Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/20463/GA, 14 december 2022, beroep
Uitspraakdatum:14-12-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

 

Nummer          21/20463/GA

                                   

Betreft [klager]

Datum 14 december 2022

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft – voor zover in beroep aan de orde – beklag ingesteld tegen:

a.         een afzondering op 7 oktober 2018 naar aanleiding van een geweldsincident waarvan klager het slachtoffer is geworden;

b.         een interne overplaatsing kort daarna.

 

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Heerhugowaard heeft op 1 maart 2019 de klachten ongegrond verklaard (ZB-2018-648). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers raadsman, mr. J.C. Reisinger, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de PI Heerhugowaard in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De beoordeling

Klager heeft de uitspraak van 1 maart 2019 pas in maart 2021 ontvangen. De oorzaak van deze vertraging is de beroepscommissie niet duidelijk, maar de vertraging is zeer onwenselijk. De beroepscommissie betreurt het ook dat zij nu pas uitspraak doet. Een en ander vormt echter geen reden om het beroep gegrond te verklaren.

Klagers raadsman heeft verzocht om een proces-verbaal van de zitting van 18 december 2018 (bedoeld zal zijn: 21 december 2018). De beroepscommissie beschikt hier niet over en ziet op voorhand geen aanleiding om te twijfelen aan de weergave van het verhandelde ter zitting in de bijgevoegde uitspraak. Bovendien beoordeelt de beroepscommissie het beklag in beroep opnieuw ten gronde, zodat het van ondergeschikt belang is of de uitspraak van de beklagrechter het verhandelde ter zitting juist weergeeft. Klagers raadsman had tot slot bij de beklagrechter om een proces-verbaal kunnen verzoeken. De beroepscommissie wijst het verzoek daarom af.

 

Beklag a: afzondering

De beklagrechter heeft eerst overwogen dat en waarom klager door het personeel redelijkerwijs (voor de duur van maximaal vijftien uur) kon worden afgezonderd, maar vervolgens geconcludeerd dat van een zogenoemd bewaardersarrest geen sprake kan zijn, omdat klager geen rapport (de beroepscommissie begrijpt: schriftelijk verslag) is aangezegd. Voor een bewaardersarrest is dat echter niet vereist (op grond van artikel 24, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet). De directeur dient slechts van de afzondering op de hoogte te worden gesteld. Dat is kennelijk wel gebeurd. De beroepscommissie concludeert dan ook dat de afzondering wel degelijk op grond van een bewaardersarrest is gebeurd.

De beroepscommissie is verder met de beklagrechter van oordeel dat klagers afzondering (om de situatie te bevriezen) niet onredelijk is. De afzondering heeft ook maar kort geduurd. De beroepscommissie zal het beroep daarom in zoverre ongegrond verklaren en de uitspraak van de beklagrechter in zoverre bevestigen met wijziging van de gronden. 

 

Beklag b: interne overplaatsing

Hetgeen in beroep is aangevoerd inzake beklag b. kan naar het oordeel van de beroepsrechter niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagrechter. Het beroep zal daarom ook in zoverre ongegrond worden verklaard.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter, ten aanzien van beklag a. met wijziging van de gronden.

 

Deze uitspraak is op 14 december 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. J.B. Oreel, voorzitter, mr. D. van der Sluis en mr. A. Jongsma, leden, bijgestaan door mr. P. de Vries, secretaris.

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven