Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/22880/GA, 7 september 2022, beroep
Uitspraakdatum:07-09-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer    21/22880/GA
    
            
Betreft    [klager]
Datum    7 september 2022


Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van de directeur van de locatie De Schie te Rotterdam (hierna: de directeur)

1. De procedure
[klager] (hierna: klager) heeft beklag ingesteld tegen de maatregelen die hem zijn opgelegd vanwege zijn status als gedetineerde met een vlucht-/maatschappelijk risico (GVM-maatregelen) en het niet horen van klager ten aanzien van de GVM-maatregel van maximaal 15 minuten bellen per dag.

De beklagcommissie bij de locatie De Schie heeft op 18 augustus 2021 het beklag gegrond verklaard (S-2020-568). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft […], juridisch medewerker bij de locatie De Schie, en klagers raadsvrouw mr. H.M.S. Cremers gehoord op de zitting van 7 april 2022 in de Penitentiaire Inrichting Lelystad. De beroepscommissie heeft vervoer voor klager geregeld, zodat hij op de zitting kon worden gehoord. Klager heeft echter geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid. 

2. De standpunten in beroep
Standpunt van de directeur
De beslissing van 27 juli 2020 volgde op de bespreking van klager in het Operationeel Overleg (OO) van 10 juni 2020, waarbij klagers GVM-status ‘verhoogd’ is gehandhaafd op grond van de indicaties liquidatiegevaar en voortgezet crimineel handelen in detentie. Het is uitsluitend aan het OO voorbehouden deze indicaties vast te stellen alsook om te oordelen dat de beschikbare informatie actueel, betrouwbaar en concreet is ten behoeve van deze vaststelling.

Uit de toen geldende Circulaire Beleid gedetineerden met een vlucht-/maatschappelijk risico van 16 juli 2018 (hierna: de Circulaire) volgt bij plaatsing op de GVM-lijst met GVM-status ‘verhoogd’ “in beginsel de toezichtsmaatregelen uit bijlage II uitgevoerd dienen te worden” (zie pagina 2 van de Circulaire). GVM-maatregelen passend bij de GVM-status ‘hoog’ kunnen dus ook worden opgelegd aan klager. Het betreft maatwerk.

Aan klager zijn onder andere GVM-maatregelen opgelegd waarmee klagers contacten worden gemonitord, gebaseerd op de door het OO vastgestelde indicatie van voortgezet crimineel handelen in detentie. Het toezicht zou niet goed zijn als klagers telefoongesprekken wel kunnen worden uitgeluisterd, maar zijn bezoekgesprekken en post niet met het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP) kunnen worden gedeeld, om het vervolgens te bezien in zijn geheel met betrekking tot andere verdachten vanuit dezelfde criminele organisatie die elders gedetineerd zitten. Met betrekking tot de maatregel vervoer BOT/EBV is in ieder geval Extra beveiligd vervoer (EBV) een passende maatregel bij de GVM-status ‘verhoogd’ en is het vervolgens aan de Dienst Vervoer en Ondersteuning om een eigen beslissing te nemen of zij het vervoer via het Bijzondere Ondersteuningsteam (BOT) dan wel EBV laten plaatsvinden. 

Klager is iedere maand in het kader van de maandelijkse toetsing door de directeur gesproken over de GVM-maatregelen, maar uiteraard ook over zijn persoonlijke situatie, zijn visie op de toezichtsmaatregelen en andere zaken. Tevens is in de beschikking aangegeven dat het persoonlijke belang van klager is meegenomen in de overweging tot oplegging van de GVM-maatregelen. Aan klager zijn slechts zes GVM-maatregelen opgelegd, van de in totaal 23 mogelijke GVM-maatregelen. Het motiveren waarom zeventien GVM-maatregelen niet aan klager worden opgelegd, is naar de mening van de directeur onnodig en verwarrend. Klager heeft andere GVM-maatregelen opgelegd gekregen dan bij de voorgaande beschikking, waardoor geen sprake is van een voortzetting van alle maatregelen. Er heeft een zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden over de noodzaak van de opgelegde GVM-maatregelen. Er is een belangenafweging gemaakt en er is per GVM-maatregel bekeken welke gehandhaafd wordt en welke GVM-maatregelen niet langer noodzakelijk zijn of juist worden toegevoegd.

Standpunt van klager
Het is onbegrijpelijk dat de beklagcommissie pas na zes maanden na de zitting uitspraak heeft gedaan, terwijl de behandeling van de klacht ook zes maanden op zich heeft laten wachten. De behandeling van de zaak in beroep heeft ook lang geduurd. Klager heeft vanaf het moment dat hij beklag heeft ingediend reeds twintig keer een nieuwe GVM-beschikking ontvangen.

In het dossier bevinden zich geen gegevens van het Openbaar Ministerie of het GRIP, waardoor de aan klager opgelegde GVM-maatregelen niet toetsbaar zijn op hun actualiteit, betrouwbaarheid en concreetheid.

Het is niet toegestaan GVM-maatregelen aan klager op te leggen passend bij de GVM-status ‘hoog’, omdat klager de GVM-status ‘verhoogd’ heeft. Kennelijk is er naar het oordeel van het OO geen noodzaak om klager de GVM-status ‘hoog’ toe te kennen. Het is daarom niet aan de directeur om alsnog GVM-maatregelen op te leggen die bij deze GVM-status passen. 

Indien wel is toegestaan GVM-maatregelen op te leggen passend bij een andere GVM-status, stelt klager dat onvoldoende is gemotiveerd waarom het noodzakelijk is dat aan hem GVM-maatregelen zijn opgelegd passend bij de GVM-status ‘hoog’. De beslissing is niet voldoende gemotiveerd.

Klager is niet gehoord over GVM-maatregel van maximaal 15 minuten bellen per dag.

3. De beoordeling
De beroepscommissie stelt vast dat geruime tijd is verstreken sinds de datum van indiening van de klacht en de uitspraak van de beklagcommissie. Hoewel de wet geen gevolgen verbindt aan de niet-nakoming van de wettelijk voorgeschreven termijn in artikel 67, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet, erkent de beroepscommissie dat het zeer onwenselijk is dat mede daardoor onderhavige uitspraak lang op zich heeft laten wachten. De beroepscommissie stelt hierbij dan ook alleen de overschrijding van de termijn vast en verbindt daar geen gevolgen aan.

Aan klager is een aantal GVM-maatregelen opgelegd in het kader van zijn plaatsing op de GVM-lijst met GVM-status ‘verhoogd’ op grond van de indicaties liquidatiegevaar en voortgezet crimineel handelen in detentie. Deze maatregelen zijn ingegaan op 27 juli 2020 en eindigen op 17 december 2020.

Ten aanzien van het opleggen van toezichtmaatregelen geldt het volgende:
a.    er moet sprake zijn van een noodzaak voor het opleggen van de onderhavige toezichtmaatregelen;
b.    de directeur dient de gedetineerde voorafgaand aan de beslissing te horen;
c.    de directeur dient een eigen belangenafweging te maken en kan zijn beslissing niet slechts baseren op de plaats en status van verzoeker op de GVM-lijst; en
d.    de directeur dient een maandelijkse toets te plegen ten aanzien van de noodzaak van voortduring van de maatregelen.

Uit de bestreden beslissing blijkt dat klager op 10 juni 2020 is besproken in het OO. Er is besloten klagers risicoprofiel ‘verhoogd’ te handhaven. Klager is op 2 oktober 2019 tijdens detentie aangehouden in verband met mogelijke betrokkenheid bij ernstige strafbare feiten. Ook zou klager gesignaleerd staan in [buitenland] in verband met verdenking van ernstige strafbare feiten, waarvoor mogelijk uitlevering gevraagd gaat worden. Gezien deze ernstige feiten en het criminele milieu daaromheen, zijn er indicaties dat klagers leven gevaar loopt (liquidatiegevaar). Na klagers aanhouding is bij de inspectie van klagers cel een mobiele telefoon aangetroffen. Deze telefoon wordt door de recherche onderzocht om te kijken of er sprake is van voortgezet crimineel handelen tijdens detentie. Klager wordt er voorts van verdacht lid te zijn van een criminele organisatie die zich richt op diverse ernstige criminele activiteiten. Op 27 juli 2020 zijn aan klager de volgende GVM-maatregelen opgelegd:
•    Vooraf advies aanvragen over bezoekers aan GRIP;
•    Opnemen, afluisteren, vertalen gesprekken bezoek en indien nodig zenden aan GRIP;
•    Opnemen, afluisteren en indien nodig vertalen telefoongesprekken, maximale beltijd van 15 minuten per dag (exclusief telefonisch contact met advocaat);
•    Inhoudelijke controle, kopiëren en indien nodig toezenden brieven/poststukken aan GRIP;
•    Uitgebreide celinspectie: één keer per maand;
•    Vervoer BOT/EBV.

Vaststaat dat aan klager de GVM-status ‘verhoogd’ is toegekend en dat aan klager enkele GVM-maatregelen zijn opgelegd die bij het risicoprofiel ‘hoog’ horen, te weten het opnemen, afluisteren, vertalen van gesprekken met bezoek en indien nodig zenden aan het GRIP, het opnemen, afluisteren en indien nodig vertalen van telefoongesprekken met een maximum van 15 minuten per dag en vervoer door BOT. Het opleggen van GVM-maatregelen behorend tot het risicoprofiel ‘hoog’, terwijl aan de gedetineerde het risicoprofiel ‘verhoogd’ is toegekend en de gedetineerde het niet eens is met deze opgelegde maatregel(en) voortkomend uit het risicoprofiel ‘hoog’, is in beginsel mogelijk, maar behoeft een grondige motivering (vgl. RSJ 26 november 2021, 21/19702/GA, en RSJ 1 juli 2021, R-20/7347/GA). Naar het oordeel van de beroepscommissie is daaraan door de directeur voldaan. Klager is door de directeur op 18 juni 2020 gehoord over de handhaving van het risicoprofiel ‘verhoogd’ door het OO en op 27 juli 2020 in het kader van de oplegging van de GVM-maatregelen. Uit de beschikking komt naar voren dat de directeur per GVM-maatregel passend bij de GVM-status ‘hoog’ heeft gemotiveerd waarom deze aan klager is opgelegd. Daarbij heeft de directeur ook beschreven waarom hij het noodzakelijk acht klagers contacten te monitoren en dat er liquidatiedreiging vanuit de relaties van de slachtoffers of vanuit de criminele samenwerkingsverbanden bestaat. Ten aanzien van de beperking van telefoongesprekken tot maximaal 15 minuten per dag is in de beschikking terug te lezen dat dit met klager is besproken, en dat dit ook al in een eerder gesprek met klager is besproken. Niet is gebleken dat klager niet is gehoord over de GVM-maatregel van maximaal 15 minuten bellen per dag. Naar het oordeel van de beroepscommissie volgt uit de bestreden beslissing dat de oplegging van de GVM-toezichtmaatregelen noodzakelijk wordt geacht. Uit de bestreden beslissing blijkt verder dat klager is gehoord voordat de beslissing is genomen en dat de directeur een eigen belangenafweging heeft gemaakt, waarbij ook klagers belang en de inperking van klagers vrijheid is meegewogen bij het nemen van de beslissing. Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de beslissing van de directeur niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen en het beklag alsnog ongegrond verklaren.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog ongegrond.


Deze uitspraak is op 7 september 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. A. Jongsma, voorzitter, F. van Dekken en mr. J.B. Oreel, leden, bijgestaan door mr. Y.P. Schleijpen, secretaris.
 
 
secretaris    voorzitter
 

Naar boven