten meldingen
  • Toestemming en voeren optische en geluidssignalen
  • Gebruik van optische signalen
  • Gedragscode bestuurder van voorrangsvoertuigen
  • Vaardigheden bestuurder van voorrangsvoertuigen
  • Opleiding en herhalingsinstructie

4. Toepasbaarheid

De brancherichtlijn geeft juridische en veiligheidskaders met betrekking tot het gebruik van optische en geluidssignalen van de daarmee uitgeruste militaire rijtuigen . De regeling is van toepassing op de navolgende eenheden:

  • De Koninklijke Marechaussee, alsmede door de Minister van Defensie aangewezen bijstandseenheden;
  • De militaire geneeskundige dienst, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f. van de Militaire Ambtenarenwet 19311;
  • De explosieve opruimingsdiensten van het Ministerie van Defensie;
  • De brandweerdiensten van het Ministerie van Defensie;
  • Het Coördinatiecentrum Expertise Arbeidsomstandigheden en Gezondheid, ten behoeve van het verrichten van metingen bij stralingsincidenten;
  • Het Advies en Assistentieteam en de Detectie, Identificatie en Monitoringgroep van de Chemische, Biologische, Radiologische en Nucleaire (CBRN) Respons capaciteit.

Bijlage A: Brancherichtlijn optische- & geluidssignalen

Onderwerp: Optische en geluidssignalen

In werking per : 1 maart 2014

Vervaldatum : 1 maart 2020

Directie : DAOG

Doel: Het vastleggen van de beleidsregels in overeenstemming met de betreffende taken en activiteiten van het ministerie van Defensie.

1. Inleiding:

De Brancherichtlijn is opgesteld om de minister van Defensie een handreiking te bieden bij het op verantwoorde wijze toepassen van de regelgeving inzake het gebruik van de optische en geluidssignalen. 

Daarnaast geeft de richtlijn helderheid over de prioritering van meldingen en de daaraan gekoppelde taken en verantwoordelijkheden van zowel de meldkamer als de bestuurders van bij het ministerie van Defensie in gebruik zijnde motorvoertuigen. Voor de bestuurders van die genoemde motorvoertuigen is de inhoud van deze Brancherichtlijn verplichtend en dient men in overeenstemming daarmee te handelen.

Deze Brancherichtlijn is van toepassing op de bij het ministerie van Defensie in gebruik zijnde motorvoertuigen die rijden met optische en geluidssignalen en dus voorrangsvoertuig zijn in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990(RVV’90). Daarnaast moet de Brancherichtlijn worden gezien als de maximaal toelaatbare grens voor het rijden met de algemene ontheffing van de bepalingen van het RVV’90. De Brancherichtlijn is aangepast aan de in maart 2009 gepubliceerde Regeling optische en geluidssignalen 2009.

2. Wet- en regelgeving:

De Regeling optische en geluidssignalen 2009 is gebaseerd op de artikelen 13, tweede lid, 22, 26 en 71 van de WVW’94. In deze regeling wordt het begrip ‘dringende taak’ uit het eerste lid van artikel 29 RVV’90 uitgelegd en zijn de in het derde lid genoemde voorschriften, betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht opgenomen eisen uitgewerkt. Voorts is het voeren van het in artikel 30 RVV’90 genoemde groene of gele zwaai- flits- of knipperlicht nader uitgewerkt. Tot slot is in artikel 3 bepaald dat de genoemde eenheden van Defensie zich conformeren aan een Brancherichtlijn van de politie, brandweer of diensten voor spoedeisende medische hulpverlening danwel een eigen Brancherichtlijn vaststellen. In verband met de afwijkende taakstelling ten opzichte van de andere diensten is gekozen voor een eigen Brancherichtlijn voor het Ministerie van Defensie.

In Artikel 29 RVV’90 is vastgelegd dat bestuurders van motorvoertuigen in gebruik bij politie, brandweer, diensten voor spoedeisende medische hulpverlening en andere door de minister aangewezen hulpverleningsdiensten een blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn mogen voeren om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen. Deze optische en geluidssignalen moeten nadrukkelijk worden onderscheiden van andere signalen.

In artikel 30 RVV’90 wordt de basis gelegd voor het voeren van een ander bijzonder signaal, te weten het geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. Ten aanzien van het gele licht gaat het om waarschuwingen aan medeweggebruikers dat hinder mogelijk is. In artikel 5, derde lid van de Regeling optische en geluidssignalen 2009 is bepaald dat het groene zwaai-, flits- of knipperlicht uitsluitend gebruikt mag worden om het voertuig van de hoogst betrokken leidinggevende aan te geven.

In de Regeling optische en geluidssignalen 2009 zijn de voorwaarden neergelegd waaronder het gebruik van optische en geluidssignalen zijn toegestaan. Ook de aanwijzing van de andere (hulpverlenings)diensten die gebruik mogen maken van de bijzondere signalen en de technische eisen gesteld aan de bijzondere signalen zijn hierin vastgelegd.

Wanneer een motorvoertuig optische en geluidssignalen gebruikt, wordt het automatisch een voorrangsvoertuig. Bestuurders van voorrangsvoertuigen, zoals gedefinieerd in artikel 1 onder an, RVV’90 hebben op basis van artikel 91 van datzelfde reglement de bevoegdheid af te wijken van alle voorschriften van het RVV’90 voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist. Daarbij mag het verkeer niet in gevaar worden gebracht of onnodig worden gehinderd (artikel 5 WVW’94).

Volgens artikel 50 RVV’90 moeten weggebruikers bestuurders van een voorrangsvoertuig voor laten gaan. Dit houdt tevens in dat indien slechts één van beide signalen gebruikt wordt, geen sprake is van een voorrangsvoertuig en de bestuurder van een dergelijk motorvoertuig zich aan de normale voorrangsregels moet houden.

De bestuurder van een voorrangsvoertuig blijft steeds strafrechtelijk verantwoordelijk voor zijn eigen beslissingen en rijgedrag en rechtvaardigt niet dat door het gebruik van de optische en geluidssignalen het overige verkeer in gevaar wordt of kan worden gebracht of onnodig wordt gehinderd zoals aangegeven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW’94). 

Het Openbaar Ministerie(OM) kan tot strafrechtelijke vervolging overgegaan wanneer de bestuurder van een voorrangsvoertuig gezien de gegeven situatie een ontoelaatbare mate van gevaar heeft doen ontstaan en er sprake is van een ernstige overtreding van de verkeerswetgeving. De in deze Brancherichtlijn neergelegde uitgangspunten kunnen in die afweging van het OM worden meegewogen. 

Het OM kan in dergelijke gevallen eveneens rekening houden met het feit dat de betrokken bestuurder de maatschappij — onder druk van grote spoed — als hulpverlener ten diensten was2.

3. Toepassingsbereik:

De Brancherichtlijn is van toepassing op bestuurders van motorvoertuigen, in gebruik bij het Ministerie van Defensie, die in de uitoefening van hun functie, in opdracht van de meldkamer, toestemming hebben om gebruik te maken van optische en geluidssignalen.

Daarnaast moet de Brancherichtlijn worden gezien als de maximaal toelaatbare grens voor het rijden met de algemene vrijstelling van de bepalingen van het RVV’90.

4. De omschrijving van ’dringende taak’:

In artikel 2 van de Regeling optische en geluidssignalen 2009 is de volgende multidisciplinaire omschrijving van het begrip ’dringende taak’ opgenomen:

  1. Een voor de mens levensbedreigende situatie die directe hulp van hulpverleningsdiensten vergt;
  2. Het voorkomen van een voor de mens levensbedreigende situatie of een situatie waarin ernstige schade aan gebouwen of goederen ontstaat3;
  3. Een ernstige verstoring van de openbare orde, waarvoor een directe en snelle inzet noodzakelijk is4.

5. Prioritering meldingen:

Het ministerie van Defensie kent een aantal prioriteiten die door de centralist kunnen worden toegekend aan een melding. Het vraagstuk of een melding of een opdracht past binnen het concept dringende taak bepaalt of hij mag besluiten tot het verlenen van toestemming.

  • Prioriteit 1 Melding: Melding waarvan de centralist van de meldkamer vindt dat de noodzaak aanwezig is om snel ter plaatse te zijn. Er is daarbij sprake van een dringende taak zoals hierboven omschreven. Deze prioriteit is daarmee de enige soort die ertoe kan leiden dat met optische en geluidssignalen gereden kan worden.
  • Prioriteit 2 Melding: Melding waarvan de noodzaak om ter plaatse te gaan aanwezig is, maar waarbij niet direct sprake is van een dringende taak.
  • Prioriteit 3 Melding: Melding waarbij niet direct de noodzaak om ter plaatse te gaan aanwezig is. De centralist kan te allen tijde de aan de melding toegekende prioriteit wijzigen.
6. Toestemming en voeren optische en geluidssignalen:

De optische en geluidssignalen mogen uitsluitend worden gevoerd na verkregen opdracht c.q. toestemming van de meldkamer. De centralist van de meldkamer wijst, indien hij dit nodig acht, bij het verlenen van toestemming tot het gebruik van optische en geluidssignalen de bestuurder van het voorrangsvoertuig op het belang van eigen en andermans veiligheid.

Indien de betreffende toestemming niet kan worden afgewacht beslist de (patrouille) commandant over het al dan niet gebruiken van de optische en geluidssignalen. Van het gebruik dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt aan de meldkamer. Het verlenen van toestemming tot het voeren van de optische en geluidssignalen gebeurt afzonderlijk van de prioritering van de melding. Dat kan betekenen dat, ondanks dat er sprake is van een ’prioriteit 1-melding’, de meldkamer toch besluit om geen toestemming te verlenen aan het gebruik van optische en geluidssignalen.

De bestuurder beslist zelf of hij gebruikmaakt van de verkregen toestemming tot het voeren van optische en geluidssignalen. Daarbij weegt hij nogmaals de situatie en omstandigheden.

Indien hij gebruikmaakt van de optische en geluidssignalen voert hij deze in principe gedurende de hele rit. Mocht de bestuurder besluiten dat het gebruik van optische en geluidssignalen niet meer op zijn plaats is, dan vervolgt hij de rest van de rit zonder de status van voorrangsvoertuig. Het voortdurend aan- en uitzetten van de signalen wordt onwenselijk geacht.

Indien blijkt, dat de bestuurder van een motorvoertuig gebruikmaakt van optische en geluidssignalen, terwijl naar oordeel van de centralist geen noodzaak tot gebruik van optische en geluidssignalen aanwezig is, gebiedt de centralist van de meldkamer de betreffende bestuurder het gebruik van de optische en geluidssignalen te beëindigen.

7. Het gebruik van optische signalen:

Naast het blauwe zwaai-, flits of knipperlicht zijn de aangewezen eenheden van het ministerie van Defensie ook gerechtigd om andere bijzondere signalen te voeren, te weten:

  • geel zwaai-, flits- of knipperlicht
  • groen zwaai-, flits- of knipperlicht

Ingevolge artikel 30 RVV’90 en artikel 6, eerste lid onder a van de Regeling optische en geluidssignalen 2009 moet het gele licht worden gebruikt als de kans bestaat dat het motorvoertuig, tijdens werkzaamheden ten behoeve van de hulpverlening op of langs de weg, niet op tijd door andere weggebruikers wordt opgemerkt.

Bij het niet voorhanden hebben van het geel zwaai, flits- of knipperlicht kan het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht worden gebruikt

Daarnaast mogen de motorvoertuigen van de aangewezen eenheden van het Ministerie van Defensie uitgerust zijn met één groen licht. In werking geeft dit licht aan dat dit het commandovoertuig betreft. Het groene licht mag alleen stilstaand gevoerd worden. Het gebruik van alleen de geluidssignalen is niet toegestaan.

8. Gedragscode bestuurder van voorrangsvoertuig:

Motorvoertuigen met optische en geluidssignalen verstoren het normale verkeersbeeld; niet alleen door geluid en licht, maar ook door een ander rijgedrag (van zowel bestuurders van voorrangsvoertuigen als hierop reagerende overige weggebruikers). De bestuurder van een voorrangsvoertuig dient zich dus bewust te zijn van het feit dat de reactie van overige weggebruikers een onvoorspelbare factor is.

Voorspelbaar gedrag van bestuurders van voorrangsvoertuigen komt de verkeersveiligheid ten goede. Een dergelijke situatie kan gecreëerd worden door een gezamenlijke - en ook voor de buitenwacht herkenbare - gedragscode af te spreken over veelvoorkomende en tevens gevaarlijke situaties.

Algemeen

Het afwijken van algemeen geldende verkeersregels en gedragsnormen gebeurt restrictief en alleen indien daartoe voldoende noodzaak bestaat. Hierbij maakt de bestuurder een afweging tussen te nemen risico en het beoogde doel.

Het in- en uit schakelen van de optische en geluidssignalen dient op zodanige wijze te geschieden dat dit geen onvoorziene schrikreacties geeft bij de overige weggebruikers. Zeker moet worden voorkomen dat dit in- of uitschakelen gebeurt vlak voor of op een kruisingsvlak.

De bestuurder van een voorrangsvoertuig dient zich bewust te zijn van zijn bijzondere positie en verantwoordelijkheden. De optische en geluidssignalen worden gebruikt als vraag om medewerking van andere weggebruikers en niet als breekijzer. De bestuurder moet zich rekenschap geven van de mogelijkheid dat andere weggebruikers hem niet horen en/of zien, dan wel zijn richting en/of snelheid niet goed kunnen inschatten. Dit betekent dat er rekening gehouden dient te worden met onvoorziene of onberekenbare reacties van andere weggebruikers. Het algehele rijgedrag van de bestuurder van het voorrangsvoertuig dient beheerst te zijn.

Kruispunten

Het naderen en oversteken van kruispunten gebeurt met aangepaste snelheid. Bij het oprijden van het kruisingsvlak dient de bestuurder van het voorrangsvoertuig ervan uit te gaan dat andere weggebruikers hem niet hebben opgemerkt en hem dus mogelijk niet voor laten gaan. Zonodig dient de bestuurder van het voorrangsvoertuig te stoppen.

Rood licht

Het negeren van een rood verkeerslicht gebeurt met een snelheid van maximaal 20 kilometer per uur. Bij bruggen en spoorwegovergangen wordt het rode licht niet genegeerd.

Vluchtstrook

Een vluchtstrook wordt bereden met een snelheid van maximaal 50 km per uur. Wanneer de  snelheid van het overige verkeer boven de 50 km per uur komt wordt door de bestuurder van het voorrangsvoertuig ingevoegd.

Maximumsnelheid

Het overschrijden van de maximumsnelheid moet in zijn algemeenheid een beperking kennen van 40 km per uur boven de ter plaatse toegestane maximumsnelheid op lokale en provinciale wegen en op auto(snel)wegen voor motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 5000 kg. Voor overige motorrijtuigen ligt de beperking op 20 km/uur boven de maximumsnelheid op lokale en provinciale wegen en op auto(snel)wegen.

De bestuurder mag hiervan – in overleg met de meldkamer – in uitzonderlijke gevallen afwijken.

Tegen het verkeer inrijden

Dit is slechts toegestaan als er sprake is van een significante tijdwinst en er met een snelheid wordt gereden waarbij gestopt kan worden binnen de afstand die te overzien is en waarover deze vrij is. Dit geldt voor gebodsborden, geslotenverklaringen en het rijden op weghelften bestemd voor het tegemoet komend verkeer.

Plaats op de weg bij files

1. Indien een vrije vluchtstrook beschikbaar is voor het voorrangsvoertuig, wordt er gebruik gemaakt van deze vluchtstrook.

2. Indien de vluchtstrook niet beschikbaar is, wordt bekeken of er een mogelijkheid bestaat middels afkruisen door Rijkswaterstaat tijdig een rijstrook vrij te laten maken.

3. Indien opties 1 en 2 niet uitvoerbaar zijn, wordt gebruik gemaakt van de methode van middendoor rijden. Hierbij wordt tussen de 1e en 2e rijstrook middendoor gereden. Hierbij is de 1e rijstrook die rijstrook die het dichtst tegen de middenberm aan zit.

9. Vaardigheden bestuurder van voorrangsvoertuig:

De bestuurder van een voorrangsvoertuig, dient opgeleid en getraind te zijn in de uitvoering van dit bijzonder weggedrag.

10. Opleiding, herhalingsinstructie en aanwijzing
  • De bestuurder van een KMar-voorrangsvoertuig dient de Voortgezette Politionele Vorming(VPV)  voor de categorie waartoe het motorrijtuig behoort, met goed gevolg te hebben afgelegd. (BROA, SRO, OVR, ROI en andere inhoudelijk vergelijkbare opleidingen worden hiermee voor deze brancherichtlijn gelijkgesteld);
  • De bestuurder van een militair motorrijtuig ten dienste van de brandweer dat optische en geluidssignalen voert beschikt over het diploma brandweerchauffeur en

a. bij het besturen van een militair motorrijtuig dat behoort tot de categorie motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs categorie B is vereist: minimaal drie jaar rijervaring;

b. bij het besturen van een militair motorrijtuig dat niet behoort tot de categorie motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs categorie B is vereist: minimaal drie jaar uitrukervaring als brandwacht.

Ten aanzien van de bestuurder die tot het Commando Luchtstrijdkrachten behoort geldt het gestelde onder a en b, niet;

  • Bestuurders van voorrangsvoertuigen behorende tot de andere aangewezen eenheden van het Ministerie van Defensie dienen de cursus “Voorrangsvoertuigen” te hebben gevolgd of over een certificaat te beschikken van een daarmee gelijk gestelde opleiding, afgegeven door een erkend instituut;
  • Bestuurders van KMar-voorrangsvoertuigen, volgen eenmaal in de drie jaar een applicatietraining om hun beroepsvaardigheden actueel op peil te houden;
  • De hierboven genoemde bestuurders van voorrangsvoertuigen krijgen een speciale instructie, waarin gewezen wordt op onder andere de strafrechtelijke en civielrechtelijke consequenties van het direct of indirect veroorzaken van schade of letsel tijdens de rit, het gedrag en de reactie van weggebruikers op de optische en geluidssignalen en het gewenste rijgedrag van de betrokken bestuurder.
11. Afwijken van de richtlijn

In het kader van de uitoefening van de politietaak is het de individuele KMar-ambtenaar in bijzondere situaties toegestaan om af te wijken van de normen gesteld in de Brancherichtlijn. 

De KMar-ambtenaar stelt altijd vooraf de meldkamer op de hoogte van zijn of haar beslissing tot afwijking van de Brancherichtlijn. Van deze melding wordt door de meldkamer een registratie opgemaakt.

De meldkamer, in zijn rol als professionele ondersteuner, bevraagt en adviseert de betrokken KMar-ambtenaar over proportionaliteit en subsidiariteit van zijn of haar voorgenomen beslissing.

De KMar-ambtenaar blijft eindverantwoordelijk voor afwijking van de Brancherichtlijn.

Van de verplichting tot melding vooraf aan de meldkamer zijn vrijgesteld: arrestatieteams, observatieteams, beveiligd transport BSB, MTV motorrijders en eenheden belast met persoonsbeveiliging. Genoemde specialistische eenheden zijn verplicht tot registratie achteraf van de afwijkingen van de Brancherichtlijn.

Noot Voor het gebruik van optische en geluidssignalen in het buitenland vergewist de bestuurder van het voorrangsvoertuig zich vooraf van de daar geldende regelgeving.

Naar boven