Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 10/1328/GB, 25 oktober 2010, beroep
Uitspraakdatum:25-10-2010

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

Nummer: 10/1328/GB

Betreft: [klager] datum: 25 oktober 2010

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. S.C. van Heerd, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een op 3 mei 2010 genomen beslissing van de selectiefunctionaris,

alsmede van de overige stukken, waaronder de beslissing waarvan beroep.

Klager is op 24 augustus 2010 door een lid van de Raad gehoord. Klagers raadsvrouw [...] heeft schriftelijk laten weten niet ter zitting aanwezig te zijn.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De selectiefunctionaris heeft het bezwaarschrift van klager gericht tegen de beslissing hem over te plaatsen naar de gevangenis Grave ongegrond verklaard.

2. De feiten
2.1. Klager is sedert 28 juni 2008 gedetineerd. Hij verbleef in de b.b.i. Maashegge. Op 19 maart 2010 is hij overgeplaatst naar de gevangenis Grave, waar een regime van algehele gemeenschap geldt.

2.2. Bij uitspraak van 11 oktober 2010, met nummer 10/2083/GA, van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid van de Pbw, is het beroep van klager, gericht tegen de uitspraak van 8 juli 2010 van de beklagcommissie bij de beperkt
beveiligde inrichting (b.b.i.) Maashegge te Overloon betreffende een ordemaatregel van plaatsing in afzondering in een afzonderingscel voor de duur van maximaal veertien dagen ter voorkoming van ontsnapping totdat de selectiefunctionaris een beslissing
ter herselectie heeft genomen, gegrond verklaard en is klager een tegemoetkoming toegekend van
€ 80,=.

3. De standpunten
3.1. Namens klager is het beroep als volgt toegelicht.
Klager heeft algemeen verlof gehad van 26 februari 2010 tot 28 februari 2010. Hierbij was de voorwaarde opgenomen dat klager zich niet in de directe omgeving van [woonplaats A] mocht ophouden. Wel mocht hij aldaar bij de gemeente een nieuw paspoort
halen. Daaraan voorafgaand is hij ook in zijn ouderlijk huis in [woonplaats A] geweest om zijn oude paspoort en geld voor pasfoto’s te halen. Na het aanvragen van zijn paspoort is hij in [woonplaats B] op de trein gezet naar Rotterdam, waar zijn
verlofadres was. Klager heeft die nacht verbleven op zijn verlofadres in Rotterdam. De dag erna is klager naar het Outlet Center in [woonplaats B] gegaan. Hij heeft zich niet in de (nabije) omgeving van [woonplaats A] begeven. [woonplaats B] ligt ca 14
km bij [woonplaats A] vandaan. Niet is klager de voorwaarde opgelegd dat hij niet in [woonplaats B] mocht komen en evenmin dat hij enkel in Rotterdam mocht blijven.
Klager heeft hieraan nog toegevoegd dat hij na het aanvragen van zijn paspoort met een vriend vanuit [woonplaats B] naar Rotterdam is gereden. De volgende dag is hij met hem teruggekeerd naar [woonplaats B] en is hij naar het Outlet Center gegaan. In
[woonplaats B] is geen kans op slachtofferconfrontatie. Klager heeft het delict gepleegd in [woonplaats A].

3.2. De selectiefunctionaris heeft de afwijzing van genoemd verzoek als volgt toegelicht.
Klager zou zijn verlof doorbrengen in Rotterdam. Het was hem niet toegestaan zijn verlof in [woonplaats A] of directe omgeving door te brengen. [woonplaats B] valt onder de directe omgeving. De delicten hebben plaatsgevonden tussen Venlo en [woonplaats
B] en de groep waarin klager verkeerde, bestond uit leden die uit [woonplaats A] en [woonplaats B] kwamen, zo blijkt uit het voorlichtingsrapport. Op het moment dat er een beslissing op de verlofaanvraag moest worden genomen diende de strafzaak in
hoger
beroep en is de Advocaat-Generaal (A.G.) om advies gevraagd. De A.G. is akkoord gegaan met het opgegeven adres in Rotterdam. Dit adres beperkt het gevaar voor een mogelijke confrontatie met slachtoffers. Het is klager wel toegestaan naar het
gemeentehuis van [woonplaats A] te gaan om een nieuw identiteitsdocument aan te vragen. Aansluitend diende hij naar het verlofadres in Rotterdam te gaan. Op 11 maart 2010 ontving de inrichting een melding dat klager op 27 februari 2010 is gezien door
en
heeft gesproken met een politieagent, een slachtoffer van een van zijn delicten, in het Outlet Center te [woonplaats B]. Daarnaast heeft klager een bezoek gebracht aan zijn ouderlijk huis in [woonplaats A] en heeft hij pasfoto’s laten maken. Hij heeft
geen overleg gepleegd om voornoemde bezoeken af te mogen leggen. Door het onrechtmatig oponthoud in [woonplaats A] en [woonplaats B] is de reële mogelijkheid van confrontatie met een slachtoffer ontstaan. Dit wordt beschouwd als een ernstige
overtreding
van de verlofvoorwaarden. Klager heeft ernstig misbruik gemaakt van de vrijheden die hem waren toegekend. Er was dan ook onvoldoende vertrouwen om die vrijheden voort te zetten. Op grond hiervan is besloten tot een uitplaatsing uit de b.b.i..

4. De beoordeling
4.1. Op grond van artikel 3 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden komen naast zelfmelders voor plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting in aanmerking gedetineerden die een beperkt vlucht- en maatschappelijk
risico vormen, een strafrestant hebben van maximaal achttien maanden en beschikken over een aanvaardbaar verlofadres.

4.2. In de toelichting op dit artikel (Staatscourant 12 september 2000, nr. 176, pagina 9) staat dat bij de plaatsing in zeer beperkt en beperkt beveiligde inrichtingen de beoordeling of de gedetineerde geschikt is tot terugkeer in de samenleving
een
belangrijke rol speelt. Indicator bij de beoordeling daarvan is of de gedetineerde reeds eerder tijdens de huidige detentie met goed resultaat bewegingsvrijheid (onbegeleid) buiten de inrichting heeft genoten (algemeen verlof, schorsing van de
preventieve hechtenis, incidenteel verlof, strafonderbreking), alsmede of zich daarna omstandigheden hebben voorgedaan die aan deze indicator ernstig afbreuk doen. Gelet op het open karakter van de inrichting of afdeling spelen de aard, zwaarte en
achtergrond van het gepleegde delict en de persoonlijkheid van de gedetineerde een rol bij de beoordeling of betrokkene geschikt is voor plaatsing in een zeer beperkt of beperkt beveiligde inrichting of afdeling.

4.3. De op de onder 3.2 genoemde gronden gebaseerde beslissing van de selectiefunctionaris moet bij afweging van alle in aanmerking komende belangen als onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. Hierbij is in aanmerking genomen dat in zaaknummer
10/2083/GA is overwogen dat de vraag of klager de hem gestelde verlof voorwaarde heeft overtreden door zich op even vermeld tijdstip in [woonplaats B] te bevinden, ontkennend is beantwoord. Niet is komen vast te staan dat klager wist of had moeten
begrijpen dat de omgeving van [woonplaats A] zich uitstrekte tot en met [woonplaats B]. Op zijn verlofkaart staat te lezen dat bij zijn eerdere verlof de voorwaarde is vermeld dat hij zich niet in [woonplaats A] of de directe omgeving daarvan mocht
bevinden, waarmee de straal waarbinnen klager zich mocht bevinden wat ingeperkt lijkt te zijn. Wat met directe omgeving precies bedoeld wordt, wordt overigens niet nader aangegeven.
Nu in de verlofvoorwaarde onvoldoende specifiek is aangegeven waar precies klager tijdens zijn verlof zich wel en niet mocht bevinden, kan niet gesteld worden dat klager enige voorwaarde heeft overtreden. Het beroep van klager zal gegrond worden
verklaard en de bestreden beslissing zal worden vernietigd.
De selectiefunctionaris zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan.
De beroepscommissie zal in een afzonderlijke beslissing bepalen of enige tegemoetkoming aan klager geboden is.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing.
Zij draagt de selectiefunctionaris op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan.
Zij zal in een afzonderlijke beslissing bepalen of enige tegemoetkoming aan klager geboden is.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. P.C. Vegter,
voorzitter, mr. M.A.G. Rutten en dr. G.J. Fleers, leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Lispet, secretaris, op 25 oktober 2010

secretaris voorzitter

Naar boven